Laat ik beginnen met een der hoofdgewassen, de

IRISSEN. Onder het vele schoons, dat in de bollenstreek wordt gekweekt,

nemen de Irissen ongetwijfeld een belangrijke plaats in. We zien ze

vroeg in het voorjaar, als de Lente de sneeuw nauwelijks heeft doen

smelten, het nog dorre en kale aardrijk met fraaie tinten tooien: als

de gloeiende zomerzon onze huid verbruind, prijken ze met de stemmigste

tot de schitterendste kleuren; maar ook diep in het najaar, zelfs in

den winter, zijn er Irissen in vollen bloei. Iemand heeft dan ook eens

beweerd, dat er geen tijdstip in het gansche jaar is, of er bloeit een

Iris, en ik geloof, dat de man gelijk had. Niet minder toch dan 200

wilde soorten zijn in den loop der eeuwen in Europa ingevoerd, en voeg

daar nu eens bij de honderden, neen duizenden door hybridatie of

selectie gewonnen, dan krijgt men eenig idee van den rijkdom van dit

plantengeslacht.

Dit groote geslacht kan men in vier hoofdgroepen verdeelen, n.l.: 1o.

baard-Irissen; 2o. baardlooze-Irissen; 3o. Oncocyclus-Irissen en

Regelia-Irissen; en 4o. bol-Irissen. Tot de eerste groep behooren de

algemeen bekende Iris Germanica (No. 81) en al die soorten, welke op de

onderste bloembladen een breeden baard of kuif hebben. Iris Kaempferi

of Japansche Iris (No. 82) is een goede vertegenwoordiger van de tweede

groep, terwijl Iris Susiana (No. 83) de Rouw-Iris, tot de derde groep

behoort. Tot de vierde groep, welke misschien wel de meest fraaie

verscheidenheden telt, behooren b.v. ook de welbekende Spaansche- (No.

80) en Engelsche Irissen (No. 79), die ge in den herfst kunt planten.

Ze doen het in elken goeden tuingrond, houden van een zonnig plekje en

zijn met eenige bedekking tegen de winterkoude bestand.

Na deze korte omschrijving wil ik nu nog eenige der fraaiste Irissen

noemen.—Allereerst dezulke, die reeds zoo vroeg, n.l. van Januari tot

Maart, den volke kondschap doen van het naderende voorjaar. Deze

Irissen worden niet hoog, slechts 10–15 cM. Het schijnt wel, of ze het

weten, dat ze de eerstelingen zijn op een nog kaal en dor landschap, en

dat ze stormen zullen moeten weerstaan, want de stengels zijn kort en

de blaadjes houden als ’t ware het teere, en o zoo fijne bloempje,

vast. Pareltjes onder deze eerstelingen zijn: Iris Reticulata,

schitterend blauw; Krelagei, purperviolet; Histrioïdes, licht blauw en

Iris Persica. Van laatstgenoemde soort bestaan meerdere

verscheidenheden, ze bloeien met ietwat grootere bloemen, terwijl de

stengels nog korter en de bladeren breeder zijn. Het allerbest plant

men deze Irissen in den rotstuin, waar ze, geplant tusschen, en

beschermd door groote steenen, een allerfraaist effect maken. In

boordbedden of randen en rabatten doen ze het eveneens best, als ze er

maar wat zon hebben.

De Iris Germanica (No. 81) zijn plant-Irissen, d.w.z. zij worden van

den wortelstok en niet van bollen vermenigvuldigd. Zij vormen een der

hoofdgroepen van het geslacht en worden dikwijls „Orchideeën van het

veld” genoemd, zoo grillig zijn de vormen en zoo fantastisch de

kleuren. In deze groep is de verscheidenheid enorm; ik weet, dat een

Haarlemsche firma nog niet zoo heel lang geleden, meer dan 1000 soorten

kweekte. Evenals bij de Hyacinthen zijn ook hierbij vele, die niet

altijd des liefhebbers gunst mochten verwerven. Eenige

verscheidenheden, die een voorname plaats innemen, wil ik U noemen:

Florentina alba, wit; Kharput, zéér grootbloemig, donker blauw;

Macrantha, helder blauw, zeer groote breede bloem; Isoline,

zilverachtig purperrose; Iris König, oud goud met helder bruin; Mad.

Chereau, wit met lila streepjes; Princes Victoria Louise, zwavelgeel

met bruinrood; Ed. Michel, eenkleurig purper; Queen of May, helder

purperrose; Princess Beatrice, heerlijk hemelsblauw; Odoratissima,

helder blauw, violet getint, en Nibelungen, okergeel met pruimkleur.

Dan hebben we nog de Iris pumila, de kleine Iris Germanica, die echter

een maand eerder bloeien, en voor kleine rotspartijen en rabatten zeer

dankbaar materiaal leveren; de interregna-Irissen, een ras verkregen

door kruising van de I. Germanica met I. Pumila. Deze

interregna-Irissen zijn korter van stengel, echter even groot van bloem

als de Germaansche Iris. Ze bloeien vroeger en kunnen dus met recht een

tusschenras genoemd worden.

