De heer Dieulafoy, ingenieur, bekend door zijne studiën over de
muzelmansche kunst, ontving van den minister van openbaar onderwijs en
schoone kunsten in Frankrijk de opdracht, om in Perzië de monumenten
te gaan bestudeeren uit het tijdperk der Sassaniden, van de derde
tot de zevende eeuw onzer jaartelling. Mevrouw Dieulafoy, die haren
echtgenoot reeds op vroegere reizen naar Spanje, Marocco en Egypte
had vergezeld, maakte ook dezen tocht met hem mede.
Alleen door eenige inlandsche bedienden begeleid, doorreisden zij
beiden Perzië, Chaldea en geheel Susiane: eene streek, nog door geene
vroegere fransche missie bezocht, en niet dan hoogst onvolledig
bekend. De reis duurde veertien maanden; in dien tijd legden onze
reizigers te paard een afstand af van ruim vijfduizend-achthonderd
kilometers. Mevrouw Dieulafoy was belast met de redactie van het
dagboek der reis en met het vervaardigen der photografiën. Wij
vertrouwen dat het onzen lezers niet ongevallig zal zijn, als wij
hun uit dit belangrijk verhaal het een en ander mededeelen.
I
29 Maart 1881.--De stad Erivan maakt een prettigen indruk: hare huizen
met platte daken zijn voor het meerendeel door tuinen omringd. De
witte bloesems der vruchtboomen en de wit gepleisterde muren van
eenige half in europeeschen trant opgetrokken woningen steken vroolijk
af tegen de grijze massa der inlandsche huizen, waarboven zich de
koepels der moskeeën verheffen. Indien de groen geverfde koepel der
russische kerk ons niet herinnerde dat wij ons nog altijd in het rijk
der Czaren bevinden, zouden wij ons gemakkelijk kunnen verbeelden,
reeds in Perzië te zijn.
Onze kales rijdt in vollen galop door de stad, en onze vlugge
postpaarden brengen ons weldra aan het logement, waar wij afstijgen,
gevolgd en aangegaapt door de inwoners, in menigte toegestroomd om
de vreemdelingen te bekijken. Jong of oud, zijn deze toeschouwers
genoegzaam zonder uitzondering leelijk. Sommigen dragen de platte pet
van de Klein-Russen en de lange toegeknoopte jas, bij ons onder den
naam van pool bekend; anderen dragen een cylindervormigen papash van
schapenvel en het met bont gevoerde ruime gewaad der oorspronkelijke
inwoners dezer streken. Bij allen hangt het hair in lange stijve
lokken langs het bleeke gelaat, waarop niets te lezen valt, geen
spoor van geest of vernuft, van hartstocht of gevoel. En met deze
doffe onverschilligheid van hun voorkomen stemt hunne geheele houding,
stemmen al hunne bewegingen overeen.
Op de binnenplaats bespeur ik in een hoek een jeugdigen knaap,
wiens verstandig en geestig gelaat des te meer in het oog valt bij
het botte voorkomen der anderen. Zijne regelmatige trekken zweemen
naar den zuiveren griekschen type; zijne zwarte krullende lokken
omlijsten een bevallig gezicht, waaruit mij twee groote guitige
oogen als starren tegenblikken; zijn oude versleten roode fez, die
scherp tegen den grauwen leemen muur uitkomt, heeft onwillekeurig
mijne aandacht getrokken. Hij is een jonge Armeniër, van Trebizonde
afkomstig, en door eene karavaan van perzische kooplieden hier
achtergelaten. Zoodra de knaap ons in het oog krijgt, snelt hij naar
het rijtuig toe, ontlast ons van onze bagage en geleidt ons naar de
deur, waarvoor verscheidene russische officieren staan, die na afloop
der militaire manoeuvres hier komen ontbijten.
De inrichting van de herberg is ontegenzeggelijk beter dan die der
gewone posthuizen, maar toch laat zij nog veel te wenschen over. De
onvermijdelijke samovar en eene tafel, bedekt met de voor alle
reizigers bestemde sponsen en kammen, vormen het geheele ameublement
van eene kamer, waarvan de vastgeschroefde vensters gedeeltelijk
met papier zijn beplakt. Het bed bestaat uit een dunne matras en een
deken; lakens zijn er niet, en zijn ook niet noodig, want de Russen
trekken, althans hier in Kaukasië, nooit hunne bovenkleeren uit als
zij slapen gaan.
