Naast elkaar zijn hier gesteld twee groepjes van twee personen, die
eenige woorden met elkaar wisselen. Het eene stelt voor een Amsterdamsch
burger uit het jaar 1633, scheepsbouwer en teekenaar van
scheepsontwerpen van beroep, met zijne vrouw, die een briefje binnen
brengt. Het andere is Michiel Azn. de Ruyter, in gesprek met zijnen
stuurman Zeger. Al dadelijk valt het op, dat De Ruyter en Zeger, elk met
een paar gelijke platvoeten en een paar zwarte kuiten, recht op en neer
naast elkaar staan. Beider onderstel, met en benevens de wijde broeken,
schijnen naar een en hetzelfde model te zijn gevormd. De enkels zijn te
dik, en evenveel te dik, het aanzwellen der beenen, naar boven toe, gaat
gelijk in zijn werk, de broeken hangen er gelijk om. Vervelend is het
verder, dat beide gelijkelijk het front naar elkaar draaien, en dat ze
beide den naar elkaar gekeerden arm schuin omlaag, den anderen arm
opgeheven houden.
[Illustration: De Ruyter en Zeger.]
De Scheepsbouwmeester en zijne vrouw zijn zonder zulke toevalligheden
tot een groep bijeengebracht. De houding van de handen der vrouw laat
zich zeer goed met die van De Ruyter vergelijken. Zij houdt met de
linker kloek en ferm de klink van de deur omvat, niet nuffig en met
opzettelijke bevalligheid, maar zooals eene degelijke huisvrouw in
drukke bezigheden alles doet. De Ruyter doet iets, dat, op zichzelf
beschouwd, een daad is van kloekheid, van moed en van durf. Eigenlijk
moest hij dus ook onverschrokken met de linkerhand naar den Engelschman
wijzen, dien hij tot partuur heeft gekozen. Maar hoe is dit op de plaat
uitgedrukt? De wereldvermaarde zeebonk steekt een blank, mollig, klein
handje uit, de arm is slap en zonder fierheid opgeheven, het
wijsvingertje bij het jongejuffrouwenduimpje wijst op kromme manier iets
aan. Men zou haast denken, dat mijnheer Zeger heeft gevraagd: "Hoe loop
ik het kortst van hier naar de Kipstraat?" en dat een voorbijgaand,
ziekelijk oud heer met een pijnlijk gezicht antwoordt: "Hier links den
hoek om." Waarop gemelde heer Zeger met vriendelijk gelaat voor de
bekomen inlichting bedankt, beleefd den hoed licht, en den ouden heer
eene prettige wandeling toewenscht.
Zoo kan geen De Ruyter het vermaarde commando hebben gegeven, zoo strekt
geen held met gebiedend gebaar den arm.
[Illustration: Scheepsbouwmeester en vrouw.]
De rechterhand is niet beter van teekening. Misschien loopen er
verwaande menschen rond, die op deze manier met gebogen polsgewricht den
knop van een wandelstok omvat houden, maar van onzen Vlissinger Michiel
gelooven we het niet.
Zie daarentegen, hoe het vrouwtje haren brief overreikt. De bedoeling is
volkomen duidelijk uitgedrukt: ze laat hem niet zien, ze neemt hem niet
weg, maar ze overhandigt. Zelfs zit in het handgebaar de beweging van
iemand, die achterwaarts een briefje afgeeft. Men probeere zelf de
houding na te bootsen.
Ook de handen van den scheepsbouwmeester mogen gezien worden bij die van
stuurman Zeger. Zijn linker, eene dikke, vleezige werkhand blijft rusten
op het teekenwerk, terwijl het hoofd zich even opricht om te zien, wie
den arbeid komt storen. Is het niet, alsof die hand, met gedachten
vervuld, bij het werk tracht te blijven, alsof ze den gedachtengang wil
vasthouden, tot de stoornis voorbij is?
De rechter wil het briefje in ontvangst nemen. Echter niet met een
gebaar van haastig aanpakken. Het binnenkomen van moeder de vrouw wordt
euvel opgenomen, omdat het storend is. Vandaar dat de hand maar
aarzelend uitgestoken wordt. Dit is geheel in overeenstemming met 's
mans gelaat; de afdruk laat duidelijk een lichten graad van
ontevredenheid zien; die blik op zijne vrouw en het voorhoofd-fronsen
zijn er de blijken van.
