laag geleken, toen hij ze naging in de tabellen. Nu kon hij met de
nieuwe machine ze niet eens halen!
De afgekeurde machinerieën lagen, nog maar gedeeltelijk ingepakt, in
een loods. Hij ging er heen en stond lang, in mismoedig gepeins, voor
die "hoopen oud roest", zooals hij ze genoemd had. De administrateur,
die voorbij kwam, keek naar binnen en ging verder. Bake balde de handen
in zijn zak. Hij begreep wat zijn chef dacht,--wat hij moest denken!
"En de mijne is tòch beter! tòch!"
De Indo vroeg hem of hij zeker was dat de mandoer niet aan de machine
knoeide, achter zijn rug?
"Waarom zou hij?"
De ander haalde de schouders op.
"Ja, wáarom doet een Inlander zoo iets? Op de fabriek waar ik verleden
jaar was...."
Hij deed een verhaal van een Inlander, die, aan het vliegwiel gezet met
last op een bepaalde plek olie te laten druppelen, ze er opzettelijk,
alleen omdat het werk hem verveelde en hij er van af wou zijn, daar
naast goot, zoodat de machine in het ongereede kwam. De fabriek had
moeten stoppen totdat alles weer in orde was gebracht; het was een
verlies van vier-en-twintig uur arbeid geweest. Als de nieuwe machine
meer toezicht of moeite vergde dan de oude, was het best mogelijk dat
de mandoer op die wijs wou probeeren haar weer te laten afschaffen,
vond hij. Het kon ook wezen dat het een of ander waaraan Inlanders
hechten verzuimd was bij het geven van de slamettan, en dat dit
de weerwraak was. Of misschien had de man een hekel aan hem, Bake,
persoonlijk.
"Hoe dan ook, ik zou hem in het oog houden," sloot de Indo. "Overdag
zal hij het waarschijnlijk niet probeeren, maar 's nachts, en vooral
als die nieuweling surveilleert, Van den Berg, dan kon hij zijn kans
wel eens waarnemen."
Van den Berg was juist aan de beurt, dien avond. Nadat hij er zich van
vergewist had dat de drijfmachine goed werkte, ging Bake op het gewone
uur het molenhuis uit, maar in stee van naar huis te gaan, liep hij
om de gebouwen heen, en kwam, ongezien, door het laboratoriumdeurtje
weer binnen.
De machine stond stil. Op zijn teenen er voor staande, was de mandoer
bezig de regulateur-klep zoo te verstellen dat zij den stoomtoevoer
bijna geheel afsloot; toen schroefde hij het huis weder dicht en bracht
de machine weer op gang. Het hoofd op zij keek hij naar de ballen van
den regulateur die, langzaam omhooggerezen, traag begonnen te draaien.
"Nu zal er niet veel gemalen worden, vannacht!" zei hij meesmuilend
tot een koelie die had staan toekijken.
De woorden waren hem nog niet uit den mond, of een vuistslag vlak in
zijn gezicht had hem tegen den grond gesmakt. Wit van woede schopte
Bake naar den jammerenden en zich heen en weer wentelenden Inlander.
De jonge employé, op het geschreeuw toegeschoten, greep hem bij den
arm, hem toeroepende op te houden.
"Je begaat een ongeluk! Kom toch tot je zelf!"
Bake stond met opeengeklemde tanden, kort ademend. Zonder te antwoorden
op de vraag van den ander of er iets aan de machine gebroken was, trok
hij zich los uit zijn greep en zette de klep weer open. De machine,
op gang gebracht, maakte het normale aantal slagen.
"Dat was het dus!" bracht hij er eindelijk uit. "Zoo'n ellendeling!"
De mandoer, die kermend overeind was gekomen, zijn ribben wrijvend,
strompelde naar zijn plaats. Bake vermeed het hem aan te zien, terwijl
hij, langs hem heen, de fabriek uit ging. Buiten, onder den stillen
sterrenhemel, bleef hij met een diepe ademhaling stilstaan.
