Den volgenden morgen werd Thea al vroeg gewekt door leven in de
kinderkamer. Ze hoorde gestommel en geschreeuw, als van vechtende
kinderen en uit bed springend, schoot ze haastig hare pantoffels aan en
liep naar de kamer van Stans, waar ze haar beide leerlingetjes over den
grond zag rollen, elkander met hunne vuisten duchtig bewerkend.
„Kinderen,” riep ze, „wat mankeert je, wil je wel eens dadelijk
uitscheiden met vechten.”
Een gil van Stans was het antwoord. Armand had haar vlecht te pakken en
trok er uit alle macht aan.
Thea kwam tusschenbeiden, greep het stevige vuistje van het driftige
kind en poogde het haar van zijn zusje er tusschen uit te krijgen.
„Laat los,” gebood ze.
„Neen,” schreeuwde Armand, „ik laat niet los, ze is een valsch kind, ze
plaagt me.”
Weer gilde Stans en angstig, dat het leven hun moeder zou wakker maken,
keek Thea naar de deur.
Opeens liet Armand met een harden gil los. Stans had hare nagels in
zijn bloot been geslagen en de hevige pijn deed hem loslaten. Thea
maakte van de gelegenheid gebruik om hen te scheiden.
Op hetzelfde oogenblik werd er geklopt en kwam de kamenier van mevrouw
van Gendringen vragen, wat er toch gebeurde, haar meesteres was door
het spectakel, dat de kinderen maakten, wakker geworden en zond haar nu
om te onderzoeken, wat er de oorzaak van was.
Zenuwachtig verklaarde Thea, dat het niets te beduiden had, de kinderen
waren aan het kibbelen geraakt en dat was in vechten geëindigd.
De kamenier vertrok en Thea trachtte de huilende kinderen te doen
bedaren.
„Schaam jullie je niet, zoo vroeg in den morgen al te vechten. Het is
nog erger, of je twee straatjongens bent.”
„Ze heeft mijn been aan bloed geknepen,” snikte Armand, „dat akelige,
valsche kind, maar ik zal het aan Mama vertellen en dan zal ze eens wat
zien.”
„Hij trok me mijne haren uit het hoofd,” schreide Constance, „die
gemeene jongen, hij wou niet loslaten.”
Met veel moeite gelukte het eindelijk Thea hen een beetje te kalmeeren.
„Vertel me nu eerst eens, waarom jullie zoo aan het vechten bent
gegaan,” zei ze, toen de beide kinderen geëindigd hadden, met elkander
te beschuldigen.
„Stans is begonnen,” zei Armand, „ze zei, dat Mama nu toch eens lekker
wist, dat ik jokte en ze zei het treiterig, dat valsche kind.”
Thea keek Constance ernstig aan.
„Waarom zei je dat?” vroeg ze.
Stans kreeg een kleur, nu haar geliefde gouvernante haar zoo streng
aankeek en stotterde:
„Omdat ik het meende. Ik was gisteren nog veel blijder, dat de leugen
van Armand uitgekomen was, dan omdat ik niet naar bed hoefde.”
Thea zei eerst niets. Het was zeker niet mooi van het kind, zoo blij te
zijn, omdat haar broertje ontmaskerd was, maar in de gegeven
omstandigheden was het zoo heel natuurlijk.
„Is ze nou niet valsch!” riep Armand.
Even aarzelde Thea, ze gaf Conny niet graag ongelijk tegenover Armand
en toch moest ze haar weten te beduiden, dat ze geen pleizier mocht
hebben in een andermans leed.
„Je valt me tegen, Conny,” zei ze, „ik dacht niet, dat je zoo
onedelmoedig was. Men moet een verslagen vijand niet plagen, dat is
niet mooi.”
Constance begon te huilen.
„Het was ook zoo prettig, dat hij nu eens aan de kaak gesteld was, ik
kreeg anders altijd de schuld.”
„Ja maar, kind, dat neemt niet weg, dat het niet lief van je is, Armand
te verwijten, wat er gisteren gebeurd is. Jij bent gerechtvaardigd en
dat moet je genoeg zijn.”
„Armand heeft niet eens straf gehad,” mokte Constance.
„Ik denk, dat het al straf genoeg voor Armand is, dat je mama, die hem
voor zoo oprecht hield, nu weet, dat hij dat niet altijd is. Dat is al
erg genoeg voor hem, laat hem nu verder met rust.”
Dat was voor den verwenden jongen te veel.
