NEGENENTWINTIGSTE HOOFDSTUK

Want hij was steeds bij al hun tijdverdrijf

En regelde, als Vorst, hun spel en hun gekijf;

Den taaien boog, en den vliegender bal,

En kegel en kogel, hij maakte het al.

Crabbe’s Dorp.

Frans Macraw vergezelde, volgens de bevelen van zijn meester, den

bedelaar, om hem van het landgoed te verwijderen, zonder te gedoogen

dat hij eenig gesprek of gemeenschap hield met iemand van de

onderhoorigen of dienstboden. Maar zeer wijselijk in aanmerking

nemende, dat die bepaling zich niet tot hem zelven uitstrekte, die de

persoon was, aan wien het geleide toevertrouwd werd, wendde hij alle

mogelijke middelen aan, om van Adam den aard van zijn vertrouwelijk en

geheim gesprek met lord Glenallan te vernemen. Maar Adam had in zijn

tijd op menige strikvraag moeten antwoorden, en wist zich gemakkelijk

te redden uit die van zijn voormaligen kameraad. „De geheimen der

grooten,” – zeide Ochiltree bij zich zelven, – „zijn juist als de wilde

beesten, die in kooien opgesloten zitten. Houd ze vast en stevig achter

de traliën, dan gaat het goed; maar laat ze los, zij keeren zich om en

verscheuren den mensch. Het heugt mij, hoe slecht het Dugald Gunn

bekwam, dat hij gebabbeld had over des majoors vrouw en kapitein

Bandilier.”

Frans werd dus afgeslagen in zijne aanvallen op de getrouwheid van den

bedelaar, en even als een slecht schaakspeler, gaf hij zich bij iederen

mislukten zet hoe langer hoe meer aan zijne tegenpartij bloot.

„Dus gij houdt vol, dat gij mijn meester over niets te spreken hadt dan

over uwe eigen zaken?”

„Wel ja, – en over de kleinigheden, die ik van buiten ’s lands

meêgebracht had. Ik wist, dat gij Katholieken bijzonder gesteld zijt op

reliquiën, die ver van hier, van kerken en dergelijke plaatsen gehaald

zijn.”

„Inderdaad; – en de graaf moet geheel van zijn stuk geweest zijn, om

zich zoo in de weer te stellen over iets, dat gij hem brengen kondet,

Adam!”

„Ik twijfel niet, of gij hebt in de hoofdzaak gelijk kameraad! – maar

misschien heeft hij in zijne jeugd eenig ongeluk gehad, en dat

verbittert den mensch –”

„Inderdaad, Adam! zeg dat vrij; – en daar gij waarschijnlijk nooit meer

hier komen zult, en, indien gij het doet, mij er niet meer zult vinden,

kan ik u zeggen, dat zijn hart in zijn jongen tijd deerlijk gegriefd

werd, en men mag er zich over verwonderen, dat het niet al lang

gebroken is.”

„Dacht ik het niet!” zeide Ochiltree; „daar moet eene vrouw in het spel

geweest zijn!”

„Juist! gij hebt het getroffen, – eene van zijne nichtjes – Eveline

Neville, zoo als zij heette. Men praatte er over onder de menschen;

maar het werd gesust, omdat de grooten er meê gemoeid waren; – het is

meer dan twintig jaren geleden, – ja, het zal drieëntwintig jaar zijn.”

„Zoo? – Toen was ik in Amerika,” zei de bedelaar, „en niet in de

gelegenheid om de praatjes van den dag te hooren.”

„Er viel niet zwaar over te praten, man!” hernam Macraw; „hij was

verliefd op de jonge dame en zou haar getrouwd hebben; maar zijne

moeder kwam er achter, en daar was de duivel in het spel. Althans, het

arme meisje wierp zich van de rots bij Craigburnfoot in zee, en daar

was het meê uit.”

„Uit voor de arme dame; maar zeker niet uit voor den armen graaf!”

„Neen, niet uit, zoolang hij leeft,” antwoordde de Hooglander.

„Maar waarom verbood de oude gravin het huwelijk?” vervolgde de

onvermoeide vrager.

„Waarom? – Dat zal zij misschien zelve wel niet recht geweten hebben;

maar alles moest naar haar zin zijn, goed of kwaad. – Maar men wist,

dat de jonge dame het oor leende aan de ketters in het land; – en te

meer noch, omdat zij den graaf nader verwant was, dan onze kerk

toelaat. – Zie je, de dame werd gedreven tot de wanhopige daad, en de

graaf heeft sedert dien tijd nooit weêr het hoofd opgericht.”