"'t Spijt me, dat ik zóo... hij kan niet terugslaan natuurlijk. Maar
zoo iets verraderlijks ook--en waaròm? Neen, ik had nooit gedacht
dat ik zoo woedend kon worden! Er was iets beestachtigs in!"
Hij ging den jongen employé uit den weg den volgenden dag.
De administrateur, gerustgesteld aangaande de dure machine, deed
de zaak met een schouderophalen af. Bake was er verbaasd over; toen
begon hij zijn drift verdedigbaar te vinden; eindelijk dacht hij er
niet meer aan.
De machine werkte prachtig nu. De cijfers stegen. Het werd een verschil
van over de zeventien procent met die der vorige campagne.
"Nu moeten we zien wie het wint!" zei de administrateur, kijkend naar
de rookpluim der pas opgerichte fabriek in de verte. "Zij--of wij!"
"Wij!" zei Bake, en sloeg op de balustrade die zijn machine
omgaf. "Wij, met déze hier!"
Hij was midden in den arbeid, vol ijver en geestkracht,--regelend,
berekenend, vergelijkend; van den ochtend tot den nacht in touw. Hij
werkte als een hersen-machine tusschen al die machines van ijzer. Het
was hem wèl te moede daarbij, hij voelde zijn kracht toenemen met de
toenemende inspanning,--de kracht van zijn lichaam dat de gloedhitte
en den langen werkdag verdroeg, en de kracht van zijn geest die weten
omzette in werkelijkheid.
De langzame karren kwamen er aangekraakt van de weegbrug af: tusschen
staven en drijfriemen en buikige machines door zag hij hoe het
groene riet binnenkwam, lasten riet, hoopen riet, schelven riet,
heuvels riet! En dat gaf hem een gevoel van vroolijken moed, als
voor een slag dien hij vóor den avond nog winnen zou. De menigten
plantenvolk die daar aangedrongen kwamen, of ze de fabriek wilden
bedelven, moesten ten onder gebracht, verbrijzeld in de machines,
geperst tot wat hem dienstig was.
Hij keek toe hoe de zware, ronde halmen, naakt uitgeschud van hun
wimpelenden bladerrijkdom, bij hoopen tegelijk naar de machines
gesleept werden, hoe ze verdwenen in den slokkenden muil en het
plantenvleesch verbrijzeld neerviel, terwijl het sap stroomde. Hij
merkte haast het hameren en hijgende bonzen om zich heen niet meer,
noch de hitte die in droppels van de muren liep, noch den walgelijken
stroopstank, die hem in het begin onpasselijk had gemaakt. Met
het gevoel van een jong officier, die zijn generaal het bericht
van een overwinning komt brengen, overhandigde hij des avonds den
administrateur de statistiek van den dag.
De chef knikte.
"Ik zal speciaal melding van je maken, meneer Bake, in het rapport
aan de commissie."
Dan ging hij naar huis, met een stap die veerde, niettegenstaande
den last der veertien uur arbeid.
Hoe hoog zouden de percenten der employés wel komen?
En de bijzondere gratificatie die de administrateur hem had toegezegd?
Een vriend, die als mijn-ingenieur naar Celebes was gegaan, had hem
geschreven dat een gewichtige speculatie in goudmijnen op til was,
hem radend aandeelen te nemen. Hij wilde het wagen. Waarom zou hij
minder gelukkig moeten zijn dan zooveel anderen die met zoo iets rijk
waren geworden! Als nu de campagne maar voordeelig uitviel.
Tot nog toe ging alles goed; hij had voldoening van de nieuwe machine,
en voldoening ook van de waterleiding die hij had laten graven.
