EENIGE VASTE PLANTEN.

Ten slotte, nadat ik langen tijd met U heb stilgestaan bij zooveel

verschillende bol- en knolgewassen, wil ik ook nog eenige oogenblikken

met U tusschen de vaste planten vertoeven. Deze toch hebben waarlijk

ook recht op ons aller belangstelling. Ze geven zoo veel en zijn met

zoo weinig tevreden! Ze vragen van U geen bijzondere behandeling; hebt

ge ze eenmaal geplant, en hebben ze het naar den zin, dan groeien ze

lustig door en geven elk jaar meer bloemen.

Geen wonder dan ook, dat men ze langzamerhand in grootere getale is

gaan aanplanten en er geheele bedden, randen of open plekken voor

heestergewassen mede is gaan vullen.

Een der liefste vaste plantjes, al wordt ze er gewoonlijk niet onder

verstaan, is het Lelietje van Dalen (Convallaria) (No. 134). Heeft het

zich eenmaal genesteld, en ’t liefst doet het dat onder boomen, dan

komt het elk jaar in volle pracht terug, zijn standplaats door zijn

liefelijke geur verradende. Hoewel het niet gemakkelijk is, ten minste

wanneer ge geen broeikas bezit, kunt ge de Convallaria’s ook

binnenshuis vroeg in bloei krijgen. Ge moet de wortels dan vóór het

planten, tot ongeveer 7 cM. onder de bloeikiem inkorten. Plant 25 zulke

bloeikiemen, dicht tegen elkander in een gewonen bloempot en vult de

ruimte aan met vruchtbare aarde. Ze verdragen en verlangen nu zelfs een

hooge temperatuur tot 80 à 85° Fahr. en opdat de kiemen, die ge nooit

geheel met aarde moogt bedekken, goed vochtig blijven, moet ge ze

voorloopig, d.i. totdat de bloempjes zich uit het omhulsel loswerken,

met sphagnum bedekken en dit steeds nat houden. Denkt er om, de

Convallaria’s verlangen veel water! Plaatst dus den pot steeds op een

flinken schotel.

Ook de Diclytra spectabilis (No. 135), die den bijnaam draagt van

„druipend hartje”, is een hoogst aantrekkelijke vaste plant. De lange,

gebogen stengels zijn beladen met rosekleurige, hartvormige bloempjes,

zooals U de afbeelding duidelijk doet zien. De plant bloeit buiten

ongeveer Juni, en kan binnenshuis gemakkelijk en vroeg in bloei

getrokken worden. Men gebruike dan goede vruchtbare aarde en giete

rijkelijk.

Meer nog dan de zooeven genoemde zijn de Delphiniums of Riddersporen

(No. 136) als vaste planten bekend. Welk een pracht van bloemen,

gedragen op soms 1 Meter lange stengels! Het hemelsblauw is zoo

wonderschoon, dat men er over in verrukking raakt. En dan de

purperviolette, donkerblauwe variëteiten! Ze steken elkander naar de

kroon. Eenig mooi en rijkbloeiend is ook de witte verscheidenheid

„Moerheimi”. De bloeitijd is vanaf Juni. Even later, d.i. in Juli komen

de magnifieke Vlambloemen, de Phlox Decussata (No. 133) in bloei.

Oningewijden heb ik ze wel eens „koekoeksbloemen” hooren noemen, en

daar lijken ze inderdaad veel op. De kleuren zijn wit, licht en donker

rose, rood en lila, in de fraaiste schakeeringen. In randen of in

groepen geplant, zullen ze een sieraad zijn voor elken tuin. Zorg

hebben ze niet noodig, en ze zullen elk jaar bloeirijker terugkomen.

Uitermate gezocht is ook de Papaver Orientalis (No. 137) de z.g. groote

klaproos, wier gloeiend roode kleur U tegenfonkelt. Nadat ze een jaar

heeft vastgestaan, zal ze U overvloed van prachtige snijbloemen

brengen, niet alleen in rood, maar ook in rose, zalmkleur en andere

tinten. Dat hangt natuurlijk af van de soorten, die ge geplant hebt.