„Wel!” hernam Ochiltree; „het is toch wonder, dat ik tot heden nooit

iets van de zaak gehoord heb.”

„Het is zelfs een wonder, dat gij er nu van hoort; want ik ben des

duivels, als een van de dienstboden er van zou hebben durven spreken

bij het leven van de oude gravin. Hé, man, zij kon er door heen slaan;

– het zou menig man moeielijk gevallen zijn, om haar te staan! – Maar

zij ligt in het graf, en wij kunnen nu een woordje praten, als wij een

vriend ontmoeten. – Maar, vaarwel Adam! ik moet terug naar den

avonddienst. – En als gij wellicht over een maand of wat te Inverary

komt, vergeet niet, naar uw vriend Frans Macraw te vragen.”

Adam beloofde aan den wensch van zijn vriend te voldoen, en beiden

scheidden dus met alle mogelijke betuigingen van weêrkeerige achting.

De bediende van Lord Glenallan nam zijn weg terug naar het kasteel van

zijn meester, en liet Ochiltree aan zich zelven over, om zijn gewoon

slenterleven te hervatten.

Het was een schoone zomeravond, en de wereld, dat is de kleine kring,

welke alles in alles was voor den persoon, die hem bewandelde, lag voor

Adam Ochiltree open, om er een nachtleger te kiezen. Zoodra hij buiten

het ongastvrije grondgebied van Glenallan gekomen was, had hij zoo vele

plaatsen, waar hij zijn intrek dien avond kon nemen, dat hij

besluiteloos, ja, zelfs moeielijk was in zijne keuze. De herberg van

Ailie Sims lag aan den weg, ongeveer eene mijl vóór hem; maar dáár zou

veel jong volk zijn met den Zaterdag avond, en dat was lastig bij het

voeren van eenig geregeld gesprek. Andere pachters en hunne vrouwen

deden zich achtereenvolgens aan zijne verbeelding op; maar de een was

doof, en kon hem niet hooren; de ander had geene tanden, en kon hem

niets laten hooren; een derde was slecht van humeur, en een vierde had

een kwaadaardigen huishond. Te Monkbarns en Knockwinnock was hij zeker

van een goed en gastvrij onthaal; maar die plaatsen waren te ver

afgelegen, om er zich dien avond vroeg genoeg te kunnen aanmelden.

„Ik weet niet, hoe het komt,” zei de oude man; „maar ik ben heden avond

moeielijker omtrent mijn kwartier, dan ik mij herinner ooit van mijn

leven geweest te zijn. Ik geloof dat ik, na het zien van al de pracht

ginds, en na de ontdekking dat men zonder die gelukkig kan zijn,

trotsch geworden ben op mijn eigen lot. – Zoo het mij maar niet

opbreekt; want hoogmoed komt voor den val. In elk geval zal de

slechtste schuur, waarin ooit een mensch sliep, een aangenamer verblijf

zijn, dan het huis van Glenallan, met al die schilderijen en het zwarte

laken en het fraaie zilverwerk, dat er bij behoort. Dus zal ik het maar

in eens bepalen, en bij Ailie Sims intrekken.”

Toen de oude man den berg afging, die zich boven het kleine gehucht

verhief, waarheen hij zijne schreden richtte, had de ondergaande zon de

bewoners der streek hun arbeid doen staken, en de jonge lui, zich den

fraaien avond te nutte makende, waren bezig met kegelen op het gras,

terwijl de vrouwen en ouders toezagen. Het geschreeuw, het gelach, de

luide stemmen der winners en verliezers waren hoorbaar op het pad,

langs hetwelk Ochiltree neêrdaalde, en deden bij hem de herinnering der

dagen ontwaken, waarin hij zelf een bekwaam mededinger en meer dan eens

de overwinnaar was in spelen, waarbij sterkte en vlugheid van lichaam

vereischt werden. Deze herinneringen laten zelden na een zucht te

verwekken, zelfs dan, wanneer de avond van het leven door schitterender

vooruitzichten vervroolijkt wordt, dan die van onzen armen bedelaar.

„Op dien tijd van den dag,” – was zijne natuurlijke opmerking, „zou ik

mij even weinig bekommerd hebben om een ouden pelgrim, die van den

heuvel van Kinblythemont kwam nederdalen, als eenige van deze fiksche

jonge knapen zich thans om Adam Ochiltree bekommeren.”

