"Ik heb hooren zeggen dat de doekoen een waarlijk-goeden dag

AUGUSTA DE WIT

ORPHEUS IN DE DESSA

VIERDE DRUK

AMSTERDAM

P. N. VAN KAMPEN & ZOON

In de stilte en de eenzaamheid van den nacht was het een enkele toon

geweest--een klare helder-hooge toon, die aangestreken kwam op de

lamplichte galerij en trilde, en al weder voorbij was, weg over de

rivier en de blank-beglinsterde suikerrietvelden, de verte in.

Nu was het weer stil.

De jonge man zag op van zijn boek.

Wat was dat geweest? Een vogel? Het klonk bijna als wielewaalgeroep.

Een wielewaal in den middernacht! Waarom niet, hier in Indië, waar

alles zoo vreemd was en verrassend, dat het gewone niet van het

onmogelijke onderscheiden kon worden?

Alles was stil nu.

Alleen in het bamboe-boschje, op het maanlichte grasveld, tjilpte

en kriekte een krekel. En vanwaar de rivier opschemerde tusschen

blauwig-beglansd riet, kwam een kabbelend gemurmel, bijna onhoorbaar.

Anders niet.

Hij hervatte den zin in het boek.

".... zoodat met de dus veranderde constructie, de machine, ah ja,--een

besparing van arbeidskracht--hier, de tabel...."

Hij ging de reeksen cijfers na.

"Ja, dat geeft dus...."

--Daár! weer!

Weer zulk een klare, helder-hooge toon, opzingend door de wijde

stilte. En nu nog een, en een derde, het werd een lange vlucht

van geluiden, die éen voor éen voorbijzweefden die eerstelingen

achterna. Éen voor éen, zuívere volle tonen.

Hij luisterde, de lippen een weinig openend in zijne aandacht, als om

het geluid in te ademen. En nu herkende hij het, dat was de toon van

een soelingan, een inlandsche fluit, als des avonds wel door de dessa

klinkt, waar een jonge man zijn meisje, opgesloten bij haar ouders in

't nauwe huis, naar buiten lokt met een minnedeuntje.

Hij wachtte, elken voorbijtrekkenden toon naluisterend, of de vlucht

van geluiden zich niet zou schikken tot een melodie. Maar éen voor éen

kwamen ze nog steeds er aan scheren, elk op zich zelf in zijn eigen

zuivere volheid uitklinkend. Geen die door een vorig getemperd werd,

geen die in een volgend vervloeide; zonder merkbare modulatie of maat.

Als vallende droppels.

Nu! nu, op dien hoogen, langaangehouden toon die trilde, of hij nog

even stil wilde blijven, voor hij opschietend de hoogte invloog,

nu moest de melodie beginnen!

Maar het daalde weer, daalde, bleef een lange seconde hangen, en

begon dan op en neer te wiegelen, op en neer, in langzame zwevingen.

Als het gemurmel van een beek, die voort wil over de steenen, en soms,

met een iets sterkere golf, stroomt zij er overheen, en soms, weer

neergezegen, vloeit zij erlangs, er komt geen bruisen, er komt geen

stokken, er komt geen eind aan het kabbelend geklok; zoo vloeide

het fluitedeuntje voort, in effen bestendigheid, onwillekeurig,

onaandoenlijk, zichzelven onbewust,--een natuurgeluid, kabbelend over

menschelijke lippen, waar de slag in beeft van het purperen hart.

De instinctief-gevoelde tegenstelling lokte den luisteraar met de

bekoring, waarmede het onbegrijpelijke ons lokt,--elk onbegrijpelijk

ding, ook het schijnbaar nietigste--een duizelige schrede nader lokt

tot die afgrond-diepe onbegrijpelijkheid van het eigen bestaan.

Maar hij meende dat 't slechts nieuwsgierigheid was naar den

onzichtbaren fluitspeler, die hem den nacht in trok.

"Waar mag hij wel zitten?"

Hij tuurde of hij niet ergens een donkere gedaante ontwaarde.

Het was zoo licht, dat op het tuinpad elk wit kiezelsteentje

afzonderlijk blonk. Het bamboe-boschje, doorgloord van manelicht,

vervloot in nevelige glanzen en doorschijnende donkerheid. Luchtig

als een wolk hing het boven het nauw-beschaduwde gras.

Daarbuiten, langs het stille fabrieksplein, schemerden de woningen

der employés met witte pilaren door de looverduisternis der tuintjes.

Hij ging den landweg op, die langs de rivier loopt; de tamarinden

van den oever wierpen er luchtige grijze teekeningen over.

Het water vloeide met een bijna onmerkbare beweging, zoo rustig,

dat aan de weerspiegeling der boomen geen twijgje trilde; scherp

en doorschijnend als een gietsel van bleekgroen glas lag zij onder

de blanke oppervlakte. Alleen tusschen het oeverriet maakte de

strooming voortspoelende kringetjes, en rekkende kronkelingen, die

op zilveren slangetjes geleken, voortzwemmende van halm tot halm. De

suikerrietvelden aan de overzij stonden roerloos, een flikkering

van wit-beglansde wimpelbladers, waar het bloesem-pluimsel dun en

donker als een stippelige nevel over hing. Zoo dikwijls Bake er naar

gekeken had overdag, wanneer de koelies er aan het werk waren en de

employés den rijpenden oogst schatten, nu schenen die wijde velden hem

nieuw en vreemd. Dat waren niet meer akkers met zorgvuldig gekweekten

rijkdom, het was een door geen mensch nog betreden vlakte vol prachtig

gewas. En evenzoo werd de welbekende tamarindenrij langs den landweg

een uitlooper van het bosch, dat in de verte de zilveren heuvels

wolkig maakte. En de kalkwitte fabrieksgebouwen onder hun zinken dak

veranderden in blanke klippen en rotsen waar een langzame beek van

maneglanzen afvloeide. Over alle dingen was de verheerlijking gekomen

van den lichten middernacht.

Weer de fluit nu! hij hief het hoofd op en luisterde.

