De ongelukkige Jood beantwoordde dit met een zacht: "Ja."

"Op deze schaal," vervolgde de onbarmhartige edele, "zult gij

mij duizend pond zilver uitwegen, maat en gewicht van den _Tower_

van Londen."

"Heilige Abraham!" hernam de Jood, die nu woorden vond: "heeft men

ooit zulk een eisch gehoord? Wie heeft ooit, zelfs in een minnezangers

verhaal, van zulk een som, als duizend pond zilver gehoord? Welk een

menschelijk oog werd ooit gezegend met de aanschouwing van zulk een

schat! Zelfs binnen de muren van York, al haalt gij mijn huis en de

huizen van mijn geheelen stam omver, zult gij het tiende gedeelte

van de ongehoorde som zilver, waarvan gij spreekt, niet vinden."

"Ik ben redelijk," antwoordde Front-de-Boeuf, "en zoo het zilver

schaarsch is, weiger ik geen goud; één mark goud tegen zes pond

zilver gerekend. Daardoor kunt gij uw ongeloovig lichaam van eene

straf bevrijden, waarvan uwe ziel nooit eenig denkbeeld gehad heeft."

"Heb medelijden met mij, edele ridder!" riep Izaäk. "Ik ben oud,

arm en hulpeloos. Het ware onwaardig, over mij te zegepralen.--Het

is eene armzalige daad, een worm te verpletteren!"

"Oud moogt gij zijn," hernam de ridder, "te meer schande voor de

dwaasheid van hen, welke u bij woeker en schelmerij hebben laten

grijs worden.--Zwak moogt gij ook zijn, want wanneer had ooit een

Jood hart of hand?--Maar rijk zijt gij, dat is wel bekend!"

"Ik zweer u, edele ridder," hervatte de Jood, "bij alles, waaraan ik

geloof, en bij alles, waaraan wij gemeenschappelijk gelooven--"

"Word niet meineedig," zei de Normandiër, hem in de rede vallende,

"en haal u het ongeluk niet op den hals door uwe halsstarrigheid, vóór

dat gij het lot, hetwelk u te wachten staat, hebt leeren kennen, en

het wel overwogen hebt. Denk niet, dat ik alleen tegen u spreek, om u

schrik aan te jagen, en om gebruik te maken van de lage lafhartigheid,

welke gij van uw stam geërfd hebt.--Ik zweer u bij datgene, waaraan

gij niet gelooft, bij het Evangelie, hetwelk onze kerk verkondigt,

en bij de macht die haar gegeven is, om te binden en te ontbinden,

dat mijn voornemen vast en onwrikbaar is. Deze kerker is geene plaats

om er in te schertsen. Gevangenen, die tienduizendmaal meer waard

waren dan gij, zijn binnen deze muren omgekomen, zonder dat hun lot

ooit bekend is geworden. Maar voor u is een langzame kwijnende dood

bespaard, waartegen de hunne zaligheid was."

Hij gaf den slaven weder een teeken om te naderen, en sprak ter zijde

met hen in hun eigene taal; want hij was ook in Palestina geweest,

waar hij misschien zijne wreedheid geleerd had. De Saraceenen haalden

uit hun korf een menigte houtskolen, een blaasbalk, en een flesch

met olie te voorschijn. Terwijl de één vuur sloeg, legde de ander

de houtskool op den grooten verroesten rooster, waarvan wij reeds

gesproken hebben, en blies het vuur aan, tot de kolen gloeiden.

"Ziet gij, Izaäk," zei Front-de-Boeuf, "de rij ijzeren staven boven

die gloeiende houtskolen? [22] Op dat heete bed zult gij liggen,

van al uw kleederen ontbloot, alsof gij op een bed van dons moest

liggen. Één van deze slaven zal het vuur onder u aanhouden, terwijl de

andere uwe ellendige leden met olie zal begieten, opdat het gebraad

niet aanbrande.--Kies nu tusschen zulk een warm bed en het betalen

van duizend pond zilver; want, bij het hoofd mijns vaders, gij hebt

geen andere keuze."

"Het is onmogelijk," zei de ongelukkige Jood, "het is onmogelijk,

dat dit wezenlijk uw voornemen zou zijn! De algoede Vader der natuur

heeft nooit een hart geschapen, dat in staat was zulk eene wreedheid

te begaan."

