Noot B., Bladz. 14: _Over de Negerslaven._

Eenige strenge beoordeelaren hebben geklaagd over de kleur van Brian De

Bois-Guilbert's slaven, als geheel en al in strijd met den tijd en met

de waarschijnlijkheid. Ik herinner mij, dat men dezelfde zwarigheden

maakte tegen eenige zwarte dienaren, welke mijn vriend de schrijver

Mathew Lewis laat optreden, als wachters en onheilstichtende trawanten

van den boosaardigen Baron in zijn "_Spook van het Kasteel_." Lewis

behandelde deze afkeuring met de meeste minachting, en beweerde, dat

hij de slaven zwart gemaakt had, ten einde een treffend contrast te

krijgen, en als hij dezelfde uitwerking had kunnen verkrijgen door

zijn heldin blauw te maken, hij haar ook blauw zou voorgesteld hebben.

Ik eisch niet dat men de _licentia poetica_ zóó ver gedreven, goed

zou keuren; maar ik kan toch niet toegeven, dat de schrijver van

een modern-antieken roman verplicht is zich stiptelijk te bepalen

tot de schildering alleen van die gebruiken, welke als bewezen

aangenomen worden voor de tijden die hij schetst--als hij zich maar

tot de natuurlijke en waarschijnlijke bepaalt en geen anachronismen

begaat die hinderlijk zijn.--Uit dit oogpunt beschouwd, wat zou er dan

natuurlijker zijn, dan dat de Tempeliers,--die, zooals wij wel weten,

de weelderigheid der Aziatische krijgslieden, met wie ze kampten,

navolgden,--de diensten zouden gebruiken der Afrikaansche slaven,

welke de wisselvalligheden van den oorlog in hun handen leverden? Ik

ben overtuigd, dat als er geen bepaalde bewijzen hiervoor bestaan,

er toch aan den anderen kant niets gevonden wordt om ons te doen

besluiten, dat zulks in het geheel niet gebeurde. Bovendien vindt

men er een voorbeeld van in de romances uit dien tijd.

Jean De Rampayne, een uitstekende goochelaar en minnezanger, ondernam

om Audolf De Bracy te helpen ontvluchten, door zich verkleed te begeven

aan het hof van den Koning, door wien hij gevangen werd gehouden. Tot

dit doel "verwde hij zijn haar en zijn geheele lichaam pikzwart, zoodat

er niets wits aan hem te zien was, dan zijn tanden," en bracht den

koning dus in het denkbeeld dat hij een Ethiopische zanger was. Door

deze list gelukte het hem den gevangene te bevrijden. De Negers moeten

dus reeds in zeer vroege tijden in Engeland bekend geweest zijn. [40]

Noot C., Bladz. 45: _Over de taal der jagers_.

De jachttaal werd door de Normandiërs streng afgescheiden van die van

het dagelijksch leven. Het wild, hetzij vogel of viervoetig dier,

veranderde elk jaar van naam en er waren honderderlei bijzondere

spreekwijzen, welker kennis een gedeelte eener goede opvoeding

uitmaakte. Er bestaat een boek door Juliana Berners over dat onderwerp

geschreven. De oorsprong dezer wetenschap werd aan den beroemden ridder

Tristram toegeschreven, bekend wegens zijn liefde tot de ongelukkige

Ysolte. Daar de Normandiërs het vermaak van de jacht voor zich zelven

alleen behielden, is het natuurlijk dat deze jachttaal geheel uit

het Fransch ontstaan is.

Noot D., Bladz. 175: _Over de minnezangers_.

Het is bekend, dat oudtijds Frankrijk, wat de taal betreft, in het land

van _Oui_ en het land van _Oc_ verdeeld werd; men noemde de zangers

in de eerste taal _Menestrels_ en hun liederen _Lais_; in de andere

taal heetten zij _Troubadours_ en hun gedichten werden _Sirventes_

genoemd. Richard, een bekende bewonderaar der zangkunst, kon òf een

_Lai_ òf een _Sirvente_ voordragen. Het is minder waarschijnlijk,

dat hij een Engelsche ballade dichten of voordragen kon; evenwel zal

de wensch, welke den schrijver bezielde, om Leeuwenhart geheel en

al te vereenzelvigen met de krijgslieden, die hij aanvoerde, deze

anachronisme, indien ze bestaat, gereedelijk doen vergeven.

Noot E., Bladz. 210: _Over den slag van Stamford_.

De schrijver moet bekennen, een grove topographische vergissing

gemaakt te hebben, in de noot aan den voet van bladz. 210, door te

veel op zijn geheugen te vertrouwen en twee plaatsen van denzelfden

naam met elkander te verwarren. Het plaatsje Stamford, Strengford, of

Stanford, waar de slag voorviel, is aan de rivier Derwent, ongeveer

zeven Eng. mijlen van York gelegen. De vergissing van den schrijver

werd hem beleefdelijk aangewezen door den Heer Robert Bell. De slag,

welks gebeurtenissen overigens nauwkeurig verhaald zijn in den tekst

en de noot er onder, had plaats in het jaar 1066.--

Noot F., Bladz. 220: _Over de rijen ijzeren staven, boven de gloeiende

houtskool_.

Deze verschrikkelijke marteling zal den lezer herinneren aan de

wreedheid door de Spanjaarden op Guatimozin uitgeoefend, om hem te

dwingen zijn verborgene schatten te ontdekken. Maar een voorbeeld

van dergelijke barbaarschheid wordt in Engeland zelf gevonden, in

den tijd van Koningin Maria; en Bannatyne, de secretaris van Knox,

verhaalt breedvoerig een dergelijke marteling door den Graaf van

Cassilis op zekeren Allan Stewart uitgeoefend, die een koninklijke

schenking van kerkelijke landerijen gekregen had, waarop de Graaf

zich verbeeldde een beter recht te hebben.

Het blijkt ook uit papieren in het bezit van den Schrijver, dat de

grenswachters (_Country Keepers_) tusschen Engeland en Schotland,

gewoon waren de gevangenen te martelen, door hen aan de ijzeren

staven hunner schoorsteenen vast te binden, om hun een bekentenis

hunner misdaden af te dwingen.

Noot G., Bladz. 297: _Het Wapen van den Zwarten Ridder_.

Men heeft den Schrijver verweten, dat hij zich vergist had, door

metaal op metaal in dit wapenschild te plaatsen. Men moet echter

niet vergeten, dat de wapenkunde eerst in de Kruistochten ontstaan

is, en dat al de _minutiae_ van deze fantastische wetenschap slechts

langzamerhand en veel later ingevoerd werden. Hij, die anders hierover

denkt, moet zich verbeelden, dat de Godin der wapenkundigen in de

wereld kwam van top tot teen met de bonte sieraden der wetenschap,

welke zij beschermt, behangen. Ter bevestiging van het gezegde dient,

dat Godfried van Bouillon, na de verovering van Jeruzalem, een wapen

voerde, waarin ook metaal op metaal prijkte. Men zie hierover Ferne's

_Blazon of the Gentry_, Ed. 1586, p. 238, en Nisbets _Heraldry_

2e Ed. dl. 1 p. 113.

Ivanhoe(#26564) · 第 63 / 67 题