Het deuntje begon overnieuw,--als het een deuntje heeten mocht

wat eerder leek op het kabbelen van water,--op windgeruisch door

riet,--op het tjilpen van kleine vogels des avonds, wanneer de lucht

nog rood is van den zonsondergang, maar het al donker wordt tusschen

de takken waar hun nestjes zitten, zoo, simpel-weg zonder een zweem

van de willekeur en den hartstocht, waarmee de gedachte van den

westerling zich verklankt tot muziek. Het hoorde bij de stilte, bij den

maneschijn in den Indischen nacht. En langzamerhand,--hij begreep het

niet,--langzamerhand werd het of hij dit alles al lang kende,--niet het

fluitedeuntje zelf, maar de gewaarwording die in hem er op antwoordde,

als een echo op een roepende stem uit de verte. Herinneringen kwamen

in hem op, vroolijke en stille, oogenblikken die hij lang vergeten

had, en sommige waarvan hij niet wist eerst dat hij ze ooit had

geleefd; nu kwamen ze een voor een met een gloor van sterretjes aan

een schemerige lucht: een thuiskomst van de Haagsche kermis met een

troep joelende clubgenooten in den vroegen ochtend, toen er een met

dronkemans-koppigheid absoluut langs het strand wou rijden, en opeens

had de blanke zee hem tegengeschenen, met de pinken die uitzeilden;

de stem en de oogen van een klein meisje, dat hij eens meegenomen

had in zijn boot, toen hij zich oefende voor den roei-wedstrijd;

een regenbui waar hij op een Aprildag lang geleden in had geloopen,

blootshoofds door het veld, terwijl de lente neerviel in de malsche

droppels, en door de knotwilgen de koekoek riep.... Het waren geheel

andere dingen, het scheen of zij niets te maken hadden met dat deuntje,

dat hij nu volgde alsof het hem trok, zacht, en niet te weerstaan trok;

en toch was daar een heimelijke, onbegrijpelijke overeenstemming,

een herinnering, een weder-herkennen, dat het tegenwoordige oogenblik

ophief in de sterretinteling van het verleden en het leven rondom

diep maakte en wijd als een hemel....

Nu zweeg het fluitspel.

Stilstaande zag de jonge man om zich heen. Hij was aan een grens

gekomen van maanlicht en duisternis, aan een schaduwkring dien een

zwarte boomen-massa wijd over het glorige gras spreidde. Onduidelijk

nam hij een dicht gedrongen menigte van stammen waar, lang afhangende

groeisels en van maanlicht even beglommen looverspreidingen. Een geur

van verwelkende bloemen hing in de lucht. Hij herkende den heiligen

waringin aan den ingang van het dorp, waar de vrome passargangers den

Danhjang-Dessa offeranden van jasmijn-bloesem plachten te brengen op

het zoden-altaar. Hij was ver van de fabriek af gekomen.

Langzaam ging hij terug door het van dauw wit glinsterende en druipende

gras. In de stilte van zijn gedachten zong het deuntje der fluit voort,

en zijne stappen schikten zich naar de onhoorbare maat.

Nog een poos lang wakker liggend in de duisternis van zijn huis,

bleef hij luisteren of niet weer het klare geluid aan kwam strijken.

Toen kwam de gedachte aan zijn werk weer terug. Hij sliep in met

de voorstelling van de nieuwe machine die hij op zou stellen in

het molenhuis.

De dag was gloeiend geweest; nu, met zonsondergang, begon het af

te koelen.

Een nauw merkbare windtocht ging in donkerten en bleekheden door het

geboomte en deed den daglang opgezamelden bloesemgeur uit neigende

kelken uitvloeien op de lucht; gedragen daalden de doorschijnend-witte

bloemblaadjes der njamploengs neder in het stof en het vaal-oranje

geschroeide gras van den berm.

In de modderige rivier was het dessavolk aan het baden: als

pasgegoten brons glansden de bruine gestalten in den schuinschen

rooden zonnegloed. Een naakte jongen, dien twee andere nazetten,

kwam den weg afgerend en vloog met een sprong van de oeverhoogte af

in het water, dat schitterend rond hem opspatte; een eind verder

dook hij weer op en keek om, lachend, met oogen die tintelden

onder het in het gezicht druipende haar.--Aan den kant stond een

jonge vrouw, slank in haar rooden sarong, die, donker-gedrenkt,

haar in waterige plooien van boezem tot knie omvloeide. Het hoofd

een weinig neigend, hief zij beide armen op om haar zwarte haarwrong

wat hooger te schikken. Haar schouders en haar gebogen nek glansden

goudachtig boven het purperen gewaad.--Van de bocht der rivier af,

waar het water gloorde als paarlemoer veeltintig en zacht, kwam een

woonprauw aandrijven; een witte haan, die nog maar éen veer in zijn

staart had, stond blinkend op het grauwe bladerdak. Hem in het oog

krijgend begonnen de badende jongens uitdagend te kraaien, waarop de

vogel zijn mageren hals oprekte en antwoordde met een schor geluid;

het uitgelaten gelach van het troepje schaterde over het water.

Bake, die met zijn lange, veerkrachtige passen den weg langs de rivier

afkwam, keek naar de joelende jongens met den blik van iemand die

aan iets anders denkt dan wat hij ziet. Hij wilde naar het meertje

tusschen de heuvels, waarvandaan de nieuwe waterleiding gegraven zou

worden naar de fabriek, volgens een door hem ontworpen plan dat hij

niet zonder moeite had doorgezet.

Terwijl hij liep, bouwde zijn fantasie dammen en stuwen, liet sluizen

neer, groef kanalen, ving het water van al de fonkelende heuveltoppen

rondom in een net van geleidingen, en dreef het naar de fabriek om

te werken voor zijn nieuwe stoommachine. Zou alles nog klaar kunnen

komen voor de aanstaande campagne?

"O, kúnnen--het móet."

En hij zag op als om met de oogen bezit te nemen van het land en al

de krachten die er in waren.

Den landweg verlatend sloeg hij, dwars door een ruigte van alang-alang

en struikgewas, waaruit verderop een slank jong bosch omhoog schoot,

de richting in naar den plas, terwijl hij stroomopwaarts het beekje

volgde dat daarvandaan naar de rivier loopt.

Er was hier geen pad. Tot over de enkels wegzakkend in den drassigen

grond wrong hij zich door het dichte groeisel heen. Tusschen de slank

opgeschoten stammen van palmen en breedbladerige wilde pisangboomen

was het een taai, lang-strengelig warsel van opschietend en afhangend

gebladerte, rankende kruiden, als netten over den grond gespreid,

en kronkelig saamgeweven slingerplanten. Er hing een groene

half-duisternis, als ware het de zichtbaar geworden adem van dat

millioenentallig plantenvolk. En de koele lucht van het water en van de

natte steenen in de beek vermengde zich met duffige aarddampen en met

den reuk van het groen, tot een wadem die tegelijk prikkelend was en

zwaar. Terwijl Bake voortworstelde, zwiepende takken op zij slaande,

en zijn kleeren losrukkend uit de slingerlissen der doornige rottan,

zweefden hem telkens opgejaagde zwermen muskieten in 't gezicht. Hij

sloeg waar ze hem staken, en voelde zijn handen nat van bloed. Hijgend

en overstroomd van zweet bereikte hij den zoom van het bosch.

De vallei lag voor hem. De plas schitterde, overgloord van den afschijn

der avondwolken. Het riet aan de kanten scheen op te sprieten uit een

vloed van vuur. Hij baadde zijn heet geschramd gezicht en handen koel,

en uit een pisangblad een stuk van het zijde-achtig piepende weefsel

scheurend, draaide hij er een drinkkelk van op de wijze zooals hij

het Inlanders had zien doen, en dronk met lange teugen het water dat

als kwikzilver in den groenen beker glansde, rijen schitterpuntjes

aanzettend langs de bladnerven.

