Noot H., Bladz. 330: _Over Ulrica's lied._

De oudheidkundige zal duidelijk begrijpen, dat deze verzen navolging

zijn van de oude poëzie der _Skalden_, de zangers der Scandinaviërs.

De poëzie der Angel-Saksers, na hun beschaving en godsdienstige

bekeering was van een geheel anderen, zachteren aard; maar in de

omstandigheden van Ulrica, is het niet onnatuurlijk te veronderstellen,

dat zij zich de woeste zangen herinnerde, welke haar voorouders

bezielden in den tijd van het Heidendom en van hun onverminderde

woestheid.

Ivanhoe(#26564) · 第 64 / 67 题