En Agamemnon riep met luider stem: treedt voort,
O Helden! uit den kring, dien deze kamp bekoort;
Gij, die door meerdre kunde en kracht u durft verheffen,
Uw mededingers in vermaardheid te overtreffen,
Een maagd, de waarde wel van twintig ossen, wordt
De prijs voor hem, wiens pijl het verst door 't luchtruim
snort.
Ilias.
Nauwelijks was de naam van Ivanhoe uitgesproken, of hij vloog van
mond tot mond met al de snelheid, welke belangstelling, door de
nieuwsgierigheid geprikkeld, er aan geven kon. Het duurde ook niet
lang, eer deze tijding den kring van den Prins bereikte, wiens gelaat
bij dit nieuws eene sombere uitdrukking aannam. Hij zag intusschen
spotachtig rond, en zeide: "Wel, mijn heeren, en gij vooral, heer
Prior, wat denkt gij van de leer der geleerden over de sympathie
en antipathie? Mij dunkt ik bespeurde de tegenwoordigheid van den
gunsteling mijns broeders, zelfs eer ik nog gissen kon, wie onder
die wapenrusting schuilde."
"Front-de-Boeuf moet zich gereed maken, zijn leengoed aan Ivanhoe terug
te geven," zei De Bracy, die, na een eervol deel aan het toernooi
te hebben genomen, schild en helm afgelegd, en zich weder onder het
gevolg van den Prins gemengd had.
"Ja," antwoordde Waldemar Fitzurse, "deze knaap zal waarschijnlijk het
kasteel en het leen terug eischen, die Richard hem geschonken heeft,
en die uw Hoogheid sedert dien tijd de grootmoedigheid heeft gehad
aan Front-de-Boeuf te geven."
"Front-de-Boeuf," hernam de Prins, "zou liever drie leengoederen,
zooals dat van Ivanhoe, onder zich behouden, dan één er van
teruggeven. Voor het overige, mijne heeren, hoop ik, dat niemand
uwer mij het recht zal betwisten, de leengoederen der kroon aan die
trouwe dienaren te schenken, welke mij omringen, en gereed zijn den
gevergden krijgsdienst te verrichten, in plaats van hen, die naar
vreemde landen trekken, en hulde noch dienst kunnen bewijzen, als
zij opgeroepen worden."
De toehoorders hadden al te veel belang bij deze vraag, om des
Prinsen recht niet voor onbetwistbaar te verklaren. "Een edelmoedige
Vorst!--een edele meester, die zich dus belast met de zorg om zijne
getrouwe dienaren te beloonen!"
Dit waren de woorden van zijn gevolg, daar zij allen soortgelijke
geschenken ten koste van Koning Richard's vrienden en gunstelingen
verwachtten;--zoo zij die niet reeds in bezit hadden. Prior Aymer
zelf keurde dit over het algemeen goed, en maakte geene andere
aanmerking dan: "Het heilige Jeruzalem kan toch geen vreemd land
genoemd worden. Het is de _communis mater_,--de moeder van alle
Christenen. Maar ik begrijp niet," voegde hij er bij, "hoe Ivanhoe
zich daarop beroepen kan, daar men mij verzekert, dat de kruisvaarders
onder Richard nooit veel verder gekomen zijn dan Askalon, dat, zooals
ieder weet, een stad der Philistijnen is, en op geen der voorrechten
van de Heilige Stad aanspraak kan maken."
Waldemar, wiens nieuwsgierigheid hem naar de plaats gevoerd had, waar
Ivanhoe ter aarde was gevallen, keerde nu terug. "De dappere ridder,"
zeide hij, "zal denkelijk uwe Hoogheid niet veel ongerustheid baren,
en Front-de-Boeuf in het ongestoord bezit van zijn leen laten:--hij
is zwaar gekwetst."
"Wat er ook van worden moge," zei Prins Jan, "hij is heden overwinnaar;
en al is hij tienmaal onze vijand, of de getrouwste vriend van mijn
broeder, hetgeen misschien hetzelfde is, zijne wonden moeten toch
verbonden worden;--onze eigene heelmeester zal hem bezoeken."