Tot de plant-Irissen behooren verder ook de Japansche Irissen (No. 82),

welke met haar groote, platte bloemen, een zeer eigenaardigen indruk

maken. Er zijn enkel- en dubbelbloemige verscheidenheden in allerlei

kleuren, dikwijls met onuitspreekbare Japansche namen, en ze komen het

best tot haar recht, als ze in groepjes langs den waterkant geplant

staan. Ge begrijpt hieruit, dat het planten zijn, die een vochtigen

bodem verlangen, en het veld Japanische Iris van ons plaatje No. 87,

heeft zeker aan dezen eisch kunnen voldoen. Ook Germaansche Irissen

tieren niet in een drogen grond, terwijl ook de Siberische Irissen,

Iris Siberica, de droogte schuwen. Tot de allerergste nathalzen echter

behoort onze Sloot-Iris (No. 86), Iris pseudocurus genaamd, die we

indertijd, toen we de Hyacinthenvelden inspecteerden, voorbij liepen.

Thans prijken ze met haar helder gele bloemen.

Ongeveer gelijk, of iets vroeger dan de Germaansche Irissen, bloeien de

Oncocyclus- en Regelia-Irissen. De Oncocyclus Irissen munten uit door

groote, fraai gekleurde en mooi gevormde bloemen. Iris Susiana (No. 83)

is de meest bekende uit deze groep, en wie ze eenmaal heeft zien

bloeien, wil ze zeker kweeken. Op zilvergrijzen grond ziet men tal van

zwartachtig-bruine en purpere aderen, waardoor een sombere, maar

bijzonder zeldzame kleur verkregen wordt. De naam Rouw-Iris is haar met

recht toegekend. De Regelia-Irissen hebben kleinere en puntige bloemen,

doch door het kruisen van beiden rassen verkreeg men een tusschengroep,

waarin de goede eigenschappen zoowel van de Oncocyclus- als van de

Regelia-Irissen, tot haar recht gekomen zijn. De cultuur van deze

Irissen is niet zoo gemakkelijk, doch door den wortelstok voldoende

rust te geven, en niet te vroeg te planten, bereikt men wel goede

resultaten.

Thans willen we nog even de Bol-Irissen behandelen, die in schoonheid

in geen enkel opzicht bij de reeds genoemde Irissoorten achter staan.

Den bol vindt ge U met plaatje No. 85 aanschouwelijk voorgesteld. Enorm

is de verscheidenheid ook in deze klasse; de Spaansche- (No. 80) en

Engelsche- (No. 79) Irissen behooren er toe; ze mogen in geen tuin

ontbreken. De cultuur is zoo gemakkelijk, dat ze misschien de voorkeur

verdienen boven de wortelstok-verscheidenheden. Men plante ze in het

najaar in gewonen, goeden tuingrond, zorge gedurende den winter voor

een goede stroo- en bladbedekking, en rooie ze in Juli, om in October

opnieuw te planten. Ge moet ze in dien tusschentijd op een droge,

luchtige plaats bewaren.

Het zou me te ver voeren, wanneer ik deze zoo aantrekkelijke

bol-Irissen uitvoeriger ging behandelen. Plant ze, en geniet dan de

heerlijke pracht der Spaansche Irissen (No. 80) met haar brons-, licht-

en donkerblauw, zuiver wit en helder geel, en siert Uw kamers er mede,

want snijbloemen zijn het bij uitnemendheid. Niet minder is dit het

geval met de Engelsche Irissen (No. 79). Het heldere blauw zal U

bekoren, ook het zachte lila, het zuivere wit soms zoo prachtig lila

gespikkeld. De bloeitijd van deze Irissen is Mei en Juni. De Engelsche

Irissen, die grooter van bloem zijn dan haar Spaansche zusters, zijn

eenige weken later, maar wie de schoonste zijn, ik zou het U niet

kunnen zeggen.

Als op den voorgrond tredende species zou ik U nog willen noemen de

Iris filifolia, die van de Spaansche Irissen bijna niet te

onderscheiden is. Zeer fraai zijn ook I. tingitana en I. Juncea, zoo

ook I. pavonia (No. 34).

Het is voor U natuurlijk niet doenlijk om alles te kweeken, wat ik U

heb beschreven. Ik zou U echter willen raden, de bol-Irissen in geen

geval over te slaan, want iets mooiers zult ge vergeefs zoeken.

GLADIOLUS (Zwaardlelies). Wie zou de Gladiolus niet kennen? Ze zijn in

de laatste jaren ware uitverkorenen van het bloemenminnende publiek

geworden. Het ligt velen wellicht nog versch in het geheugen, hoe

enkele jaren geleden in de bollenstreek een z.g. windhandel in

Gladiolusbollen gedreven werd. Kleine partijtjes bollen van bijzondere

soorten brachten soms ƒ 20000.– op, en voor „kralen”, (dat zijn de

jonge broedbolletjes), betaalde men eveneens groote sommen. Het geleek

wel iets op den dwazen tulpenhandel, waarover ik reeds schreef; en

evenals toen, volgde ook hier op al die grove speculaties de

ontgoocheling. Menigeen denkt dan ook liever maar niet aan de dwaze

Gladiolus-periode terug!