Op een middag, dat hij er heen was geweest, en in plaats van langs den
landweg, dwars door de velden naar de fabriek terug wilde rijden,
vergiste hij zich in den weg, en kwam na een poos dwalen langs
felbezonde sawah-paadjes en braakliggende akkers, die opklommen en
afgleden langs de hellingen van een lagen heuvelkling, aan een golvend
weideveld waar een bamboeboschje schaduw gaf. Van de rivier die er in
een bocht omheen stroomde, kwam een koelte. Hij stapte van 't paard
en ging in het lommer zitten uitrusten. Een geluid van kinderstemmen
deed hem omzien.
Het was een troep kleine jongens die er aankwam, achter de
buffelkudde van het dorp. Voorop, den rook van zijn stroosigaar
uit bolle wangen voor zich uit blazend, liep een kereltje van een
jaar of tien, spiernaakt, met een amulet aan een rooden draad om den
hals. Een kleinere volgde hem, half in, half uit een verschoten paars
mans-baatje, dat hem tot op de naakte kuiten hing, en een langen
hengel over den schouder dragend. Achter de langzaam voorttredende
buffels aan kwam de rest, zwiepend met hun dunne bamboezweepen,
en langgerekte kreten uitstootend van hoo--iet! hoet!
De buffels stapten op het water toe, dat bruin opzwalpte terwijl zij
er in nederplompten. En de kleine herders, hun achterna, plonsden en
plasten om de geweldige beesten heen. Een, die bijzonder veel hart voor
het zijne had, leidde het naar een kuil in de rivier, waar het tot aan
de schoft toe in het water stond; en op den breeden rug springend,
begon hij den karbouw met beide trappelende voeten te kneden. Den
geweldig-gehoornden kop vlak uitgestrekt, stond de buffel stil,
tevreden heen en weer slaande met zijn staart.
De zon was achter de hoogte gezonken die in het westen de weide
begrensde; een lange, doorschijnende schaduw viel over het gras.
Het jonge mensch met de sigaar in den mond kwam er aan geslenterd,
keek rond naar een geschikte plaats, en ging er languit op den buik
liggen. Zijn vriend in het paarse buis hurkte tegenover hem neer, met
een pak Chineesche kaarten, die hij op het gras begon uit te spreiden,
terwijl een derde, die een plukje haar koddig overeind had staan op
den kaalgeschoren bol, ernstig toekeek.
Een groepje verderop had een in ruiten afgedeeld vierkant op den
grond getrokken en speelde "tijger" met een witten steen, die over
de lijnen heen en weer geschopt werd.
Geheel alleen liep een kleine dikbuik sprinkhanen te vangen. Hij trok
een plankje, aan een stok vastgemaakt, over het gras, de sprinkhanen
wipten van tusschen de halmen op, en met een snelle handbeweging
had hij ze beet en in een bamboekooitje gestopt dat hem om de heupen
bengelde. Telkens hield hij dan de kleine kevie aan het oor en schudde
ze, om de krekels te hooren krieken. Onder een aardkluitje, waar hij
met zijn naakte teenen tegen aan had geschopt, zat een groote: hij
greep hem en liep juichend naar de anderen. Het was er een zwarte
met een oranje-gele plek op den rug, van de soort die het best te
dresseeren is voor de krekel-gevechten.
"Hij bijt nu al!" riep de kleine dikkert. "Kijk, kijk!"
En hij krieuwelde den krekel met een graspluimpje om te laten zien
hoe driftig hij er naar snapte.
"Hij zal niet loslaten bij 't vechten, al worden hem ook de pooten
stuk gebeten!"
De jongens kwamen om hem heen staan. De grooten vroegen of ze
den krekel voor hem wilden dresseeren en er werden weddenschappen
aangegaan of deze het winnen zou of die van Moedjaddi, die al zoo
dikwijls gewonnen had!
Rondom de knapen, hier en ginder verspreid, liepen de karbouwen
het korte wreede gras af te weiden. Een kwam er vlak bij Bake,
snuivend, terwijl het speeksel in een langen, helderen draad uit
zijn muil afhing; hij hield den ontzaglijken kop gebukt. Maar het
krekel-jagertje kwam aandraven, schold hem uit en gaf hem een schop. De
karbouw keerde om.
