II

4 April.--Twee dagen zijn er gemoeid met het in orde brengen van het

rijtuig, dat bij het oversteken der rivier gebroken was. Dank zij de

bekwaamheid van russische en perzische smeden, komen wij eindelijk

te Djoelfa, een armoedig dorp, aan den oever van den Aras, die hier

de grensscheiding vormt tusschen Rusland en Perzië.

De Aras, de Araxes der oude geografen, de voornaamste rivier van

het oude Medië, ontspringt op de bergen tusschen Kars en Erzeroem;

hij loopt door Armenië en stort zich in de Kaspische-zee uit, na

verschillende zijrivieren te hebben opgenomen, waarvan de Koera en

de Djavat de voornaamsten zijn. Ik maak eene wandeling langs zijne

oevers en op het oude kerkhof van Djoelfa; vervolgens keer ik naar

het posthuis terug, waar mij een heerlijke pilau wacht met een kip

en gestremde melk. Na den maaltijd vaar ik met een pont over de

rivier en begeef mij naar de woning van den ontvanger der douane,

voor wien de perzische consul te Tiflis ons een aanbevelingsbrief

heeft medegegeven. Een aantal bedienden rooken of slapen voor de deur;

een hunner neemt den brief aan, en noodigt ons uit, plaats te nemen

op eene aarden bank, die tegen den muur is aangebracht. Na verloop

van een kwartier komt hij terug met de boodschap dat de aga zijn

middagdutje doet en ons na zijn ontwaken ontvangen zal.

De woning van dezen perzischen ambtenaar staat op een zandig pleintje,

waaromheen in het rond eene menigte balen zijn opgestapeld, door

de karavanen aangevoerd; de koopwaren blijven daar liggen, tot de

verschuldigde rechten voldaan zijn. Achter dien stapel balen en pakken

en kisten bespeur ik een klein huisje met een tuintje, waarboven

telegraafdraden gespannen zijn. Dat is een station van de engelsche

telegraaflijn, die dwars door Duitschland, Rusland en Perzië, het

moederland met Hindostan verbindt en haar voortzetting vindt in den

onderzeeschen kabel, die te Bender-Böeshehr, aan de Perzische golf

begint. De directeur van het engelsche telegraafkantoor van Djoelfa,

een Rus, helpt ons naar zijn beste vermogen, nu wij op het punt staan

Perzië binnen te trekken. Hij spreekt uitmuntend fransch, en stelt zich

met de meest mogelijke voorkomendheid tot onze beschikking, om paarden

en bedienden te huren. Hij verwisselt ons russisch geld voor perzische

munt; hij stelt aan onze muilezeldrijvers een eersten termijn van de

overeengekomen huur ter hand, en waarschuwt ons ten ernstigste, in

geen geval toe te geven aan den aandrang dier lieden, om hun onderweg

nog eenig geld uit te betalen: de minste toegevendheid op dat punt zou

waarschijnlijk ten gevolge hebben dat de tsjarvadars ons in den steek

zouden laten voor wij Tauris hadden bereikt. Hij geeft mij ook eenige

inlichtingen omtrent de manier van leven, waarin wij ons voortaan

zullen hebben te schikken. Ik deed zeer verkeerd, toen ik klaagde

over de russische posthuizen en hunne houten rustbanken: ook deze

laatste sporen van comfort zal ik voortaan moeten missen. "Gij zult,

zeide hij tot mij, geen ander onderkomen vinden dan karavanserais,

waar de wind vrijelijk door heen blaast; voor matras den naakten grond;

voor hoofdkussen het zadel van uw rijdier; gij zult zelfs de weelde

moeten ontberen van op stroo te slapen: er is ook geen stroo meer voor

de paarden, die sedert een maand genoodzaakt zijn, zich uitsluitend

te voeden met het jonge gras, dat den bodem begint te bedekken."