In de volkstaal noemt men Gladiolus wel „Zwaardlelies”, een naam,

afgeleid van het woord „gladius”, d.i. „zwaard”. Vandaar dat men de

oude Romeinsche zwaardvechters „gladiatoren” noemde.

Ongeveer 140 species, dat zijn in het wild groeiende soorten, zijn in

den loop der jaren ingevoerd. Met uitzondering van enkele Europeesche

soorten komen ze uit Afrikaansche landen. Van de laatbloeiende

Gladiolussen zijn de bollen grooter dan van de vroegbloeiende. Ik

spreek uit macht der gewoonte steeds van „bollen”, hoewel de Gladiolus

eigenlijk een „knol” is, omdat ze één vast bestanddeel vormt. In het

vak praat men echter altijd van „bol”; ik laat het dus gemakshalve zoo.

Wat de vermenigvuldiging betreft, deze geschiedt bij de laatbloeiende

verscheidenheden door middel van de z.g. „kralen”, de kleine, jonge

bolletjes, die soms bij tientallen aan de groote bollen voorkomen.

De meest bekende Europeesche species zijn Glad. Byzantinus en Communis.

Zij bloeien in Juni, soms nog in Juli, met helder purper-rose bloemen.

Deze kinderen van Turkije maken in onze rabatten steeds een fraai

effect.

De zooeven genoemde soorten worden in bloei opgevolgd door de Gladiolus

Colvilli, waarvan wij vier verscheidenheden kennen, t.w.: de type,

donker karmozijn-purper; roseus (No. 96) rose; albus, wit met

blauwachtige helmknopjes, en albus de Bruid (No. 95) eveneens wit, maar

met witte helmknopjes. Ze zijn tamelijk lang en stevig van stengels, en

zijn dus voortreffelijke snijbloemen.

Gelijktijdig met de Colvilli-soorten bloeien de Gladiolus Nanus met een

zeer groot aantal verscheidenheden, waaronder soorten zoo mooi, dat ze

het hart van elken liefhebber terstond moeten winnen. Hoe fraai zijn de

kleuren, en wat zijn de onderste bloembladen zeldzaam mooi geteekend!

De vlekjes op de blaadjes lijken erop geschilderd. Ziet eens de soort

„Koningin Wilhelmina” (No. 94) met wasachtig witte bloemen, voorzien

van een crême-wit, karmijn gerand vlekje. En dan „Blushing Bride” (No.

92), die veel overeenkomst vertoont met „Koningin Wilhelmina”, doch een

weinig kleinere bloemen voortbrengt. Wat een attractie is deze zéér

veel gevraagde verscheidenheid! Bij „Peach Blossom” (No. 93) komt de

vlek niet zoo sprekend uit, doch de frissche perzikbloesem-tint

vergoedt dit gebrek ruimschoots. Zéér mooi is bovendien „Ackermanni”

(No. 91) met warm roode, vurig scharlaken gevlekte bloemen.

Zoo zou ik U een menigte soorten van deze allerliefste klasse kunnen

noemen, maar ge moet mij ten goede houden, dat ik daartoe, wegens

beperkte ruimte, niet overga. Nog enkele, die uitblinken, zooals:

„Crimson Queen”, karmozijn met lila vlek, „Fire King”, schitterend

scharlaken, donkerder gevlekt, „Sapho”, lila met purper vlekje, en

„Queen of Holland”, bijna wit, ik kan ze U aanbevelen, en wil U dan nog

op ’t hart drukken: Laat dit betrekkelijk zoo goedkoop goedje niet in

Uw tuin ontbreken; iets lievers is er bijna niet!

Als nu de Nanus-verscheidenheden zoo goed als uitgebloeid zijn, volgen

de Ramosus-soorten. Deze hebben grootere bloemen, maar vertoonen

overigens veel overeenkomst met de Nanus-klasse.

De vroegbloeiende Gladiolussen kan men in het najaar planten, doch men

bedenke, dat ze niet volkomen winterhard zijn, en dat dus gedurende den

wintertijd een flinke bedekking met blad of turfmolm noodzakelijk is.

Men kan ze ook des winters op een koele, vorstvrije plaats bewaren, en

ze vroeg in het voorjaar planten. Dit laatste wordt echter niet

veelvuldig gedaan.

