„Een onbeschaamde brutaliteit!” riep detective Marholm uit. „De kerel
heeft waarschijnlijk alle Londensche couranten reeds op de hoogte
gebracht van onzen inval op de Lincoln-Bank en reeds vanavond zou de
geheele wereld weten, hoe belachelijk wij ons hebben gemaakt.”
Baxter keek detective Marholm met zenuwachtige blikken aan en
antwoordde:
„Ik waardeer uw inzicht, Marholm, en moet eerlijk bekennen, dat ik er
evenzoo over denk. Maar als de schrijver van den brief nu toch eens
gelijk had en Raffles werkelijk van plan was, de millioenen der Lincoln
Bank te stelen, dan zou het onverantwoordelijk van ons zijn, als de
diefstal hem gelukte. Ook in dat geval zouden wij bij den neus genomen
zijn.”
„Gij zijt werkelijk zenuwachtig, inspecteur”, klonk het uit Marholm’s
mond, terwijl hij kalm een pijpje stopte. „Maar omdat ik u helaas geen
bevelen kan geven, verzoek ik u alleen vriendelijk, mij niet mee te
nemen naar de Lincoln-Bank. Ik heb niet veel lust om mij tegenover de
geheele wereld belachelijk te maken.”
„Ik zal voorzichtig handelen”, antwoordde Baxter, „en mij allereerst
met den brief naar den bankdirecteur begeven om dezen vertrouwelijke
inzage ervan te verschaffen.”
„Doe wat gij niet laten kunt”, bromde Marholm ongeduldig.
Een half uur later bevond inspecteur Baxter zich in de spreekkamer van
Mr. Geis in het gebouw der Lincoln-Bank.
Toen Geis de brieven las, welke de inspecteur hem overhandigde,
verbleekte hij een oogenblik, zonder dat Baxter het merkte. Daarop
lachte hij hartelijk en riep uit:
„Daar heeft men getracht u voor den mal te houden, heer inspecteur. De
procuratiehouder van onze Bank, Mr. John Govern, is een hoogst
respectabel mensch. Als gij het verlangt, zal ik hem hier laten komen,
opdat gij er u persoonlijk van kunt overtuigen.”
Baxter bedankte daarvoor en sprak:
„Ik verzoek u, u verder geen moeite te geven, heer directeur. Ik ben
het volkomen met u eens, dat dit een misplaatste grap is, maar het was
mijn plicht, mij tot u te vervoegen.”
Met beleefde woorden nam hij afscheid van Geis en verliet het gebouw.
Zoodra inspecteur Baxter was heengegaan, verzocht Geis Raffles om bij
hem te komen.
„Er is een verrader in onze omgeving”, sprak hij tot Raffles, toen deze
zijn kamer binnenkwam, „daarjuist was de inspecteur van politie Baxter
bij mij om mij mede te deelen, dat hij bericht had gekregen, dat
Raffles als procuratiehouder aan onze Bank werkzaam is. Ik stelde de
geheele zaak als een grap voor en de inspecteur geloofde het.”
Raffles keek scherp naar het gelaat van Geis, want hij vermoedde een
nieuw bedrog.
„Dat is onmogelijk”, antwoordde hij, „niemand kan weten, wie ik ben.
Zelfs geen flauw vermoeden kan men ervan hebben.”
„Ik zweer u echter, dat ik waarheid spreek”, riep Mr. Geis uit, „en gij
moet nog dezen nacht ons plan ten uitvoer brengen. Misschien is het
morgen reeds te laat.”
„Uitstekend”, antwoordde Raffles, „ik ben in het bezit van de sleutels,
ik behoef dus alleen de brandkasten te openen en mij het geld toe te
eigenen.”
„Hoeveel millioenen hebben wij onder onze berusting?” vroeg Geis.
„Vier millioen!” antwoordde Raffles.
„Jammer”, vond Mr. Geis, terwijl hij gejaagd met zijn vingers op de
schrijftafel trommelde. „Ik had gehoopt, dat wij niet eerder ons plan
behoefden uit te voeren dan wanneer wij zes millioen in de brandkasten
hadden liggen. Deze vervloekte brieven aan inspecteur Baxter kosten ons
twee millioen. Maar wij mogen niet wachten, er dreigt ons gevaar.”
„Ik vrees geen gevaar”, antwoordde Raffles, „ik ben gewend aan
verrassingen. Het eerste gevaar leerde ik bij u kennen, Mr. Geis. Ik
zal hedennacht ons plan ten uitvoer brengen.”
„Ik zal om vier uur in den morgen een automobiel bij den hoek der
straat laten wachten”, sprak Mr. Geis, „daarmee kunt gij de kist met
geld naar mijn villa brengen.”
