De oudheidkundige zal duidelijk begrijpen, dat deze verzen navolging
zijn van de oude poëzie der _Skalden_, de zangers der Scandinaviërs.
De poëzie der Angel-Saksers, na hun beschaving en godsdienstige
bekeering was van een geheel anderen, zachteren aard; maar in de
omstandigheden van Ulrica, is het niet onnatuurlijk te veronderstellen,
dat zij zich de woeste zangen herinnerde, welke haar voorouders
bezielden in den tijd van het Heidendom en van hun onverminderde
woestheid.