Hij werd nog rooder en zei stampvoetend:
„Dat wou u wel, nare juf, maar het kan Maatje niks schelen hoor, niks,
Ma houdt nog net evenveel van me, Maatje vindt me nog net even lief,”
en huilende wierp hij zich op den grond, driftig van zich af schoppend
en aldoor roepend, dat het zijn moeder niets schelen kon en dat ze hem
nog even lief vond. Maar dat was het juist, wat hij heel goed voelde,
zijn moeder had zich zijn jokkentje wel aangetrokken, hij was niet meer
zoo volmaakt in hare oogen, als hij geweest was. Zij had het hem wel
dadelijk vergeven, maar toch gezegd, dat het haar veel verdriet gedaan
had.
Thea vond het beste, hem maar te laten uitrazen en schelde het meisje,
dat de kinderen altijd hielp met aankleeden, waarop ze naar haar kamer
ging, om haar eigen toilet te maken.
Het ontbijt ging heel stil voorbij. De kinderen zeiden niets en zij
zelve had ook geen behoefte aan praten. Daarenboven vond ze het ook
beter, zich wat teruggetrokken te houden, de kinderen moesten merken,
dat ze de scène van dien ochtend nog niet vergeten was.
Ook onder de les heerschte buitengewone rust. Armand deed met een
knorrig gezicht zijn werk, van tijd tot tijd boos naar Thea kijkend,
wat zijn kindergezichtje zoo grappig stond, dat deze moeite had niet te
lachen. Ze hield zich echter goed en deed alsof ze niets merkte van de
ongenade, waarin ze blijkbaar bij hem gevallen was.
Constance was ook stil, maar zag er niet boos, maar verdrietig uit. Dat
haar lieve juf zoo koel en teruggetrokken was, vond ze vreeselijk, ze
had graag een poging tot verzoening gedaan, maar durfde niet goed,
bang, afgewezen te worden en dat zou meer zijn, dan ze op het oogenblik
verdragen kon.
Tegen elf uur kwam de kamenier van mevrouw en zei, dat haar meesteres
de juffrouw liet zeggen, dat ze haar in haar boudoir wachtte, zij zelve
moest zoo lang bij de kinderen blijven.
Thea stond dadelijk op.
Hoe vervelend, dat het bloed haar zoo naar het hoofd steeg, ze keek
naar de kinderen, of die haar zagen kleuren en ontmoette de spottende
oogen van Armand.
Ze haastte zich, de kamer te verlaten. Op het portaal stond ze een
oogenblik stil.
Wat klopte haar hart!
Ze sloot hare oogen en slikte eens.
Mevrouw wilde haar zeker onderhouden over de scène van dien morgen,
natuurlijk zou de schuld op haar gegooid worden, mevrouw zou zeggen,
dat ze de orde op de kinderkamer niet wist te bewaren en toch, wat had
ze er aan kunnen doen.
Kom, ze moest gaan. Wat was ze toch overdreven gevoelig, om daar nu zoo
tegen op te zien.
Ze had precies hetzelfde gevoel, dat ze gehad had als schoolmeisje,
wanneer ze bij de directrice ontboden was en wist een flink standje te
krijgen.
Hetzelfde gevoel en toch anders. Als schoolmeisje wist ze, dat ze het
standje verdiend had en dat de directrice recht had, haar onder handen
te nemen.
En nu wist ze niet, of ze anders had kunnen handelen, dan ze gedaan had
en daarenboven, als mevrouw van Gendringen aanmerking op haar maakte,
had ze altijd een gevoel, alsof haar dat vernederde.
Na nog even geaarzeld te hebben, klopte ze aan de deur van het boudoir.
„Binnen.”
Thea opende zacht de deur en een oogenblik later bevond ze zich in
tegenwoordigheid van de meesteres des huizes.
Met haar gewoon, trotsch gebaar wees ze Thea een stoel.
Deze ging zitten en wenschte, dat ze mijlen ver was.
Na een oogenblik van pijnlijke stilte, een stilte, die mevrouw van
Gendringen meestal aan hare berispingen deed vooraf gaan, om meer
indruk te maken, zei ze:
„U begrijpt zeker wel, waarover ik u wensch te spreken.”
Thea was te oprecht, om dat te ontkennen en zei dus, dat ze
veronderstelde, dat het kibbelen der kinderen mevrouw dien morgen
gehinderd had.
Mevrouw van Gendringen glimlachte minachtend.
„U noemt dat kibbelen, ik geloof dat vechten een beter woord is. Ik ben
hevig geschrokken van de rauwe gillen, die uit de kinderkamer tot mij
doordrongen en mijn kamenier vertelde mij, dat ze de kinderen over den
grond had zien rollen, vechtend, als een paar straatjongens. Was dat de
waarheid of niet?”
