Want hij was steeds bij al hun tijdverdrijf
En regelde, als Vorst, hun spel en hun gekijf;
Den taaien boog, en den vliegender bal,
En kegel en kogel, hij maakte het al.
Crabbe’s Dorp.
Frans Macraw vergezelde, volgens de bevelen van zijn meester, den
bedelaar, om hem van het landgoed te verwijderen, zonder te gedoogen
dat hij eenig gesprek of gemeenschap hield met iemand van de
onderhoorigen of dienstboden. Maar zeer wijselijk in aanmerking
nemende, dat die bepaling zich niet tot hem zelven uitstrekte, die de
persoon was, aan wien het geleide toevertrouwd werd, wendde hij alle
mogelijke middelen aan, om van Adam den aard van zijn vertrouwelijk en
geheim gesprek met lord Glenallan te vernemen. Maar Adam had in zijn
tijd op menige strikvraag moeten antwoorden, en wist zich gemakkelijk
te redden uit die van zijn voormaligen kameraad. „De geheimen der
grooten,” – zeide Ochiltree bij zich zelven, – „zijn juist als de wilde
beesten, die in kooien opgesloten zitten. Houd ze vast en stevig achter
de traliën, dan gaat het goed; maar laat ze los, zij keeren zich om en
verscheuren den mensch. Het heugt mij, hoe slecht het Dugald Gunn
bekwam, dat hij gebabbeld had over des majoors vrouw en kapitein
Bandilier.”
Frans werd dus afgeslagen in zijne aanvallen op de getrouwheid van den
bedelaar, en even als een slecht schaakspeler, gaf hij zich bij iederen
mislukten zet hoe langer hoe meer aan zijne tegenpartij bloot.
„Dus gij houdt vol, dat gij mijn meester over niets te spreken hadt dan
over uwe eigen zaken?”
„Wel ja, – en over de kleinigheden, die ik van buiten ’s lands
meêgebracht had. Ik wist, dat gij Katholieken bijzonder gesteld zijt op
reliquiën, die ver van hier, van kerken en dergelijke plaatsen gehaald
zijn.”
„Inderdaad; – en de graaf moet geheel van zijn stuk geweest zijn, om
zich zoo in de weer te stellen over iets, dat gij hem brengen kondet,
Adam!”
„Ik twijfel niet, of gij hebt in de hoofdzaak gelijk kameraad! – maar
misschien heeft hij in zijne jeugd eenig ongeluk gehad, en dat
verbittert den mensch –”
„Inderdaad, Adam! zeg dat vrij; – en daar gij waarschijnlijk nooit meer
hier komen zult, en, indien gij het doet, mij er niet meer zult vinden,
kan ik u zeggen, dat zijn hart in zijn jongen tijd deerlijk gegriefd
werd, en men mag er zich over verwonderen, dat het niet al lang
gebroken is.”
„Dacht ik het niet!” zeide Ochiltree; „daar moet eene vrouw in het spel
geweest zijn!”
„Juist! gij hebt het getroffen, – eene van zijne nichtjes – Eveline
Neville, zoo als zij heette. Men praatte er over onder de menschen;
maar het werd gesust, omdat de grooten er meê gemoeid waren; – het is
meer dan twintig jaren geleden, – ja, het zal drieëntwintig jaar zijn.”
„Zoo? – Toen was ik in Amerika,” zei de bedelaar, „en niet in de
gelegenheid om de praatjes van den dag te hooren.”
„Er viel niet zwaar over te praten, man!” hernam Macraw; „hij was
verliefd op de jonge dame en zou haar getrouwd hebben; maar zijne
moeder kwam er achter, en daar was de duivel in het spel. Althans, het
arme meisje wierp zich van de rots bij Craigburnfoot in zee, en daar
was het meê uit.”
„Uit voor de arme dame; maar zeker niet uit voor den armen graaf!”
„Neen, niet uit, zoolang hij leeft,” antwoordde de Hooglander.
„Maar waarom verbood de oude gravin het huwelijk?” vervolgde de
onvermoeide vrager.
„Waarom? – Dat zal zij misschien zelve wel niet recht geweten hebben;
maar alles moest naar haar zin zijn, goed of kwaad. – Maar men wist,
dat de jonge dame het oor leende aan de ketters in het land; – en te
meer noch, omdat zij den graaf nader verwant was, dan onze kerk
toelaat. – Zie je, de dame werd gedreven tot de wanhopige daad, en de
graaf heeft sedert dien tijd nooit weêr het hoofd opgericht.”