"Vertrouw daar niet op, Izaäk," zei Front-de-Boeuf; "dat zou eene

noodlottige dwaling zijn. Denkt gij, dat ik, die eene stad heb zien

uitplunderen, in welke duizenden Christenen, mijn landslieden, door het

zwaard, vuur en water zijn omgekomen, van mijn voornemen zal afzien,

om het geschreeuw en gesteun van één ellendigen Jood?--Of meent gij,

dat deze zwarte slaven, die wet, noch vaderland, noch geweten kennen,

behalve huns meesters wil,--die, op zijn eersten wenk, vergif, dolk,

paal of koord gebruiken,--denkt gij, dat ze medelijden zullen hebben,

daar ze niet eens de taal verstaan, in welke gij er om smeekt?--Wees

verstandig, oude man, ontdoe u van een gedeelte van uw overtolligen

rijkdom, betaal in handen van een Christen een gedeelte van hetgeen gij

verworven hebt door den woeker, welken gij tegen zijne geloofsgenooten

uitgeoefend hebt. Uw list kan spoedig uwe ledige en ingekrompen beurs

weder vullen; maar geen arts en geene artsenij kan uw gebraden vel en

vleesch herstellen, als gij eens op deze staven gelegen hebt. Tel uw

losgeld maar neer, zeg ik, en verheug u, dat gij u tot zulk een prijs

uit een kerker kunt vrijkoopen, waaruit weinigen zijn teruggekeerd,

om de geheimen er van over te vertellen. Ik verspil geene woorden

meer;--kies tusschen geld en vleesch en bloed, en zooals gij

kiest,--zoo zal het zijn!"

"Dan mogen Abraham, Jakob en alle vaders van ons volk mij bijstaan,"

zei Izaäk; "ik kan geene keus doen, dewijl ik de middelen niet bezit,

om aan uw buitensporigen eisch te voldoen."

"Grijpt en ontkleedt hem, slaven!" riep de ridder. "En mogen de

vaderen van zijn stam hem bijstaan, zoo zij kunnen!"

De bedienden, zich meer naar de oogen en de wenken van hun heer, dan

naar zijne woorden richtende, traden andermaal voorwaarts, legden

de handen aan den ongelukkigen Izaäk, rukten hem van den grond op,

en hem tusschen zich houdende, wachtten zij op een verder teeken van

den hardvochtigen edelman. De ellendige Jood vestigde zijn oogen op

hun gelaat en op dat van Front-de-Boeuf, in de hoop van eenig teeken

van medelijden te bespeuren; maar het gelaat des Barons vertoonde

denzelfden kouden, half kwaadaardigen, half spottenden glimlach,

die de voorbode van zijne wreedheid geweest was; en de woeste oogen

der Saraceenen, somber onder hun zwarte wenkbrauwen rollende, en een

nog akeliger uitdrukking ontleenende aan de witheid van den kring

rondom den oogappel, gaven veeleer het geheim vermaak te kennen, dat

zij van het aanstaande tooneel verwachtten, dan eenigen tegenzin,

om daarbij deelgenooten en medehelpers te zijn. Hierop zag de Jood

naar den gloeienden rooster, waarop hij uitgestrekt zou worden,

en geen kans ziende, dat zijn pijniger toegeven zou, bezweek zijn moed.

"Ik zal de duizend pond zilver betalen," riep hij.--"Dat is," voegde

hij er na een oogenblik zwijgens bij, "ik zal ze betalen met behulp

mijner broeders, want ik moet als een bedelaar, aan de deur van onze

Synagoge smeeken, vóór dat ik een zoo ongehoorde som bijeen krijgen

kan.--Wanneer en waar moeten ze uitbetaald worden?"

"Hier," hernam Front-de-Boeuf, "hier moeten ze worden uitbetaald en

gewogen,--gewogen en uitgeteld op den vloer van dezen kerker. Denkt

gij, dat ik u zou loslaten, vóór dat het losgeld uitgekeerd is?"

"En wie zal mij borg zijn," zei de Jood, "dat ik in vrijheid zal

worden gesteld, als dit losgeld betaald is?"

"Het woord van een Normandischen edelman, woekerende slaaf," antwoordde

Front-de-Boeuf; "het woord van een Normandischen edelman, dat meer

waard is dan al het goud en zilver van u en van uw geheelen stam."

"Vergeef mij, edele heer," zei Izaäk vreesachtig; "maar waarom zou

ik geheel op het woord vertrouwen van iemand, die niet op het mijne

vertrouwen wil?"

