Uwe Thea.
Nu ik mijn brief overlees, vind ik hem een beetje saai, u denkt nu
misschien, dat ik het hier niet naar mijn zin heb, omdat ik zoo
over verlangen naar huis schrijf, maar u moet er maar niet op
letten, ik ben wat moe vanavond en het weer is zoo slecht, de wind
giert om het huis en de regen klettert tegen de ramen. Dat heeft
wel invloed op je stemming vindt u niet? Morgen ben ik weer heel
opgewekt, dat weet ik zeker, ’s avonds ben ik natuurlijk wat moe,
maar ’s morgens heb ik geen tijd tot schrijven. Enfin, u zult wel
begrijpen, hoe ik het meen. Dag schatten.
Toen Thea dezen brief sloot, stroomden de tranen langs hare wangen. Den
geheelen dag had ze haar heimwee naar huis opgekropt, nu kon ze niet
meer.
Ze voelde zich zoo innig eenzaam en verlaten.
Zoo schreide ze een poosje en dat deed haar goed. Ze voelde zich weer
minder gedrukt en besloot morgen met nieuwen moed te beginnen.
Maar nu was ze doodop.
Van werken kon vanavond niets meer komen, ze zat te knikkebollen over
hare boeken. Ze zou maar naar bed gaan, morgen hoopte ze weer flink
genoeg te zijn, om hare taak te hervatten.