Wie is hij? – Een, die, bij gebrek aan land,
Moet vechten op ’t water. – Hij daagde eens uit
Den grooten walvisch, en bij zijne titels
Van Leviathan, Behemoth, en zoo voorts,
Schermutselde hij met een zwaardvisch. – Maar, heer!
’t Zeemonster won het; – dit verbittert
Nog steeds onzen kampioen.
Oud tooneelspel.
„En die arme jongen, Steven Mucklebackit, zal heden morgen begraven
worden,” zei onze waardige vriend de oudheidkenner, terwijl hij zijne
geborduurde kamerjapon tegen een ouderwetschen zwarten rok in plaats
van het snuifkleurig kleed, dat hij gewoonlijk droeg, verwisselde, „en
men verwacht, veronderstel ik, dat ik de lijkstatie zal bijwonen”
„O! ja!” antwoordde de oude Caxon, gedienstig de witte draden en
vlokken van zijn patroons rok afborstelende; „het lijk was zoo
verpletterd tegen de rotsen, dat zij zich haasten moeten met het te
begraven. De zee is een bedriegelijk iets, zeg ik tegen mijne dochter,
als zij troost noodig heeft, dat arme ding, – de zee, zeg ik Jenny, is
eene onzekere kostwinning, –
„Gelijk de kostwinning van een ouden pruikenmaker, van zijn brood
beroofd door het dragen van eigen haar en de belasting op het poeder.
Caxon, uwe troostgronden zijn even slecht gekozen, als ze bij ons
tegenwoordig gesprek weinig te pas komen. Quid mihi cum foemina? Wat
heb ik met uw vrouwvolkje te doen, die last genoeg van het mijne heb? –
Ik vraag u nog eens: verwachten deze arme lieden dat ik de begrafenis
van hun zoon zal bijwonen?”
„O, zonder twijfel wacht men mijnheer,” antwoordde Caxon; „ik ben
zeker, dat men u wacht. Gij weet, hoezeer men er in dit land op gesteld
is, dat de heer de beleefdheid heeft, om het lijk op zijn eigen grond
te volgen. – Gij behoeft niet verder te gaan, dan tot aan het begin der
laan; – men verwacht niet, dat mijnheer zijn eigen land verlaten zou; –
het is slechts eene kelso-begrafenis, zoo als men zegt, anderhalve stap
over den deurdrempel.”
„Eene kelso-begrafenis!” herhaalde de nieuwsgierige oudheidkenner: „en
wat is dat, – eene kelso-begrafenis?”
„Wel, mijnheer!” antwoordde Caxon, „hoe zou ik het weten? dat is
slechts zoo bij manier van spreken.”
„Caxon,” hernam Oldbuck, „gij zijt niets dan een pruikenmaker! – Had ik
Ochiltree de vraag gedaan, hij zou mij dadelijk met eene oude
overlevering gediend hebben.”
„Mijn werk” – antwoordde Caxon, met meer vuur dan hij gemeenlijk
toonde, „bepaalt zich tot den buitenkant van uw hoofd, zoo als mijnheer
altijd zelfs zegt.”
„Dat is waar, Caxon, zeer waar! en men kan het den leidekker niet
kwalijk nemen, dat hij geen behanger is!”
Hij haalde nu zijn zakboekje voor den dag en schreef op:
„kelso-begrafenis – anderhalve stap over den deurdrempel. Gezag –
Caxon. Quaere? – waarvan stamt het af? Mem. Over het onderwerp aan Dr.
Graysteel schrijven.”
Na dit geboekt te hebben, hernam hij: „En voorwaar, deze gewoonte van
den heer, om het lijk van den boer te begeleiden, keur ik goed, Caxon!
Ze stamt van oude tijden af, en was gegrond op de begrippen van
onderlingen bijstand en afhankelijkheid tusschen den heer en den
bebouwer van zijn land. En hierin, moet ik zeggen (even als ten aanzien
der hoffelijkheid jegens de vrouwen, welke zij overdreven) – hierin,
zeg ik, temperden en matigden de leenheerlijke gebruiken de strengheid
der klassieke tijden. Niemand, Caxon, hoorde ooit, dat een Spartaan de
begrafenis van een Heloot volgde. – Daarentegen durf ik zweren, dat Jan
van Girnell, – gij hebt wel eens van hem gehoord, Caxon?”