"Omdat gij het niet laten kunt, Jood!" hernam de ridder

minachtend. "Zoo gij thans in uwe schatkamer te York waart, en ik

geld van u leenen wilde, dan zou het u passen, om den betaaltijd te

bepalen, en een onderpand te vragen. Dit is _mijn_ schatkamer. Hier

heb ik u in mijne macht, en ik zal mij niet weder verwaardigen,

de voorwaarden te herhalen, op welke ik u de vrijheid schenk."

De Jood zuchtte diep.--"Schenk mij ten minste," zei hij, "met mijn

vrijheid, ook die van mijn reisgezellen! Zij verachten mij, als Jood;

echter hadden zij medelijden met mijn ongeluk, en door zich op weg op

te houden, om mij te helpen, is hun gedeeltelijk deze ramp overkomen;

buitendien kunnen zij ook een gedeelte van mijn losgeld dragen."

"Zoo gij die Saksische boeren meent," zei Front-de-Boeuf, "hun losgeld

zal van andere voorwaarden afhangen. Bekommer u niet om de zaken van

anderen, Jood, ik waarschuw u, maar alleen om uw eigene."

"Ik zal dus," zei Izaäk, "alleen in vrijheid gesteld worden met mijn

gekwetsten vriend?"

"Moet ik een zoon van Israël tweemalen aanbevelen," hernam

Front-de-Boeuf, "om zich met zijne eigene zaken te bemoeien, en aan

anderen de hunne over te laten?--Daar gij uwe keus gedaan hebt, blijft

er niets over, dan dat gij uw losgeld binnen den kortst mogelijken

tijd bijeen brengt."

"Maar hoor mij aan," zei de Jood,--"om den wille van denzelfden

rijkdom, welken gij verwerven wilt ten koste van uw--" Hier bleef

hij steken, uit vrees van den woesten Normandiër te vertoornen. Maar

Front-de-Boeuf glimlachte slechts, en hij vulde zelf het ontbrekende

in des Joods gezegde aan.

"Ten koste van mijn geweten, wildet gij zeggen, Izaäk; zeg het maar

ronduit.--Ik zeg u, ik ben redelijk. Ik kan de verwijten van hem,

die verliest, verdragen, al zijn die ook van een Jood. Gij waart

zoo geduldig niet, Izaäk, toen gij het gerecht inriept tegen Jacques

Fitzdotterel, omdat hij u een onmeedoogenden woekeraar noemde, nadat

uwe afpersingen zijn vaderlijk erfgoed verslonden hadden."

"Ik zweer op den Talmud," hervatte de Jood, "dat men u in die zaak

verkeerd onderricht heeft. Fitzdotterel trok den dolk tegen mij in

mijn eigen kamer, omdat ik hem om mijn eigen geld vroeg. De tijd tot

betaling was op het Paaschfeest verschenen."

"Het is mij onverschillig, wat hij deed," zei Front-de-Boeuf; "de

vraag is, wanneer zal ik mijn loon krijgen? Wanneer zal ik mijn geld

hebben, Izaäk?"

"Laat mijn dochter Rebekka naar York gaan, met een vrijgeleide van u,

edele ridder," antwoordde Izaäk, "en zoo spoedig man en paard terug

keeren kan, zal u de schat--" hier slaakte hij een diepen zucht,

maar voegde er na een oogenblik zwijgens bij,--"zal u de schat hier

uitbetaald worden."

"Uw dochter!" zei Front-de-Boeuf, met een schijn van

verwondering.--"Bij den Hemel, Izaäk, ik wenschte, dat ik dit

geweten had. Ik dacht, dat het zwartoogige meisje uw bijzit was,

en gaf haar, als dienstbare, aan den ridder Brian de Bois-Guilbert,

naar de gewoonte van de aartsvaders en helden van den ouden tijd,

welke ons hierin met een goed voorbeeld zijn voorgegaan."

De gil, welken Izaäk bij deze ongevoelige mededeeling gaf, deed

het gewelf weergalmen, en verraste de twee Saraceenen zoo zeer,

dat zij den Jood loslieten. Hij maakte gebruik van deze vrijheid,

om zich neder te werpen, en Front-de-Boeuf's knieën te omvatten.