„Chineesche Pioenen” of Pæonia Chinensis (No. 138), ziedaar een vaste

plant, wier weerga ge vergeefs zult vinden. Ook hier is waar, dat, hoe

langer ze vast blijft staan, hoe sterker ze bloeit. Overplanten is

steeds een fout, want ge loopt dan gevaar, en dat zult ge wel het

allereerste jaar na het planten ervaren hebben, dat ze dan héél zuinig

of in ’t geheel niet bloeit. Schitterend zijn de roode, rose,

vleeschkleurige en zuiver witte bloemen van 12 tot 15 cM. in doorsnede,

ja soms nog grooter. Denkt er om, ze houden van een voedzamen bodem.

Pyrethrum (No. 141). Ze bezitten wegens haar lange stengels, vorm en

kleuren, alle gewenschte eigenschappen, die snijbloemen moeten

bezitten. Men heeft enkel- en dubbelbloemige verscheidenheden in de

fraaiste tinten. Ze bloeien reeds in Juni en mocht ge ze willen

aanplanten, koopt ze dan direct na den bloei. Ook het verplanten moet

bij voorkeur na den bloei, d.i. zoo ongeveer Augustus of September

geschieden. Ge voorkomt daardoor, dat veel planten teloor gaan.

De lampioenplant of Physali Franchetti (No. 142) is er een met aparte

bekoring. De bloemen zijn vrij onaanzienlijk en vallen in het geheel

niet op, doch rondom de zaden ontwikkelt zich een mooi oranjerood

gekleurd omhulsel, dat men met den naam van „ballonnetje” bestempelt.

In het najaar maken sterke stengels met veel zulke ballonnetjes beladen

een schitterend effect. Als vaasversiering zijn zulke beladen stengels

zeer decoratief en duurzaam. De plant is wat men noemt „een

kruipplant”, zoodat ze zich dikwijls ver van haar oorspronkelijke

standplaats verwijdert.

Trollius (No. 143) worden wel eens groote boterbloemen genoemd, en

inderdaad hebben ze daar ook veel van. Niet alleen als snijbloem, maar

ook als sierplant heeft de Trollius groote waarde, en dat kan ook

gezegd worden van de Spiraea (No. 140), eigenlijk „Astilbe” geheeten.

’t Zijn echte nathalzen, die het in vochtige aarde het best doen. De

meeste witte, zoo ook eenige fraaie rose verscheidenheden laten zich

met het grootste gemak in huis in potten kweeken. Ze verlangen dan

overvloed van water, en ge doet goed onder den pot een flinken schotel

te plaatsen, die nooit zonder water mag zijn. De witte variëteiten

Japonica, Astilboïdes floribunda en Washington, zoo ook de rose Peach

Blossom en vooral de Queen Alexandra, ze zijn eenig mooie kamerplanten,

die wanneer ze met zorg gekweekt worden, een schat van bloemen geven.

Bijna zou ik nog vergeten de Anemone Japonica (No. 126) een

plant-anemoon, die mede tot de vaste planten behoort. Ze bloeit vanaf

Augustus, en levert U de allerfraaiste snijbloemen, want de stengels

zijn lang en stevig. De bloemen zijn zeer decoratief, veelal 7 tot 10

cM. in doorsnede. Eenige bedekking met bladeren of stroo tegen

winterkoude is aan te bevelen. Voorts is er nog de Daglelie, de

Hemerocallis, met haar gele of oranje bloemen, de mooie blauwe

Herfst-Aster, waarvan ook variëteiten in andere kleuren bestaan, de

Chrysanthemum Maximum, met haar groote, witte, op Margrieten gelijkende

bloemen, de........

Ja, zoo zou ik nog lang kunnen voortgaan. Maar—ik moet eindigen en

hoewel noode, leg ik de pen neer. Mocht mijn bescheiden causerie tot

gevolg hebben, dat vele zich op het kweeken van bloemen gaan toeleggen,

dan zou ik mijn doel bereikt hebben.

Wie ooit hulp noodig heeft, zal me altijd bereid vinden. Voorloopig

wensch ik U veel succes.

De bloemenvelden · 第 10 / 13 题