De vlossige purperwolkjes aan den zenith waren slechts een onmerkbare

tint vuriger geworden dan hij ze straks boven de rivier had gezien;

hij begreep hoe kort de gang door het bosch geweest was die hem zoo

lang had geschenen. De landweg was vlakbij; bij oostewind moest de

rook van de fabriek den plas dikwijls verdonkeren.

En niettemin was de plek eenzaam als het hart van een oerwoud.

De stilte beving hem. Hij stond zonder aan iets te denken toen,

plotseling, van vlakbij die heldere hooge toon weer klonk die hem

den vorigen nacht naar buiten had gelokt. En het deuntje van den

onzichtbaren fluitspeler kwam aanscheren over den plas die even

zeverde als onder de trilling van het geluid.

"Bake! hé, Bake!"

De gedempte stem riep waarschuwend; hij keek om en zag tusschen de

struiken aan den oever een gelig gezicht en een ineengedoken figuur;

den Indo herkennend, die boekhouder was aan de fabriek, ging hij naar

hem toe.

"Wat doe je daar?"

"Sjt! laat hij je niet zien!--kom hier naast me,--zachtjes dan toch!"

Bake dook naast den jager neer.

"Loer je op een hert?"

"Op een leguaan," fluisterde de Indo. "Ik kan hem niet onder schot

krijgen, nu probeer ik het zóó."

"Hoe, zóó?"

"Met de fluit; Si-Bengkok speelt. Hij zit daar aan den overkant. Stil

nu!"

Het leek Bake dat het fluitegeluid opsteeg uit een donkerbladerigen

struik met groote roode bloemen, aan den oever van het meertje. Daar

kwamen de lange, langzaam zwevende cadenzen weer terug van den vorigen

nacht, rustig als een kalme ademtocht. Maar gaandeweg veranderden zij

van beweging, er kwam iets lichts en luchtigs in, ze dansten als de

wemelende avondroodglimpjes over het water.

Een schitterblauwe vogel kwam aangevlogen, streek neer op een

bamboescheut die bevend boog, en begon tegen de fluit op te kwetteren,

hoe langer hoe driftiger, zoodat zijn kleine keel trilde, en zijn

vlerkjes slap hingen. Bij oogenblikken was zijn gekweel niet van het

lokken der fluit te onderscheiden.

Bake luisterde, glimlachend zonder het te weten.

Hij had zijn irrigatieplannen vergeten, en vergeten ook dat hij daar

zat om te loeren op een onnoozele hagedis.

Plotseling stiet de Indo hem aán. naar het riet wijzend.

Met een golvende beweging week het uiteén en stond gedeeld. Iets

verder kronkelde de golving, nog iets verder, nu kwam een spits,

donker ding uit het groen te voorschijn.

Het fluitspel verlangzaamde. De gedempte tonen bleven hangen

boven de plek, gonzend als muggen die op en neer zweven in een

rooden avondstraal, en wel weg schijnen te willen, en toch blijven,

ongedurig en besluiteloos blijven beven op dezelfde plek, in den

schuinen rooden lichtstraal.

Het spitse donkere ding waagde zich geheel uit het riet. Het was

een kop met schuwe zwarte oogjes; en een grauwbruin lijf volgde,

ribbelig geteekend en geplekt als een zandbank, die door kabbelend

water gefatsoeneerd is; de lange, dun-uitloopende staart lag nog in

het water. Nu kwam het dier geheel en al aan land, op de lokkende

fluittonen af. En lag daar, luisterend en roerloos.

Het fluitedeuntje deinde op en neer, al langzamer op en neer, stil

als een ademhaling, die nog stiller gaat worden bij het inslapen.

De leguaan lag als bedwelmd.

Behoedzaam, zonder dat hij een blad liet ritselen, stond de Indo

op en doodde hem met een lichten stokslag. Het dier bleef roerloos

in dezelfde houding waarin het betooverende fluitspel het had doen

verstijven; het leek dood-gespeeld.

De Indo die, tevreden, gezien had dat de huid niet gekwetst was door

den slag van zijn stok, riep den fluitspeler te voorschijn uit zijn

schuilplaats.

"Si-Bengkok! Kom!"

Uit den rood bloeienden struik zag een donker gezicht te voorschijn,

met glanzige, schuchtere oogen. De hand die de twijgen opzij boog

hield een bamboe-fluitje.

"Kom maar hier!"

De glanzige oogen zagen aarzelend naar den Hollander.

"Nu! kom dan toch! Voor wien ben je bang?"

Het loover deed zich op rondom een half-naakten knaap, die op gekruiste

enkels in het groen zat. De avondhemel begloorde zijn gezicht en zijn

tengere schouders.

Een oogenblik bleef hij besluiteloos zoo zitten; toen liet hij zich

afglijden naar den oever en begon, zittende, voort te schuiven over

het gras, met een beweging die aan het huppelen van een onbeholpen

jongen vogel deed denken.

Bake meende eerst dat hij uit de onderdanige beleefdheid van een

Javaan tegenover zijn meerderen zoo kruipend naderde: maar toen de

knaap vóor hem stilhield, zag hij dat zijn kruiselings over elkaar

liggende schenkels verdord waren. Dat was het zeker wat hem dien naam

van Si-Bengkok, "de mismaakte", had doen geven.

Toch was er verder aan hem geen misvorming of teeken van lijden te

zien. Zooals hij daar op zijn groene zode zat, geleek de jongen een

Boeddha in den lotus-kelk. Het welgevormde jonge lijf rees rank van

de heupen omhoog. Het gezicht was zacht in trek en ommelijn, als

hadden liefkoozende handpalmen het uit de mollige, bruine boschaarde

gevormd. Onder den sierlijk geplooiden hoofddoek, bont van bloemen

en vlinderkleuren, gloorden de oogen met die tinteldonkere klaarheid,

die stroomend water heeft in de schaduw.

De Indo knikte hem toe.

"Je hebt goed gespeeld, Si-Bengkok! Zoo bedwelmd was hij, dat hij

zelfs niet bewoog toen ik vlak voor hem stond."

Een glimlach bescheen Si-Bengkok's gezicht. Het hoofd op zij houdend,

bekeek hij met aandachtige nieuwsgierigheid den dooden leguaan,

stak een vinger uit om hem even aan te raken en trok snel zijn hand

weer terug.

"Eh!" zei hij, en lachte als een kind.

"Je moogt het vet houden voor medicijn," zei de Indo.

"Heeft hij pijn?" vroeg Bake.

De ander haalde de schouders op.

"Ik geloof 't niet, waarom zou hij? Hij is van kind af altijd zoo

geweest. En hij is vroolijk genoeg. Je hoort hem den heelen dag met

zijn fluit."

"Omdat je sprak van medicijn."

"O ja, dat is zoo'n idee van hen. Het vet van een leguaan geldt als

middel tegen alle mogelijke en onmogelijke kwalen. Wacht even hier,

Bake, ik zal een paar koelies roepen dat ze het beest voorzichtig

naar huis pikollen."