De rechterhand van stuurman Zeger neemt op eene wijze den hoed af, die
noch de manier van een zeeman, noch die van een fijn heer is. Houvast
zit er niet in; een groote, vilten, zeventiende-eeuwsche hoed zou wel
anders doorbuigen, als men dien bij het uiterste randje tusschen duim en
vinger aanvatte. Hij lijkt wel van hout. Wat is daarbij vergeleken het
passertje goed geteekend; in de hand het ronde gewricht, naar beneden de
gepunte, driekante beenen, waarvan een, door lang gebruik, iets
kromgebogen is; met een soort van gretige werklust hapt het instrumentje
naar het papier. Zelfs in zoo'n gering bijzaakje heeft Rembrandt het
bijzondere gevoeld. De scheepsroeper is lang niet van hetzelfde gehalte;
de rand van het geslagen koperblik is veel te dik geworden; de
trechtervormige beker is aan den onderkant bijna recht, aan den
bovenkant bolvormig; het mondstuk heeft een verkeerden stand; van onze
plaats af moesten we er niet in kunnen zien; het heeft bepaald in de
klem gezeten en is verbogen geraakt. Letten we op de handeling, die op
beide afbeeldingen tusschen de twee personen voorvalt, dan moeten we
allereerst onze bewondering uitspreken voor het vrouwtje. Er zit in hare
houding buitengewone bewegelijkheid; het overhandigen van den brief gaat
niet bedaard in zijn werk, maar haastig en gejaagd. Zij blijft bijna bij
de deur staan, om geen tijd te verliezen met verder te loopen dan noodig
is; met over den stoel heen te buigen bereikt ze haar doel even goed.
Het bovenlijf helt niet alleen zijdelings naar den bouwmeester over, het
maakt ook eene kleine buiging voorover. Intusschen draaien de
linkerheup, de linkerschouder en de linkerarm zich reeds weer
achterwaarts, terug naar de deur.
De rechterhand en-arm, en het gezicht zijn nog verdiept in de beweging
van het overhandigen. In al de onderdeelen van deze figuur dus eene
aanduiding van wenden, buigen en draaien, nergens de stijve rust van een
lid, dat aan de handeling geen deel neemt. Sommige beschouwers maken
hiervan Rembrandt wel eens een verwijt. Ze vinden het schielijke
binnenkomen storend voor de rust van de schilderij; het maakt hun
gejaagd, als ze er een oogenblikje kalm naar zouden willen kijken. Daar
is wel iets van aan; het is hinderlijk, als je het idee krijgt, dat
zoo'n figuurtje zoo aanstonds zal wegsnellen, en als men zichzelf
betrapt, dat men daarop staat te wachten. Maar we moeten den schilder de
eer geven, die hem toekomt; hij heeft in de lichaams houding van eene
vrouw, die even binnenkomt en dadelijk weer heengaat, met een fijn oog
de bewegelijkheid van buiging en draaiing waargenomen en weergegeven.
De plaat van De Ruyter is er, om een geschiedkundig feit voor te
stellen; alles moest dus eigenlijk handeling zijn; de handeling moest
althans zeer sterk tot ons spreken. Neem nu den admiraal eens; hij staat
er zoo houterig en schutterig bij, dat er geen schijn van beweging in
hem zit. Van onder tot boven, van zijn voeten tot zijn hoofddeksel,
alles stijf en recht; nergens in de heele figuur eenige zwenking; geen
enkele lenigheid van draaiing of buiging. Hij zit diep in zijn hoedje
weggeslagen, en schijnt aan een stijven nek te lijden. Misschien trekt
hij daarom zoo'n pijnlijk gezicht. Kijk daarentegen eens, hoe mooi rond
het vrouwenkopje is, hoe het mutsje meewerkt, om de ronding uit te
beelden, en hoe los en gemakkelijk het hoofd zich keert en wendt boven
den kraag.
Zoo krijgen we tot slotsom van de vergelijking: de plaat, die eene
handeling moet voorstellen, geeft houterige, stijve figuren, die de
armen oplichten om te doen, alsof ze zich bewegen, maar ze bewegen niet.
De andere, die gemaakt werd om de portretten van eerzame inwoonderen van
Amsterdam te geven, tintelt van actie, zonder nochtans in het geven van
portretten te kort te komen. De handeling maakt zooveel indruk, dat we
beginnen te denken aan een historisch feit. Het lijkt wel, dat dit nu
het beroemde briefje is, waarover we in boeken lezen, hetwelk
binnengebracht werd, om den verraderlijken aanslag op een of andere stad
te verijdelen. Maar 't is zoo niet! De schilderij is er een, waar niets
achter zit. Zij is een portretstuk, meer niet.
We zullen deze neiging van Rembrandt, om den aard van het portret te
verbloemen, meer opmerken. Men kan hem ook hiervan een verwijt maken;
het _is_ misschien niet heelemaal in orde, dat we tegenover de twee
konterfeitsels van een paar burgerluitjes gedachten hebben van vermaarde
gebeurtenissen; dat we dus aan dingen denken, die hier niet te pas
komen. Maar--wat een kunst, om dat te kunnen! Wat een schilder moet men
wezen, om zoo, spelend weg, in een portretstukje een aardigheidje te
vertellen, en het dan zoo te doen, dat de beschouwer heelemaal de klus
kwijt raakt.
De Anatomische les heeft hiervan ook wel een tikje weg, zooals we zullen
zien.
* * * * *