Spreiden de vroegbloeiende Gladiolussen veel pracht ten toon, ze worden

daarin nog overtroffen door de laat-bloeiende verscheidenheden. Wanneer

men de zéér groote en bijzonder fraai gevormde trompetbloemen

beschouwt, dan kan men zich indenken dat de groote kleuren-rijkdom tot

den dwazen handel van vóór eenige jaren, aanleiding gaf. De

hoofdgroepen van deze zwaardlelies bestaan uit: G. gandavensis, G.

nanceianus en G. Lemoine, terwijl ook de Childsii-klasse een eerste

plaats inneemt, omdat ze, door kruising de prachtigste grootbloemige

soorten in de schitterendste kleuren oplevert. Dan treffen we in den

laatsten tijd nog aan de G. primulinus hybriden, afkomstig van de G.

primulinus, die oorspronkelijk aan de Zambesi-rivier groeide, waar het

altijd vochtig en dampig is. Wanneer nu de bloemen gevormd waren,

zooals bij andere soorten, dan zouden de stampers en meeldraden steeds

vochtig zijn, en zou derhalve de bevruchting niet kunnen plaats hebben.

De natuur is echter te hulp gekomen, en heeft het bovenste bloemblad

zoodanig gevormd, dat het als een kapje de stampers en meeldraden

beschermt. Bij de hybriden, die grooter van bloem zijn, heeft men dit

eigenaardig kenmerk weten te behouden. Is de G. primulinus zuiver geel

gekleurd, bij de hybriden komen reeds de fraaiste tinten voor in geel

en oranje, van wit tot diep rose, van licht rood tot het diepste

scharlaken.

Wat de andere genoemde rassen der laatbloeiende Gladiolussen

aanbelangt, deze worden thans bijna niet zuiver meer gekweekt. De

kweekers van den laatsten tijd hebben er niet zoozeer opgelet om

raszuivere groepen, als wel fraai gekleurde, groote bloemen te

verkrijgen. Ze hebben de mooiste bloemen uit de verschillende groepen

met elkander gekruist, en op deze wijze kwamen de grenzen spoedig te

vervallen. Ik wil U even eenige mooie soorten noemen, zonder daarbij de

groep te vermelden. „Amerika” (No. 97) met mooie, groote lila-rose

bloemen; „Baron Joseph Hulot” (No. 98) de welbekende blauwe

verscheidenheid (blauw trof men vroeger bij Gladiolus niet aan);

„Liebesfeuer” (No. 99) schitterend rood; „Willy Wigman” (No. 100)

groote witte bloemen, met bloedroode vlekken (zéér fraai); „Panama”

(No. 101) frisch rose getint; „Printemps” (No. 102) donker fluweelrood,

wit gevlekt, mooie, groote trompetvormige bloem; „Halley” fraai

zalmkleurig rood. Dan bestaat nog de mooie, blinkend witte soort

„Europa”, die echter nog overtroffen wordt door „White Giant”. Zoo zou

ik U nog meer soorten kunnen noemen, die alle in schoonheid wedijveren.

Deze laatbloeiende Gladiolussen worden gedurende den winter op een

droge en vorstvrije plaats bewaard, en half Maart aan den bodem

toevertrouwd. In randen, rabatten of in groote groepen geplant, komen

ze steeds tot haar recht. Plant eens samen Gladiolus Brenchleyensis,

scharlakenrood, met Galtonia Candicans, doorgaans Hyacinthus Candicans

genoemd, en ge zult eens zien, welk een prachtig effect dit geeft. De

Hyacinthus Candicans bloeit met een langen, één meter hoogen stengel;

aan de zijtakken hangen de klokvormige bloemen af. Beide soorten

bloeien gelijktijdig.

Na den bloeitijd, wanneer het loof afsterft, kan men de Gladiolus

opnemen, het oude loof even boven den bol afsnijden en ze vervolgens

opnieuw tot het voorjaar vorstvrij bewaren.

RANONKELS EN ANEMONEN. Wanneer we van Ranonkels (No. 122) spreken, dan

denken we hier aan de z.g. klauwtjes-Ranonkels, van welke we van einde

Mei tot Juli zulke mooie velden in de bloembollenstreek kunnen vinden.

De bloemen doen ons denken aan kleine roosjes; ze zijn evenwel iets

stijver. De stengels hebben een lengte van 20 cM. en meer, zoodat de

bloemen voor het vullen van vaasjes zeer geschikt zijn. In den tuin kan

men er het best een bed mede beplanten, waarvan men dan in den

bloeitijd de fraaiste bloemen snijden kan. Zij houden van een

voedzamen, niet te drogen grond, doch bij het planten dient men er op

te letten, dat de aarde niet te vochtig is, daar de klauwtjes anders

licht tot verrotting overgaan.

Vele variëteiten zijn er van bekend; er bestaan een viertal groepen

van, n.l.: Turksche, Fransche, Persische en Schotsche Ranonkels. De

Turksche bloeien het eerst en hebben groote, eenkleurige bloemen. De

Schotsche hebben alle bonte bloempjes, terwijl de Fransche in het

midden der bloem het hartje laten zien. De kleuren komen voor in alle

mogelijke tinten, behalve in blauw, zelfs groen is vertegenwoordigd.

