"Locksley," antwoordde deze.
"Welaan dan, Locksley," zei Prins Jan, "gij zult op uwe beurt schieten,
als deze schutters hunne kunst getoond hebben. Als gij den prijs wint,
zal ik er twintig _Nobles_ bij doen; maar als gij verliest, dan zal
uw groene rok u worden uitgetrokken, en gij zult met boogpezen, als
een praatzieke en onbeschaamde pochhans, in het strijdperk gegeeseld
worden."
"En als ik nu weigerde zulke voorwaarden aan te nemen?" zei de
schutter. "Uwe Hoogheid kan mij gemakkelijk laten uitkleeden en
geeselen, daar uwe macht door zoo vele gewapenden wordt ondersteund;
maar gij kunt mij niet dwingen mijn boog te spannen."
"Als gij mijn billijk aanbod afslaat," zei de Prins, "dan zal de
Provoost van het strijdperk uw boogpees doorsnijden, uw boog en uw
pijlen breken, en u zelven als een lafaard wegjagen."
"Dat is een mooie kans, die gij mij overlaat, verhevene Prins," zei de
schutter, "mij te dwingen, het tegen de beste schutters van Leicester
en Staffordshire op te nemen, onder bedreiging van schimp en schande
als zij mij overwinnen. Evenwel, ik zal aan uw bevel gehoorzamen."
"Slaat hem nauwkeurig gade," zei Prins Jan tot de gewapenden,
"de moed ontzinkt hem; ik vrees dat hij trachten zal aan de proef
te ontsnappen.--En gij, brave jongens, schiet moedig; een reebok
en een vat wijn zijn in gindsche tent ter uwer verversching gereed,
zoodra de prijs gewonnen is."
Aan het einde van de zuidelijke laan, die naar het strijdperk
leidde, werd een schijf opgericht. De mededingende boogschutters
namen beurtelings plaats aan den zuidelijken toegang; de afstand
tusschen deze plaats en het wit was groot genoeg voor hetgeen men
een jagersschot noemde. De schutters, na vooraf door het lot de
orde, in welke zij schieten zouden, bepaald te hebben, moesten ieder
drie pijlen achtereen afschieten. Dit alles werd geregeld door een
officier van minderen rang: de Provoost der Spelen genoemd; want
de hooge rang der maarschalken van het strijdperk gedoogde niet,
dat zij het opzicht hadden over de spelen der burgers.
De schutters, voorwaarts tredende, schoten hunne pijlen stout en flink,
één voor één af. Van vierentwintig pijlen zaten tien in de schijf,
en de anderen vielen zoo dicht er bij, dat, naar den afstand te
rekenen, het voor goede schoten gelden konden. Van de tien pijlen,
die de schijf getroffen hadden, waren twee in den binnensten ring
geschoten door Hubert, een houtvester in dienst van Malvoisin, die
dus als overwinnaar uitgeroepen werd.
"Wel nu, Locksley," zei Prins Jan met een bitteren glimlach tot den
gehaten schutter, "wilt gij het met Hubert opnemen, of boog, sjerp
en pijlkoker aan den Provoost der Spelen overgeven?"
"Daar het niet anders kan," hernam Locksley, "wil ik mijn geluk wel
beproeven, onder voorwaarde, dat wanneer ik twee pijlen op dezelfde
schijf als Hubert geschoten heb, hij gehouden zal zijn er één te
schieten op een wit, dat ik zal aanwijzen."
"Dat is niet meer dan billijk," antwoordde Prins Jan, "en het zal
u niet geweigerd worden.--Als gij dien snoever overwint, Hubert,
zal ik den horen met zilveren penningen voor u vullen."
"Een man kan niet meer dan zijn best doen," hernam Hubert; "maar
mijn grootvader voerde een goeden boog bij Hastings, en ik vertrouw,
dat ik zijne nagedachtenis niet zal onteeren."
De vorige schijf werd weggenomen, en een andere van dezelfde grootte
opgezet. Hubert, die als overwinnaar in den eersten strijd, het recht
had, het eerst te schieten, mikte met groote bedaardheid, den afstand
lang met de oogen metende; terwijl hij zijn gespannen boog in de
hand hield, met den pijl op het koord geplaatst. Eindelijk deed hij
een schrede voorwaarts, en den boog met den uitgestrekten linkerarm
oplichtende, tot het middelpunt er van bijna op gelijke hoogte met
zijn gezicht kwam, trok hij de pees van den boog tot aan het oor. De
pijl snorde door de lucht, en trof den binnensten ring op de schijf,
maar niet juist in het midden.