"Kom eens hier, kleine jongen!" riep Bake. "Ik wil je iets moois
geven!"
De kleine keek hem over den schouder aan en de oogen niet van hem
afwendend, verwijderde hij zich, stap voor stap.
Maar opeens klonk een hooge juichkreet:
"Hij komt! hij komt!"
Al de jongens renden naar den heuvel waarvandaan de kreet had
geklonken. Bake zag hen een oogenblik verdoffen als zij in de schaduw
der helling kwamen, een seconde lang blinkend op den top staan en
verdwijnen. De krekelvanger kwam achteraan; hij durfde niet hard te
loopen, uit angst dat de kooi bij het schokken mocht openspringen en
al de sprinkhanen ontkomen. Toen hij de helling bereikte, verschenen
de anderen op den top, den makker omringend die met zulk een gejuich
was aangekondigd.
Bake herkende Si-Bengkok.
"Vertel ons weer van den wayang, zooals gisteren, Si-Bengkok!" riep
een van de jongetjes.
"Neen, neen! liever van het feest bij Pak-Sidin!"
"Speel ons wat voor!"
"Ja, spelen, spelen!"
Si-Bengkok haalde de fluit van onder zijn baadje te voorschijn. De
jongens maakten een kring om hem heen, sommigen staande met
aandachtig op zij gehouden hoofd en de armen om elkaars schouders;
anderen neergehurkt, hun opgetrokken knieën omvattend, of languit naast
elkaar in het gras. Een die een vlieger aan de lijn hield stond alleen,
donker afgeteekend tegen den gouden hemel; de rood-en-blauwe vlieger,
waar de zon doorheen scheen, schitterde boven zijn geneigd hoofd.
De hooge zoete toon der fluit klonk over de weide.
De grazende beesten, op wier rug de groote zwarte buffelwachtervogels
waren neergestreken, hieven luisterend den kop op. Die in de rivier
stonden, tot aan de schoft in het koele water, kwamen diep-snuivend,
met dampende flanken, opgeklommen door het oeverriet. En de een achter
den ander aan, zoo rustig dat niet éen van de zwarte vogels opvloog
van zijn plaats, stapten zij naar den heuvel op het lokkende geluid
af. Dichtgedrongen omringde de kudde den fluitspeler, die al klaarder
en liefelijker zijn wijze deed klinken. Onder het lichte nevelwolkje,
dat hun adem en de damp van hun warme, natte lichamen opzond in de
avondlucht, stonden zij stil of zij sliepen, alleen de ooren licht
bewegend nu en dan.
Verwonderd zag Bake er naar.
In de haast en drukte der laatste weken had hij aan Si-Bengkok in
het geheel niet meer gedacht. Nu trof het hem dat hij den jongen in
lang niet gezien had,--in bijna een maand al niet, leek het hem. Hij
dacht er over onder het naar huis rijden.
De tuinier slenterde langs het pad, met zijn bezem van stijve
palmbladvezels de dorre bladeren wegprikkend; hij riep hem aan.
"Is Si-Bengkok niet meer hier geweest in den laatsten tijd?"
De tuinjongen stond stil.
"Hij is heel dikwijls hier geweest."
"Waarom heeft niemand het me dan gezegd?"
"Ik heb het mijnen Heer gezegd telkens wanneer hij kwam. Ook
gisterenavond heb ik het gezegd."
"'t Is waar," dacht Bake, "ik had het vergeten."
De tuinjongen, de opgespietste bladen uit den bezem trekkend, raapte
met de teenen een lederachtig mangablad op, en beurde het naar
zijn hand.
"Hij kwam voorschot vragen," zei hij op een ontevreden toon. Die
jongen uit de dessa, die voorschot kwam halen of hij bij het huishouden
hoorde, ergerde hem.
"Voorschot? Ah ja, natuurlijk, ik had 't hem beloofd.--Zeg 't me als
hij terugkomt!"