Beter nog bekend dan de Ranonkels zijn de Anemonen of „windbloemen”,

welke naam afgeleid is van „anemos”, dat „wind” beteekent. Een groot

aantal wilde soorten zijn hier te lande ingevoerd, doch niet alle

hebben burgerrecht verkregen. Men heeft allereerst de vroegste soorten,

welke in Maart en April met allerliefste bloempjes prijken, en die zoo

buitengewoon geschikt zijn voor onderbeplanting onder heesters. Van

deze is Anemone apennina, met heerlijk blauwe bloempjes, een der

fraaiste. De bosch-anemonen zijn mede welbekende vertegenwoordigsters

van dit rijke geslacht. En dan is daar nog de groote massa, welke door

de bollenkweekers gewoonlijk in enkele- (No. 123) en dubbele- (No. 124)

Anemonen onderscheiden wordt. Ze zijn allerfraaist als snijbloemen,

evenals de nieuwere Anemonen St. Brigid (No. 125) met zeer sierlijk

gevormde bloemen. Het meeste succes heeft men met deze Anemonen,

wanneer men ze op een luw en voedzaam plekje plant. Ze leveren U in

Mei, Juni en Juli een schat van snijbloemen.

LELIES (No. 121). Geen bloem onder de bolgewassen, die méér beschreven

en bezongen is, dan de Lelie. Het is ook geen wonder, want een lelie in

vollen bloei is een toonbeeld van weelde en pracht. Een groot aantal

species is in den loop der eeuwen uit alle deelen der wereld ingevoerd,

doch het is slechts een beperkt aantal, dat populair geworden is. De

Lilium candidum, de langstelige witte tuinlelie, treft men hier en daar

nog wel aan, evenals de z.g. boerenlelie, de L. Umbellatum, de

tijgerlelie of L. Tigrinum en L. elegans. De tijgerlelies hebben op

oranjerooden grond vele zwarte spikkeltjes. In deze soort bestaat ook

de dubbele vorm, L. tigrinum plenum. Ze is bijzonder mooi.

Uit onze bloemenwinkels kennen we voorts heel goed de lelie, met lange,

witte, trompetachtige bloemen, de L. Longiflorum, terwijl we daar

ongetwijfeld bovendien eens aantroffen de L.

Speciosum-verscheidenheden, soms met zuiver witte, soms met rose en

donker-rose bloemen. De bloemen van deze lelies hebben alle ietwat naar

achteren omgebogen bloembladen, en zijn zeer sierlijk. Andere mooie

lelies zijn nog: L. Auratum, met breede goudgele streep en fraai

gespikkeld. Ze komt uit Japan en kan hier niet met succes voortgekweekt

worden. Ze wordt veel voor potcultuur gebruikt. L. Brownii, met bloemen

als L. longiflorum, aan den buitenkant prachtig purper gekleurd; L.

giganteum, een witbloemige, soms 2 Meter hoog groeiende soort, met

stengels als bamboestaken; L. Henryi, als L. speciosum, doch met

bruingele bloemen; L. Martagon, met purperkleurige, sterk gekrulde

bloemen, en nog vele andere.

De lelies zijn bijzonder geschikt voor boordbedden, en juist dáár

schenken de elk jaar terugkeerende en steeds fraaier wordende bloemen

een groot genot. Groot is de pracht van veel andere gewassen, maar

geen, die haalt bij de indrukmakende schoonheid der lelies.

VERSCHILLENDE BOL- EN KNOLGEWASSEN. Behalve de vele reeds genoemde

gewassen zijn er nog tal van andere, welke we nog niet bespraken, maar

die we niet zonder ze te vermelden voorbij mogen gaan. Zoo zijn daar in

de eerste plaats de Kievitseitjes (Frittillaria Meleagris) (No. 114).

Aan een lang, slank en toch stevig stengeltje bengelt een eivormig

bloempje, dat even eigenaardig gekleurd is als een kievitsei. Er zijn

ook witbloeiende verscheidenheden, maar de bonte zijn het

eigenaardigst. Tusschen gras, of langs den waterkant komen deze

bloempjes voortreffelijk uit. De bolletjes van de Kievitseitjes zijn

niet groot, in tegenstelling met die der Kroon-Imperialen (No. 111)

(Frittillaria Imperialis). Het verschil tusschen deze twee groepen is

hemelsbreed. De Kroon-Imperiaal vormt een langen bloemstengel, met in

top een vijftal of meer roode of gele neerhangende bloemkelken. Men kan

de bollen in Juli of Augustus, wanneer ze uitgebloeid zijn, uit den

grond nemen en ze droog bewaren. Ze verspreiden dan een eigenaardigen,

niet steeds aangenamen geur.

De Colchicum, of droogbloeier (No. 115), die bloemen ontwikkelt veel

gelijkende op Crocus, is mede een bolgewas, dat op onze attentie recht

heeft. Zoo maar zonder water, zonder aarde zelfs, ontwikkelen zich de

bloemen! Gemakkelijker kan het al niet, en dat is dan ook wel een der

redenen, waarom dit gewas de laatste jaren veel belangstelling geniet.