Een bittere glimlach vergezelde deze woorden. Waldemar Fitzurse haastte
zich te antwoorden, dat Ivanhoe reeds uit het strijdperk gebracht,
en in handen van zijne vrienden was.
"Ik was eenigszins aangedaan," zeide hij, "over de smart van de
Koningin der Schoonheid en der Liefde, wier ééndaagsche heerschappij
door dit voorval in rouw gedompeld is. Ik ben er de man niet naar,
om door de weeklachten eener vrouw over haar minnaar getroffen te
worden: maar deze Jonkvrouw Rowena onderdrukte haar smart met zooveel
waardigheid, dat men die alleen aan het beven van haar gevouwen handen
kon zien, terwijl haar oog zonder tranen op den bewusteloozen ridder
voor haar voeten staarde."
"Wie is die Jonkvrouw Rowena," vroeg Prins Jan, "van wie wij zooveel
gehoord hebben?"
"Een Saksische erfdochter, met groote bezittingen," hernam Prior
Aymer; "eene roos in beminnelijkheid, en een juweel in rijkdom, de
schoonste onder duizenden, kostbaar als de kostbaarste reukwerken
van het Oosten."
"Wij zullen hare droefheid verzachten," zei Prins Jan, "en haar bloed
veredelen door haar aan een Normandiër uit te huwen. Zij schijnt
minderjarig te zijn, en moet dus, wat haar huwelijk aangaat, ter
onzer beschikking staan.--Wat zegt gij er van, De Bracy? Zou het u
bevallen, door een huwelijk met dit Saksisch meisje schoone landerijen
en inkomsten te verkrijgen, volgens de gewoonte der aanhangers van
den Veroveraar?"
"Als de landerijen mij bevallen," antwoordde De Bracy, "dan zal de
bruid mij niet licht mishagen; en ik zal mij ten hoogste verplicht
achten jegens uw Hoogheid voor eene weldaad, welke alle beloften zal
vervullen, die gij uw dienaar en leenman gedaan hebt."
"Wij zullen het niet vergeten," zei Prins Jan; "en om dadelijk een
begin te maken, bevelen wij onzen seneschal, om Jonkvrouw Rowena
en haar gezelschap te weten: den lompen boer, haar voogd, en den
Saksischen stier, welken de Zwarte Ridder in het toernooi ter
nedervelde, op het feest van dezen avond te noodigen."
"De Bigot," voegde hij er bij, zich tot zijn seneschal wendende,
"gij zult deze tweede uitnoodiging zoo beleefd doen, dat gij den
hoogmoed van deze Saksers niet kwetst, en het hun onmogelijk wordt
nog eens te weigeren; ofschoon, bij Beckets beenderen, hun beleefdheid
te bewijzen, hetzelfde is als paarlen voor de zwijnen te werpen!"
Prins Jan had zoo ver gesproken, en was op het punt, om het teeken
tot het verlaten van het strijdperk te geven, toen hem een klein
briefje in de hand gegeven werd.
"Van waar?" zei Prins Jan, den man aanziende, die het overhandigde.
"Uit vreemde landen, mijn vorst, maar van waar, dat weet ik niet,"
hernam de dienaar. "Een Franschman heeft het gebracht, zeggende,
dat hij dag en nacht doorgereisd had, om het briefje in handen uwer
Hoogheid te bezorgen."
De Prins zag nauwkeurig naar het opschrift en toen naar het zegel,
hetwelk er op gedrukt was, dat het den zijden draad vasthield,
waarmede het papier omwonden was: er stonden drie leliën op. De Prins
opende hierop het briefje met blijkbare ontroering, die merkelijk
vermeerderde, toen hij den inhoud gelezen had, welke aldus luidde:
"_Neem u in acht; want de Duivel zelf is los!_"
De Prins werd doodsbleek, zag eerst naar den grond, en toen naar den
hemel, als iemand, die zijn doodvonnis gehoord heeft. Van de eerste
ontroering herstellende, nam hij Waldemar Fitzurse en De Bracy ter
zijde, en stelde hun het briefje beurtelings ter hand.
"Het kan een valsch gerucht zijn,--of een valsche brief!" zei De Bracy.
"Het is hand en zegel van den Franschen Koning!" hernam Prins Jan.