"Gij hebt aan den wind niet gedacht, Hubert," zei zijn tegenpartij,
den boog spannende, "anders zou het een beter schot geweest zijn."
Dit zeggende, en zonder zich de minste moeite te geven om vooraf op
het wit te staren, ging Locksley naar de aangewezen standplaats, en
schoot zijn pijl even zorgeloos af, alsof hij niet eens naar het wit
gezien had. Hij sprak nog bijna op het oogenblik, dat de pijl wegvloog,
en toch trof die twee duim dichter bij de witte plek op het middelpunt,
dan die van Hubert.
"Bij het licht des hemels!" riep Prins Jan tegen Hubert, "zoo gij
duldt, dat deze landlooper u de loef afsteekt, dan verdient gij
de galg!"
Hubert had maar ééne vaste spreekwijze bij alle gelegenheden. "En al
liet uw Hoogheid mij ophangen, een man kan niet meer dan zijn best
doen. Echter was mijn grootvader met den boog--"
"De duivel hale uw grootvader en zijn geheele geslacht!" viel de
Prins hem in de rede. "Schiet, ongelukkige, en schiet goed, of het
zal u kwalijk bekomen!"
Zoo aangespoord, trad Hubert weder voor, en den raad niet verzuimende,
dien zijne tegenpartij hem had gegeven, maakte hij het noodige gebruik
van een zeer licht opkomend windje, en schoot zoo gelukkig, dat zijn
pijl juist in het middelpunt van het wit trof.
"Hubert leve! Leve Hubert!" riep het volk, dat meer belang stelde
in een bekende dan in een vreemdeling. "In het midden!--in het
midden! Leve Hubert!"
"Gij kunt dat schot niet overtreffen, Locksley," zei de Prins met
een spotachtigen glimlach.
"Ik zal echter zijn pijl raken," hervatte Locksley. En zijn pijl met
meer voorzichtigheid dan te voren afschietende, trof hij juist dien
van zijn mededinger, die in splinters vloog. Het volk in het rond was
zoo verbaasd over zijne verwonderlijke behendigheid, dat het zijne
verrassing zelfs niet op de gewone luidruchtige wijze kon uitdrukken.
"Dit moet de duivel zijn en geen mensch van vleesch en bloed,"
fluisterden de schutters elkander toe. "Zulk schieten is nog nooit
gezien, zoo lang men een boog in Groot-Brittanje gespannen heeft."
"En nu," zei Locksley, "vraag ik uwe Hoogheid verlof om een wit op
te richten, dat in de noordelijke gewesten gebruikt wordt,--en welkom
ieder brave schutter, die er een schot op wagen wil, om een glimlach
te verdienen van het meisje dat hij lief heeft!"
Hij draaide zich om, ten einde het strijdperk te verlaten. "Laten uw
wachters mij vergezellen," zei hij, "zoo gij verkiest.--Ik wil maar
even een tak van gindschen wilgenboom afsnijden."
Prins Jan gaf een teeken, dat eenige wachters hem volgen
zouden, ingeval hij ontsnappen wilde; maar het geschreeuw van:
"Schande! Schande!" dat de menigte verhief, deed hem van zijn
onedelmoedig voornemen afzien.
Locksley kwam dadelijk terug met een wilgentak omtrent zes voet lang,
volkomen recht en van de dikte van eens menschen duim. Hij schilde dien
met veel bedaardheid af, tegelijk aanmerkende, dat het schande voor
een goeden schutter was, naar een wit te schieten zoo breed als dat,
hetwelk men tot hiertoe gebruikt had. "Wat hem betrof," voegde hij er
bij, "en in het land, waar hij was opgevoed, zou men even gaarne Koning
Arthurs ronde tafel, waaraan zestig ridders konden zitten, tot schijf
nemen. Een kind van zeven jaren kon zoo iets met een pijl zonder kop
treffen; maar," ging hij voort, bedaard naar het andere einde van het
strijdperk gaande, en het wilgenstokje recht in den grond zettende,
"hem, die deze roede op honderd ellen afstands treft, noem ik een
schutter, waardig om boog en pijlkoker te dragen voor een Koning,
al ware het ook de dappere Koning Richard zelf!"