Juist toen alle toebereidselen gereed waren en het vertrek voor

den volgenden morgen was bepaald, ging de deur open; de perzische

ontvanger, door al zijne bedienden gevolgd, treedt met groote

deftigheid binnen, legt de hand op zijn hart en biedt ons zijne

diensten aan. Ik ben ook beleefd, neem oogenblikkelijk dezelfde houding

aan, en vraag hem: "Heeft Uwe Excellentie goed geslapen?"--Hij aarzelt

een oogenblik, en kijkt mij vragend aan, om te ontdekken of ik hem voor

den gek houd; vervolgens biedt hij, met dezelfde kalme deftigheid,

op nieuw zijne diensten aan. Zoodanig was mijne eerste kennismaking

met de ambtenaren van Iran. Trouwens, toen ik dat heerschap met den

titel van Excellentie aansprak, stelde ik hem veel te hoog. Hij is

niets meer dan de ontvanger der douane, en daarbij pacht hij van den

gouverneur van Azerbeïdsjan de bediening van het pontveer te Djoelfa.

Op alle trappen der hiërarchie worden alle ambten en bedieningen,

in het rijk van den koning der koningen, aan den meestbiedende

verkocht. Het veer wordt verpacht voor veertigduizend francs: maar

de pachter is vrij om voor het overzetten zooveel te vragen als hij

goed vindt, zonder dat iemand zich daarmede bemoeit. De gouverneur

van Azerbeïdsjan ontvangt als traktement de opbrengst der douane; van

zijn kant laat hij dus zoo hoog mogelijke rechten heffen en allerlei

knevelarijen in praktijk brengen. Wie de betrekking van ontvanger

te Djoelfa van hem verkrijgen wil, moet niet alleen een hooger bod

doen dan al zijne mededingers, maar vooral een voldoenden waarborg

opleveren, dat hij zich niet door gewetensbezwaren of iets dergelijks

in de behoorlijke uitoefening van zijn ambt zal laten belemmeren.

7 April.--Op onze karavanenreis hebben wij de eerste pleisterplaats

bereikt. De tocht heeft acht uren geduurd. Het genot van te paard te

rijden en verlost te zijn van die afschuwelijke russische diligence,

die telkens dreigde om te vallen, heeft mij alle vermoeienis doen

vergeten. Toen wij Djoelfa verlaten hadden, hebben onze gidsen ons

een grooten omweg laten maken, om in zeker dorp de flinke paarden,

door den heer Ovnatamof, den directeur van het telegraafkantoor te

Djoelfa, voor ons gehuurd, te verruilen tegen jammerlijke knollen,

die bijna niet voort kunnen. De ruil werd zoo handig uitgevoerd,

dat wij er in het eerst niets van bemerkten; de goede paarden keerden

naar Djoelfa terug.

Vijf uren lang trokken wij door een woesten bergpas, waarop eene vlakte

volgde, door hooge heuvelen doorsneden, die geheel van plantengroei

zijn ontbloot, maar waarvan toch de kleur nu eens zweemt naar het

zachtste groen, om dan, door allerlei schakeeringen heen, over te gaan

tot het donkerste rood. Tegen het vallen van den avond beraadslaagden

onze gidsen te zamen over de vraag, of wij zouden overnachten in een

kurdisch kamp, aan onze rechterhand opgeslagen, dan of wij onze reis

zouden vervolgen naar een dorp, aan den voet van den berg. Gedurende

deze overleggingen waren de nomaden ons genaderd en staarden ons met

weinig vriendelijke blikken aan; er werd dus besloten, dat wij onzen

weg zouden vervolgen, hetgeen dan ook geschiedde, midden door het

veld, in de richting van het dorp. Van een weg of pad was geen spoor

te ontdekken: het is mij nog onbegrijpelijk, hoe wij, bij de volslagen

duisternis die rondom heerschte, het dorp hebben kunnen vinden.

De karavanserai bestaat uit eene vrij ruime binnenplaats, door

een leemen muur omringd, waartegen in het rond, van dezelfde stof,

eene reeks vertrekjes of hokken met platte daken zijn gebouwd. Ieder

reiziger krijgt zulk een vertrekje tot zijne beschikking; dadelijk na

zijne aankomst, bergt hij daar zijn bagage en zijne mondbehoeften;