Hij verdween tusschen de struiken.

Of hij nu onbeschermd was achtergelaten dook Si-Bengkok inéens tusschen

het riet: het stond met fijne groene halmen verbergend om hem heen.

Met een onwillekeurigen glimlach vroeg Bake:

"Was jij dat, Si-Bengkok, die gisteren nacht zoo mooi op de fluit

speelde, bij den waringin aan den ingang van de dessa?"

De jongen antwoordde met de weifelende uitdrukking die de Inlander

tegenover zijn meerderen in plaats van "Ja" gebruikt:

"Misschien, Heer."

"Ik ben naar buiten gegaan om je te hooren, zoo mooi vond ik je

gefluit. Kom morgenavond bij me en speel me nog eens zoo'n deuntje

voor, dan zal ik je een "pitji" geven. Weet je waar ik woon op de

fabriek?"

"Ik weet het, Heer," murmelde Si-Bengkok zonder op te kijken.

"Goed. Zal je komen?"

"Zooals mijn Heer het beveelt..."

De Indo kwam terug, gevolgd door twee mannen die een langen bamboestok

op de schouders droegen. Den bijna smeekenden blik ontmoetend dien

Si-Bengkok naar hem ophief, maakte hij achteloos het gebaar van

afscheid-geven; dadelijk was de jongen verdwenen in het dichte groen.

Tot het donker werd wachtte Bake op hem den volgenden avond; maar

hij kwam niet; en ook den avond daarna bleef hij weg.

"Hij zal toch niet ziek zijn?" vroeg Bake den Indo.

"Ziek? Hij heeft geen zin om te komen, doodeenvoudig. Dacht je dan dat

een Javaan ooit iets voor een Hollander doen zou tenzij gedwongen? Als

je een poos op de fabriek geweest bent zul je wel beter weten; ze

hebben nooit meer pleizier dan als de boel verkeerd loopt. Je hebt

van die Hollandsche idees, humaniteit en vooruitgang en zoo,--daarmee

kom je er niet, hier. Ik zal je Si-Bengkok wel eens sturen, als je

hem absoluut hebben wilt.--Wees maar niet bang!"--hij lachte om de

uitdrukking van onwil in Bake's oogen,--"ik zal het lieve jongetje

niet slaan!"

Bake wendde zich af; de minachting waarmee de half-bloed over zijn

moeders volk sprak was hem tegen de borst.

Si-Bengkok kwam werkelijk dien avond, maar zoo klaarblijkelijk tegen

zijn zin, en zoo schuw en ongelukkig, als een gevangen, bang klein

dier, zat hij in het donkerste hoekje der galerij, dat Bake hem

half-onwillig, half medelijdend weer wegstuurde, hem het beloofde

dubbeltje gevend met de bijvoeging dat hij niet meer terug hoefde

te komen.

"Waarvoor is hij eigenlijk bang?" dacht hij getroffen door den schuwen

blik van den knaap; het was hem of de vrees van het overwonnen ras

voor het overwinnende hem daaruit aanzag. Iets dat hij een paar dagen

geleden op den landweg had gezien kwam hem weer in de gedachte:--een

schaar Inlanders met afgewend gelaat neerhurkend op de nadering van

een in een rijtuig gezeten ambtenaar die hen zelfs niet scheen te

bemerken, terwijl hij, een stofwolk over hen heen jagend, voorbij

reed. Hoewel wetend dat de slaafsche wijze van begroeting in het

volksgebruik lag, gevoelde hij bij de herinnering opnieuw dien

schok van weerzin, verontwaardigd medelijden en schaamte, waarmee

het stuitende gezicht hem getroffen had,--schaamte vooral, alsof de

vernedering dier kruipende mannen en vrouwen zijn eigene ware. De naam

"Compagnie", waarmee de Inlander de Hollandsche machthebbenden ten

huidigen dage nog noemt, kwam hem in de gedachte. Maarschalk Daendels

en zijn met bloed gecimenteerde postweg, de politiek der Indische

baten, dat alles was lang geleden. En toch, na zóo veel jaren van

wel willen en wel doen zag een Javaansche jongen een hem onbekenden

Hollander met angst aan. Verjaarde onrecht ooit?

"Doe me het genoegen en laat Si-Bengkok met vrede," zei hij den

volgenden dag tegen den Indo, die hem spotachtig vroeg of de jongen

naar zijn zin had gespeeld.

De andere trok zijn hoekige schouders op.

"Ja, zoo moet je een Inlander maar behandelen! Of hij toch al niet

brutaal genoeg was!"

Bake begreep dat Si-Bengkok's vrees voor den halfbloed sterker

was dan zijn schuwheid voor hèm, toen hij, dien avond thuiskomend,

het fluitspelertje op de treden zijner voorgalerij vond zitten. Ook

de volgende dagen weer zag hij hem telkens met het invallen van de

schemering verschijnen. Meer om zichzelven van den druk der opgedrongen

dwingelandij te bevrijden dan om den wille van dien Inlandschen jongen,

begon hij nu Si-Bengkok vriendelijk te bejegenen, opdat hij uit zich

zelven terugkomen zou, met hem omgaande zoo ongeveer als hij als

jongen was omgegaan met een eekhoorn dien hij wilde temmen. Zelf

kreeg hij gaandeweg schik in het spelletje dat hij half uit onwil

begonnen was. En zoo als de eekhoorn op het laatst zijn hoog nest

in den sparreboom uit kwam om de beukenootjes op te knabbelen die

de jongen in de dakgoot voor hem strooide, zoo kwam Si-Bengkok van

lieverlede uit zijn bange terug-getogenheid te voorschijn, antwoordde

met wat meer dan dat onderworpen "Ja Heer" op Bake's gezegden, en

begon tusschenbeide uit zichzelf te praten over wat er in de dessa

al zoo voorviel. Bake kreeg kijkjes op een leven waarvan hij zich

tot nog toe geen voorstelling had gemaakt.

Het was einde April en de rijstoogst, laat in de heuvelige streek,

was juist begonnen. Des ochtends vroeg kwamen de vrouwen en de meisjes

van de dessa, frisch gekleed en met bloemen in de haarwrong, waardoor,

als een sieraad, het houten rijstmesje gestoken was, in lange rijen

den landweg af. En des avonds klonk uren achtereen het zilverige

gamelan-getinkel uit de woning van het dorpshoofd, waar de plukkers

oogstfeest vierden.

"Ik heb hooren zeggen dat de doekoen een waarlijk-goeden dag heeft

aangewezen om met het plukken te beginnen," zei Bake, woorden van

een aan de waterleiding werkenden koelie opgevangen op goed geluk

af herhalend, om te zien wat Si-Bengkok er op zou antwoorden. Hij

deed dat wel meer, beproevend als een die, behoedzaam, een onbekend

speeltuig aanraakt, benieuwd of het stom zal blijken, of een wanklank

laten hooren, of plotseling een vol harmonisch geluid geven. "Dat

kan men dáaraan merken dat het plukken zoo bijzonder goed gaat!"