„Ja, ja, mijnheer!” antwoordde Caxon; „niemand kan lang in uw
gezelschap geweest zijn, zonder van dien heer gehoord te hebben.”
„Wel,” vervolgde de oudheidkenner, „ik zou eene kleinigheid willen
verwedden, dat er niet één kolbkerl of slaaf, of boer, ascriptus
glebae, op het grondgebied der monniken hier stierf, of Jan van Girnell
zag hem ordelijk en betamelijk begraven!”
„Ei, ja; maar met goedvinden van mijnheer, men zegt, dat hij meer te
maken had met de geboorten dan met de begrafenissen. Ha! ha! ha!”
schuddende van het lachen.
„Goed, Caxon! zeer goed! wèl! het is van morgen helder weder bij u.”
„En daarenboven” – voegde Caxon, aangemoedigd door de goedkeuring van
zijn patroon, er slim bij, „zegt men ook nog, dat de priesters er in
die tijden een duitje aan verdienden, met naar de begrafenissen te
gaan.”
„Recht zoo, Caxon, recht als mijn handschoen! – in het voorbijgaan
gezegd; ik geloof dat deze spreekwijze komt van de gewoonte, om een
handschoen tot pand te geven als teeken van onverbrekelijke trouw; –
recht, zeg ik, als mijn handschoen, Caxon! – maar thans is het
verdienstelijker voor ons, voor niets dien plicht te vervullen, die
zeer veel kostte in den tijd des bijgeloofs, hetwelk Spenser, Caxon, in
zijne allegorische regels noemt:
– De dochter van die blinde vrouw,
Abessa, dochter van Corecca –
Maar waarom spreek ik over deze dingen met u? – Mijn arme Lovel heeft
mij bedorven, en mij geleerd om hardop te spreken, als men bijna even
goed is, als alleen. – Waar is mijn neef Hector M’Intyre?”
„Hij is in de zaal, mijnheer, bij de dames.”
„Goed,” zeide de oudheidkenner; „ik zal er heen gaan.”
„Nu, Monkbarns!” zeide zijne zuster, toen hij in de kamer trad, „gij
moet niet boos zijn.”
„Waarde oom!” begon Mary M’Intyre.
„Wat moet dat beteekenen?” zeide Oldbuck, eenig kwaad nieuws
verwachtende, gelijk eene bezetting reeds bezorgd wordt voor een aanval
bij het eerste trompetgeschal, dat de opeisching aankondigt. „Wat is
er? waarom roept gij mijn geduld in?”
„Voor iets van geen groot belang, wil ik hopen, oom!” zeide Hector, die
met den arm in een draagband aan de ontbijttafel zat; „wat het echter
ook zij, ik ben er verantwoordelijk voor, zoo als ik het steeds blijf
voor zoo veel overlast, dien ik u veroorzaak, en waarvoor ik weinig
meer dan mijn dank kan aanbieden.”
„Neen, neen! hartelijk welkom, hartelijk welkom! – alleen laat u het
eene waarschuwing zijn tegen uwe aanvallen van gramschap, die eene
korte razernij is, – Ira furor brevis; – maar waarin bestaat nu dit
nieuwe ongeluk?”
„Mijn hond, oom, heeft ongelukkig iets naar beneden gesmeten, –”
„In ’s Hemels naam! ik hoop toch niet het tranenfleschje van
Clochnaben!” viel hem Oldbuck in de rede.
„Inderdaad, oom,” zeide Mary, „ik vrees, dat het juist dàt was, hetwelk
op het buffet stond; het arme dier wilde slechts bij de versche boter
komen.”