"Mijn grootvader," zei Hubert, "spande een goeden boog bij den slag
van Hastings, en heeft nooit van zijn leven naar zulk wit geschoten,
en dat doe ik ook niet. Als deze schutter dien stok kan klieven, dan
beken ik mij door hem, of liever door den duivel, die in zijn wambuis
zit, en niet door menschelijke behendigheid, overwonnen; een mensch kan
niet meer dan zijn best doen, en ik wil niet schieten, waar ik zeker
ben te missen. Ik kon even goed schieten naar de snede van het lange
mes van den Pastoor, of naar een stroohalm, of naar een zonnestraal,
als naar een dunne witte streep, die ik nauwelijks zien kan."
"Lafhartige hond!" riep Prins Jan uit. "Locksley, schiet gij maar;
en als gij zulk een wit raakt, dan zal ik zeggen, dat gij de eerste
schutter zijt, die het ooit gedaan heeft. Maar hoe het ook zij,
gij zult geen koning kraaien door slechts te pochen op behendigheid."
"Ik zal mijn best doen, zooals Hubert zegt," antwoordde Locksley;
"niemand kan meer."
Dit zeggende, spande hij weder den boog, maar bij deze gelegenheid
zag hij aandachtig naar zijn wapen en veranderde de pees, die niet
meer zuiver rond was, daar zij door de twee vorige schoten een weinig
gescheurd was. Hij mikte toen met eenig overleg, en de menigte wachtte
de uitkomst in doodelijke stilte af. De schutter beantwoordde aan hun
verwachting van zijn behendigheid: zijn pijl spleet de wilgenroede,
tegen welke hij gericht was. Een luid vreugdegejuich volgde, en zelfs
Prins Jan verloor uit bewondering voor Locksley's behendigheid zijn
afkeer tegen zijn persoon.
"Deze twintig _Nobles_," zei hij, "welke gij met den hoorn eerlijk
gewonnen hebt, behooren u toe; wij zullen er vijftig van maken,
zoo gij onze livrei wilt dragen, en dienst nemen als schutter bij
de lijfwacht, die steeds in mijne onmiddellijke nabijheid is. Want
nooit heeft een zoo sterke hand een boog gespannen, of een zoo vast
oog een pijl gericht."
"Vergeef mij, edele Prins," zei Locksley; "maar ik heb een gelofte
gedaan, dat, zoo ik ooit dienst nam, het bij uw koninklijken broeder
Richard zou zijn. Deze twintig _Nobles_ laat ik aan Hubert over,
die heden een even goeden boog gespannen heeft, als zijn grootvader
bij Hastings. Zoo zijne zedigheid de proef niet geweigerd had, zou
hij het stokje even goed geraakt hebben, als ik."
Hubert schudde het hoofd, terwijl hij de milde gave van den vreemdeling
aarzelend aannam; en Locksley, begeerig om verdere nasporing te
ontgaan, begaf zich onder de menigte, en liet zich niet meer zien.
De zegepralende boogschutter zou misschien niet zoo gemakkelijk aan
des Prinsen opmerkzaamheid ontsnapt zijn, indien niet vele angstige
en gewichtige overdenkingen op dit oogenblik zijn gemoed verontrust
hadden. Hij riep zijn kamerheer, terwijl hij het teeken tot het
verlaten van het strijdperk gaf, en beval hem oogenblikkelijk naar
Ashby te jagen en den Jood Izaäk op te zoeken. "Zeg den hond," zei hij,
"mij morgen vóór zonsondergang twee duizend kronen te zenden. Hij kent
het onderpand; maar gij kunt hem dezen ring tot teeken toonen. Het
overige geld moet binnen zes dagen te York betaald worden. Indien hij
het verzuimt, zal ik den ongeloovigen hond het hoofd laten afslaan. Pas
op, dat gij hem onderweg niet voorbijrijdt; want de ellendige slaaf was
hier, om zijn gestolen rijkdommen zelfs onder mijn oogen te vertoonen."
Met deze woorden steeg de Prins weder te paard, en keerde naar Ashby
terug, terwijl de geheele menigte bij zijn vertrek uiteen ging en
zich overal verspreidde.