Mijn dochter,--o mijn dukaten, o mijn dochter!
O mijn christelijke dukaten!
Het gerecht,--de wet,--mijn dukaten en mijn dochter!
Koopman van Venetië.
Aan de Saksische edelen het overlatende, tot hun maaltijd terug
te keeren, zoodra hunne onbevredigde nieuwsgierigheid duldde, dat
zij aan hun half verzadigden eetlust gehoor gaven, moeten wij een
blik werpen op de nog strengere gevangenschap van Izaäk van York. De
arme Jood was dadelijk in een keldergewelf van het kasteel geworpen,
waarvan de vloer diep onder den grond en zeer vochtig was, daar die
nog lager dan de gracht lag. Het weinige licht kwam uit een paar zeer
hoog geplaatste schietgaten, zoodat de gevangene er op verre na niet
bijkomen kon. Deze openingen verschaften zelfs op den middag slechts
een flauw schemerlicht, dat in duisternis overging, lang eer het
overige gedeelte van het kasteel den zegen van het daglicht verloren
had. Ketenen en boeien, welke vroegere gevangenen gedragen hadden,
wier pogingen tot ontvluchten men gevreesd had, hingen verroest aan
de muren der gevangenis; en in de ringen van één er van zag men twee
vermolmde beenderen, welke voorheen naar het scheen aan een mensch
behoord hadden, dien men niet alleen daar als gevangene had laten
omkomen, maar ook tot een geraamte laten vergaan. Aan het ééne einde
van dit akelig verblijf was een groot rooster, waarover eenige ijzeren
staven lagen, die half door den roest verteerd waren.
Het geheele voorkomen der gevangenis had een stouter hart, dan
dat van Izaäk, kunnen doen beven, die evenwel in het gevaar zelf
veel bedaarder was, dan hij geschenen had, zoolang hij door een
vrees gekweld werd, welker oorzaak nog verborgen en onzeker was. De
liefhebbers der jacht zeggen, dat de haas meer angst gevoelt onder
het vervolgen der windhonden, dan wanneer hij onder hunne klauwen
is. En dus is het waarschijnlijk, dat de Joden, door hun gedurige
schrik bij alle gelegenheden, eenigszins voorbereid waren op iedere
kwelling der dwingelandij, die op hen kon worden uitgeoefend;
zoodat geene verdrukking, die wezenlijk plaats vond, die verrassing
kon te weeg brengen, welke de meest verlammende uitwerking van
den schrik is. Ook was het niet voor de eerste maal, dat Izaäk in
zulk gevaar verkeerde. Hij bezat dus ervaring, om zich er naar te
gedragen, en de hoop, om evenals te voren, uit de handen der roovers
te ontsnappen. Vooral bezat hij die ontoegeeflijke hardnekkigheid
zijner natie, en dien onverzettelijken moed, met welken zij zich
dikwijls onderworpen heeft aan de uiterste rampen, welke macht en
geweld haar konden opleggen, eerder dan een Jood te kunnen dwingen
zijn onderdrukkers te voldoen, door in hun eischen toe te stemmen.