Eene walging bevangt mij bij het binnentreden in deze kamer, waar nooit
versche lucht inkomt. Maar wij hebben geene keus en moeten de dingen
nemen zoo als ze zijn. Het komt er bovenal op aan, een ontbijt machtig
te worden; en daar ik het ongeluk heb, geen russisch te verstaan, moet
ik mijn verlangen door teekens te kennen geven. Ik breng herhaaldelijk
mijne vingers naar mijn geopenden mond, terwijl ik met de andere
hand op mijne maag wijs. Maar deze duidelijke mimiek, die, dacht mij,
overal verstaanbaar moest zijn, werd hier niet begrepen. Gelukkig kreeg
mijn jonge Armeniër een goeden inval. Wel vermoedende dat de koetsier
van de kales, waarmede wij meer dan tien dagen gereden hadden, ons
verstaan zou, liep hij haastig weg en keerde aanstonds weer met den
man terug. Deze brave Rus, van wien men te Tiflis verzekerde dat hij
italiaansch verstond, maar die ook tot gebaren zijne toevlucht moet
nemen, tracht mij de zaak op te helderen. Hij neemt mijn horloge,
wijst op het cijfer van twaalf, schudt zijn hoofd en laat zijn tanden
op elkander klapperen; vervolgens draait hij den wijzer op drie en
gaat met een vroolijk gezicht aan tafel zitten. Vergis ik mij niet,
dan moet deze pantomime beduiden, dat er voor het oogenblik in het
logement niets te eten is, maar dat ons over drie uren een heerlijke
maaltijd wacht.
Het vooruitzicht was schoon, maar tien dagen lang hadden wij honger
geleden en bijna niet anders gegeten dan gerookt ganzenvleesch. Onze
magen waren dus wat oproerig; en wij gingen er dan ook maar op uit,
in de hoop dat wij hier, even als in de bazars van Constantinopel,
gaarkeukens in de open lucht zouden vinden, waar ieder die wilde zijn
honger kon stillen.
Het is druk en levendig in de bazars van Erivan, want het is heden
het feest van Noe-roez of het perzische nieuwjaar; de winkels, ter
wederzijde van de vrij nauwe straat, zijn opgevuld met allerlei
voorwerpen; de kooplui, op kussens neergehurkt, praten met hunne
klanten, of laten zwijgend door hunne vingers de kralen van een
rozenkrans glijden die meer gebruikt wordt om berekeningen te maken,
dan om gebeden op te zeggen. Marskramers en andere rondzwervende
handelaars bevelen met luid geroep hunne waren aan; de menigte woelt en
dringt en golft op en neer, midden tusschen de karavanen van kameelen,
muildieren en ezels, die gelukkig bedaard en voorzichtig genoeg zijn,
om in dit gedrang niemand te vertrappen.
Maar de menigte is niet zoo dicht opeen gepakt, of wij krijgen een
winkel in het oog, waarvan de enkele aanblik ons verheugt: daar
wordt de loeleh kiëhbab vervaardigd, waaraan wij in de bazars van
Constantinopel meer dan eens gesmuld hebben. Op de toonbank staat
een groote schotel met fijn gehakt schapenvleesch; daarnaast een
met gloeiende kolen gevuld komfoor. Hoe zouden wij aan de verzoeking
weerstand hebben kunnen bieden? Wij gaan achter den kok heen, die ons
uitnoodigt op eene houten bank plaats te nemen, en wij zij getuigen
van het bereiden van den kiëhbab. De kok neemt een hand vol fijn gehakt
vleesch en legt dat om een plat ijzeren speetje; vervolgens bevochtigt
hij zijne hand met water en strijkt daarmede langzaam over het vleesch;
op een zeker oogenblik komt het mij voor, dat de kunstenaar ook zijne
tong te hulp roept om een weerbarstig stukje in bedwang te houden:
maar ik acht het noodeloos, mij in deze kwestie te verdiepen. In ieder
geval schaadt dit in het minst niet aan de uitmuntende hoedanigheid der
speetjes, die hij ons na verloop van eenige minuten voorzet, omwikkeld
met eene dunne korst brood. Wij verslinden ze bijna; en na den eersten
honger te hebben gestild, beginnen wij onze wandeling door de stad.