Thea moest beamen, dat de kinderen werkelijk handgemeen waren geworden.
Ze voelde ook wel, dat zooiets niet gebeuren moest, maar wat had zij er
aan kunnen doen, ze waren immers al aan den gang, toen ze bij hen kwam.
Mevrouw van Gendringen keek haar steeds aan met die koude, strenge
oogen, ze had wel onder den grond willen kruipen.
„En u stond daarbij en zag toe?”
„Maar, mevrouw, wat had ik anders moeten doen? Ik ben ook van hun
schreeuwen wakker geschrokken en toen dadelijk gaan kijken, wat er was.
Toen ik bij hen kwam, lag Armand boven op Constance en rukte aan haar
vlecht. Ik trachtte zijn hand te openen, maar hij wilde niet loslaten.”
„Een eenvoudig bevel van u had voldoende moeten zijn, om hen te doen
ophouden, nietwaar?”
Thea’s wangen gloeiden, wat keek die vrouw sarkastisch!
En ze had gelijk, ze had geen invloed genoeg op de kinderen.
„Nu, is u dat niet met me eens?”
Het huilen stond Thea nader dan het lachen. Met lippen, die ze
tevergeefs vastheid trachtte te geven, zei ze:
„Jawel mevrouw, maar ik ben nog zoo kort bij hen en Armand is zoo
driftig, als hij eenmaal aan den gang is, is het niet mogelijk hem rede
te doen verstaan.”
„O, is het Armand weer,” merkte mevrouw van Gendringen koel op.
„Constance was zeker heelemaal zonder schuld.”
„Neen mevrouw, niet heelemaal, maar....”
„Maar Armand is nu eenmaal uw wrijfpaal en Constance kan in uw oogen
geen kwaad doen. Ik moet u zeggen, dat ik het geen bewijs vind, van uw
goeden blik op het kinderkarakter, dat u zoo denkt. Armand is een goed
kind, zijn gebreken liggen aan de oppervlakte, terwijl Constance een
ondeugenden aard heeft en een zeer slecht humeur, dat niet streng
genoeg kan worden tegengegaan.”
„U vergist zich werkelijk....”
„Ik vergis me nooit, onthoud dat, als ’t u blieft. Maar om op ons
onderwerp van gesprek terug te komen, ik wilde er u dus opmerkzaam op
maken, dat u vanmorgen in uw plichten is te kort geschoten en dat ik
hoop, dat het niet meer gebeuren zal. Ofschoon u heel jong is, heb ik
u, omdat ik zulke goede recommendaties van u kreeg, de opvoeding van
mijn kinderen toevertrouwd en ik verwacht, dat u zich dat vertrouwen
waardig zult maken. Ik wil voor dezen keer uw fout door de vingers
zien, maar laat zoo iets niet meer gebeuren, dan zou ik het niet meer
kunnen vergeven.”
Ze zweeg en Thea begreep, dat ze gaan kon. Met gebogen hoofd en
knikkende knieën stond ze op en verliet het boudoir.
Op het portaal gekomen, liep ze naar het raam, dat op den tuin uitzag
en leunde tegen de omlijsting.
Haar hart klopte onstuimig en ze beet hare lippen bijna tot bloed om
het niet uit te snikken, ze deed haar uiterste best, zichzelve meester
te worden.
O, die toon, die vreeselijke, vernederende toon, waarop mevrouw van
Gendringen gesproken had! Zoo uit de hoogte, zoo zonder genade.
En dan dat bedekte dreigement van weggezonden te worden!
Ze voelde zich zoo ellendig vernederd.
Zou het maar niet beter zijn, als ze de eer aan zich hield en zei, dat
ze liever wegging?
Maar neen, dat kon niet, ze mocht het niet zoo gauw opgeven, wat zouden
ze daar thuis wel van zeggen?
Vader zou zoo in haar teleurgesteld zijn en Moeder bepaald boos, ze had
nog zooveel nieuws moeten hebben, vóór haar vertrek naar Brussel, dat
moest ze nog terug betalen uit hare verdiensten en Nico, voor wiens
schoolgeld ze beloofd had te zorgen!
Neen, ze kon niet zelf zeggen, dat ze weg wilde, stuurde men haar weg,
dan zou ze het moeten dragen, maar uit zichzelf kon ze haar betrekking
niet opgeven. En ze zou haar best doen beter aan mevrouws verwachtingen
te beantwoorden. Een beetje had mevrouw wel gelijk, alleen behoefde ze
het haar niet op zoo’n toon te zeggen.