Si-Bengkok knikte.

"Ja, de doekoen hier is een zeer geleerd man, ervaren in alle geheime

wetenschap! Uit al de dessaas in den omtrek komen de menschen bij hem,

wanneer zij een nieuw veld willen ontginnen, of onderhandelingen willen

aanvangen over het huwelijk hunner kinderen, of een paar buffels willen

koopen voor den ploeg. Er zijn immers zoovele ongeluks-dagen in het

jaar! en hoe slecht zoude het gaan met de zaak, die men op zulk een

dag begon! Als men dan een veld ontgint, zal het weinige en dunne aren

dragen. En als men zijn zoon uittrouwt zullen geen kinderen uit het

huwelijk voortkomen, en man en vrouw zullen spoedig naar den priester

gaan om zich te laten scheiden. Wat echter op een gelukkigen dag in de

hand genomen wordt, dat gedijt. Daarom komen de menschen bij Pak-Djono

hier, die zeer verstandig is in het berekenen der gelukkige dagen, en

vragen hem om raad. En Pak-Djono neemt een boek waar veel in geschreven

staat, en hij leest daarin, en schrijft met zijn vinger op den grond,

en denkt na en zegt: "Op dien en dien dag van die en die pasar-week,

doe dan wat in je hart is, en het zal je gelukken!" En altijd is het

goed en waar, zooals hij het gezegd heeft. Zoo heeft hij ook gedaan

voor dezen oogst, dien het dessa-hoofd houdt in de rijstvelden!"

"Heeft hij ook den dag al bepaald voor de "Bruiloft van de

rijst"?" vroeg Bake. "Ik zou het graag willen zien hoe hij het

Bruidspaar kiest."

"O!" riep Si-Bengkok, "het is waarlijk zeer mooi om dat te zien,

want Pak-Djono doet het alles op de welvoegelijkste wijze, geheel

volgens de heilige voorschriften. Eerst, op het vastgestelde uur,

ontsteekt hij een offer aan de vier hoeken van het rijstveld, en hij

plant op elken hoek een hoogen glaga-halm. En dan gaat hij het veld in,

voorzichtig loopende, en hij wacht tot hij twee dicht bij elkander

groeiende halmen vindt, die langer zijn dan al de andere, zoodat

ieder zien kan, dat deze de bruid en de bruidegom zijn, volgens de

onderwijzing van Dewi Sri. Deze dan bindt hij te zamen, en hij zalft

ze met boreh, en versiert ze met kransen van melatih-bloemen, en maakt

boven hen een bladeren-dak om hen voor de hitte te beschutten. En

dan zoekt hij zes andere halmen, die ook zeer lang zijn, en twee aan

twee bij elkander groeien dicht rondom het bruidspaar, dat zijn de

gezellinnen van de bruid en de vrienden van den bruigom, en hij geeft

ze aan het paar als een eerestoet. Als dit alles zoo geordend is,

dan eerst beginnen wij met het plukken der rijst!"

"Je zei: volgens de onderwijzing van Dewi Sri. Wie is Dewi Sri?"

"Eh! dat is zij die zorgt voor de rijst! De rijst leeft door haar

geest."

"Eene godin dus?"

"Zij is zeker een godin. Hoe zou zij anders het rijstveld kunnen

beschermen?"

"Maar Allah dan, Si-Bengkok, de Heer Allah die God is, en naast hem

zijn geen andere Goden?"

"Allah is Heer over alles! maar Dewi Sri die zorgt voor de

rijst!" antwoordde Si-Bengkok.

Hij kende een geheelen hemel vol goden, godinnen, nimfen, geniën,

boos en goed, die macht hadden over het menschelijke leven en recht

op gebeden, eer-betoon en offers. De booze geesten vooral moesten

ontzien worden, zij waren uiterst licht-geraakt en wraakgierig; een

wijs mensch zou altijd zorgen met hen op een goeden voet te blijven,

en desnoods liever de goede geesten wat veronachtzamen, die immers uit

hun aard niet geneigd waren iemand kwaad te doen. Voorts was er een

ontelbare menigte mindere geesten, die steenen en planten bewoonden,

en als men boomgaard en akker vrucht wou zien dragen, moest men in

den omgang met hen bepaalde vormen in acht nemen, en hen aanspreken

bij den naam waarbij ze het liefst genoemd werden. Het was echter

niet zoo gemakkelijk te weten te komen welke naam dat was van de

vele die zij dragen; dat hij die zeldzame kennis bezat was volgens

Si-Bengkok de reden waarom Si-Djembar, de zoeker van palmsuiker,

zoo gelukkig was in zijn beroep.

Bake had hem, op een avond, een koekje van de donkerbruine, geurige

suiker gegeven; en de jongen, die op zoetigheid zoo vernibbeld

was als een bij, genoot ze bij kleine knabbelbeetjes, de lekkernij

telkens bekijkend terwijl hij ze los-schilde uit haar omhulsel van

gevlochten bladvezels.

"Deze suiker," merkte hij waardeerend op, "is zeker bij Si-Djembar

gekocht; ze is van de arèn die groene bloesems heeft, dat is de

geurigste van alle. Hij weet waar die groeit in het bosch! Eh! hij

kent de spreuk om haar te vinden en de spreuk om haar veel sap te

doen geven!"

"Er zijn vele spreuken daarvoor, en ook verstandige menschen twisten

er over welke de beste is!" zei Bake, het spelletje van beproeven en

luisteren weer beginnend.

Si-Bengkok maakte het klappende tonggeluid, waarmee de Inlander

verontwaardiging uit.

"Eh! hoe kunnen zij twisten! Alle menschen en zelfs de kinderen in

dit dorp weten dat de tooverspreuk van Si-Djembar de krachtigste

is! Draagt hij niet op éen dag twee volle bamboe-kokers sap weg uit

de boomen die hij belezen heeft? Eh! ik heb het gehoord hoe hij den

palm toesprak. Hij zag mij niet want ik had mij verborgen achter een

struik. Hij hield de arèn omvat met beide armen, en hij zei overluid:

"O Moeder Endang Reni! Voor jou heb ik me doornat laten regenen, zoodat

het water uit mijn hoofddoek droop! Voor jou heb ik me door de zon

laten verschroeien, zoodat mijn leden gloeiden als in koortshitte! Zóo

zeer verlangde ik naar je! Nu heb ik je dan eindelijk gevonden. Vroeger

dronk ik menigmaal aan je borst lang en overvloedig. Doch sedert lang

lijd ik nu gebrek. Geef mij daarom weder te drinken, Moeder Endang

Reni! Geef mij zooveel, dat ik in vier van de allergrootste kokers

niet alles op kan vangen."

"En won hij veel sap toen hij die spreuk had opgezegd?"