„Waarin het arme dier volkomen geslaagd is, veronderstel ik; want die
op tafel, zie ik, is winterboter. Maar dat is niets! – mijne
tranenflesch, de steunpilaar van mijn stelsel, waarop ik vertrouwde,
ondanks de onnoozele stijfhoofdigheid van Mac-Cribb, om te bewijzen dat
de Romeinen deze bergengten doorgetrokken waren en sporen achtergelaten
hebben van hunne kunsten en wapenen, – vernietigd, – verbrijzeld als
een gebroken – bloempot!”
– Hector! ik heb u lief;
Maar dien mij nimmer meer!”
„Wel, oom, ik vrees inderdaad, dat ik eene slechte vertooning zou maken
bij een regiment van uwe werving.”
„Ten minste, Hector, zou ik willen, dat gij u ontdeedt van uwe
volgelingen, of dat gij op marsch gingt expeditus, dat is relictis
impedimentis. Gij kunt niet begrijpen, hoe zeer mij uw hond verveelt; –
het dier is ook schuldig aan inbraak, geloof ik; want ik hoorde het
beschuldigen van in de keuken te zijn ingebroken, nadat de deuren
gesloten waren, en van een schapenbout te hebben opgegeten.” – (Onze
lezers, als zij zich bij toeval de voorzorg van Jenny Rintherout
herinneren, om de deur open te laten, toen zij naar de visschershut
ging, zullen waarschijnlijk de arme Juno vrijspreken van deze
verzwarende omstandigheden, die de rechtsgeleerden claustrum fregit
noemen, wat het verschil uitmaakt tusschen diefstal met inbraak begaan,
en enkel stelen).
„Het spijt mij inderdaad, oom,” zeide Hector, „dat Juno zoo veel
wanorde heeft aangericht; maar Jan Muirhead, de hondenafrichter, heeft
mij gezegd, dat hij Juno nooit onder appèl had kunnen brengen. Zij is
verder geweest, dan eenige hond, dien ik kende; maar, –”
„Dan, Hector, wenschte ik, dat uw hond ook uit mijn huis verder ging.”
„Wij zullen ons beide verwijderen, morgen of vandaag; maar ik zou niet
gaarne van den broeder mijner moeder in onmin scheiden om een
ellendigen aarden pot.”
„O broeder, broeder!” riep Mary M’Intyre in de uiterste wanhoop uit
over deze minachtende benaming.
„Wèl, hoe zal ik het noemen?” vervolgde Hector; „het was juist zulk een
ding, als waarvan wij ons in Egypte bedienden, om den wijn, of de
sorbet, of het water in af te koelen; – ik bracht er een paar van mede;
ik had er even goed twintig kunnen meêbrengen.”
„Hoe!” zeide Oldbuck, „van denzelfden vorm als die, welken uw hond ter
neêrsmeet?”
„Ja, oom! juist zulk een soort van aarden vaas, als die, welke op het
buffet stond. Ze staan in mijne kamer te Fairport; wij brachten er
eenige van mede, om er onzen wijn in af te koelen op den overtocht; –
dat ging ook best. – Als ik denken kon, dat ze eenigermate uw verlies
konden vergoeden, of liever, dat zij u aangenaam zouden zijn, verzeker
ik u, dat gij mij zeer vereeren zoudt met ze aan te nemen.”
„Inderdaad, mijn lieve jongen, ik zou mij zeer verheugen, ze te
bezitten. De betrekkingen der volkeren na te gaan uit hunne gebruiken
en de overeenkomst der gereedschappen, waarvan zij zich bedienden, is
lang mijne geliefkoosde studie geweest. Alles, wat dergelijke
betrekkingen kan ophelderen, is mij zeer veel waard!”
„Wel, oom, ik zal mij zeer verplicht gevoelen, als gij ze aannemen
wilt, en eenige andere kleinigheden van denzelfden aard. – En nu, mag
ik hopen, dat gij mij vergeven hebt?”
„O, mijn lieve jongen! gij zijt alleen maar gedachteloos en
lichtzinnig.”
„Maar Juno, – zij is ook slechts lichtzinnig, dat kan ik u verzekeren;
– Muirhead zeide, dat zij geen ander gebrek had, en volstrekt niet
koppig was.”