„Wel!” hernam Ochiltree; „het is toch wonder, dat ik tot heden nooit
iets van de zaak gehoord heb.”
„Het is zelfs een wonder, dat gij er nu van hoort; want ik ben des
duivels, als een van de dienstboden er van zou hebben durven spreken
bij het leven van de oude gravin. Hé, man, zij kon er door heen slaan;
– het zou menig man moeielijk gevallen zijn, om haar te staan! – Maar
zij ligt in het graf, en wij kunnen nu een woordje praten, als wij een
vriend ontmoeten. – Maar, vaarwel Adam! ik moet terug naar den
avonddienst. – En als gij wellicht over een maand of wat te Inverary
komt, vergeet niet, naar uw vriend Frans Macraw te vragen.”
Adam beloofde aan den wensch van zijn vriend te voldoen, en beiden
scheidden dus met alle mogelijke betuigingen van weêrkeerige achting.
De bediende van Lord Glenallan nam zijn weg terug naar het kasteel van
zijn meester, en liet Ochiltree aan zich zelven over, om zijn gewoon
slenterleven te hervatten.
Het was een schoone zomeravond, en de wereld, dat is de kleine kring,
welke alles in alles was voor den persoon, die hem bewandelde, lag voor
Adam Ochiltree open, om er een nachtleger te kiezen. Zoodra hij buiten
het ongastvrije grondgebied van Glenallan gekomen was, had hij zoo vele
plaatsen, waar hij zijn intrek dien avond kon nemen, dat hij
besluiteloos, ja, zelfs moeielijk was in zijne keuze. De herberg van
Ailie Sims lag aan den weg, ongeveer eene mijl vóór hem; maar dáár zou
veel jong volk zijn met den Zaterdag avond, en dat was lastig bij het
voeren van eenig geregeld gesprek. Andere pachters en hunne vrouwen
deden zich achtereenvolgens aan zijne verbeelding op; maar de een was
doof, en kon hem niet hooren; de ander had geene tanden, en kon hem
niets laten hooren; een derde was slecht van humeur, en een vierde had
een kwaadaardigen huishond. Te Monkbarns en Knockwinnock was hij zeker
van een goed en gastvrij onthaal; maar die plaatsen waren te ver
afgelegen, om er zich dien avond vroeg genoeg te kunnen aanmelden.
„Ik weet niet, hoe het komt,” zei de oude man; „maar ik ben heden avond
moeielijker omtrent mijn kwartier, dan ik mij herinner ooit van mijn
leven geweest te zijn. Ik geloof dat ik, na het zien van al de pracht
ginds, en na de ontdekking dat men zonder die gelukkig kan zijn,
trotsch geworden ben op mijn eigen lot. – Zoo het mij maar niet
opbreekt; want hoogmoed komt voor den val. In elk geval zal de
slechtste schuur, waarin ooit een mensch sliep, een aangenamer verblijf
zijn, dan het huis van Glenallan, met al die schilderijen en het zwarte
laken en het fraaie zilverwerk, dat er bij behoort. Dus zal ik het maar
in eens bepalen, en bij Ailie Sims intrekken.”
Toen de oude man den berg afging, die zich boven het kleine gehucht
verhief, waarheen hij zijne schreden richtte, had de ondergaande zon de
bewoners der streek hun arbeid doen staken, en de jonge lui, zich den
fraaien avond te nutte makende, waren bezig met kegelen op het gras,
terwijl de vrouwen en ouders toezagen. Het geschreeuw, het gelach, de
luide stemmen der winners en verliezers waren hoorbaar op het pad,
langs hetwelk Ochiltree neêrdaalde, en deden bij hem de herinnering der
dagen ontwaken, waarin hij zelf een bekwaam mededinger en meer dan eens
de overwinnaar was in spelen, waarbij sterkte en vlugheid van lichaam
vereischt werden. Deze herinneringen laten zelden na een zucht te
verwekken, zelfs dan, wanneer de avond van het leven door schitterender
vooruitzichten vervroolijkt wordt, dan die van onzen armen bedelaar.
„Op dien tijd van den dag,” – was zijne natuurlijke opmerking, „zou ik
mij even weinig bekommerd hebben om een ouden pelgrim, die van den
heuvel van Kinblythemont kwam nederdalen, als eenige van deze fiksche
jonge knapen zich thans om Adam Ochiltree bekommeren.”