"Zeer veel, zeer veel won hij! Ik kwam terug om te zien hoe het

ging, na vijf pasar-weken, toen ik wist dat hij den bloemstengel

genoeg geklopt zou hebben, en dat ook de eerste bloesems aan den tros

opengegaan zouden zijn,--want vóor dien tijd mag het aftappen van het

sap niet beginnen. Si-Djembar had den stengel juist afgesneden, die was

als de staart van een koe, dik en lang, en in een punt uitloopend! En

hij zat boven in den boom en hing aan den stomp een klein kokertje."

"Een klein! Je zei toch straks dat hij vier zeer groote kokers vol

sap wilde hebben!"

"Ja, dat is wel waar! Maar het zou niet betamelijk zijn dadelijk op

onbescheiden wijze zoo veel te vragen en den palm te verschrikken! Hij

hing een kleinen koker op en zei: "O Moeder Endang Reni! Uw kind

versmacht van dorst! Uw kind bidt u dat gij hem laat drinken!" En

daarop antwoordde hij weer zichzelven, sprekende voor Moeder Endang

Reni, en zei: "Mijn kind drinke tot verzadigd wordens toe! Moeders

borsten zijn overvol. Hij drinke tot hij een tegenzin hebbe in mijne

melk!" Zoo sprak Si-Djembar, ik hoorde het zelf, zeer duidelijk. En

den dag daarop ben ik weer gegaan naar zijn huis in het bosch, en ik

zag hoe zijne vrouw het sap op haar fornuis tot suiker kookte. Daar

was zooveel dat zij geen steenen potten genoeg had. Eh! Si-Djembar

heeft de ware tooverspreuk voor de arèn!"

"Hij woont geheel alleen in het bosch, nietwaar, die Si-Djembar? daar

waar het 't allerdichtst is, want daar groeit immers de arèn met

groene bloesems?"

"Zoo is het, Heer."

"En is hij dan niet bang voor de tijgers?"

Si-Bengkok zag onrustig om; het was hem onaangenaam dat die Hollander

zoo overluid het woord uitsprak dat men van den Grooten Heer in 't

Woud niet behoort te bezigen. Fluisterend legde hij Bake uit dat de

tijger slechts in schijn een dier is, in waarheid echter een mensch

die door kracht van tooverij dierengestalte heeft aangenomen, doch

in die verandering zijn menschelijken geest behoudt; daarom moet, wie

den Grooten Heer in het woud ontmoet, hem niet met de kris bedreigen,

doch hem hoffelijk toespreken; en wie hem herinneren kan aan diensten

hem bewezen gedurende zijn dag-bestaan in de dessa,--wanneer niemand

hem voor iets anders dan een gewonen dessa-man aanziet, behalve de

in geheime wetenschap ervarenen, die zijn aard ontdekken aan den

vorm zijner hielen,--dien spaart de Groote Heer stellig. Zonder

twijfel bejegende de palmsuiker-zoeker de weertijgers dus. "Daarom

doen zij hem niets, en hij hoeft hen niet te vreezen, al zouden zij

ook nog zoo luid en verschrikkelijk brullen bij zijn huis. Waarlijk,

Heer! zoo is het!" eindigde Si-Bengkok, ernstige oogen opheffend.

Bake knikte.

Hij dacht aan de verhalen van den weerwolf die de oude herder, op

het heidedorpje waar hij geboren was, hem placht te doen, als hij

meeliep met de kudde.

Uit welke onheugelijke oudheid, toen mensch en dier nog vertrouwelijk

met elkaar omgingen, hadden wij die voorstelling overgehouden?

Zulke gedachten bleven hem bij, als hij des ochtends naar zijn

werk ging op de fabriek. De kisten met de nieuwe machinerieën waren

aangekomen. Er werd beraadslaagd over ruimte en plaatsverdeeling,

nagezien, afgebroken, aangebouwd. De employés spraken over het riet

dat te velde stond, over suikerprijzen, en de concurrentie die

te vreezen was van een nieuw opgerichte fabriek in de buurt. Hij

zelf sprak mee daarover. Thuiskomende vond hij de vakbladen die

de administrateur onder de employés rond liet gaan. Hij las over

ziekten van het suikerriet en nieuwe methoden van behandeling, las

de statistiek van de suikerproductie op Java, vergeleken met die van

Cuba en Amerika, en de maatregelen die de schrijver noodig achtte om

der Nederlandsch-Indische industrie haar plaats op de wereld-markt

blijvend te verzekeren.

Hij verdiepte zich daarin. Die arbeid en die wetenschap waren de

werktuigen waarmee hij zijn bestaan moest fatsoeneeren, zijn weg

moest maken door het gedrang naar de veilige plaatsen van den rijkdom.

Maar door rumoer en berekeningen heen braken telkens gedachten,

die glansden als een stukje blauwe zonnelucht, door den hoogen,

zwarten fabrieksschoorsteen heen gezien.

De dagelijksche dingen om hem heen, een boom, een paar karbouwen

voor den ploeg, de woorden en gebaren van het landvolk langs den

weg troffen hem nu vaak als iets zeer bijzonders, dat een diepe

beteekenis had. Als hij eene rijstschuur zag,--een van die bevallige

uit bamboe gevlochten hutjes, die den vorm hebben van een wieg, van

smallen grondslag oprijzend naar een breed-overspreidend dak,--dan

ontwaarde hij daarin nog iets anders dan alleen een voorraad-kamer;

de liefelijkheid der Rijst-Bruid hing er over. Het kwam hem natuurlijk

voor dat de dessalieden den honderd-stammigen waringin bij de rivier

voor de woonplaats hielden van den Danhjang-Dessa, den vriendelijken

beschermgeest van het dorp, en dat zij welriekende zalf, eieren en

bloemen ten offer brachten op het altaar van zoden in de schaduw. Het

denkbeeld der zielsverhuizing, dat den Inlanders zoo gemeenzaam is,

leek hem niet langer iets te eenenmale onzinnigs.

Als jongen, toekijkend bij het bouwen van een pier in zee, was hij

eens door de duikers meegenomen naar beneden. Hier was het eene nieuwe

wereld, daarin gold geen der wetten meer, waarop hij tot dat oogenblik

toe zijn eigen leven en alles om hem heen gegrondvest had geloofd. Het

zware werd licht, het meêgevende weerstond, wat klank was veranderde

in beweging, de zon verbleekte, het donker kleurde purper. Tusschen

zonderlinge bloemen, die nooit een wind bewogen had, hingen visschen

in plaats van kapellen en bijen. Het scheen alles onmogelijk, doch het

wàs zoo, het was de werkelijkheid, alleen maar dat zij in niets geleek

op de werkelijkheid die hij kende; en nu moest hij alles afleeren,

zijn gewone zien, zijn gewone bewegen, zijn gewone doen en oordeelen,

en hij moest in zich zelven zoeken naar nieuwe organen om met die

nieuwe wereld in gemeenschap te komen, naar een nieuwen zin om haar

te ontvangen, naar eene nieuwe kracht om in haar te werken. Toen hij

eindelijk naar boven kwam hadden de pier en de hemel en het strand

vol menschen hem een oogenblik vreemd geleken.