„Wel, ook Juno heeft mijne vergiffenis, – mits gij haar navolgt in het
vermijden van alle gebreken en stijfhoofdigheid, en dat zij zich
voortaan van de woonkamers verwijderd houdt.”
„Wel dan, waarde oom,” riep de krijgsman, „het zou mij spijten, en ik
zou mij geschaamd hebben, om u iets tot boete mijner zonden of van die
van mijn hond aan te bieden, hetwelk ik dacht, dat eenige wezenlijke
waarde had; maar nu alles vergeven is, zult gij den ouderloozen neef,
voor wien gij een vader geweest zijt, vergunnen, u eene kleinigheid aan
te bieden, die ik zeker weet, dat eene zeldzaamheid is, en welke mijne
wond mij alleen belet heeft, om u eerder ter hand te stellen. Ik kreeg
het van een Franschen geleerde, wien ik eenige diensten bewezen had, na
de gevechten bij Alexandrië.”
De kapitein gaf met deze woorden den oudheidkenner een klein doosje
over, dat een antieken ring van zuiver goud bevatte, met een zeer
schoone camee, het hoofd van Cleopatra voorstellende. De oudheidkenner
geraakte in de grootste verrukking, schudde hem hartelijk de hand,
bedankte hem wel honderdmaal, en toonde den ring aan zijne zuster en
nicht, welke laatste slim genoeg was, dien uitermate te bewonderen;
maar Grizelda (ofschoon zij haren neef dezelfde genegenheid toedroeg),
was niet behendig genoeg om hem bij te staan.
„Het is een aardig ding,” zeide zij, „Monkbarns, en, zeker van waarde;
– maar het is boven mijne kennis; gij weet, ik begrijp niets van
dergelijke zaken.”
„Daar hoort men geheel Fairport in eene stem!” riep Oldbuck uit; „het
is de echte geest van de stad, die ons allen besmet heeft: mij dunkt,
ik heb er den rook van gemerkt deze twee dagen, daar de wind, gelijk
eene remora, in het noordoosten is blijven hangen, – en de
vooroordeelen vliegen verder dan de dampen. Geloof mij, mijn waarde
Hector, – als ik de Hoogstraat van Fairport opwandelde, en dezen
onwaardeerbaren schat aan iedereen dien ik ontmoette ten toon spreidde,
geen sterveling, van den burgemeester af tot den scheepsomroeper toe,
zou blijven staan, om mij naar de geschiedenis er van te vragen. Maar,
als ik een stuk linnen onder den arm droeg, zou ik de paardenmarkt niet
bereiken kunnen, zonder met vragen overstelpt te zijn omtrent het
weefsel en den prijs. O! men zou hunne onwetendheid in de woorden van
Gray kunnen parodiëeren
„Weef de schering en weef ’t getouw,
De zweetlap van vernuft en rede;
De doek wordt voor u doek van rouw,
En ’t geld alleen geeft heil en vrede.”
Hoe aangenaam echter dit zoenoffer was, bleek eerst op dit oogenblik;
want terwijl de oudheidkenner dus declameerde, had Juno, die hem ontzag
met dat opmerkingswaardig instinct, waarmede de honden dadelijk
diegenen ontdekken, die hun genegen of afkeerig zijn, herhaaldelijk den
neus in de kamer gestoken, en niets afschrikkends ontwarende, zich
eindelijk verstout om er geheel in te komen, en door straffeloosheid
aangemoedigd, had zij werkelijk het geroosterd brood van Oldbuck
opgevreten, terwijl deze, nu den een, dan den ander van zijne
toehoorders aanziende, met veel zelfbehagen herhaalde
„Weef de schering en weef ’t getouw, –”
„Gij herinnert u de plaats in de Noodlottige Zusters, die, in ’t
voorbijgaan gezegd, niet zoo schoon is, als in het oorspronkelijke! –
Maar, heidaar! mijn geroosterd brood is verdwenen! – ik zie al
waarheen. Ah! gij type der vrouwen! geen wonder, dat uw geslachtsnaam
eene beleediging is!” (Dit zeggende, hief hij de vuist dreigend tegen
Juno op, die uit de spreekkamer stoof). – „Evenwel, daar Jupiter,
volgens Homerus, Juno in den hemel niet temmen kon, en daar Muirhead,
volgens Hector M’Intyre, er op aarde even weinig in geslaagd is,
veronderstel ik, dat men haar zal moeten laten begaan!” En deze zachte
berisping beschouwden broeder en zuster met recht als eene volledige
vergiffenis van Juno’s overtredingen, en gebruikten nu vergenoegd het
morgenmaal.
