Eenige strenge beoordeelaren hebben geklaagd over de kleur van Brian De
Bois-Guilbert's slaven, als geheel en al in strijd met den tijd en met
de waarschijnlijkheid. Ik herinner mij, dat men dezelfde zwarigheden
maakte tegen eenige zwarte dienaren, welke mijn vriend de schrijver
Mathew Lewis laat optreden, als wachters en onheilstichtende trawanten
van den boosaardigen Baron in zijn "_Spook van het Kasteel_." Lewis
behandelde deze afkeuring met de meeste minachting, en beweerde, dat
hij de slaven zwart gemaakt had, ten einde een treffend contrast te
krijgen, en als hij dezelfde uitwerking had kunnen verkrijgen door
zijn heldin blauw te maken, hij haar ook blauw zou voorgesteld hebben.
Ik eisch niet dat men de _licentia poetica_ zóó ver gedreven, goed
zou keuren; maar ik kan toch niet toegeven, dat de schrijver van
een modern-antieken roman verplicht is zich stiptelijk te bepalen
tot de schildering alleen van die gebruiken, welke als bewezen
aangenomen worden voor de tijden die hij schetst--als hij zich maar
tot de natuurlijke en waarschijnlijke bepaalt en geen anachronismen
begaat die hinderlijk zijn.--Uit dit oogpunt beschouwd, wat zou er dan
natuurlijker zijn, dan dat de Tempeliers,--die, zooals wij wel weten,
de weelderigheid der Aziatische krijgslieden, met wie ze kampten,
navolgden,--de diensten zouden gebruiken der Afrikaansche slaven,
welke de wisselvalligheden van den oorlog in hun handen leverden? Ik
ben overtuigd, dat als er geen bepaalde bewijzen hiervoor bestaan,
er toch aan den anderen kant niets gevonden wordt om ons te doen
besluiten, dat zulks in het geheel niet gebeurde. Bovendien vindt
men er een voorbeeld van in de romances uit dien tijd.
Jean De Rampayne, een uitstekende goochelaar en minnezanger, ondernam
om Audolf De Bracy te helpen ontvluchten, door zich verkleed te begeven
aan het hof van den Koning, door wien hij gevangen werd gehouden. Tot
dit doel "verwde hij zijn haar en zijn geheele lichaam pikzwart, zoodat
er niets wits aan hem te zien was, dan zijn tanden," en bracht den
koning dus in het denkbeeld dat hij een Ethiopische zanger was. Door
deze list gelukte het hem den gevangene te bevrijden. De Negers moeten
dus reeds in zeer vroege tijden in Engeland bekend geweest zijn. [40]
Noot C., Bladz. 45: _Over de taal der jagers_.
De jachttaal werd door de Normandiërs streng afgescheiden van die van
het dagelijksch leven. Het wild, hetzij vogel of viervoetig dier,
veranderde elk jaar van naam en er waren honderderlei bijzondere
spreekwijzen, welker kennis een gedeelte eener goede opvoeding
uitmaakte. Er bestaat een boek door Juliana Berners over dat onderwerp
geschreven. De oorsprong dezer wetenschap werd aan den beroemden ridder
Tristram toegeschreven, bekend wegens zijn liefde tot de ongelukkige
Ysolte. Daar de Normandiërs het vermaak van de jacht voor zich zelven
alleen behielden, is het natuurlijk dat deze jachttaal geheel uit
het Fransch ontstaan is.
Noot D., Bladz. 175: _Over de minnezangers_.
Het is bekend, dat oudtijds Frankrijk, wat de taal betreft, in het land
van _Oui_ en het land van _Oc_ verdeeld werd; men noemde de zangers
in de eerste taal _Menestrels_ en hun liederen _Lais_; in de andere
taal heetten zij _Troubadours_ en hun gedichten werden _Sirventes_
genoemd. Richard, een bekende bewonderaar der zangkunst, kon òf een
_Lai_ òf een _Sirvente_ voordragen. Het is minder waarschijnlijk,
dat hij een Engelsche ballade dichten of voordragen kon; evenwel zal
de wensch, welke den schrijver bezielde, om Leeuwenhart geheel en
al te vereenzelvigen met de krijgslieden, die hij aanvoerde, deze
anachronisme, indien ze bestaat, gereedelijk doen vergeven.
Noot E., Bladz. 210: _Over den slag van Stamford_.
De schrijver moet bekennen, een grove topographische vergissing
gemaakt te hebben, in de noot aan den voet van bladz. 210, door te
veel op zijn geheugen te vertrouwen en twee plaatsen van denzelfden
naam met elkander te verwarren. Het plaatsje Stamford, Strengford, of
Stanford, waar de slag voorviel, is aan de rivier Derwent, ongeveer
zeven Eng. mijlen van York gelegen. De vergissing van den schrijver
werd hem beleefdelijk aangewezen door den Heer Robert Bell. De slag,
welks gebeurtenissen overigens nauwkeurig verhaald zijn in den tekst
en de noot er onder, had plaats in het jaar 1066.--
Noot F., Bladz. 220: _Over de rijen ijzeren staven, boven de gloeiende
houtskool_.
Deze verschrikkelijke marteling zal den lezer herinneren aan de
wreedheid door de Spanjaarden op Guatimozin uitgeoefend, om hem te
dwingen zijn verborgene schatten te ontdekken. Maar een voorbeeld
van dergelijke barbaarschheid wordt in Engeland zelf gevonden, in
den tijd van Koningin Maria; en Bannatyne, de secretaris van Knox,
verhaalt breedvoerig een dergelijke marteling door den Graaf van
Cassilis op zekeren Allan Stewart uitgeoefend, die een koninklijke
schenking van kerkelijke landerijen gekregen had, waarop de Graaf
zich verbeeldde een beter recht te hebben.
Het blijkt ook uit papieren in het bezit van den Schrijver, dat de
grenswachters (_Country Keepers_) tusschen Engeland en Schotland,
gewoon waren de gevangenen te martelen, door hen aan de ijzeren
staven hunner schoorsteenen vast te binden, om hun een bekentenis
hunner misdaden af te dwingen.
Noot G., Bladz. 297: _Het Wapen van den Zwarten Ridder_.
Men heeft den Schrijver verweten, dat hij zich vergist had, door
metaal op metaal in dit wapenschild te plaatsen. Men moet echter
niet vergeten, dat de wapenkunde eerst in de Kruistochten ontstaan
is, en dat al de _minutiae_ van deze fantastische wetenschap slechts
langzamerhand en veel later ingevoerd werden. Hij, die anders hierover
denkt, moet zich verbeelden, dat de Godin der wapenkundigen in de
wereld kwam van top tot teen met de bonte sieraden der wetenschap,
welke zij beschermt, behangen. Ter bevestiging van het gezegde dient,
dat Godfried van Bouillon, na de verovering van Jeruzalem, een wapen
voerde, waarin ook metaal op metaal prijkte. Men zie hierover Ferne's
_Blazon of the Gentry_, Ed. 1586, p. 238, en Nisbets _Heraldry_
2e Ed. dl. 1 p. 113.