Men geleidt ons eerst naar eene oude, half verwoeste moskee; de
koepel, die van buiten vrij erg beschadigd is, is bekleed met blauw
geëmailleerde baksteenen, terwijl de muren van het gebouw bekleed zijn
met groote tegels, waarop bloemen en vogels zijn geschilderd; een
deel der fries, versierd met gele opschriften op een blauwen grond,
is ter aarde gevallen, door de werking van regen en vochtigheid. De
binnenplaats, waarop men nog de overblijfselen van een waschbekken
ziet, is omgeven door zuilengangen, waarop verschillende vertrekken
uitkomen, in welke aan kinderen onderricht wordt gegeven in het lezen
van den Korân, en aan jongelieden de beginselen der mohammedaansche
wet worden verklaard. Al deze godshuizen worden voor rekening van
particulieren gebouwd; somwijlen strekt zich de mildheid van den
stichter zoo ver uit, dat met de medresseh niet alleen scholen zijn
verbonden, hetgeen bijna altijd het geval is, maar ook een badhuis
en eene karavanserai voor reizigers. De moskee heeft verschillende
herstellingen ondergaan; de tegels zijn van betrekkelijk jonge
dagteekening: de koepel daarentegen schijnt tegen het einde van de
zeventiende eeuw te zijn gebouwd.
De klok van de russische kerk, in de nabijheid der moskee, slaat drie
uren: ongetwijfeld wordt nu in het logement de tafel aangericht: wij
spoeden ons huiswaarts. Weldra zijn wij aan den disch gezeten: men
zet voor ieder onzer een grooten slabak, waarin de meest heterogene
spijzen zijn saamgevoegd. Niet zonder eenige aarzeling proef ik van
dit wonderlijke mengsel van gestoofde kool, schapenvleesch en zure
melk; de smaak is eerst zeer vreemd, maar langzamerhand gewent men er
aan, en de _shit_, het moet gezegd worden, is nog de beste van alle
russische schotels, die ons in Kaukasië worden voorgezet. Daarop
verschijnt de nationale perzische schotel, rijst met rozijnen; tot
besluit krijgen wij gesuikerd varkensvleesch, in pruimengelei gekookt.
De wijn is goed; de goudgele kleur, het fijne geurige bouquet
herinneren aan de lichte wijnen van het zuiden van Spanje: na van
dien wijn gedronken te hebben, brengt men gaarne zijn dank aan den
aartsvader Noach, die, naar de overlevering wil, in den omtrek van
Erivan den eersten wijnstok zou hebben geplant. Nog tegenwoordig zijn
de velden, die van de poorten der stad tot aan den voet van den Ararat
reiken, met wijnstokken beplant.
30 Maart.--Het is reeds helder dag als wij aan het paleis der serdars
komen. Dit gebouw, even als de moskee, gelegen binnen de versterkte
ruimte rondom de voormalige citadel, was vroeger de residentie van de
perzische landvoogden, met het bestuur der provincie belast. Uit de
wijde vensters der groote zaal heeft men een heerlijk gezicht. Het
paleis is op eene rots gebouwd, langs welker voet, met tallooze
kronkelingen, een snelvlietend onstuimig riviertje stroomt, waarvan
de beide oevers vereenigd worden door eene fraaie steenen brug,
over welke steeds karavanen trekken, op weg naar Rusland of Perzië.
Aan de overzijde der rivier opent, zich eene bloeiende vallei, door
kanalen doorsneden en met schilderachtige boomgroepen beplant; op den
achtergrond verrijst, in ernstige majesteit, de besneeuwde kruin van
den Ararat. De top van den berg bestaat uit twee spitsen van ongelijke
hoogte, door een dal gescheiden. Volgens eene zeer oude overlevering
zou de ark van Noach, na den zondvloed, op de spits ter rechterhand
hebben gerust. Het beklimmen van de steile hellingen van den Ararat
is zeer moeilijk; het opsporen van de overblijfselen der ark gaat dus
met vele bezwaren gepaard; en de goede monniken uit het klooster aan
het meer Semanga hebben nog niet zoo geheel en al ongelijk, als zij u
door een verrekijker de kiel van dit beroemde oudste schip laten zien!