maar daar de maand Maart in dit bergachtige land vrij koud is,

maken de muilezeldrijvers van deze al te luchtige vertrekken geen

gebruik, en logeeren liever in den stal, waar eene aangename warmte

heerscht. Men wijst ons tot verblijf een klein vochtig vertrek

aan, zonder venster, waarvan de deur, bij gebrek van een slot,

met een touwtje gesloten wordt. Deze onderscheiding laat mij koud,

en ik vraag de gunst om ook in den stal te mogen logeeren, even als

de weinige reizigers, die voor ons zijn aangekomen. Er is ruimte

genoeg, want de Perzen, die voor niets zoo bang zijn als voor koude

en winterweer, gaan niet dan in den uitersten nood in dezen tijd des

jaars op reis. Maar de kou is niet de eenige oorzaak van het afnemen

van het getal karavanen: in het vorige jaar zijn de invallen der

Kurden in bijzondere mate talrijk en noodlottig geweest; die woeste

horden hebben de grensdorpen geplunderd, de bewoners vermoord, en de

gansche provincie met schrik en ontzetting vervuld. De landlieden,

wier leven en have bij uitzondering gespaard bleef, hebben toch hun

akker niet kunnen bebouwen; door honger gedreven, hebben zij zelven

het rooversbedrijf ter hand genomen, en de karavanen, die te zwak

waren om zich te verdedigen, overvallen en uitgeplunderd.

Toen wij den eenzamen woesten bergpas doortrokken, voegden zich

vijf of zes wel bereden en uitgeruste Perzen bij ons; in plaats van

vooruit te rijden, vormden deze ruiters steeds de achterhoede, ons

de eer latende, aan het hoofd der karavaan te rijden. Dezen avond

hooren wij hen nu elkander geluk wenschen met het gunstige toeval,

dat hun veroorloofd had de reis te doen in gezelschap van dappere

Faranguis, die zoo zeldzaam door roovers worden aangevallen, want de

bandieten kennen de kracht der europeesche wapenen, en weten ook dat

de Westerlingen niet gewoon zijn zich te laten uitplunderen, zonder

zich te verdedigen. Na ook voor den verderen tocht onze reisgezellen

onze bescherming te hebben aangeboden, beginnen wij onze bagage te

ontpakken. Met bewondering zien wij, hoe uitmuntend onze reisgenooten

zijn uitgerust, hoe hun niets ontbreekt van hetgeen voor zulk eene

karavanenreis noodig is; en wij verzuimen de gelegenheid niet, om ons

hieromtrent zoo volledig mogelijk op de hoogte te stellen. Intusschen

kunnen wij hetgeen ons ontbreekt eerst te Tauris aanschaffen: tot

zoo lang moeten wij ons dus maar behelpen.

Groote zakken, van tapijtstof gemaakt en met lederen riemen gesloten,

bevatten perzische bedden, bestaande uit een grooten dik gewatteerden

deken van gekleurd katoen. Die deken wordt vierdubbel gevouwen;

een der uiteinden wordt bij wijze van hoofdkussen opgerold, en het

geheel op den grond uitgespreid; dit zeer praktische bed wordt in

geheel Perzië gebruikt. In den winter gebruikt men daarbij nog een

soort van laken of sprei; maar des zomers is dit geheel onnoodig,

want het is ook hier niet de gewoonte, zijn kleeren uit te trekken

als men gaat slapen. In diezelfde zakken wordt ook schoon ondergoed

geborgen, benevens tapijten, die op de pleisterplaatsen op den grond

worden uitgespreid.

In andere kleinere zakken bergt men allerlei huisraad: ketels en

pannen, waschkommen en kannen, een samovar om thee te kunnen zetten,

alsmede alle mondbehoeften, zooals rijst, brood, vleesch, groenten,

suiker, enz., die men wel gedwongen is mede te nemen op eene reis,

waarop men, aan de pleisterplaats gekomen, doorgaans niet veel anders

vindt dan stroo voor de paarden en een nachtverblijf voor de ruiters.

Dien eersten avond op perzisch grondgebied doorgebracht, deed ik

niet veel meer dan met een stillen naijver de uitrusting van onze

reisgenooten opnemen; wij moesten ons behelpen met een dunne plaid

voor matras, onze reiszakken voor hoofdkussen en een met bont

gevoerden deken. Ook onze reiscantine bleek hoogst onvolledig:

wij hebben niet genoeg keukengereedschap, en onze nieuwe bedienden,

een kok en een hofmeester, beiden in lompen gehuld, beklagen zich dat

zij niet de noodige schotels hebben en dus niet, zooals de perzische

étiquette dat vordert, de verschillende gerechten tegelijk op tafel

kunnen zetten. Ik stel hen zooveel mogelijk gerust, en geef hun de

verzekering, dat ik mij te Tauris een geheel volledig eetservies en al

het noodige gereedschap zal aanschaffen. Omstreeks tien uren is alles

in de karavanserai in rust gedompeld; de lichten worden uitgeblazen,

en men ziet niets meer dan de gloeiende vuurhaard, waarlangs zich

nu en dan de donkere gestalte beweegt van een man, die half slapende

eenige kolen op het vuur werpt.