Ze had niet veel overwicht op de kinderen, maar het waren ook zulke
moeielijke karakters, en Armand voelde zich sterk tegenover haar door
de protectie van zijn moeder.
Maar komaan, ze gaf den moed niet op!
Ze veegde hare betraande oogen af, loosde een diepen zucht en wilde
zich weer naar de kinderen begeven, toen ze Isabella op zich zag
afkomen.
„O juffie, wat kijkt u benauwd. Zeker een standje gehad van Mama. Dat
ken ik, dat is bij mij dagelijksche kost, trek u er zich maar niets van
aan, Armand is een ondeugende rakker. Om dien te kunnen regeeren is een
dragonder noodig, zooals de vorige gouvernante en niet zoo’n aardig
popje, als u is. De vorige juffrouw was hem wel de baas, maar dat
beviel mijnheer natuurlijk niet en toen heeft hij wel wat weten te
vinden, waardoor ze weg moest. ’t Is een ondeugende aap!” en lachend
verwijderde Isabella zich en Thea ging, een beetje getroost, weer naar
de leerkamer.
Ze zou nu eens toonen, dat ze wel streng kon zijn, mevrouw zou haar dat
niet voor niets gezegd hebben.
In de leerkamer gekomen merkte ze dadelijk, dat de kinderen haar
nieuwsgierig opnamen.
Armand grinnikte, maar Conny keek bepaald medelijdend naar haar. Het
een, noch het ander kon ze op het oogenblik verdragen.
„Laat eens zien, Conny, wat je ondertusschen gedaan hebt.”
Constance reikte, een beetje verlegen, haar schrift aan, waarin ze maar
één regel geschreven had van het taaloefeningetje, dat Thea haar had
opgegeven.
Thea keek boos.
„Is dat alles?” vroeg ze.
„Ja juffrouw.”
„Ik had je gezegd, die oefening te maken, terwijl ik weg was. Je
schijnt liever gespeeld te hebben, goed, dan maak je die oefening
vanavond in je speeltijd. Berg dat schrift op, we gaan nu rekenen.”
Constance keek Thea aan, alsof ze niet goed wist, hoe ze het had. Was
dat haar lieve jufje?
Met een kleur voldeed ze aan het bevel en kwam met een bedrukt gezicht
weer naast Thea zitten. Deze had ondertusschen het schrift genomen van
Armand, waarin hij een som had moeten uitrekenen, in plaats waarvan hij
poppetjes geteekend had.
Thea keek van het schrift naar Armand, die trachtte haar aan het lachen
te maken, door het zelf uit te schateren.
Thea lachte niet en vroeg, waar zijn som was.
„Die heb ik niet gemaakt, ik dacht, dat het niet hoefde, nu u er toch
niet was.”
Thea keek hem strak aan.
„Jok maar niet kind, je wist wel beter. Ook jij maakt vanavond die som
in je vrijen tijd. Nu ga ik met Constance rekenen en moet jij dit
versje van buiten leeren. Pas op, als je het straks niet kent.”
Armand keek haar verbaasd aan. Wat was juf kortaf, anders was ze nooit
zoo.
Met een onverschillig gezicht trok hij zijne schouders op en zei toen
tegen zijn zusje, quasi fluisterend, maar zoo hard, dat Thea het best
hooren kon:
„Je behoeft ook niet te vragen, of ze een standje van Mama gehad
heeft.”
„Armand, hou je toch stil,” en Stans keek van terzijde uit naar Thea,
of die gehoord had, wat haar broertje zei.
Thea had het heel goed gehoord en aarzelde een oogenblik, wat te doen.
Armand had die woorden natuurlijk zoo hard gefluisterd, opdat zij ze
hooren zou. Zou het nu beter zijn, ze toch maar quasi niet verstaan te
hebben, of moest ze er op terug komen en Armand de ongepastheid er van
onder het oog brengen? Maar dan had hij zijn zin, dan begreep hij, dat
ze haar gehinderd hadden.
Neen, ze zou maar liever zwijgen, dat was verstandiger. Ze was
daarenboven zoo moe, zoo geestelijk afgemat, dat ze voor het oogenblik
niet in staat was, een woordenstrijd met het kind te beginnen.
En den geheelen dag moest ze de kinderen nog bezighouden, ze zou geen
oogenblikje hebben, om eens even uit te rusten, alles van zich af te
zetten, vóór de kinderen naar bed waren.