Hij haastte zich naar het molenhuis.
Een walm van hitte, machine-olie en kokende stroop sloeg hem uit de
poort tegemoet. De rustelooze machines hijgden. Er werd op hem gewacht.
"Wanneer hebben ze het ontdekt? Van morgen in de vroegte?"
"'t Moest onderzocht worden of de wacht daar werkelijk niets van weet."
"Als 't maar niet weer dezelfde bende is, die verleden jaar op Mritjan
heeft huisgehouden."
"Hoe kan dat nu? Ze hebben de kerels immers opgepakt!"
"Dat wil zeggen, ze hebben eenige kerels opgepakt die misschien de
buffeldieven geweest zijn en misschien ook niet."
"Maar ze hebben toch bekend!"
"Net of dat er iets toe doet! Als het zoeken het dessahoofd verveeld
heeft, dan heeft hij eenvoudig bevel gegeven tot bekennen. Een
paar getuigen zijn gauw genoeg gevonden, en de "schuldigen" gaan de
gevangenis in. Dat noemen ze hier "klaarheid in de zaak brengen.""
De employés bespraken onder elkander een buffel-diefstal dien een
van de dessalieden, met wien de fabriek een karre-contract had,
was komen aangeven dien morgen.
Bake vroeg of het riet-vervoer er geen schade van zou lijden, en
kreeg ten antwoord dat een gemis van een enkel span niet voelbaar
was op de massa die dag in dag uit het riet naar de fabriek trok.
"Maar als het nu eens een heele bende was, die systematisch steelt?"
"Ja, dan misschien! dan konden we wel last krijgen."
Bake begreep de onverschilligheid van den Indo niet. Als het werkelijk
een bende was, en het niet te vervoeren riet moest verrotten op het
veld, wat zou er dan terecht komen van de winst en de percenten der
employé's? Hij dacht aan die speculatie in goudmijnen. De voorstelling
bedierf hem den dag.
Hij ging kijken naar de kraal waar de beesten uit gestolen waren,--een
modderpoel binnen eene palissade. De poort werd op primitieve manier
gesloten met houten klossen en bouten.
Eenige Inlanders stonden aan den ingang. De een zei:
"Zeker is er onder de dieven een man geleerd in geheime wetenschap,
en die de woorden kent waarvoor alle sloten openspringen, en alle
knoopen loslaten. En hij heeft de bezwering uitgesproken van de
geesten in het Noorden, het Zuiden, het Oosten, het Westen en het
Midden, en aarde gestrooid in de richting van de kraal, zoodat een
slaap zoo diep als de dood over de wachters is gekomen, en toen is
hij heengegaan en heeft de buffels genomen!"
De ander dacht na.
"Vader van Sidin!" zei hij na een poos, "zou het niet verstandig
zijn en gepast een offermaal aan te richten en den priester een
krachtig gebed te laten doen tot de geesten en de voorouders en tot
Vader Adam en Moeder Eva, opdat zij ons vee beschermen? De priester
is een zeer geleerd man! Alle dieven uit deze streek komen bij hem
om geheime wetenschap van hem te leeren, en hij geeft hun spreuken,
waardoor zij kunnen reizen sneller dan de wind, en zich onzichtbaar
maken in een vertrek waar het helder licht is, zoodat de politie hen
nooit kan vangen. Als wij hem slechts een voldoende geschenk geven
zal hij ons een spreuk leeren nog krachtiger dan die der dieven,
en ons vee zal veilig zijn in de kraal!"
Met een schouderophalen ging Bake verder. Was dat nu domheid of
schurkerij? Sedert de episode van den mandoer was hij anders over
Inlanders gaan denken,--ten minste, het scheen hem dat daarna
en daardoor zijn gevoel tegenover hen veranderd was. Vroeger had
hij dikwijls genoeg dergelijke woorden van Si-Bengkok gehoord en
geglimlacht om de naïeve fantasie der voorstelling,--een fantasie die
in den zonneschijn fladderde op prachtig bonte vlindervleugels, en zat
te droomen in schemerhoeken met wijd-open kleine-meisjes-oogen. Maar
nu ergerde hij zich over dat volslagen gemis aan moraliteit op het
punt van mijn en dijn.