8 April.--De tsjarvadar bashi (de opperste der muilezeldrijvers)

wekt ons met den dageraad, door zijn luid geroep van: "Yah Allah!" De

grond is wel hard, en ik ben zeer blij dat het dag is; want mijn

geheele lichaam, van het hoofd tot de voeten, is stijf. Weldra zijn

wij allen op de been en tot vertrek gereed; de reiszakken van onze

tochtgenooten zijn dicht gemaakt; elke muilezeldrijver neemt de vracht

op van zijn paard, die met touwen aan het pakzadel is bevestigd; en

wij verlaten de karavanserai, eenige muntstukjes achterlatende voor

den huisbewaarder, wiens dankbetuigingen en goede wenschen ons nog

uit de verte tegenklinken. Deze luide dankbetuigingen verwonderden

mij eenigszins, als niet strookende met de gewoonte der Perzen; maar

een onzer tochtgenooten van gisteren deelde mij mede, dat de meeste

karavanserais, evenals de moskeeën, stichtingen zijn van particuliere

liefdadigheid, en in den regel ook door de nakomelingen van den

stichter worden onderhouden. Een door hen aangestelde huisbewaarder

ontvangt de karavanen, en opent en sluit, 's morgens en 's avonds, de

deuren; de reizigers zijn hem geene vergoeding hoegenaamd schuldig,

hoe lang zij ook in de karavanserai verblijven, dan alleen voor zoo

ver zij persoonlijke diensten van hem mochten verlangen. Hij geniet

alleen eene geringe winst op het stroo, het hout en de melk, die hij

aan de muilezeldrijvers verkoopt.

Deze karavanserais, wier aantal vroeger langs de groote

gemeenschapswegen zeer belangrijk was, waren voor den handel van

het grootste gewicht. Doorgaans goed gebouwd, door hooge muren

met torens omringd, waren zij niet licht bij verrassing te nemen,

en in behoorlijken staat van tegenweer. De vroegere koningen, wien

de welvaart van hun volk en de bloei van hun rijk ter harte ging,

stichtten eene menigte karavanserais; Shah Abbas liet er, volgens de

kronieken, niet minder dan negenhonderd-negen-en-negentig bouwen, en

verzekerde daardoor eene spoedige en gemakkelijke gemeenschap tusschen

de verschillende deelen van zijn uitgestrekt rijk. De meeste van deze

koninklijke karavanserais zijn tegenwoordig niet meer dan ruïnen,

die de reizigers geene schuilplaats meer aanbieden, maar daarentegen

de vereenigingspunten zijn geworden van roovers en bandieten, die

zich daarin nestelen. Aan den ondergang dezer zoo nuttige gebouwen

heeft echter niet alleen de tijd schuld: de opvolgers van Shâh Abbas,

die niet zijn onbekrompen geest en helder inzicht hadden geërfd,

verpachtten de karavanserais aan de meest biedenden, waardoor de

pachters gedwongen werden de karavanen zooveel mogelijk geld af te

persen. De gevolgen van deze averechtsche politiek bleven niet uit:

de handel verminderde van dag tot dag, de koninklijke herbergen stonden

ledig en werden eindelijk verlaten voor de particuliere karavanserais,

waar de reizigers een goed en zeer goedkoop onderkomen konden vinden.

