KLEINE TITUS.

[Illustration: Titus van Rijn.]

Laten we naast Saskia nog eens nemen deze afbeelding van Titus, het

zoontje van Rembrandt. Dan zal ons blijken, dat ook hierin dingen

voorkomen, die een photographisch portret niet kan geven.

Het ventje zit echt lekker op zijn gemak. Hij zoekt dit op kinderlijke

manier. Een volwassene gaat er anders bij zitten: niet zoo met het hoofd

in de nabijheid van de handen, en niet zoo in elkaar gedoken op den rand

van eene schoolbank of een raamkozijn liggende. Het omgebogen

polsgewricht van het rechterhandje is echt kinderlijk, ook de duim, die

het hoofdje steunt en een kuiltje in de kin drukt, waardoor de mondhoek

een beetje omhoog geschoven wordt! Daar behoort precies bij, die manier

om eene pen vast te houden, als men zit na te denken over hetgeen

geschreven moet worden. En zie eens het linkerhandje! Het komt net te

voorschijn, zooals we dat soms zien bij een poesje, dat behagelijk een

breed, mollig pootje vooruitsteekt. De heele figuur, het verlichte

driehoekje van gelaat, handen en boek, heeft iets poezeligs over zich.

Dit neemt dadelijk in voor het ventje. Het is ons onverschillig, of

oogen, neus, mond, gezichtsvorm en haar nauwkeurig gelijken, er is,

buiten dat, iets aantrekkelijks in. Het portretje geeft ons te zien, hoe

de vader zijn kind soms kon aantreffen, als het in school of thuis in

een hoekje te leeren zat. De houding moet indruk op hem gemaakt hebben,

want, toen hij ging schilderen, stelde hij zich het kereltje zóó voor.

Het is niet waarschijnlijk, dat hij, zooals onze photograaf zou doen,

gelastte: ga nu zus of zoo zitten. Immers, dan wordt alles stijf en

houterig. Hier was geen afspraak; zonder erg zit Titus op zijn gemak na

te denken en voor zich uit te kijken, en argeloosheid kon de vader hem

niet als bevel opleggen.

Dat we hem onbespied kunnen beschouwen, is juist het aantrekkelijke.

Want nu komt zijn ware aard aan den dag: zijne neiging namelijk om knus

en gemakkelijk ineen gedoken te zitten. Hij verloochent daarin niet, dat

hij een kind van Saskia van Ulenburg is!

Het aantrekkelijke wordt nog verhoogd door de groote, donkere kijkers en

de lange, weelderige lokken. Bovendien vinden we het aardig, zoo

toevallig eens iets te zien, dat op het schoolgaan en het leeren in de

zeventiende eeuw betrekking heeft: een bundeltje vellen papier ligt op

een opengeslagen boek; de inkt,--het zal wel zelfgemaakte inkt wezen,

want dat was het gewoonlijk,--bevindt zich in eenen koker, die aan een

koordje of kettinkje hangt. Dit gerei droeg de leerling mee naar school

en zeulde er mee rond door huis; overal waar hij zich neerzette, om te

schrijven, had hij het bij zich; als hij voor het open raam plaats nam,

kon het best gebeuren, dat hij achteloos den inktkoker uit het raam heen

en weer liet bungelen. Ingenaaide schriften waren niet zooveel in

gebruik, als losse bladen papier. Deze omstandigheid gaf hier den

schilder gelegenheid, om te laten zien, hoe de velletjes soms plat op

elkaar, soms met eene gapende opening er tusschen kunnen liggen.

Met Titus er bij hebben we nu den kleinen huiselijken kring compleet,

waarin Rembrandt anno 1642 leefde. We moeten echter bedenken, dat de

zoon nog heel klein was, toen Saskia overleed; de moeder heeft hem nooit

gezien, zooals de vader hem hier afbeeldt.

In de portretten van vrouw en zoon heeft hij wel duidelijk uitgedrukt,

met hoeveel hart hij aan beide hing, hoe gelukkig hij zich aan den

huiselijken haard voelde, toen Saskia nog leefde. Ook zal hij innerlijk

bewogen geweest zijn, als hij later het kind uitbeeldde en opmerkte, hoe

hare geaardheid, hare natuur daarin voortleefde, toen zij reeds lang

ter ziele was.

* * * * *

Meesterstukken van Rembrandt Harmensz. Van Rijn Leesboek voor het Lager en Voortgezet Onderwijs · 第 17 / 33 题