Zoo ging het hem nu soms, als hij luisterde naar Si-Bengkok's

onschuldige praat. Alles om hem heen veranderde voor zijn droomerig

beschouwen. Het land om hem heen was niet meer de rijke kolonie, het

complex van zóo- en zóoveel residenties, waar Hollanders bestuurden en

recht spraken en belasting hieven, fabrieken bouwden, irrigatie-werken

aanlegden, fortuin maakten; het was dat Tana Djawa waar Boeddha's

aloude tempelburcht nog niet geheel tot puin vervallen is, waar in

het gebergte kluizenaars de Leer van het Heldere Water bepeinzen,

tot hun ziel zoo klaar is geworden als dauw, en waar de godin Sri

den landbouwer te hulp komt, die haar aanroept bij het ontginnen van

zijn rijstveld.

En in dat land was hij niet een bouwer van machines en zoeker naar

veel geld, maar een die in den zonneschijn vele schoone en liefelijke

dingen beschouwde, en, als het donker werd, luisterde naar zoete

fluitedeuntjes en verhalen van wonderen.

Het was maar een spelletje, dat wist hij wel, een spelletje dat slechts

gespeeld kon worden in den korten tijd die nog vóor het begin van ernst

en werken was,--vóor het begin van de campagne; maar zoo lang gaf

hij zich gewillig aan de bekoring over. Hij liet Si-Bengkok al zijn

deuntjes spelen; wat mannen en meisjes elkaar toezingen in het rijpe

rijstveld; wat de karrevoerder neuriet om zijn langzame karbouwen in

den stap te houden; wat moeders kirren tegen hun inslapend kindje, en

hij liet hem lange verhalen doen van het dwerghertje en den olifant,

van prinsessen die eenzaam in het woud een jagersleven leiden en van

nimfen die als vogels heen en weer zweven tusschen den heiligen berg

Endra Kila en het vertrek van den jongen held, dien zij tot echtgenoot

hebben verkoren. Wat hem bekoorde was niet alleen het dichterlijke

dier oude legenden, dier zeden en gebruiken, die tegelijk zinnelijk

waren en naïef-vroom, die fantasie die met de zware werkelijkheid

speelde als met een schitterende vrucht haar uit gouden takken in den

schoot gevallen, en zij wierp die op en ving ze weer, en verheugde

zich in den glans en den geur er van; het was nog meer dan dat alles,

die nieuwe gewaarwording--nieuw, maar zij kwam als een welbekende,

welbetrouwde--van vereenzelviging der menschelijke gedachte met

het natuur-bestaan. Het rekenen van levensjaren naar de herhaalde

feesten van den oogst; het eerbiedig bejegenen van velden en boomen

als vriendelijke wezens, geneigd en machtig tot helpen; het eeren

der onbluschbare zielevlam, zooals zij in gestadig heen en weder

flikkeren vonkelde uit dierenoogen of glansde in een menschenblik;

dat alles gaf hem het bijna physieke gevoel van een voortdurend in

elkander stroomen en gezamenlijk golven en stuwen van alle ontelbare

krachten der aarde, de zichtbare en de onzichtbare, de geweldige,

de geringe, de verborgene, de openliggende, zoodat de elementen

vriendelijk werden en de mensch stil.

Hoe goed en gelukkig en wáar was het leven dat zóo geleefd

werd! Een kinderleven. Een dichter-leven. En had hij het zelf niet

ook gekend--voor enkele dagen, enkele oogenblikken? Als jongen,

wanneer hij languit in het bloeiende heikruid lag, doortinteld van

den honinggeur die de zoemende bijen dronken maakte, denkende aan

volstrekt niets, terwijl hij de wolken zag zeilen.... En later ook nog,

niet zoo dikwijls en zoo lang meer, bij oogenblikken die hem nu weder

te binnen kwamen,--enkele oogenblikken, als, midden in den roes van

zijn eenlings-bestaan in de blind en doof warrelende maatschappij,

hij plotseling het licht had ontwaard en de majesteitelijke orde van

het wereldleven. De zee met de uitzeilende pinken in den ochtend,--de

lenteregen op het bruine veld,--de stem en de oogen van dat kleine

meisje dat hij roeide, het waren even zoo vele openbaringen geweest van

dat alles vervullende leven. En ook het fluitspel van Si-Bengkok was

zulk een openbaring; en de ontroering die hij zelf gevoelde wanneer

hij er naar luisterde.... Geene ontroering, een gewaarworden. Zulk

een stil, sterk gewaarworden van eeuwige krachten die hem doordrongen

en droegen. Hij besefte zich zelven als een hoeveelheidje in de

oneindigheid van leven die hem omringde, niet wezenlijk onderscheiden

van hoeveelheidjes, die menschen of rotsen of sterren waren. Hij

voelde zich voortgestuwd op den stroom die de werelden draagt. En

de meeningen, de voornemens en de begeerten, die de zelfzucht hem

pas als zoo uiterst gewichtig voor zijn geluk had opgedrongen, hij

liet ze varen, en zag ze heenglijden en zinken weg als verdwijnende

donkerheidjes. Maar om zich heen voelde hij stuwend en steunend

tallooze krachten van schoonheid en goedheid en geluk.

Radhen Pangloerah echter sprak tot zijn zuster Prinses Gouden Orchidee:

"Ik wil het koninkrijk van mijnen vader niet, want peinzende op den

berg Goenoeng Tjendana heb ik geleerd welke dingen verkieselijk zijn

boven macht en vorstelijken rijkdom." Daarop leerde hij zijne zuster

de spreuk, waarmede zij hem kon oproepen, wanneer zij zijn bijstand

behoefde. Hij zelf echter, met de prinsenzonen, die hem volgden,

verdween, afdalende in het meer van Sangean.

Si-Bengkok zat aan de voeten van Bake, in de voorgalerij. Met een

gebaar van geheimzinnig wegglijden besloot hij zijn verhaal.

"Welke dingen verkieselijk zijn boven macht en rijkdom," dacht

Bake. Het leek hem op dat oogenblik of de strijd om die twee dingen,

die voor zoovelen de geheele inhoud van het leven is, de onzinnige

worsteling van zichzelven en elkander pijnigende begeerders, die

slaven, woekeren, bedriegen, uithongeren om een goed te winnen dat op

die wijze niet te winnen is, hem niet aanging, hem die een zekerder en

liefelijker weg naar het geluk wist dan die door onrecht en leed gaat.

Hij zag Si-Bengkok aan, zooals hij daar zat, blij met zijn nieuwen

sarong en een gebatikten hoofddoek, zóo geplooid dat de bonte

kleuren aan weerszijden van zijn voorhoofd precies hetzelfde patroon

maakten. Dat was de kinderlijke genius die hem het Land des Geluks

binnenleidde. Met een deuntje op zijn gebogen fluit veranderde hij

hem, Willem Bake, technisch ingenieur en millionnair in spe, in een

zaligen geest, makker van de groene aarde en van de blauwe luchten.