Na het ontbijt sloeg de oudheidkenner aan zijn neef voor, met hem naar
de begrafenis te gaan. De krijgsman verontschuldigde zich, omdat hij
geen rouwkleed had.
„O! dat doet er niet toe; – uwe tegenwoordigheid is alles, wat
vereischt wordt. Ik verzeker u, gij zult iets zien, dat u vermaken, –
neen, dat is de juiste uitdrukking niet, – dat u belang inboezemen zal
door de gelijkenis, die ik u zal doen opmerken tusschen de gebruiken
bij ons bij zulke gelegenheden, en die der ouden.”
„De Hemel vergeve het mij!” dacht M’Intyre; „ik zal zeker iets
verkeerds doen, en de genade verspelen, die ik zoo even bij toeval
verworven heb.”
Toen zij vertrokken, nam de krijgsman, door de waarschuwende en
smeekende blikken van zijne zuster onderricht, het vaste besluit, om
geen aanstoot te geven door eenig blijk van onoplettendheid of
ongeduld. Maar onze beste voornemens zijn te vergeefsch, zoodra ze
strijden met onze heerschende neigingen. Onze oudheidkenner, om niets
onuitgelegd te laten, was begonnen met de begrafenisplechtigheden der
oude Scandinaviërs, toen zijn neef hem te midden eener uitweiding over
den „ouderdom der heuvelen,” in de rede viel met op te merken, dat eene
groote zeemeeuw, die om hen heen vloog, tweemaal binnen schot gekomen
was. Deze misslag erkend en vergeven zijnde, ging Oldbuck met zijne
verhandeling voort.
„Dit zijn omstandigheden, welke uwe opmerking verdienen en u genoegzaam
bekend moeten zijn, waarde Hector; want in den zonderlingen loop van
den tegenwoordigen oorlog, die alles in Europa in beweging brengt, is
het niet mogelijk te weten, waar gij eens zoudt kunnen geroepen worden
te dienen. Zoo het bij voorbeeld in Noorwegen ware, of in Denemarken,
of in eenig gedeelte van het oude Scania, of, zoo als wij het noemen,
Scandinavië, wat zou dan nuttiger zijn, dan op uw duimpje de
geschiedenis en oudheden te kennen van dat oude land, de officina
gentium, de moeder van het hedendaagsche Europa, de bakermat van die
helden,
Stout in ’t besluiten, paalvast in ’t verduren,
Glimlachende in den dood! –
„Hoe bemoedigend, bij voorbeeld, zou het wezen, na een vermoeienden
marsch, u in de nabijheid van een gedenkteeken der Runen te bevinden,
en te ontdekken, dat gij uwe tent opgeslagen hadt naast de
begraafplaats van een held!”
„Ik geloof, oom, dat onze tafel beter voorzien zou worden, als wij ons
in de nabijheid van eene flinke boerderij bevonden.”
„Het spijt mij, u zoo te hooren spreken! – Geen wonder dat de dagen van
Crécy en Agincourt voorbij zijn, als de eerbied voor de oude dapperheid
in het hart van den Britschen soldaat uitgedoofd is.”
„In geenen deele, oom! – volstrekt niet! maar ik verbeeld mij dat
Eduard en Hendrik en alle overige helden om hun eten dachten, eer zij
zich de moeite gaven, om een ouden grafsteen te onderzoeken. Maar ik
verzeker u, wij zijn geenszins ongevoelig voor de herinnering aan den
roem onzer voorvaderen; ik placht ’s avonds dikwijls den ouden Rory
M’Aldin te laten komen, om ons gezangen van Ossian over de gevechten
van Fingal en Lamon Mor, en Magnus, en den geest van Muirartach, voor
te zingen.”