"'t Is zooals Versteeg zei verleden," dacht hij, zich een uitlating
van den Indo herinnerende.--"In hun hart zijn alle Inlanders dieven."
En hoewel hij juist tegenover den halfbloed, wiens insolente minachting
van den Javaan hem dikwijls geërgerd had, dat anders eer verzwegen
zou hebben, bekende hij hem nu zijn pas-gewonnen overtuiging.
De Indo zag hem meesmuilend aan.
"Ik heb het je dadelijk wel gezegd dat een paar maanden op de fabriek
een eind zouden maken aan je romantische idees.--En je vriendschap
met Si-Bengkok, hoe is het daarmee? Is hij "zijn voorschot" nog niet
komen halen? Nu, dan zal 't ook wel niet zoo erg met hem gesteld zijn
als hij klaagt; schulden bij den Arabier en de rijst vooruit verpand,
en zoo voorts, de gewone misère."
Bake luisterde met de verbazing van den Hollander voor wien Java het
land van Cocagne is, en die niet vatten kan hoe een inboorling gebrek
lijdt, waar de vreemdeling rijkdom komt halen.
"Is hij dan arm?"
"Niet armer dan de anderen. Een Inlander is altijd in de penarie. Als
hij toevallig eens wat heeft, geeft hij het dadelijk weer uit,--voor
kleeren, of snoeperij, of een pretje,--net kinderen. Dan natuurlijk
moeten ze bij den Chinees komen en leenen op woeker-rente. Of ze
verkoopen hun oogst voor een prikje een paar maanden vooruit. Of
ze scharrelen op de pasar met bloemen van hun erf, en allerlei
gereedschap, dat ze niet eens missen kunnen, en met rijst die ze op
crediet gekocht hebben,--ook weer van den Chinees natuurlijk. Op zoo'n
manier blijven ze aan den gang. Weet je niet meer, toen we verleden
terugkwamen van Madja, op de pasar?"
Bake herinnerde zich het tooneeltje aan den landweg: een groep
donkere kraampjes in de schaduw van een wijd-uitgegroeiden waringin,
waar feestelijk gekleed dessa-volk bontheid van kleur en drukte van
kwetterende stemmen omheen maakte. Alleen gelaten door praters en
koopers zat een oude, in slordige kleeren gehulde vrouw achter een
hoopje armzalig allerlei, half-sleetsch veldgereedschap, een paar
aarden kruiken en potten, wat gering ooft. Met doffe oogen staarde
ze voor zich uit.
"Dat oude mensch, dat ik je nog gewezen heb, dat was de moeder van
Si-Bengkok. Hij zelf zal er ook wel geweest zijn; hij gaat altijd
mee, om den grond tusschen de kraampjes te vegen, daar krijgt hij
dan een paar duiten voor, en hij vindt er nog licht wat van zijn
gading: rijstkorrels en sirih-bladen en wat zoo van de stalletjes
afvalt. Soms speelt hij ook een deuntje in het danshuis--een artist
op zijn manier!" sloot de Indo en lachte.
Bake antwoordde niet. Hij gevoelde de voorstelling van Si-Bengkok's
armoede als iets hem persoonlijk onaangenaams, op dat oogenblik.
"Als zij nu de buffeldieven maar vinden," zei hij, heengaand.
Er werd naar hen gezocht. Maar tien dagen later kwamen weer eenige
Inlanders klagen bij den administrateur; ditmaal waren zes buffels
tegelijk gestolen. Het kreeg den schijn of er werkelijk een goed
georganiseerde bende aan den gang was.