Wij trekken door vruchtbare en goed bebouwde valleien; men legt zich

hier van ouds op de veeteelt, bepaaldelijk op de paardenfokkerij

toe. Reeds in den tijd van Darius en zijne opvolgers moest deze

provincie voor de koninklijke stallen twintigduizend veulens

leveren. Boomen ontbreken geheel in dit eentonig landschap, slechts

door enkele heuvelreeksen afgewisseld: nergens is een enkele stam,

nergens zelfs kreupelhout te zien, dat eenige bescherming tegen de

zonnestralen zou kunnen verleenen. Even zeldzaam als het geboomte zijn

de gehuchten en alleen staande woningen. Sedert wij ons in Perzië

bevinden, heb ik niet anders gezien dan meer of minder belangrijke

dorpen en kampementen van nomaden; nergens eene boerewoning of

hofstede te midden van velden en akkers. Het noordelijk gedeelte van

Azerbeïdsjan ziet er dan ook, ondanks de welbekende vruchtbaarheid van

den grond, onbeschrijfelijk doodsch en verlaten uit. De dorpen zelven

liggen ver van elkander; en de reiziger mag zich gelukkig rekenen,

als hij aan het eind van iedere dagreis een dorp vindt.

9 April.--Marande is een groot vlek met drie- of vierduizend

inwoners; het is het oude Mandagarana van Ptolemaeus. Het stadje

ligt aan den oever eener aardige rivier, in wier midden zilveren

populieren en donkergroene wilgen welig groeien; het water, in een

aantal beekjes gesplitst, stroomt met snel verval midden door de

voornaamste straat. De huizen hebben slechts eene verdieping; zij zijn

van in de zon gedroogde tichelsteenen gebouwd en hebben platte daken,

door eene borstwering omgeven. Eene zware buitendeur geeft toegang

tot de woning, die aan de straatzijde geen vensters heeft: de kamers

ontvangen allen haar licht van de binnenplaats. Sommige aanzienlijke

huizen hebben echter aan de rivierzijde een groot vierkant venster,

van houten traliewerk voorzien, waardoor de vrouwen naar buiten kunnen

kijken, zonder zelven gezien te worden.

Volgens de armenische traditie zouden de velden van Marande met die van

Erivan op de onderscheiding aanspraak mogen maken, van het eerst na den

zondvloed weder bewoond te zijn geworden. De traditie verhaalt zelfs,

dat de aartsvader Noach, toen hij eindelijk, oud en des levens zat,

den adem uitblies, te Marande werd begraven.

De karavanserai binnentredende, loop ik bijna een ouden bedelaar

tegen het lijf: zijn van groeven en rimpels doorploegd gelaat en zijn

sneeuwwitte baard getuigen, dat hij lange jaren op deze aarde heeft

rondgewandeld. Zijne kleeding is bij uitstek schilderachtig; op het

hoofd draagt hij een hoogen papash in den vorm van een suikerbrood;

in betere dagen was hij gehuld in twee koledjas (eene soort van lange

jassen of kaftans), de eene blauw, de andere rood. Maar tegenwoordig

is het bovenkleed zoo gescheurd en het andere zoo versleten en

uitgerafeld, dat de roode lappen heenkijken door de gaten in het

blauwe kleed, en beiden een geheel vormen, waarvan het op het eerste

gezicht niet gemakkelijk is de ware kleur te onderkennen. Maar hoe

goed kleeden hem die pittoreske lompen, en hoe uitmuntend past die

veelvervige rok bij het door ouderdom bijna eerwaardige voorkomen

van dien grijzen bandiet!

Onze tegenwoordige herberg is van vrij wat beter gehalte dan die,

waarin wij den vorigen nacht hebben doorgebracht. De binnenplaats is

zeer ruim, en wij zijn gehuisvest in eene kamer met wit gepleisterde

muren, voorzien van vensters, die met geolied papier zijn beplakt;

een kleine schoorsteen, waarbij wij ons warmen kunnen, behoort niet

tot de minste geriefelijkheden van dit vertrek. In den hoek bevindt

zich eene deur, die naar eene smalle trap geleidt; ik bestijg die en

kom op het platte dak, van waar ik gemakkelijk in de naburige woningen

een kijkje kan nemen.--Te midden van eene binnenplaats staan eenige

vrouwen met den heer des huizes te praten; niet vermoedende dat zij

bespied worden, laten zij haar gelaat onbedekt; eene dienstbode,

op den grond neergeknield, kneedt van koemest, gehakt stroo en aarde

het leem, waarmede de breuken en scheuren in de muren worden hersteld.