31 Maart.--Na een paar dagen verblijf te Erivan zijn wij geheel
uitgerust: wij moeten dus onzen tocht vervolgen, hoe onaangenaam
die wezen moge; onze postwagen moet ons, overeenkomstig het te
Tiflis gesloten contract, naar Djoelfa brengen, een dorp juist op de
grensscheiding tusschen Rusland en Perzië. Op zeven of acht mijlen
afstands van Erivan weet onze bekwame koetsier nog een middel te
vinden, om met zijn rijtuig in een diepen kuil vast te raken. Maar daar
de zon vroolijk schijnt en er geen sneeuw onder onze voeten kraakt,
dragen wij ons lot met geduld; en op een terp gezeten, wachten wij
kalm, meer dan twee uren lang, tot het aan de paarden en aan twee
koppels ossen behaagt, met inspanning van alle krachten, den wagen
uit den modderpoel op te trekken, waarin hij verzonken lag.
De landstreek rondom Erivan is vruchtbaar en goed bebouwd: wij rijden
door welbesproeide velden, met wijngaarden beplant, of door akkers,
waarop koren, rijst en katoen welig tieren. De dorpen, slechts
door kleine afstanden gescheiden, liggen in een krans van geboomte:
populieren, wilgen en bloeiende vruchtboomen. Het is lente, en op
het veld heerscht overal eene vroolijke drukte; de boeren maken
gebruik van den mooien, zonnigen dag, om den noodigen veldarbeid te
verrichten; de vrouwen, zonder uitzondering gekleed in korte hemden
en roode katoenen broeken, herstellen de besproeiingsbuizen, wieden
het onkruid, of bevrijden de wijnstokken van hun winterdeksel.
1 April.--Het landschap verandert geheel van karakter; de plantengroei
houdt op, en de weg stijgt in eene dorre steenachtige vallei, die naar
een ruwen bergpas voert; hotsend en stootend vervolgt het rijtuig over
rotsen en steenklompen zijn weg. Tegen drie uur komen wij aan eene
pleisterplaats: het voorspan van vier paarden wordt vervangen door
twaalf sterke rossen, bereden door zes postillons. Op mijne vraag
om opheldering, krijg ik ten antwoord, dat wij eene rivier moeten
doorwaden. Bruggen zijn in deze streken eene uitzondering; men moet dan
ook in den regel de rivieren en stroomen te voet of te paard doorwaden.
In vollen ren door onze prachtige paarden voortgesleept, vliegt het
rijtuig, hotsende en springende, over steenen en rotsklompen, nu en
dan tegen de uitspringende rotsen geslingerd; versuft, half bedwelmd,
komen wij eindelijk aan de boorden der rivier, wier wateren door het
smelten der sneeuw belangrijk gewassen zijn. De postillons, opgericht
in de stijgbeugels, drijven met rustelooze zweepslagen de paarden
in den vloed; de koetsier schreeuwt, tiert en vloekt; het water,
wit van schuim, woelt en dwarrelt en spat in het rijtuig: eindelijk,
nu eens rechts, dan weer links overhellende, bereikt de zware kales
toch zonder ongelukken den overkant en houdt eenige minuten later
stil bij eene pleisterplaats.
Paarden en postillons hebben zich uitmuntend gehouden; deze
laatsten, niet zonder reden trotsch op het welslagen der vooral in dit
jaargetijde moeilijke en zelfs gevaarlijke proef, waardoor ons al licht
een oponthoud van eenige dagen was bespaard, ontvangen met passende
nederigheid de gelukwenschen van hunne kameraden. Wij zelven zijn
zeer verheugd, hier een goed vuur te vinden, want het onwillekeurige
bad in de maand Maart was ons alles behalve welkom geweest.
Het was geheel donker, toen wij aan het posthuis van Narshivan kwamen;
de paarden worden uitgespannen; de bagage afgeladen; vervolgens
brengt men ons naar eene kleine zaal, laag van verdieping, waar
zes of acht stalknechts, in schapenvellen gewikkeld, op veldbedden
liggen te slapen. De postmeester beveelt hen op te staan en elders
een onderkomen te zoeken; maar zij snorken voort en houden zich, of
zij dit minder aangename bevel niet hebben gehoord. Maar nauwelijks
begint de postmeester de zweep los te maken, die hij om de heupen
gebonden had, of al de slapers zijn plotseling ontwaakt en maken zich
haastig uit de voeten.
