Ik geef u, mijn vriend! twalef maanden ten beste,
Doorzoek heel Europa van het Oost tot het Westen,
Neen, niemand vindt elders, hij zoek wat hij kan,
Dan den Barvoeter Monnik gelukkiger man.
Getogen ten strijd voor geliefde en voor de eer,
Keert 's avonds uw ridder verwond door de speer,
Dan haastig gebiecht; voor hem vindt zijn getrouwe
Bij den Barvoeter Monnik slechts heul in haar rouwe.
Uw koning? O he!--van zoo menig ik weet,
Die 't purper verruilde voor 't harige kleed;
Maar 'k vraag u, wie hoorde het ooit in zijn leven,
Dat een Monnik zijn kap voor een kroon heeft gegeven?
De wereld doorkruist hij, en waar hij verschijne,
Het vette der aarde blijft immer het zijne,
Zoo doolt hij naar lust en vermoeit hem de reis,
Voor den Barvoeter openen zich hut en paleis.
Ter maaltijd verwacht, zal geen bengel het wagen,
Zijn armstoel te ontwijden, naar het beste te vragen,
De hoofdschotel blijft en de plaats bij den haard
Onbetwist, voor den Barvoeter Monnik bewaard.
Des avonds te gast, haalt de vrouw de pastei
En vult hem de bierkruik en schotel daarbij,
En, moest ook haar man in de modder zich keeren,
Zal de Barvoeter Monnik geen peluw ontberen.
Sandaal dan en koord en kap ga het wel;
't Geloof aan den Paus en de vrees voor de Hel;
Want rozen op aard, zonder doornen te plukken,
Mag alleen aan den Barvoeter Monnik gelukken.
"Op mijn woord," zei de ridder, "goed en krachtig gezongen, en zeer
tot roem van uw orde. Maar, van den duivel gesproken, heilige man,
vreest gij niet, dat hij eens een bezoek bij u zal afleggen, te midden
uwer zeer wereldsche vermaken?"
"Ik wereldsch!" antwoordde de heremiet; "ik ontken het,--ik
loochen het geheel en al! Ik doe behoorlijk en trouw dienst in mijne
kapel. Dagelijks twee missen; 's morgens en 's avonds,--vroegdienst,
namiddagdienst en vesper, _ave's_, _credo's_, _pater's_."
"Uitgezonderd in de maanlichte nachten, in den jachttijd," zei
zijn gast.
"_Exceptis excipiendis_," hernam de heremiet, "zooals onze oude abt
mij leerde zeggen, als de een of andere onbeschaamde leek mij vroeg,
of ik alle plichten mijner orde vervulde."
"Goed zoo, eerwaarde vader," zei de ridder, "maar de duivel is in
staat, een oog te houden op zulke uitzonderingen; hij gaat rond,
gelijk gij weet, als een brieschende leeuw."
"Laat hem maar hier komen, als hij durft," zei de monnik, "één
slag met mijn touw zal hem even luid doen brullen, als de tang
van St. Dunstan zelven. Ik vreesde nooit een menschelijk wezen,
en even weinig vrees ik den duivel en zijn makkers.--Met behulp van
St. Dunstan, St. Dubric, St. Winibald, St. Winifred, St. Swibert,
St. Willick, St. Thomas-a-Kent niet te vergeten, en mijn eigene
geringe verdiensten, daag ik alle duivels uit, met of zonder staart,
laat ze maar vrij komen!--Maar om u een geheim te zeggen, vriend,
ik spreek nooit over zulke onderwerpen dan na den vroegdienst."
Hij bracht het gesprek op een ander onderwerp; de vreugde werd
luidruchtig en onstuimig, en menig liedje werd beurtelings door hen
gezongen, tot hunne nachtelijke uitspanning gestoord werd door een
hard geklop aan de deur van de kluis.
De oorzaak dezer stoornis kunnen wij niet anders verklaren, dan door
het verhaal der lotgevallen van eenige andere onzer personaadjes
weder op te vatten; want wij stellen er geen eer in, evenmin als de
oude Ariosto, om steeds dezelfde personen van ons drama gezelschap
te houden.