„En gelooft gij,” vroeg de driftige oudheidkenner, „gelooft gij
inderdaad, dat het lapwerk van Macpherson wezenlijk oud is, gij
onnoozele jongen?”
„Gelooven, oom? – hoe kon ik anders doen dan het gelooven, daar ik die
gezangen heb hooren zingen van kindsbeen af?”
„Maar niet die van Macpherson’s Engelschen Ossian; – gij zijt, hoop ik,
niet dwaas genoeg om dat te zeggen?” zei de oudheidkenner, terwijl zich
zijne wenkbrauwen van gramschap samentrokken.
Maar Hector wachtte den storm moedig af. Gelijk menige wakkere Celt,
oordeelde hij, dat de eer van zijn land en van zijne moedertaal eischte
om het gezag van deze volksliederen te handhaven; en hij zou eerder
lijf en goed in den steek hebben gelaten, dan er één enkelen regel van
op te geven. Hij hield dus onverschrokken vol, dat Rory M’Alpin het
geheele boek van begin tot einde kon opzeggen; en het was slechts, na
vragen en wedervragen, dat hij het algemeene van dat gezegde bepaalde,
door er bij te voegen: „ten minste, als men hem brandewijn genoeg gaf,
kon hij er zoo lang mede volhouden, als er iemand was, die naar hem
luisteren wilde.”
„Zoo, zoo!” zei de oudheidkenner, „en dat, veronderstel ik, zal niet
zeer lang geweest zijn.”
„Wel, oom, wij hadden onzen dienst te doen, en konden niet den geheelen
nacht zitten luisteren naar een ouden pijper.”
„Maar herinnert gij u nu nog,” zeide Oldbuck, door de geslotene tanden,
en zonder ze te openen, wat zijne gewoonte was, als men hem tegensprak,
– „herinnert gij u eenige van die verzen, welke gij zoo schoon en
belangwekkend vondt; – gij, die zonder twijfel een bevoegd beoordeelaar
van dergelijke dingen zijt?”
„Ik maak geene aanspraak op veel verstand, oom! maar het is niet zeer
redelijk om knorrig op mij te wezen, omdat ik de oudheden van mijn
eigen land meer bewonder, dan die der Harolds, Harfagers en Haco’s,
waarmede gij zoo veel op hebt!”
„Wel, deze machtige en onverwonnene Gothen waren uwe voorouders! De
broekelooze Celten die zij onderwierpen, en in het leven lieten, als
een vreesachtig volk, in de holen der rotsen, waren slechts hunne
Mancipia”
Hector fronste op zijne beurt de wenkbrauwen. „Oom, ik versta de
beteekenis niet van Mancipia; maar ik begrijp, dat dergelijke namen
zeer verkeerd aan Hooglanders gegeven worden. Niemand anders dan de
broeder mijner moeder zou zulk eene taal in mijne tegenwoordigheid
durven voeren; en ik verzoek u te bedenken, dat zoo iets noch gastvrij,
noch beleefd, noch vriendschappelijk, noch edelmoedig is omtrent uw
gast en uw bloedverwant. Mijne voorouders oom, –”
„Waren groote en moedige helden, ik wil het wel gelooven, Hector! en ik
meende waarlijk niet, u eene zoo groote beleediging aan te doen door
over een oudheidkundig onderwerp te spreken, waarbij ik zelf altijd
koelbloedig, nadenkend en zonder drift blijf. Maar gij zijt vurig en
opvliegend, alsof gij Hector en Achilles en Agamemnon tegelijk waart!”
„Het spijt mij, dat ik mij zoo driftig uitdrukte, voornamelijk tegen u,
die zoo edelmoedig en goed zijt. – Maar mijne voorouders, –”
„Niets meer daarvan, jongen! ik wilde hen niet beleedigen; – geen van
allen.”