„In orde”, antwoordde Raffles, „dus dan zien wij elkaar morgen terug.”
Zoodra Raffles hem had verlaten, haastte Mr. Geis zich naar Huis, waar
hij woedend de kamer van McIntosh binnenstormde.
„Jij bent de grootste stommerik, dien ik ooit heb gezien”, brulde hij
tot zijn handlanger.
„In hoeverre?” vroeg de ander op onverschilligen toon, dikke rookwolken
uit zijn sigaar halend.
„Je hebt twee brieven aan inspecteur Baxter geschreven over Raffles en
hem ons plan verraden.
„Ben je krankzinnig geworden?— —”
„In ’t geheel niet”, antwoordde McIntosh met een spottend lachje, „maar
jij bent zelf niet wijs, om dien Raffles te vertrouwen.”
„Bemoei je niet met mijn zaken, dat herhaal ik je nog eens. Je schijnt
niet te weten wat je doet.”
„Zeker”, spotte McIntosh, „ik weet heel goed wat mijn plan is. Ik wil
onze millioenen redden.”
„Een mooie manier!” hoonde Mr. Geis, „je hebt een grenzenlooze domheid
begaat. Als het mij niet gelukt was, den inspecteur gerust te stellen
en de heele zaak als ’n grap te doen voorkomen, dan zou ik nu ook het
genoegen hebben kennis te mogen maken met de gevangenis.”
„Dat begrijp ik niet”, sprak McIntosh opstaande. „Zou je mij dat nader
willen verklaren?”
„Zeer eenvoudig”, antwoordde Mr. Geis. „Als de inspecteur naar
aanleiding van je brief Raffles gevangen had genomen, dan had deze mij
natuurlijk als den hoofdschuldige aangewezen.”
„Daaraan heb ik niet gedacht”, bromde McIntosh, „maar je hadt immers
kunnen ontkennen.”
„Ontkennen?” riep Mr. Geis. „Had ik kunnen ontkennen. Raffles draagt in
z’n borstzak een schriftuur van mijn hand, dat hij zich zekerheidshalve
door mij liet geven.”
„Wat voor een schriftuur?” vroeg McIntosh ongerust.
„Eene verklaring”, antwoordde Mr. Geis, „waarin ik bekende aan Raffles
te hebben opgedragen, de millioenen-deposito’s uit de Bank te nemen en
ze met mij te deelen.”
„Je bent waarachtig de grootste dwaas, die er bestaat”, riep Mr.
McIntosh uit, „waar had je je verstand, waarop je je altijd zoo
beroemt?
„Hoe kon je dien man zoo’n schriftuur geven?”
„Hij eischte het, en ik vertrouwde hem.”
„Je zult eens zien, hoe bedrogen je uitkomt,” zei Mr. McIntosh. „Ik
geloof, dat ons heele plan in ’t water is gevallen.”
„Jij maakt me zenuwachtig,” sprak Mr. Geis, „doch ik kan aan je woorden
geen geloof schenken.”
„Ik mag het lijden,” antwoordde Mr. McIntosh, „wanneer zal de diefstal
plaats hebben?”
„Reeds vannacht,” gaf Mr. Geis ten antwoord.
„Allright,” sprak Mr. McIntosh, „morgen zul je de millioenen kwijt
zijn.”
Terzelfder tijd was Raffles met Mr. Brand in zijn werkkamer bezig
honderden stadsbrieven in couvert te sluiten. Ze droegen de adressen
van de depositeuren der Lincoln-Bank, terwijl de inhoud der brieven,
door Charly Brand geschreven, eensluidend was.
Het liep tegen tienen ’s avonds, toen Raffles zich, vergezeld van zijn
vriend en secretaris, naar de Lincoln-Bank begaf. De beambte, die
nachtdienst had, keek verwonderd op, toen beiden toegang verzochten.
Hij herkende echter den procuratiehouder der Bank en opende zonder
wantrouwen de deur der zware ijzeren poort en het zich daarachter
bevindende hek.
Raffles en Charly Brand traden de vestibule binnen. Het was doodstil in
het groote gebouw. Aan den nachtportier, een ouden vroegeren militair,
verzocht Raffles hem met zijn op de borst bevestigde lantaarn op de
trappen voor te lichten.
toen zij Raffles’ kamer hadden bereikt voelde de portier zich
plotseling van beide kanten aangegrepen en vóór dat hij had kunnen
schreeuwen was hij geboeid.
Doodsbleek van schrik keek hij naar den gewaanden procuratiehouder en
diens makker en met trillende lippen fluisterde hij:
„Spaart mijn leven, heeren”.