De administrateur liet den djågå bij zich komen, den dieven-hoofdman
van het dorp, die er verantwoordelijk voor is dat zijn volgelingen
niet in de dessa waar hij woont stelen, en die een vast aandeel heeft
van den buit dien zij overal elders ophalen. Daar het zijn ambitie
was bij de eerstvolgende verkiezing van een dessahoofd aan de beurt
te komen, en hij daarvoor de goede gratie van het bestuur noodig had,
beloofde hij te doen wat hij kon. En terwijl de politie, optredend met
de verklaring dat zij ijverig wilde zoeken, de opiumkitten afliep,
de pandjeshuizen, de speelholen, al de plaatsen waar dieven elkaar
plegen te vinden, stelde hij een onderzoek op eigen hand in, nog meer
dan door zijn eerzucht geprikkeld door de hem in zijn autoriteit
en goeden naam aantastende bewering van zijn persoonlijken vijand,
het nog in functie zijnde dessahoofd, dat de onbekende dieven hulp
in het dorp gehad moesten hebben.
Echter vonden noch hij, noch de dessahoofdman, noch de politie ook
maar een spoor van de dieven. En vóor het eind van de week waren er
weder vier buffels gestolen.
Bake, die elken ochtend met het eerste woord dat hij uitsprak naar
tijding omtrent de dieven vroeg, werd hoe langer hoe driftiger om het
geregeld terugkeerende antwoord dat men nog niets gevonden en niets
geraden had.
Onderwijl kwamen telkens geruchten in het dorp.
Pasargangers, des nachts doorreizende in hun kar, hadden op den landweg
mannen ontmoet die een troep buffels voor zich uit dreven, en die,
zonder op hun aanroepen antwoord te geven, verder gegaan waren door
de duisternis.
Toen de Arabier den te veld staanden oogst van zijn schuldenaars in
de dessa kwam bezien, verhaalde hij van twee der vermiste buffels,
die hij herkend had in den stal van een opkooper.
"Ik heb den karbouw van Pak-Oedin gezien, die de diepe keep in het
oor heeft, en den karbouw van het dorpshoofd, dien met den gebroken
staart. De horens, het is waar, waren anders. Maar toen de opkooper
niet op mij lette, vatte ik ze aan en voelde dat ze los zaten,
zoodat ik wist dat de dieven den karbouwen een heeten pisangstam
op de horens gestoken hadden, tot ze zacht werden en loslieten, en
hun toen andere horens op den wortel hadden geplant, opdat ze niet
herkend mochten worden!"
Eindelijk kwam de vrouw van den arèntapper met een mand vol
koekjes-suiker in het dorp, en verhaalde wat haar man gezien had in
het bosch. Hij was in een hoogen arèn geklommen om den bloemstengel
te kloppen die nog niet rijp was, en toen had hij onder zich stemmen
vernomen, en daar kwamen twee mannen aan, die een buffel voor zich
uit dreven. De eene zong, en de buffel stapte voort op de maat.
"Zeker waren het dieven, want waarom gingen zij anders door het
bosch waar het moeilijk is te loopen, in plaats van langs den
landweg?" besloot het vrouwtje gelijkmoedig.
Bake stoof op.
"Waarom heeft hij ze dan niet aangehouden, als hij toch begreep dat
't dieven waren?"
"Eh!" zei het vrouwtje, "als mijn man geroepen had en gevraagd:
"wat is dat voor een buffel, dien je daar voortdrijft?" dan hadden de
dieven misschien wel gezegd: "Dat is een vuurbuffel!" en dan zouden
ze ons huis in brand hebben gestoken, en mijn fornuis stuk geslagen
waarop ik het sap kook! En waarom zou mijn man het vragen? Het is
niet betamelijk zich zoo te bemoeien met de zaak van andere menschen!"
"Honderd en tachtig staan de aandeelen.--Wat jammer dat ik het verleden
maand maar niet geprobeerd heb, al had ik er voor moeten opnemen bij
de Bank.--Zou ik het nu tòch maar wagen?"