„Dat verheugt mij, oom, want het geslacht van M’Intyre, –”
„Vrede zij met hen allen!” riep de oudheidkenner. „Maar om tot ons
onderwerp terug te keeren, – herinnert gij u, zeg ik, eenige van die
gedichten, die u zoo veel vermaak verschaften?”
„Het is zeer hard,” dacht M’Intyre, „dat hij met zoo veel genoegen over
alles spreekt, wat oud is, uitgezonderd mijn geslacht.” – Hij deed toen
eenige pogingen om iets te bedenken, en voegde er hardop bij: „Ja, oom,
ik geloof dat ik mij eenige regels herinner; maar gij verstaat geen
Gaëlisch!”
„En wil gaarne verschoond blijven van het te hooren. Maar kunt gij mij
eenig denkbeeld van den zin, in onze moedertaal geven?”
„Ik zal een ellendig vertaler wezen,” zeide M’Intyre; daarop zeide hij
het oorspronkelijke, dat vol was van aghes, aughs en oughs en
dergelijke keelklanken, snel op, en hoestte en kuchte toen, alsof de
vertaling hem in de keel bleef. Eindelijk, na vooraf aangemerkt te
hebben, dat het dichtstuk ene samenspraak was tusschen den dichter
Oisin of Ossian, en Patrick, den Beschermheilige van Ierland, en dat
het moeielijk, zoo niet onmogelijk was, de uitgezochte schoonheid der
twee of drie eerste regels even gelukkig over te brengen, zeide hij,
dat de zin hier op neêr kwam:
„Patrick de psalmzinger!
Daar gij niet wilt luist’ren naar een van mijn vertelsels,
Ofschoon gij die nimmer tot nu toe gehoord hebt,
Smart het mij u te zeggen
Dat gij weinig meer zijt dan een ezel. –”
„Goed! goed!” riep de oudheidkenner uit; „maar ga voort! Wel, dit is,
in elk geval, kostelijk! Ik geloof wel, dat de dichter gelijk had. Wat
zegt de Heilige?”
„Hij spreekt in zijn karakter,” antwoordde M’Intyre; „maar gij moest
M’Alpin het oorspronkelijke hooren zingen. De woorden van Ossian zijn
voor eene zware, lage basstem gezet; – die van Patrick voor een tenor.”
„Gelijk M’Alpin’s groote en kleine fluitjes, veronderstel ik,” zeide
Oldbuck; „ik bid u, ga voort!”
„Nu dan, Patrick geeft aan Ossian ten antwoord:
„Op mijn woord, Fingal’s zoon!
Terwijl ik psalmen zing,
Stoort het geschreeuw uwer oudwijven sprookjes
De oefeningen van mijne aandacht.”
„Voortreffelijk! – Wel, het gaat hoe langer hoe beter. Ik hoop, dat de
Heilige Patrick beter zal gezongen hebben dan Blattergowl’s voorlezer.
Maar wat ik bewonder, is de onderlinge beleefdheid van deze twee hooge
personages. Het is jammer, dat daarvan geen woord in Macpherson’s
overzetting staat.”
„Indien gij daar zeker van zijt,” zeide M’Intyre deftig, „dan moet hij
zich eigendunkelijk zeer veel vrijheid veroorloofd hebben met het
oorspronkelijke.”
„Het zou gevaarlijk zijn, dat zoo kortaf te beslissen; – maar ik bid u
– ga voort.”
„Nu,” zeide M’Intyre, „zie hier het antwoord van Ossian:
„Durft gij uwe psalmen vergelijken,
Gij, zoon van eene –”
„Zoon van eene – wat?” riep Oldbuck.
„Het beteekent, geloof ik,” antwoordde Hector met eenigen weêrzin,
„zoon van eene teef!”
„Durft gij uwe psalmen vergelijken
Met ’t verhaal van den Fenier met bloote armen?”
„Weet ge zeker dat ge de twee laatste woorden nauwkeurig vertaalt,
Hector?”
„Zeer zeker, oom,” antwoordde Hector verdrietig.