Hij werd echter dadelijk in eene vroolijker stemming gebracht, toen hij

bevond, dat men meer belang in zijne komst stelde, dan zijne zedigheid

had durven verwachten. Er was namelijk een betwiste worp gedaan door

een der spelers, en daar de kommies de eene partij, en de schoolmeester

de andere partij toegedaan was, mag men wel zeggen, dat de zaak door de

hoogere autoriteiten in handen genomen werd. De molenaar en de smid

hadden even eens verschillende partijen gekozen, en de hevigheid van

twee zulke twistenden in aanmerking genomen, mocht men met reden

twijfelen, of de strijd in der minne eindigen zou. Maar de eerste der

aanwezenden, die een blik op den bedelaar wierp, riep uit: „Ha! daar

komt de oude Adam aan, die de regels van het spel beter kent dan

iemand, die ooit hier speelde; – laat ons niet kibbelen, jongens! – Wij

zullen ons aan de uitspraak van Adam houden!”

Adam werd dus welkom geheeten en tot scheidsrechter benoemd, met een

luiden, algemeenen kreet van gelukwensching. Met al de zedigheid van

een bisschop, die zijne benoeming aanneemt, of van een spreker, die

voor het eerst den kansel beklimt, praatte de oude man van het groot

vertrouwen, dat men in hem stelde, en van de groote

verantwoordelijkheid, die men hem wilde opleggen, en had, ter belooning

van zijne zelfverloochening en nederigheid, het genoegen, de herhaalde

verzekeringen van jong en oud te ontvangen, dat hij stellig en zeker de

bekwaamste en meest bevoegde persoon was voor scheidsrechter, „in de

geheele landstreek!”

Dus aangemoedigd, ging hij deftig over tot het vervullen van zijn ambt,

en verbood bepaaldelijk alle beleedigende uitdrukkingen van

weerskanten; hij hoorde den smid en den ijker aan de eene, den molenaar

en den schoolmeester aan de andere zijde. Adam had echter bij zich

zelven de zaak beslist, vóór dat de pleidooien begonnen, gelijk vele

rechters, die desniettemin alle vormen bewaren, en tot het einde toe de

welsprekendheid en de betoogen der advocaten verduren moeten. Zoodra

dus alles van weerskanten gezegd, en veel daarvan meer dan eens gezegd

was, sprak onze rechter, na goed en rijp overleg, het verzoenend en

heilzame vonnis uit, dat de worp moest overgedaan, en dus voor geene

der partijen gerekend worden. Deze wijze beslissing herstelde de

eendracht onder de spelers; zij begonnen op nieuw de kegels op te

zetten en hunne weddingschappen te maken, met al de luidruchtigheid,

welke dergelijke landelijke vermakelijkheden gewoonlijk vergezelt, en

de driftigsten trokken reeds hunne buizen uit en gaven die, met hunne

gekleurde zakdoeken, ter bewaring over aan hunne vrouwen, zusters, of

liefsten. Maar de vreugde werd op eene zonderlinge wijze gestoord.

Aan den buitenkant van de groep spelers verhief zich een geluid, zeer

verschillend van de stem der vroolijkheid; – men hoorde verward die

soort van onderdrukte zuchten, waarmede het eerste nieuws van een groot

ongeluk ontvangen wordt. Er ontstond eenige beweging onder de vrouwen,

en men herhaalde de woorden: „Och! zoo jong en zoo plotseling

opgeroepen!” – Weldra verspreidde zich de droevige mare onder de mannen

en het vreugdegeschreeuw verstomde. Allen begrepen dadelijk, dat een

groot ongeluk gebeurd was, en iedereen vroeg zijn buurman naar de

tijdingen; maar deze wist er even weinig van als de vrager. Eindelijk

bereikte het gerucht duidelijk de ooren van Adam Ochiltree, die zich

geheel in het midden der vergadering bevond. De boot van Mucklebackit,

den visscher, van wien wij meermalen gewaagd hebben, was op zee

omgeslagen, en vier menschen waren er bij omgekomen, onder anderen

Mucklebackit en zijn zoon. Het gerucht had nochtans ook nu de waarheid

overschreden. De boot was inderdaad omgeslagen, maar Steven

Mucklebackit alleen was verdronken. Ofschoon zijne woonplaats en zijne

wijze van leven hem verwijderd hadden van het gezelschap der

landlieden, lieten zij echter niet na, om hun landelijk spel te staken

en in het onverwachte ongeluk die deelneming te toonen, welke het in

treffende gevallen meestal opwekt. Ochiltree, in het bijzonder, werd

door dit nieuws als door een donderslag getroffen, te meer, daar hij

dezen jongen mensch nog zoo onlangs overgehaald had, om hem bij eene

zaak behulpzaam te zijn, die, ofschoon ze geen groot nadeel of verlies

aan den goudzoeker toebrengen zou, toch juist niet tot die bezigheden

behoorde, waaraan men de laatste uren van zijn leven besteden moet.