Hij werd echter dadelijk in eene vroolijker stemming gebracht, toen hij
bevond, dat men meer belang in zijne komst stelde, dan zijne zedigheid
had durven verwachten. Er was namelijk een betwiste worp gedaan door
een der spelers, en daar de kommies de eene partij, en de schoolmeester
de andere partij toegedaan was, mag men wel zeggen, dat de zaak door de
hoogere autoriteiten in handen genomen werd. De molenaar en de smid
hadden even eens verschillende partijen gekozen, en de hevigheid van
twee zulke twistenden in aanmerking genomen, mocht men met reden
twijfelen, of de strijd in der minne eindigen zou. Maar de eerste der
aanwezenden, die een blik op den bedelaar wierp, riep uit: „Ha! daar
komt de oude Adam aan, die de regels van het spel beter kent dan
iemand, die ooit hier speelde; – laat ons niet kibbelen, jongens! – Wij
zullen ons aan de uitspraak van Adam houden!”
Adam werd dus welkom geheeten en tot scheidsrechter benoemd, met een
luiden, algemeenen kreet van gelukwensching. Met al de zedigheid van
een bisschop, die zijne benoeming aanneemt, of van een spreker, die
voor het eerst den kansel beklimt, praatte de oude man van het groot
vertrouwen, dat men in hem stelde, en van de groote
verantwoordelijkheid, die men hem wilde opleggen, en had, ter belooning
van zijne zelfverloochening en nederigheid, het genoegen, de herhaalde
verzekeringen van jong en oud te ontvangen, dat hij stellig en zeker de
bekwaamste en meest bevoegde persoon was voor scheidsrechter, „in de
geheele landstreek!”
Dus aangemoedigd, ging hij deftig over tot het vervullen van zijn ambt,
en verbood bepaaldelijk alle beleedigende uitdrukkingen van
weerskanten; hij hoorde den smid en den ijker aan de eene, den molenaar
en den schoolmeester aan de andere zijde. Adam had echter bij zich
zelven de zaak beslist, vóór dat de pleidooien begonnen, gelijk vele
rechters, die desniettemin alle vormen bewaren, en tot het einde toe de
welsprekendheid en de betoogen der advocaten verduren moeten. Zoodra
dus alles van weerskanten gezegd, en veel daarvan meer dan eens gezegd
was, sprak onze rechter, na goed en rijp overleg, het verzoenend en
heilzame vonnis uit, dat de worp moest overgedaan, en dus voor geene
der partijen gerekend worden. Deze wijze beslissing herstelde de
eendracht onder de spelers; zij begonnen op nieuw de kegels op te
zetten en hunne weddingschappen te maken, met al de luidruchtigheid,
welke dergelijke landelijke vermakelijkheden gewoonlijk vergezelt, en
de driftigsten trokken reeds hunne buizen uit en gaven die, met hunne
gekleurde zakdoeken, ter bewaring over aan hunne vrouwen, zusters, of
liefsten. Maar de vreugde werd op eene zonderlinge wijze gestoord.
Aan den buitenkant van de groep spelers verhief zich een geluid, zeer
verschillend van de stem der vroolijkheid; – men hoorde verward die
soort van onderdrukte zuchten, waarmede het eerste nieuws van een groot
ongeluk ontvangen wordt. Er ontstond eenige beweging onder de vrouwen,
en men herhaalde de woorden: „Och! zoo jong en zoo plotseling
opgeroepen!” – Weldra verspreidde zich de droevige mare onder de mannen
en het vreugdegeschreeuw verstomde. Allen begrepen dadelijk, dat een
groot ongeluk gebeurd was, en iedereen vroeg zijn buurman naar de
tijdingen; maar deze wist er even weinig van als de vrager. Eindelijk
bereikte het gerucht duidelijk de ooren van Adam Ochiltree, die zich
geheel in het midden der vergadering bevond. De boot van Mucklebackit,
den visscher, van wien wij meermalen gewaagd hebben, was op zee
omgeslagen, en vier menschen waren er bij omgekomen, onder anderen
Mucklebackit en zijn zoon. Het gerucht had nochtans ook nu de waarheid
overschreden. De boot was inderdaad omgeslagen, maar Steven
Mucklebackit alleen was verdronken. Ofschoon zijne woonplaats en zijne
wijze van leven hem verwijderd hadden van het gezelschap der
landlieden, lieten zij echter niet na, om hun landelijk spel te staken
en in het onverwachte ongeluk die deelneming te toonen, welke het in
treffende gevallen meestal opwekt. Ochiltree, in het bijzonder, werd
door dit nieuws als door een donderslag getroffen, te meer, daar hij
dezen jongen mensch nog zoo onlangs overgehaald had, om hem bij eene
zaak behulpzaam te zijn, die, ofschoon ze geen groot nadeel of verlies
aan den goudzoeker toebrengen zou, toch juist niet tot die bezigheden
behoorde, waaraan men de laatste uren van zijn leven besteden moet.