Het meest eigenaardige is vervolgens, dat in het najaar de bloemen en

eerst in het voorjaar de bladeren voor den dag komen. Plant men dus een

uitgebloeiden bol in den tuin, dan ziet men in het voorjaar de bladeren

verschijnen. Tusschen heesters is dit een gewas, dat altijd voldoet.

Het bestaat in meerdere verscheidenheden, meest zacht lila, maar ook

wit.

Camassia (No. 118) zijn bolgewassen, die geschiktheid bezitten voor

z.g. natuurlijke groepeeringen, dus voor het maken van een

massa-effect. Daar komen de blauwe bloemen op lange, dunne stengels het

best tot haar recht. Ook hiervan bestaan meerdere verscheidenheden,

doch alle in blauw of wit.

De hondstand, of Erythronium, is een alleraardigst gewasje, meest met

typisch gevlekte bladeren. De Erythronium denscanis (No. 119) wordt

reeds meer dan drie eeuwen hier gekweekt en nog steeds neemt zij onder

de vroegbloeiende gewassen een eerste plaats in. De bladeren zijn

langwerpig van vorm, zeegroen getint en voorzien van purpere vlekjes.

De bloempjes doen eenigszins aan die van viooltjes denken, en zijn

fraai purper-rose getint. Voor den rotstuin is de Erythronium niet te

overtreffen, maar ook tusschen gras of onder heesters maakt zij een

heerlijk effect. In de vele jaren van cultuur zijn natuurlijk tal van

verscheidenheden in veel verschillende tinten gewonnen. Bovendien zijn

ook nog Amerikaansche soorten ingevoerd, vele met de allerfraaiste

bloemen, in wit, geel, purper en rose.

Was het zooeven genoemde gewasje een der vroegste bloeiers, de Cyclamen

Hederæfolium (No. 120), allerliefst plantje voor den vollen grond,

bloeit daarentegen juist in den herfst. Het is eenvoudig een

kleinbloemige Cyclamen, welke we allen als gezochte potplanten kennen.

C. hederæfolium geeft lila-purpere bloempjes. Behalve deze bloeien ook

C. Europæum en C. Africanum in het najaar, terwijl C. Atkinsi, C. Coum

en C. repandum in het voorjaar haar lieve, kleine bloempjes vertoonen.

Men plant ze het best daar, waar ze gedurende den winter beschutting

van andere planten genieten.

Fraaie bloemen leveren ook de Uien- of Allium-soorten, waarvan de eene

variëteit meer dan een meter hoog wordt, terwijl zich de andere soort

nauwelijks boven de aarde weet te verheffen. Zeer hoogbloeiend is A.

giganteum, uitvloeiend purper, terwijl A. oreophilum met schattige

wijnroode bloempjes juist boven den grond bloeit. Mooi zijn nog A.

Azureum met blauwe, A. Moly met gele en A. roseum met rose bloemen.

Amaryllis zijn bolgewassen voor de kas, maar niet altijd is men zeker

van bloei. Zoo tegen Januari of Februari kunt gij echter bij de

kweekers bollen bekomen, die reeds hun knop toonen, want eigenaardig

genoeg, komt meestal eerst de knop en komen later de bladeren te

voorschijn. Wanneer ze in zéér voedzame bladaarde in potten worden

geplant, kunt ge ze in een zonnig goed verwarmd vertrek prachtig tot

bloei brengen. In de meeste gevallen wordt de stengel tot meer dan 50

cM. hoog en doorgaans bevinden zich daaraan drie of vier groote,

trompetvormige bloemen. Onder deze Amaryllis

Hippeastrum-verscheidenheden treft men de fraaiste tinten van rose,

scharlaken- en purperrood, bijna zuiver wit, ja zelfs oranje aan.

Een lief, zeer lief bolgewasje is de Ixia (No. 117) met o zoo teere

bloempjes, gedragen op een zeer dun en lang, maar niettegenstaande dat,

zeer stevig stengeltje. De bloempjes in de fraaiste tinten, ze stelen

ons hart. Verzuimt nooit Ixia’s te kweeken, en vraagt dan ook naar de

groene soort „Viridiflora”, waarvan het hartje zwartachtig is. Ze is

lief, maar niet overvloedig, en duurder dan de andere. Ook de Sparaxis

doen mee! Deze blijven veel lager, doch het kleuren-spel in deze

bloempjes is zoo eigenaardig, dat men ze in elken tuin, maar vooral den

rotstuin moet planten.

Wat levert ons vak toch een schat van gewassen, een keur van bloemen!