"Dan wordt het tijd," zei Fitzurse, "onze vrienden te verzamelen,
hetzij te York of op een andere plaats. Een paar dagen later zou
het wezenlijk te laat zijn. Uwe Hoogheid moet aan het tegenwoordig
vreugdebedrijf spoedig een einde maken."
"Het volk en de landlieden," zei de Bracy, "moeten niet ontevreden naar
huis gezonden worden; zij hebben nog geen deel aan het feest gehad."
"De dag," zeide Waldemar, "is nog niet zeer ver gevorderd--laat de
schutters eenige malen naar de schijf schieten, en de prijs uitgedeeld
worden. Dat zal toereikend zijn om de beloften van den Prins te
vervullen voor zoo verre deze Saksische boeren er mede gemoeid zijn."
"Ik dank u, Waldemar," hervatte de Prins; "gij herinnert mij ook,
dat ik een schuld te betalen heb aan den onbeschaamden boer, die mij
gisteren persoonlijk beleedigde. Onze maaltijd zal heden avond plaats
hebben, zooals wij van plan waren. Al was dit het laatste uur mijner
macht, dan zou het gewijd zijn aan wraak en vermaak!--De nieuwe morgen
brengt nieuwe zorgen."
Trompetgeschal riep spoedig de toeschouwers terug, die reeds begonnen
waren het veld te ontruimen:--er werd afgekondigd, dat Prins Jan,
plotseling door gewichtige en dringende zaken geroepen, het feest
van den volgenden dag niet vieren kon; dat echter,--daar hij niet
wilde, dat zoo vele goede schutters zouden vertrekken, zonder een
bewijs van hunne behendigheid te geven,--het hem behaagde, het tegen
den volgenden dag bepaalde boogschieten op heden te stellen. Voor
den besten schutter werd een prijs uitgeloofd, bestaande uit een
jachthoorn, met zilver beslagen, en een zijden rijk versierde sjerp,
met een medaillon van St. Hubertus, den beschermheilige der jagers.
Er boden zich eerst meer dan dertig schutters als mededingers aan,
waaronder verscheidene houtvesters en onderopzichters in de koninklijke
bosschen van Needwood en Charnwood. Toen de boogschutters echter
vernamen met wie zij den kampstrijd moesten wagen, zagen ruim twintig
er weder van af, om de schande van een bijna zekere nederlaag te
ontgaan. Want in die dagen was de behendigheid van iederen beroemden
schutter even goed verscheidene mijlen in het rond bekend, als heden
ten dage de eigenschappen van een paard, dat te Newmarket gefokt is,
bekend zijn aan hen, die deze beroemde renbaan bezoeken.
De verminderde lijst der mededingers om den prijs, bevatte nog
acht namen. Prins Jan stapte van zijn koninklijken zetel af, om deze
uitgelezen schutters van naderbij te beschouwen, van welke verscheidene
de koninklijke livrei droegen. Zijn nieuwsgierigheid door dit onderzoek
bevredigd hebbende, zag hij naar het voorwerp van zijn toorn rond,
dat hij op dezelfde plaats zag staan en met hetzelfde bedaarde gelaat,
dat hij den vorigen dag getoond had.
"Vriend," zei Prins Jan, "ik bespeurde reeds gisteren aan uw
onbeschaamd gesnap, dat gij eigenlijk geen echte liefhebber van den
boog waart, en ik zie, dat gij het niet durft wagen uwe kunst te
toonen tegen de fiksche mannen, die hier staan."
"Met verlof, mijn Vorst!" hernam de schutter. "Ik heb een geheel
andere reden om niet te willen schieten, dan vrees voor de schande
van overwonnen te worden."
"En welke is die andere reden?" vroeg Prins Jan, die, om de eene of
andere oorzaak, welke hij mogelijk zelf niet had kunnen verklaren,
een angstige nieuwsgierigheid ten opzichte van dezen man gevoelde.
"Omdat ik niet weet," hernam de jager, "of deze schutters en ik gewoon
zijn naar hetzelfde wit te schieten;--en te meer, daar ik niet weet,
hoe uw Hoogheid het zou opnemen, wanneer een derde prijs door iemand
gewonnen werd, die buiten zijn schuld bij u in ongenade gevallen is."