De bazar, die van allerlei waren goed voorzien is, bevindt zich in

de onmiddellijke nabijheid van onze karavanserai. De levensmiddelen

zijn er zoo goedkoop, dat onze tsjarvadars aan de verzoeking om een

feestje aan te leggen, geen weerstand kunnen bieden. Een hunner,

de redenaar van den troep, vraagt of hij ons een verzoek mag doen;

dit toegestaan zijnde, verlangt hij uit naam van allen, twee tomans

(eene perzische munt), om daarvoor een schaap en rijst te koopen,

ten einde zich tot Tauris te kunnen voeden. De goede raadgevingen

van den heer Ovnatamof komen mij te binnen; ik begin dan ook met te

weigeren, en vraag vervolgens aan den spreker, waar het geld gebleven

was, dat zij te Djoelfa ontvangen hadden.

"Dat moesten wij immers aan onze vrouwen en kinderen laten?" hervat

de brave man.

Dit antwoord treft mij, en ik haal mijn echtgenoot over om de twee

tomans uit te betalen, noodig voor den aankoop van het schaap.

10 April.--Wij hadden al spoedig berouw over onze goedhartigheid:

heden morgen zijn al onze tsjarvadars stomdronken!--Halverwege onzen

tocht maken wij een halt van ettelijke uren bij de ruïnen van een der

negenhonderd-negen-en-negentig karavanseraïs, waarvan de stichting

aan Shâh-Abbas wordt toegeschreven. Het gebouw is vierkant; hare

uit fraaien rooden steen opgetrokken, van sterke torens voorziene

muren maakten de karavanserai tot eene vesting, die bij vijandelijke

invallen en strooptochten eene veilige schuilplaats bood. De half in

puin gevallen poort prijkt met een fraai mozaïek van blauwe tegels en

rooskleurige baksteenen. Ook deze karavanserai is gedurende langen

tijd een waar rooversnest geweest, evenals zoovele anderen; onze

tsjarvadars aarzelden en beefden als een riet, toen wij het bevel

gaven, met de karavaan hier stil te houden, ten einde eene afbeelding

van de karavanserai te maken.

Toen wij weder op weg waren, kwam een der gidsen naar mij toe en

zeide op vertrouwelijken toon:

"Eene maand geleden zouden wij op deze vervloekte plek zijn

uitgeplunderd geworden. Tegenwoordig zijn er minder roovers, omdat de

prins, gouverneur dezer provincie, den prefect van policie te Tauris

veertig slagen op de voetzolen heeft doen toedienen.

--Maar welke betrekking kan er dan bestaan tusschen het hoofd der

policie en de bandieten? vroeg ik hem. Ik kan toch niet onderstellen

dat een zoo hoog geplaatst ambtenaar, die voor de openbare veiligheid

moet zorgen, tevens rooverhoofdman zal zijn.

--Gij vergist u. Bandieten en magistraatspersonen leven, ten onzen

koste, in zeer goede onderlinge verstandhouding, antwoordde hij; maar

sedert zijne laatste tuchtiging doet de prefect van policie zijn best

om de rooverij tegen te gaan.

--Hoe kan hij dat doen, nadat hij zijn gezag verloren heeft?

--Maar zijn gezag is onveranderd gebleven, herneemt de spreker, niet

zonder verbazing; eenige dagen nadat hij de welverdiende strafoefening

had ondergaan, zond de prins, die verder geen reden had om boos op

hem te zijn, hem een khalat of eerekleed, als vergoeding voor de

geleden pijn; en nu onlangs heeft hij hem in zijn ambt hersteld.

--Maar dat is niet mogelijk: de gouverneur kan toch zijn vertrouwen

niet schenken aan iemand, die publiek geschandvlekt is.

--Maar de bastonnade is geene schande, mijn jonge meester. En

wie zou ook beter de rooverij kunnen tegengaan en beteugelen, dan

de prefect? Hij heeft in persoonlijke betrekking gestaan met de

bandieten, en weet aan welke straf hij zich blootstelt, als hij te

veel toegevendheid jegens hen gebruikt. Zoo het Gode behaagt, zullen

wij dan ook nu zonder gevaar of hinder te Tauris komen; zoo niet,

zouden de voeten van Zijne Excellencie het moeten ontgelden."

Na eene lange en vrij vermoeiende dagreis bereikten wij des avonds

Sofia; den volgenden morgen van hier vertrekkende, kunnen wij nog in

den voormiddag Tauris, de hoofdstad van Azerbeïdsjan, bereiken.

Perzië, Chaldea en Susiane De Aarde en haar Volken, 1885-1887 · 第 4 / 41 题