Terwijl ik zoo ’t een en ander op ’t papier zet, is het me bezwaarlijk

om een keus te doen uit het vele, en dat moet ik toch, wil ik niet té

uitvoerig worden. Zoo ligt hier vóór me een plaat van de fraaie

Aronskelk of Calla (No. 127), die ook den deftigen naam draagt van

Richardia en die met haar reinwit en goud onze tuinen sieren als het

warm is. Daar zijn fraaie soorten. In wit: de R. aethiopica (Lelie van

de Nijl), de alba maculata, met gevlekte bladeren, e.a.; in zuiver

geel: Elliottiana en Elliottiana Rossii. De meeste soorten kan men in

vruchtbare aarde in potten binnenshuis tot bloei brengen; beter nog in

kassen. De planttijd is dan van October tot Maart.

Heb ik nu te veel gezegd, toen ik beweerde, dat men in ons vak het

geheele jaar door iets in bloei treft? Bolgewassen en andere, ze zijn

er altijd, en in alle vormen. Zoo zijn het in het voorjaar de blauwe

Chionodoxa, de purpere Corydalis bulbosa, de azuurblauwe Scilla

Sibirica, de lieve witte Sneeuwklokjes, de nietige gewasjes, die met

haar knopjes als ’t ware de sneeuw doorbreken. Groot en frisch komen

later de Lelies en op de Amaryllis gelijkende Crinums; ook de Eremurus

met haar bijna drie meter lange stengels, waaraan een groote lange

bloempluim, bezet met talrijke rosetjes van wit, geel of rose. Hoewel

men het niet zou vermoeden, behooren deze tóch tot de bol- en

knolgewassen. De wortels zijn eigenaardig gevormd; ze hebben den vorm

eener poliep.

Zoo zou ik U nog tal van soorten kunnen noemen, doch veel gewassen

leveren bij de cultuur velerlei moeilijkheden op, en daarom wil ik U

nog slechts de Montbretia’s (No. 139) voorstellen. Dit zijn

knolgewassen, evenals de Gladiolus. Wat zijn ze sierlijk! De lange

grasvormige bladeren vormen met hun frisch groen een prachtigen

ondergrond voor de elegante bloempjes, geel, rood of oranje. De

Montbretia’s doen het op bijna elken grond en doorstaan den winter het

best met een bedekking van turfmolm. Voor het maken van randen en

kleine groepen zijn ze geknipt, terwijl ze als snijbloemen

onovertroffen zijn.

BEGONIA, DAHLIA EN CANNA. Ziet daar drie gewassen, die feitelijk met

wat we gewoonlijk bollen noemen niets te maken hebben, maar er toch zoo

nauw mede in verband staan, dat ze in elken bollencatalogus van eenige

beteekenis voorkomen. Ze verlangen alle drie een bijzondere

voorbehandeling, en daarom behandel ik ze hier afzonderlijk.

De Begonia’s vormen groote knollen, vandaar de naam van Knol-Begonia.

Ze worden vermenigvuldigd van zaad en ook wel door stekken, doch bij

deze laatste methode vordert men zóó langzaam, dat men ze slechts

toepast, wanneer men een of andere verscheidenheid zuiver wenscht voort

te kweeken. Het uitzaaien geschiedt reeds in Januari in pannen of

kleine kistjes, die in de warme kas worden geplaatst. Zoodra de jonge

plantjes zichtbaar zijn, worden ze dicht bij elkaar overgeplant of z.g.

„verspeend”. Deze bewerking wordt later eenige malen herhaald. Tegen

het einde van Maart of begin April worden de jonge planten in de kouden

bak overgeplant en met beschermde ramen gedekt, omdat ze ’t volle

zonnetje niet kunnen verdragen. Ventilatie moet er echter ruimschoots

zijn. Zijn de planten eenmaal aangeslagen, dan verwijdert men de ramen

en worden de planten afgehard. Ze geven hetzelfde jaar nog flinke

bloemen. Wanneer ge ze op perken uitplant, geeft ze dan niet een

plaats, waar ze den ganschen dag de volle zon hebben. De bodem moet

voedzaam zijn; veengrond of tuingrond vermengd met wat oude koemest

voldoet altijd het best. Doorgaans geven deze Begonia’s tot laat in het

najaar fraaie bloemen, maar zoodra de nachtvorsten komen, neemt ze dan

uit de aarde, laat ze flink drogen, klopt het droge zand er een weinig

af en bewaart ze koel en vorstvrij in kistjes met kurkdroog, wit zand.

Deze methode pas ik zelf al sedert jaren toe, en ’t bevalt me goed. Ge

kunt echter ook volstaan met ze gewoon droog te bewaren. Doch plukt

niet te veel aan de droge wortelvezels. Ge wondt daarmede de knol, en

dat mag volstrekt niet. Op deze manier blijven de knollen bruikbaar, en

wanneer Maart in ’t land komt, neemt dan grootere kistjes met

bladaarde, plaatst de knollen, die doorgaans al teekenen van nieuw

leven vertoonen, (getuigen de kleine scheuten) er op, en drukt ze

zachtjes iets naar beneden. Bedekt ze voorts heel dunnetjes met een

laagje aarde of lekzand en houdt de aarde vochtig. In de serre of in

een verwarmd of zonnig vertrek kunt ge ze nu vast aan den groei

brengen, maar zoo ge een kas bezit, verdient het plaatsen daarin de

voorkeur. Plant ge in Mei de knollen op de vakken zonder deze

voorbehandeling, dan lukt het weliswaar wel, maar niet zoo goed, en ge

hebt véél later bloemen. Planten voortgekweekt in kistjes slaan,

eenmaal op de perken uitgeplant, veel vlugger aan en bloeien spoedig.