"Neem alles, wat gij geëischt hebt," riep hij. "Heer ridder;--neem

tienmaal meer;--breng mij tot den bedelstaf, zoo gij wilt;--doorboor

mij met dien dolk, leg mij op dien rooster, maar spaar mijn dochter,

laat haar in eer en deugd vertrekken!--Bij de moeder, welke u het

leven schonk, smeek ik u, spaar de eer van een hulpeloos meisje.--Zij

is het evenbeeld van mijne overledene Rachel; zij is het laatste

van zes panden harer liefde.--Wilt gij een ongelukkigen weduwnaar

van zijn eenigen overgebleven troost berooven?--Wilt gij een vader

dwingen, om te wenschen, dat zijn eenig in het leven gebleven kind,

naast haar moeder in het graf onzer vaderen lag?"

"Ik wilde," zei de Normandiër, een weinig aangedaan, "dat ik dit

vooraf geweten had. Ik meende, dat uw stam niets beminde, dan zijne

geldzakken?"

"Denk niet zoo slecht van ons," zei Izaäk, begeerig om van dit

oogenblik van schijnbare gevoeligheid gebruik te maken: "de vervolgde

vos, de gekwelde wilde kat beminnen hun kroost.--Het verachte en

vervolgde nageslacht van Abraham bemint ook zijne kinderen."

"Het is zoo," zei Front-de-Boeuf; "ik wil het in het vervolg gelooven,

Izaäk, om uwentwille;--maar dit baat ons nu niet. Ik kan niet weder

goed maken hetgeen geschied is, en hetgeen nog geschieden kan; ik heb

mijn wapenbroeder mijn woord gegeven, en ik zou het niet om tien Joden

en Jodinnen willen breken. Buitendien, waarom denkt gij, dat het meisje

kwaad zal overkomen, al valt zij zelfs in de handen van Bois-Guilbert?"

"Er zal, er moet haar kwaad overkomen!" riep Izaäk, de handen angstig

wringende. "Wanneer hebben de Tempeliers ooit iets anders bedacht

dan de wreedheid tegen mannen en oneer tegen vrouwen?"

"Ongeloovige hond!" riep Front-de-Boeuf, met vonkelende oogen, en

misschien niet ontevreden, dat hij een voorwendsel gevonden had,

om in drift te geraken: "Laster de heilige orde van den Tempel van

Sion niet; maar denk er liever aan mij het losgeld te betalen, dat

gij mij beloofd hebt, of wee u!"

"Roover en booswicht!" riep de Jood, de beleedigingen van zijn

onderdrukker met eene drift beantwoordende, welke, hoe onmachtig

ook, hij nu niet meer beteugelen kon. "Ik wil niets betalen;--geen

penning zal ik u geven, zoo mijne dochter in eer en deugd, mij niet

teruggegeven wordt."

"Zijt gij bij zinnen, Jood?" vroeg de Normandiër barsch.--"Is uw

vleesch en bloed bestand tegen heet ijzer en kokende olie?"

"Ik geef er niet om," zei de Jood, wanhopig geworden door vaderlijke

liefde; "doe het ergste! Mijne dochter is mijn vleesch en bloed,

duizendmaal dierbaarder voor mij dan het lichaam door uwe wreedheid

bedreigd. Ik wil u geen zilver geven, tenzij ik het u gesmolten in

de gierige keel kan gieten,--geen penning wil ik u geven, Nazarener,

al kon die u van de zware verdoemenis redden, welke uw geheel leven

verdiend heeft! Neem mijn leven, zoo gij wilt, en zeg, dat de Jood,

te midden zijner martelingen, den Christen wist te leur te stellen."

"Wij zullen dat eens zien," hernam Front-de-Boeuf, "want bij het

heilige kruis, dat de afschuw van uw vervloekten stam is, gij zult

het uiterste van vuur en staal gevoelen.--Ontkleedt hem, slaven,

en bindt hem op de ijzeren stangen."

In weerwil van den zwakken tegenstand van den grijsaard, hadden de

Saraceenen hem reeds de bovenkleederen afgescheurd, en wilden hem

geheel ontkleeden, toen de klank van een horen zich tweemaal buiten

het kasteel liet hooren, en zelfs tot in den kerker doordrong: en

onmiddellijk daarna, hoorde men stemmen, die om den ridder Reginald

Front-de-Boeuf riepen. Daar de woeste edelman niet gaarne in deze

helsche bezigheid wilde gevonden worden, gaf hij een teeken aan de

slaven, om aan Izaäk zijne kleederen terug te geven, en, de gevangenis

met zijn dienaars verlatende, liet hij den Jood achter, om God voor

zijn redding te danken, of om de gevangenschap zijner dochter, en haar

lot te beklagen, naarmate zijn persoonlijke of vaderlijke gevoelens

de overhand kregen.

Ivanhoe(#26564) · 第 33 / 67 题