Het scheen dat hare leerlingetjes toch wel onder den indruk waren van
haar strenger optreden. Vooral Constance trok het zich aan, dat haar
lieve jufje boos op haar was. Daar gaf Armand minder om, maar hij was
toch niet zoo druk als anders.
Aan tafel trachtte Stans zich weer met Thea te verzoenen. Ze was
opvallend vriendelijk en deed blijkbaar haar best het gebeurde van dien
dag goed te maken. Armand zag er meer uit, alsof hij de beleedigde was,
hij sprak geen woord en keek van tijd tot tijd Thea alles behalve
vriendelijk aan.
Thea, die vond, dat ze nu lang genoeg haar ongenoegen getoond had en
van oordeel was, dat men bij kinderen niet te lang boos moet zijn, werd
weer vriendelijk, tot groote vreugde van Stans, die herhaaldelijk haar
hand greep, om die te zoenen.
„Wat heeft u toch een prachtigen armband aan,” zei ze, „van wie heeft u
dien gekregen?”
Thea wreef het antieke braceletje, dat ze om haar pols had, met haar
servet wat op en antwoordde:
„Van mijn vader. Ik ben erg aan dat armbandje gehecht, want het is een
familiestuk. De oudste dochter krijgt het altijd bij haar aanneming. Ze
moet het dan later weer aan haar oudste dochter geven, begrijp je? Nu
had Vader enkel jongere broers, zoodat er geen oudste dochter was, en
dus kreeg hij het, om het later weer aan zijn oudste meisje te geven,
indien hij dat had. Zoo kreeg ik het bij mijn aanneming. Dat is de
reden, waarom ik het altijd draag.”
Constance vond het erg interessant, zoo’n armband, die al zoo lang in
dezelfde familie was.
Armand had gretig zitten toeluisteren, maar toen zijn zusje hem vroeg,
of hij het geen beeldig armbandje vond, antwoordde hij onverschillig:
„’t Zal wel, ik kijk niet naar die dingen.”
Wat was Thea dien dag blij, toen ze eindelijk alleen in haar kamer was
en ze hare gedachten verzamelen kon. Het was de dag, waarop ze gewoon
was, naar huis te schrijven, maar ze had er niets geen lust in, ze was
bang, dat men haar gedrukte stemming uit haar brief zou kunnen lezen.
Maar als ze niet schreef, zouden ze thuis ongerust zijn en dat mocht
heelemaal niet. Ze zou het dus toch maar probeeren, een klein briefje,
met verontschuldiging, omdat ze het te druk had met studeeren voor haar
Fransch examen. Dat was trouwens geen onwaarheid.
Ze schreef:
Liefste Moeder en Vader,
Dezen keer moet u met een klein briefje tevreden zijn, daar ik
vanavond nog Fransch werk moet maken. Zooals u weet, heb ik hier
met toestemming van mevrouw van Gendringen een leeraar gezocht, om
mij met mijn Fransch voort te helpen, één uur in de week en nu moet
ik natuurlijk ’s avonds nog al veel werken, om van die les te
kunnen profiteeren. Ik maak het best en kan met de kinderen wel
opschieten. Natuurlijk doen zich nog wel moeielijkheden voor zoo nu
en dan, maar dat is niets, moeielijkheden zijn er, om overwonnen te
worden, zou Vadertje zeggen. Ik ben hier nu bijna twee maanden, nog
een groote maand dus en ik kan mijn eerste zelfverdiende geld naar
huis sturen. Wat zal dat heerlijk zijn! Geld verzoet den arbeid en
als ik het eens wat moeielijk vind mijn werk te doen, dan wekt de
gedachte aan mijn honorarium mij wel op. Kijk nu maar niet zoo
ernstig, Vadertje, ik doe ook heusch wel mijn best uit behoefte
mijn plicht te doen, maar of ik hier zou blijven, alleen uit lust
tot mijn werk? Neen, dan vloog ik dadelijk naar huis, stel je voor,
dat ik vanavond nog bij u allen kon zijn, wat een zalige gedachte!
Maar dat kan niet en ik heb het hier heusch heel goed. Alleen zie
ik wat op tegen de komende feestdagen, Kerstmis, Oud- en Nieuwjaar.
Maar dan krijg ik heerlijke brieven, niet waar, lange, lange
brieven van allemaal, met ieder klein bijzonderheidje over u allen
en het huishouden er in verteld, hè, ik verlang er al naar.
Nu beste lievelingen moet ik uitscheiden, de tijd gaat zoo gauw
voorbij en ik moet gaan studeeren.