In deze gemoedsstemming dan, en met zijne kleederen onder zich
uitgespreid, om zijn leden tegen den vochtigen vloer te beschermen,
zat Izaäk in een hoek van zijne gevangenis, waar zijne gevouwen handen,
zijn loshangend haar en zijne lange baard, zijn met bont bezette mantel
en zijne hooge muts, in een flauw gebroken licht, eene studie voor
een Rembrandt zouden opgeleverd hebben, zoo die beroemde schilder in
dien tijd geleefd had. De Jood bleef omtrent drie uren onveranderd in
dezelfde houding, toen men voetstappen hoorde op de trap, die naar de
gevangenis leidde. De grendels kraakten, de hengsels knarsten bij het
openen, en Reginald Front-de-Boeuf trad in de gevangenis, door de twee
Saraceensche slaven des Tempeliers gevolgd. Front-de-Boeuf, een groot,
forsch mensch, die zijn leven in openlijken oorlog, of in bijzondere
veeten doorgebracht, en nooit eenige middelen geschuwd had, om zijne
willekeurige macht uit te breiden, had gelaatstrekken, die volkomen
met zijn karakter overeenstemden, en welke de woeste en boosaardige
driften zijner ziel uitdrukten. De litteekens, waarmede zijn gezicht
bedekt was, zouden bij beter gevormde trekken, de belangstelling
en den eerbied verwekt hebben, welke men verschuldigd is aan de
eervolle dapperheid; maar, in het bijzonder geval van Front-de-Boeuf,
vermeerderden zij slechts de woestheid van zijn gelaat, en de ijzing,
welke zijne tegenwoordigheid inboezemde. Deze schrikbarende edelman was
gekleed in een lederen wambuis, dat nauw om het lijf sloot, en hier en
daar door vlekken van zijn wapenrusting bezoedeld was. Hij droeg geen
wapen, behalve een dolk in den gordel, die als een tegenwicht diende
voor den bundel verroeste sleutels, welke aan zijne rechterzijde hing.
De zwarte slaven, welke Front-de-Boeuf vergezelden, hadden hun
prachtige kleeding afgelegd, en wambuizen en broeken van grof
linnen aangetrokken; hunne mouwen waren tot boven aan den elleboog
opgestroopt, gelijk die van slagers, als zij hun beroep in het
slachthuis willen verrichten. Ieder had een korfje in de hand en
toen zij in de gevangenis traden, bleven zij aan de deur staan tot
Front-de-Boeuf ze zelf zorgvuldig gegrendeld en dubbel gesloten
had. Na deze voorzorg genomen te hebben, ging hij langzaam door
het vertrek op den Jood toe, op wien hij zijn oog gevestigd hield,
alsof hij hem door zijn blik verlammen wilde, evenals men zegt, dat
zekere dieren hun prooi betooveren. Het scheen, inderdaad, alsof het
sombere, boosaardige oog van Front-de-Boeuf iets van die macht over
zijn ongelukkigen gevangene had. De Jood opende den mond en vestigde
de oogen op den woesten edelman met zulk een hevigen schrik, dat
zijn lichaam letterlijk scheen ineen te krimpen en te vergaan onder
dien vasten en ijselijken blik. De ongelukkige Jood was niet alleen
buiten machte, om op te staan, om de nederige buiging te maken, welke
zijne vrees hem voorschreef, maar hij kon niet eens de muts afnemen,
of eenig smeekend woord uitbrengen, zoo sterk was hij getroffen door
de overtuiging, dat pijniging en dood hem boven het hoofd hingen.
Van den anderen kant, scheen de reusachtige gestalte van den
Normandiër in grootte toe te nemen, gelijk die van een adelaar, die
zijn vederen opzet, als hij op het punt is, op zijn weerlooze prooi
neer te storten. Hij bleef drie pas van den hoek staan, waarin de arme
Jood nu, als het ware in de kleinst mogelijke ruimte gekropen was,
en gaf een teeken aan een der slaven om te naderen. De zwarte trawant
trad vóór, en uit zijn korfje een groote schaal en verscheidene
gewichten te voorschijn halende, legde hij ze voor de voeten van
Front-de-Boeuf neder, en begaf zich weder op den eerbiedigen afstand,
waar zijn makker was blijven staan. De bewegingen dezer mannen waren
langzaam en statig, alsof een voorgevoel van iets ijselijks en wreeds
hunne zielen drukte. Front-de-Boeuf opende zelf het tooneel, door
zijn rampzaligen gevangene aldus aan te spreken:
"Vervloekte hond, van een vervloekten stam," zei hij, met zijn diepe,
holle stem den somberen weerklank in het gewelf doende ontwaken;
"ziet gij deze schaal?"