3 April.--Even als Erivan, bezit ook Narshivan fraaie monumenten uit
den voortijd. Op het voornaamste plein ziet men een der schoonste
gewrochten van de mongoolsche architektuur uit de veertiende
eeuw, namelijk een achtkantigen toren, die eene hoogte bereikt van
een-en-twintig el. Deze toren behoorde vroeger tot de Mastsjed djoema,
die thans verwoest is; elk der acht zijden is versierd met fraai
mozaïekwerk, bestaande uit tichels en banden van email, op smaakvolle
wijze verbonden en allerlei sierlijke figuren vormende. Vlak bij den
toren verrijzen twee slanke minarets, ter wederzijde van eene fraaie
gewelfde poort; de posten zijn versierd met eene groote inscriptie in
koefisch schrift, waarvan de blauw geëmailleerde letters uitmuntend
uitkomen op den rooskleurigen grond van het metselwerk.
Bij den ingang dezer poort hoor ik voor het eerst perzisch spreken. Tot
dusver heb ik steeds aan mijzelve en aan het woordenboek van Bergé
getwijfeld; het is mij dan ook eene onuitsprekelijke voldoening, nu ik
verscheidene woorden, die ik met ontzaglijke moeite in mijn geheugen
gegrift heb, herken, en zelve in de gelegenheid ben, een paar woorden
mee te spreken. Sedert ons vertrek van Tiflis, heb ik mij steeds door
gebaren of teekens verstaanbaar moeten maken, en dit begint mij met
iederen dag meer te vervelen. Mijn eerste Perziaan was de eigenaar van
den toren. Op het vernemen dat twee vreemdelingen waren verschenen, had
hij zijn huis achter de moskee verlaten, om ons te komen begroeten. Tot
mijne verbazing droeg hij de russische generaalsuniform; ik vroeg hem,
waarom hij de kleeding had aangenomen van de veroveraars van zijn land.
"Mijne voorvaderen, gaf hij ten antwoord, waren van vader op zoon
gouverneurs van deze provincie, waar mijne familie uitgestrekte
bezittingen had; tegenwoordig heb ik van mijn vaderlijk erfgoed
niets over dan dezen toren, dien gij bewondert, de minarets der
voormalige moskee, en den titel van russisch generaal, dien de Czaar
edelmoediglijk schenkt aan hen, die hij beroofd heeft."
In de middeleeuwen was Narshivan ongetwijfeld eene bloeiende
stad. Buiten de stad bezoeken wij nog eene groote moskee, waarvan
de koepel gedeeltelijk is ingestort; op eenigen afstand van daar
staat een allerfraaist klein gebouwtje, het grafmonument van een
muzelmanschen heilige. Het gebouw rust op eene overwelfde krypt;
het pyramidaal oploopende dak is met steenen belegd; de zijden
en kroonlijsten van het monument zijn, evenals bij de Mastsjed
djoema, met koefische opschriften en figuren bedekt; de bewerking
is hier eenvoudiger: de bekleeding der muren bestaat uit gekleurde
tichelsteenen, die een mozaïek vormen.--Boven op het puntige dak is
een ooievaarsnest, waar deze vogels trouw ieder jaar hunne eieren
komen leggen en uitbroeden. De ooievaar staat bij de bewoners der
dorpen in hooge gunst; hij brengt geluk aan; niemand zal hem ooit
eenig leed doen of iets in den weg leggen. Hadjilaïlag (de pelgrim
met lange beenen)--zoo wordt de ooievaar genoemd--mag vrijelijk door
de straten wandelen, zonder dat de straatjeugd hem plaagt, of buiten
jacht maken op kleine slangen, die hij in stukken hakt en waarmede hij
zijne jongen voedt. Hij verzorgt zijn kroost met groote teederheid,
en verdedigt het desnoods zelfs tegen de aanvallen van arenden en
gieren, die hij niet zelden op de vlucht drijft.