Hij zei glimlachend:

"Si-Bengkok, je hebt nu al veel van tooverij en geheime wetenschap

verteld; maar ik geloof haast dat er in je fluitspel ook tooverkracht

zit. Als je daar zoo zoetjes zit te pijpen, dan moeten al mijn

gedachten mee, evenals die leguaan verleden, die uit zijn plas kwam

om naar je te luisteren."

Si-Bengkok glimlachte met hoovaardige bescheidenheid.

"Daar is velerlei tooverij, doch ik ken ze niet, ik ben maar een

onwetend mensch. Alleen kan ik wel zoet op de fluit spelen, zoodat

wie het hoort tevreden van hart wordt."

"Ja, tevreden van hart, zoo is het. Pijp me nu nog eens een van je

zoete deuntjes voor!"

"Zal ik "de Bittere Kemirienoot" spelen? Of "de Kikvorsch"? Of "de

Prinses die weent in Gevangenschap"? Ik heb er ook een nieuw, dat

heeft geen naam, ik heb het zelf gemaakt," voegde hij er aarzelend bij.

"Laat het dan dat nieuwe zijn, dat je zelf gemaakt hebt!"

Si-Bengkok trok de fluit uit zijn gordel, en begon.

Eerst scheen het deuntje Bake niet anders dan wat hij al zoo

dikwijls gehoord had, een gestadig suizen en wiegelen van altijd weêr

terugkeerend geluid. Maar gaandeweg onderscheidde hij een nieuwen toon,

een die lokte en riep, heel zachtjes lokte.

Si-Bengkok keek naar een plek op den vloer, waar in het lamplicht de

schaduw lag van een varen.

Bake volgde zijn blik. Had het ijle zwart getrild? Er bewoog iets,

daar. Nu kwam het te voorschijn glijden, een klein donker kronkelend

ding. Een slangetje, bruin en zwart geteekend als een orchidee,

richtte haar smallen, schitter-oogden kop omhoog in het lamplicht.

Si-Bengkok liet zijn fluit wat hooger klinken, het kleine dier

aanziende.

Een oogenblik bleef het roerloos; toen, zich opheffend, begon het heen

en weer te wiegelen op de maat der muziek. De bruin en zwarte teekening

op het sierlijke lijfje werd al levendiger, de zwarte oogjes begonnen

te flikkeren als diamanten. Si-Bengkok verhaastte de maat van zijn

spel; met al sneller lenigheid volgde de kleine danseres. Hij liet

de tonen een voor een wegdrijven, en zij vertraagde, en gaf zich

willoos over, tot het scheen of ze als een donkere, rank gesteelde

bloemknop maar heel even beefde onder een bijna onmerkbaren wind. De

fluit zweeg. Het slangetje zeeg neer, en met eene beweging als het

wegvlieten van water was het verdwenen.

Si-Bengkok lachte.

"Al zoo dikwijls, als ik speelde, is ze te voorschijn komen kijken

uit die reet daar in den muur,--maar nu heb ik haar geroepen, en zij

is gekomen!" zei hij. "Zal ik ze weer roepen?"

Hij hief de fluit aan zijn lippen. En zoo haast was het deuntje niet

weer begonnen, of zij kwam aanglijden uit haar donkere spleet. Bake

zag haar oogen glinsteren in het lamplicht.

En achter haar, in den schemerigen hoek, bewoog ook iets. Hij tuurde

lang voor hij het muizenpaar onderscheidde, dat rechtop zat met

gespitste oortjes.

De latten der jaloezie ritselden even, de oude gekko, die onder

het afdak woonde en nacht in nacht uit zijn schor geroep uitstiet,

schoof naar binnen. Hij kwam zoo dicht bij dat Bake elk tintje van

blauw en bruin op zijn dikken rug kon onderscheiden. Hij keek naar

den muur; daar zaten de tjitjaks onbewegelijk, hun lenige lijfjes

strak als steen. Zij namen niet de minste notitie van de muskieten,

die hun bijna in den muil vlogen.

Buiten, in den wit bloeienden kemoeningstruik, die als maanlicht

gloorde, hadden een paar krekels tegen elkaar zitten tsjirpen, hoe

langer hoe driftiger en harder. Maar ze waren al lang stil geworden.

En zeker ook zat ergens tusschen het loof der tamarinden langs de

rivier de eekhoorn te luisteren, die een kleinen vogel had willen

besluipen in zijn nest . . .

En al zoeter klonk het fluitje, terwijl alles rondom stil werd en aan

den kemoeningstruik bloesem bij bloesem stralend openging en geurde.

Maar opeens klonk een lang jankend gehuil op het erf. Bake sprong

op. Het was een geheele troep magere kamponghonden, die uitgegaan

waren om tegen de opkomende maan te blaffen, maar de fluit hoorend,

zich bedacht hadden onderweg. Den kop omhoog gestrekt, den staart

tusschen de beenen, jammerden zij van aandoening.

"Waarachtig, Si-Bengkok!" riep Bake lachend, "nu weet ik zeker dat je

een toovenaar bent, en als je zoo zoet speelt dan komen niet alleen

al de gladakkers van de kampong, maar zelfs de buffels uit de kraal

en de tijgers uit het bosch om naar je te luisteren!"

Op de glinsterende, wimpelende rietvelden werd oogst gehouden.

In niet eindigende rijen, die al onduidelijker werden tusschen de

opgewervelde wolken stof, kwamen de langzame buffelkarren den landweg

af, krakend en kreunend onder de zwaarte der volsappige halmen. De

fabriek wachtte met wagenwijde poorten. De groene stroom stuwde naar

binnen, de machines hijgden en hamerden, de torenhooge schoorsteen

blies wolken rook.

Binnen was de hitte ondragelijk. Den bijna naakten Inlanders liep

het zweet in kronkelbeekjes langs de leden: hun donkere huid,

anders donzig-dof als de schil der bruine boschpaddestoelen, glom

als nieuwgegoten brons. De employé's in hun witte kleeren zagen

er uit of ze in den regen hadden geloopen. Het groote vliegwiel,

de buikige massaas der machines, de opstekende stangen, krukken,

pijpen, de snoeren van stoombuizen langs den muur, de ladders,

de balustrade der omloopgalerij, de ijzeren binten van het dak en

tot zelfs de muren en de vloer schenen te trillen in de gloeiende

lucht. Alles was nat. Het geheele gebouw zweette. De lucht was zwaar

van den stank der kokende stroop.

Met een bekommerd gezicht stond Bake bij de nieuwe machine; zij werkte

niet goed. Het was onbegrijpelijk! Hij had de stukken een voor een in

handen gehad, zooals ze uit de kist kwamen; hij was niet van de plek

geweest bij het opstellen; hij wist dat er geen schroef ontbrak en geen

millimeter ijzer afweek van de bestemde plaats. Waar lag het dan aan?

Orpheus in de Dessa · 第 1 / 3 段