De ridder was beroemd, vereerd,
Uit Palestina weergekeerd;
Het kruisbeeld raakte in storm en strijd
Op d' armband glans en luister kwijt;
Zijn schild getuigde in beuk en bocht
Hoe menig vijand hij bevocht;
Hij zong voor Tekla's venster thans
Dit minnelied bij d' avondglans:--
Gegroet, o Schoone! aanschouw uw held,
Van 't Heilig Land tot u gesneld;
Hij brengt geen rijkdom, hem niets waard;
Alleen zijn wapens, spoor en paard,
Om naar den vijand heen te snellen,
Zijn lans en zwaard, hem neer te vellen,
Zijn de eereteekens van zijn moed,
En o!--de hoop op Tekla's gloed.
Gegroet, o Schoone! uw gunstig woord
Heeft steeds uw ridder aangespoord;
Zij dan uw naam alom vermaard,
Waar 't puik der vrouwen ook vergaart;
Heraut en 's minnezangers lied
Vraagt: Ziet ge gindsche Schoone niet?
De zege is t' Askalon behaald,
Voor 't licht, dat uit haar oogen straalt.
Het staal, eens door haar lach gewet,
Heeft ook, in spijt van Mahomet,
Iconiums Sultan neergehouwen,
Verweduwd meer dan vijftig vrouwen;
Van 't goudgeel haar geen enkel, neen!
Hoe 't golft, in weeldrigen overvloed,
Om 't zilver van haar boezem heen,
Waarvoor geen heiden heeft gebloed.
Gegroet, o Schoone! U dank ik naam,
En elke daad van roem en faam:
Ontsluit de poort, 't is laat, 't is guur,
De nevel valt in 't nachtlijk uur,
Mijn lijf door Syrië's zon verbrand,
Weerstaat geen kou van 't Noorderland;
Ik breng u roem, verzacht uw zin,
Verblijd mijn hart door wedermin.
Onder de uitvoering van dit stuk gedroeg zich de kluizenaar vrij wel
als een hedendaagsche _criticus_ van den eersten rang bij eene nieuwe
opera. Hij legde zich achterover op zijn stoel, met halfgesloten oogen:
nu eens de handen vouwende en de duimen tegen elkander wrijvende,
scheen hij in aandacht verzonken, en dan weer, de uitgestrekte
handen bewegende, sloeg hij zachtjes de maat der muziek. Bij een of
twee schoone passages verleende hij zelf een weinig hulp, waar des
ridders stem niet krachtig genoeg scheen, om de hooge tonen zoo uit
te brengen, als volgens zijn wijs oordeel noodig was. Toen de ridder
zweeg, verklaarde de heremiet nadrukkelijk, dat hij schoon en goed
gezongen had.
"En echter," zei hij, "komt het mij voor, dat mijn Saksische
landsman lang genoeg onder de Normandiërs heeft verkeerd, om in den
zwaarmoedigen toon hunner liederen te vallen. Wat riep den eerlijken
ridder van huis? En wat kon hij anders verwachten, dan bij zijne
terugkomst zijn jonkvrouw gelukkig met een mededinger verbonden, en
zijne _serenade_ even weinig geëerbiedigd te zien, als het geschreeuw
eener kat op het huisdak? Evenwel, Heer ridder! ik breng u dezen beker
toe, op den goeden uitslag van alle trouwe minnaars;--ik vrees, dat
gij daar niet onder behoort!" voegde hij er bij, toen hij zag dat de
ridder (wiens brein door de herhaalde teugen begon verhit te worden),
zijn beker uit de waterkruik aanvulde.
"Waarom?" zei de ridder; "Hebt gij mij niet gezegd, dat dit water
uit de bron van uwen beschermheilige, St. Dunstan, was?"
"Wel zeker," hernam de kluizenaar, "en eenige honderd heidenen heeft
hij er in gedoopt; maar ik heb nooit gehoord, dat hij er van gedronken
heeft. Ieder ding in de wereld heeft zijn nut. St. Dunstan kende,
zoo goed als iemand, de voorrechten van een lustigen monnik."
En dit zeggende, nam hij de harp, en onthaalde zijn gast op het
volgende karakteristieke lied, op de wijze van een oud Engelsch gezang,
met een soort van _derrydown_ koor. [19]