De Enkelbloemige Begonia’s (No. 130) soms met bloemen van 1 dM. in

doorsnede, en de Dubbelbloemige (No. 130) met bloemen, die inderdaad

aan rozen of groote Camelia’s doen denken, zijn het meest bekend. Men

treft ze aan in lichte en donkerroode tinten, in rose en wit, in geel

en oranje, ja zelfs in de koperkleur. Typisch en mooi is ook de Begonia

Cristata (No. 132) de gekamde Begonia. Bij dit ras treft men op de

bloembladen kleine kamvormige aangroeiseltjes aan, hetgeen aan de

geheele bloem een vreemd doch aardig aanzien geeft. Zeer gracieus van

vorm zijn voorts de Begonia Crispa (No. 131), de buitengewoon sierlijk

gekartelde en gegolfde verscheidenheid. Keurig mooi is ook dit ras.

Dit zijn nu de hoofdgroepen der Begonia’s maar er bestaan nog andere:

de kleinbloemige, waaronder Lafayette, Graaf Zeppelin, Bertini, enz. Ze

bestaan meest in roode tinten, maar er zijn ook gele.

En nu nog iets. Toen ik daar zooeven een beschrijving gaf van de wijze

van vermenigvuldiging, dacht ge wellicht: Nu, dat uitzaaien wil ik eens

probeeren. Meent echter niet, dat ge dat met succes zoudt doen. Bestelt

liever flinke knollen bij den kweeker, dan blijft U teleurstelling

bespaard.

Ook de Dahlia’s behoeven voor de vermenigvuldiging de warme kas. In

Februari worden oude knollen op een tablet uitgeplant en weldra

vertoonen zich de scheuten, die, wanneer ze groot genoeg zijn, onder de

bladstoel worden afgesneden en in kleine stekpotjes geplaatst. Ze

blijven dan nog een poosje in de kas, verhuizen later naar den kouden

bak, en kunnen in Juni in den vollen grond worden uitgeplant. In het

potje heeft zich dan een knolletje gevormd, dat het dikwijls geheel

vult. Meent nu niet, dat het oogenschijnlijk nietige plantje geen

voldoende resultaten geven zal. Ge zult over den bloei versteld staan,

en de echte liefhebbers geven dan ook aan potknollen de voorkeur.

Van de Dahlia’s zijn veel rassen bekend. In de eerste plaats de Cactus

Dahlia’s (No. 144) met fijn gepijpte, soms bovendien nog opgerolde

bloemblaadjes. Hiervan zijn tal van pracht-verscheidenheden in den

handel, die als snijbloemen en voor fijn bloemwerk eenig zijn. Dan

hebben wij nog de Pioen Dahlia’s, met breede bloembladen, en die in het

midden het hartje laten zien. De Decoratieve Dahlia’s gelijken er veel

op, doch deze zijn geheel gevuld. Ook de Enkelbloemige Dahlia’s, de

gewone Dubbele Dahlia’s en de Pompon-Dahlia’s met kleine kogelvormige

bloemen, zijn geen onbekenden.

En nu nog een kleine wenk. Doorgaans brengen de Dahlia’s vele scheuten

voort. Doch indien ge mooie, groote bloemen wilt hebben, laat dan de

plant slechts drie stevige scheuten behouden, en snijdt de overige af.

Ge vindt het misschien jammer; volgt echter mijn raad op.

En dan dit nog: Wanneer de eerste nachtvorst het loof heeft vernietigd,

haalt dan de planten uit den grond, snijdt het oude loof 1 d.M. boven

den knol af, en bewaart ze zonder inkuiling, dus droog, op een koele,

vorstvrije plaats. Groote planten kan men in het voorjaar, wanneer zich

de scheuten vertoonen, in tweeën of drieën scheuren.

Nu nog de Canna’s (No. 128). Dit zijn tegenwoordig sierlijke

bloemplanten. ’t Is echter niet altijd zoo geweest, want vroeger

kweekte men ze om het mooie effect, dat de bruine of frisch-groene

bladeren geven. Ze hebben fraaie, rood-, geel- of oranjekleurige

bloemen, en moeten, alvorens ze buiten kunnen worden uitgeplant, in de

kas of in den bak aan den groei worden gebracht. Zoodra de vorst dreigt

in te treden, neme men ze uit den grond, snijde het loof af, en beware

de knollen koel en vorstvrij.

De bloemenvelden · 第 9 / 13 题