Een ongeluk komt zelden alleen. Terwijl Ochiltree, in diep nadenken op
zijn staf leunende, zijne smart met die der gehuchtbewoners vereenigde,
welke den plotselijken dood van den jongen visscher betreurden, en hij
zich inwendig berispte wegens de overtreding der wet, waarin hij hem
zoo onlangs gewikkeld had, werd de oude man bij den kraag gepakt door
een dienaar van het gerecht, die zijn stok met zijne rechterhand in de
hoogte hief, en uitriep: „In ’s konings naam!”
De kommies en de schoolmeester vereenigden hunne welsprekendheid, om
den diender en zijn gezel te overtuigen, dat hij geen recht had, om des
konings bedelaar aan te houden als een landlooper; en de stomme
welbespraaktheid van den molenaar en den smid, die zich in hunne stevig
geslotene vuisten vertoonde, was gereed, om op zijn Hooglandsch borg
voor hun scheidsman te geven: „zijn blauwe rok,” zeiden zij ook, „was
zijn vrijbrief, om het land ongemoeid door te trekken.”
„Maar zijn blauwe rok,” antwoordde de gerechtsdienaar, „beschermt hem
niet wegens gewelddadigen aanval, roof en moord; en ik moet hem wegens
deze misdaden aanhouden.”
„Moord!” zeide Adam, „wien zou ik vermoord hebben?”
„Den heer Dousterswivel, den bestuurder van de mijnen te
Glen-Withershins.”
„Duisterduivel vermoord! – hij leeft! hij is springlevend, man!”
„Dat heeft hij u niet te danken; hij heeft een harden strijd gehad voor
zijn leven, als het waar is, wat hij zegt, en gij moet u daaromtrent
verantwoorden.”
De verdedigers van den bedelaar schrikten op het hooren van de
gruwelijke beschuldiging tegen hem ingebracht; maar meer dan eene
vriendelijke hand stak Adam vleesch en brood en geld toe tot zijn
onderhoud in de gevangenis, werwaarts hem de gerechtsdienaar wilde
brengen.
„Dank u! – God zegene u kinderen! – ik ben aan menigen strik ontkomen,
toen ik het minder verdiende dan nu. Ik zal als de vogel uit de knip
vrijkomen. Speelt uw spel maar uit, en bekommert u niet om mij. – Ik
heb meer verdriet over den armen jongen, dan over alles, wat zij mij
kunnen aandoen.”
De gevangene werd dus zonder tegenstand weggevoerd, terwijl hij
werktuigelijk de aalmoezen, die men hem van alle kanten toereikte,
ontving en in den zak stopte, en eer hij het gehucht verliet, was hij
beladen als een marskramer. De moeite, om deze vracht te dragen, werd
hem nochtans verlicht, daar de gerechtsdienaar kar en paard bezorgde,
om den ouden man voor een overheidspersoon te brengen, om ondervraagd
te worden eer hij naar de gevangenis ging.
Het ongeluk van Steven en het gevangennemen van Adam hadden een einde
gemaakt aan het spel der dorpelingen, die begonnen na te denken over de
wisselvalligheden der wereldsche dingen, welke zoo plotseling een van
hunne makkers naar het graf, en den bestuurder van hun spel in gevaar
gebracht hadden van gehangen te worden. Het karakter van Dousterswivel,
dat vrij algemeen bekend was, wat, in zijn geval, zeggen wil, vrij
algemeen gehaat was, gaf aanleiding tot vele gissingen over de
mogelijkheid, dat de beschuldiging boosaardiglijk verzonnen was. Maar
allen kwamen daarin overeen, dat, indien Adam Ochiltree bij de uitkomst
dezer zaak eenig leed moest ondergaan, het ten zeerste te betreuren
was, dat hij zijn lot niet beter verdiend had door Dousterswivel
werkelijk dood te slaan.