Een ongeluk komt zelden alleen. Terwijl Ochiltree, in diep nadenken op

zijn staf leunende, zijne smart met die der gehuchtbewoners vereenigde,

welke den plotselijken dood van den jongen visscher betreurden, en hij

zich inwendig berispte wegens de overtreding der wet, waarin hij hem

zoo onlangs gewikkeld had, werd de oude man bij den kraag gepakt door

een dienaar van het gerecht, die zijn stok met zijne rechterhand in de

hoogte hief, en uitriep: „In ’s konings naam!”

De kommies en de schoolmeester vereenigden hunne welsprekendheid, om

den diender en zijn gezel te overtuigen, dat hij geen recht had, om des

konings bedelaar aan te houden als een landlooper; en de stomme

welbespraaktheid van den molenaar en den smid, die zich in hunne stevig

geslotene vuisten vertoonde, was gereed, om op zijn Hooglandsch borg

voor hun scheidsman te geven: „zijn blauwe rok,” zeiden zij ook, „was

zijn vrijbrief, om het land ongemoeid door te trekken.”

„Maar zijn blauwe rok,” antwoordde de gerechtsdienaar, „beschermt hem

niet wegens gewelddadigen aanval, roof en moord; en ik moet hem wegens

deze misdaden aanhouden.”

„Moord!” zeide Adam, „wien zou ik vermoord hebben?”

„Den heer Dousterswivel, den bestuurder van de mijnen te

Glen-Withershins.”

„Duisterduivel vermoord! – hij leeft! hij is springlevend, man!”

„Dat heeft hij u niet te danken; hij heeft een harden strijd gehad voor

zijn leven, als het waar is, wat hij zegt, en gij moet u daaromtrent

verantwoorden.”

De verdedigers van den bedelaar schrikten op het hooren van de

gruwelijke beschuldiging tegen hem ingebracht; maar meer dan eene

vriendelijke hand stak Adam vleesch en brood en geld toe tot zijn

onderhoud in de gevangenis, werwaarts hem de gerechtsdienaar wilde

brengen.

„Dank u! – God zegene u kinderen! – ik ben aan menigen strik ontkomen,

toen ik het minder verdiende dan nu. Ik zal als de vogel uit de knip

vrijkomen. Speelt uw spel maar uit, en bekommert u niet om mij. – Ik

heb meer verdriet over den armen jongen, dan over alles, wat zij mij

kunnen aandoen.”

De gevangene werd dus zonder tegenstand weggevoerd, terwijl hij

werktuigelijk de aalmoezen, die men hem van alle kanten toereikte,

ontving en in den zak stopte, en eer hij het gehucht verliet, was hij

beladen als een marskramer. De moeite, om deze vracht te dragen, werd

hem nochtans verlicht, daar de gerechtsdienaar kar en paard bezorgde,

om den ouden man voor een overheidspersoon te brengen, om ondervraagd

te worden eer hij naar de gevangenis ging.

Het ongeluk van Steven en het gevangennemen van Adam hadden een einde

gemaakt aan het spel der dorpelingen, die begonnen na te denken over de

wisselvalligheden der wereldsche dingen, welke zoo plotseling een van

hunne makkers naar het graf, en den bestuurder van hun spel in gevaar

gebracht hadden van gehangen te worden. Het karakter van Dousterswivel,

dat vrij algemeen bekend was, wat, in zijn geval, zeggen wil, vrij

algemeen gehaat was, gaf aanleiding tot vele gissingen over de

mogelijkheid, dat de beschuldiging boosaardiglijk verzonnen was. Maar

allen kwamen daarin overeen, dat, indien Adam Ochiltree bij de uitkomst

dezer zaak eenig leed moest ondergaan, het ten zeerste te betreuren

was, dat hij zijn lot niet beter verdiend had door Dousterswivel

werkelijk dood te slaan.

De oudheidkenner · 第 34 / 54 题