„Omdat ik gedacht zou hebben, dat wellicht de naaktheid van een ander
gedeelte van het lichaam vermeld moest zijn.”
Hector verwaardigde zich niet hierop te antwoorden, en ging voort met
zijn gedicht:
„Ik zou er weinig om geven,
Om u het kale hoofd te wringen van de schouders,
„Maar wat is dat ginds?” riep Hector afbrekende.
„Eén uit de kudde van Proteus,” antwoordde de oudheidkenner – „een
Phoca of zeehond, die op het strand ligt te slapen.”
Hierop vergat M’Intyre, met al de drift van een jongen jager, geheel en
al Ossian, Patrick, zijn oom en zijne wond, en uitroepende: „ik zal hem
krijgen! ik zal hem krijgen!” greep hij den wandelstok uit de hand van
den verwonderden oudheidkenner, met eenig gevaar van hem omver te
werpen, en stoof weg zoo hard hij kon, om zich bij tijds te plaatsen
tusschen de zee en het dier, dat verschrikt in het water zocht te
vluchten.
Sancho Pancha, toen zijn meester het verhaal van de bestrijders van
Pentapolin met den naakten arm afbrak, om persoonlijk op de kudde
schapen aan te vallen, stond niet meer verbaasd dan Oldbuck, bij deze
onverwachte vlaag van zijn neef.
„Is hij bezeten!” was zijn eerste uitroep, „om het stomme dier, dat
niet om hem dacht, te gaan verontrusten?” – Toen de stem verheffende:
„Hector, – neef, – dwaas! – laat de Phoca met vrede! – laat de Phoca
met vrede! – Ze bijten woedend, zeg ik u! – Hij bekreunt zich niet meer
om mij, dan om een boonenstaak; – daar, – daar hebben ze elkander beet!
– Hemel! de Phoca heeft de overhand. Dat mag ik zien!” zeide hij
verbitterd, ofschoon wezenlijk verontrust over zijn neef, „dat verheugt
mij van ganscher harte!”
Inderdaad, toen de zeehond den terugtocht afgesneden zag door den
vluggen soldaat, bood hij hem dapper tegenstand, en zonder letsel
bekomen te hebben, fronste hij, naar de gewoonte dezer dieren als zij
vertoornd zijn, de wenkbrauwen, en, ter zelfder tijd gebruik makende
van een zijner lompe, maar sterke voorpooten, rukte hij het wapen uit
de hand van den aanvaller, smeet hem omver in het zand, en pakte zich
weg in zee, zonder hem eenig verder leed aan te doen. Kapitein
M’Intyre, vrij wat onthutst door den uitslag van zijn gevecht, stond
juist bij tijds op, om de spotachtige gelukwenschen van zijn oom te
ontvangen over een tweegevecht, waardig door Ossian zelven bezongen te
worden, „daar” – zei de oudheidkenner, „uwe grootmoedige tegenpartij
gevlucht is (ofschoon niet op arendsvleugelen) voor den vijand, die
gevallen was. – Ei, het dier stoof weg met al den trots van een
overwinnaar, en heeft dan ook mijn stok als spolia opima meê genomen!”
M’Intyre kon weinig meer te zijner verantwoording zeggen, dan dat een
Hooglander nimmer een hert, een zeehond, of een zalm kon voorbijgaan,
als er eenige mogelijkheid was om er bij te komen, en dat hij vergeten
had, dat hij één arm in een draagband had. Hij gebruikte verder zijn
val tot verontschuldiging, om naar Monkbarns terug te keeren, en
ontsnapte dus aan de verdere spotternijen van zijn oom, zoowel als aan
zijne klaagliederen over het verlies van zijn wandelstok.
„Ik sneed hem,” – zeide hij, „in de klassieke bosschen van Hawthornden,
toen ik niet dacht altijd ongetrouwd te blijven! – ik zou hem voor geen
oceaan vol zeehonden gegeven hebben! – O Hector, Hector, uw naamgenoot
werd geboren om een steun van Troje te wezen, en gij, om de plaag van
Monkbarns te zijn!”