„Wij doen u niets,” antwoordde Raffles, „als gij u stil houdt. Het
spijt mij, u onaangenaam te moeten zijn, maar het is onvermijdelijk. Ik
moet u een prop in den mond stoppen, opdat gij niet schreeuwt. Doe uw
mond maar open.”
De nachtportier gehoorzaamde willoos, als verlamd van schrik en Raffles
knevelde hem.
Nu nam hij hem de sleutels van het gebouw af, ook zijn lantaarn en
begaf zich met Charly Brand naar de stalen, onderaardsche schatkamers.
Het was. voor Raffles een kleinigheid, de zwaar gepantserde deur te
openen en de millioenen uit de brandkluizen te halen. Het was
geldswaardig papier der Engelsche Bank en niemand zou hebben vermoed,
dat het pakket, dat niet grooter was dan een gewone reiskoffer,
millioenen bevatte.
In een eenvoudige houten kist droeg Raffles de millioenen weg.
Ongestoord verliet hij met Charly Brand het gebouw, sloot de deur en
begaf zich naar de Oxford-Street. Hij en zijn vriend waren reeds een
paar honderd meter van het gebouw der Bank verwijderd, toen hij tot
Charly sprak:
„Ik hoor, dat iemand ons volgt. Laat ons langzamer loopen en zoodra wij
stappen achter ons hooren, moeten wij ons plotseling omdraaien om te
zien, wie ons volgt.”
Langzaam gingen hij en Charly verder en duidelijk hoorden zij achter
hun rug de haastige schreden van een man. Hij was nog wel eenige meters
van hen verwijderd, toen Raffles zich plotseling omkeerde, in het
volgende oogenblik de kist met bankpapier op den grond liet vallen en
met een behendigen sprong den man bij de keel greep, die juist van plan
was, met opgeheven dolk Raffles neer te steken.
Een zware vuistslag van den grooten onbekende trof den man tegen den
slaap, zoodat hij zonder een kik te geven neerviel.
„Daar ligt hij als een meelzak,” sprak Raffles, terwijl hij den
bewustelooze het wapen afnam.
„De kerel komt mij bekend voor,” meende Charly.
„Zeker,” lachte Raffles, „het is onze oude vriend, dien wij geboeid op
het rotseiland hebben achtergelaten. Hij is ontkomen. Een kranige
kerel! Nu zou ik wel eens willen weten, hoe die man achter ons plan ten
opzichte der Lincoln-Bank is gekomen en in welke betrekking hij tot Mr.
Geis staat. Hij moet iets met hem te maken hebben.
„Ik vermoedde dadelijk, dat hij een werktuig was van dien
schurkachtigen Geis en dat de vent wilde probeeren, mij uit den weg te
ruimen. Nu, ik zal het morgen van Mr. Geis persoonlijk vernemen. Laat
ons verder gaan.”
Zij namen de kist met de geldswaardige papieren weer op en, zonder zich
verder om den bewustelooze te bekommeren, verdwenen zij in het
nachtelijk duister.
Tegen vier uur in den morgen verscheen de auto, zooals Geis het met
Raffles had afgesproken, op de bepaalde plaats, maar tevergeefs wachtte
zij op Raffles. Na een uur te hebben gewacht reed de chauffeur heen en
deelde Mr. Geis mede, dat de heer dien hij moest meebrengen, niet was
gekomen.
Deze tijding maakte den bankdirecteur zenuwachtig.
Wat kon er gebeurd zijn?
Zou McIntosh toch gelijk hebben en Raffles den buit alleen willen
behouden?
Met een vloek holde hij de kamer van McIntosh binnen, maar daar was
niemand aanwezig.
Terwijl hij nog nadacht over de zaak en zich afvroeg, wat er toch
gebeurd kon zijn, werd de deur geopend en McIntosh sleepte zich met
moeite de kamer binnen.
Hij zag er vreeselijk uit. Zijn rechteroog was met bloed beloopen en
door den slag, dien Raffles hem had toegediend, had hij een geweldige
neusbloeding gekregen, zoodat zijn overjas met een korst bloed was
bedekt.
Zijn roode haren hingen verward over zijn voorhoofd en het straatvuil
kleefde overal aan zijn kleeren.
„Wat is er gebeurd?” vroeg Geis, den arm van McIntosh angstig grijpend.
De gewonde ging met moeite zitten, braakte een vreeselijken vloek uit
en riep:
„Dat jij in een gekkenhuis behoort, is zeker!”
„Waar kom je vandaan?” herhaalde Geis.
„Van Raffles,” antwoordde McIntosh, „van dien vervloekten schurk. Kijk
eens, hoe hij mij heeft toegetakeld. Een half uur lang heb ik
bewusteloos in de Oxfordstreet gelegen en de millioenen zijn naar den
bliksem.”
„Ben je krankzinnig?” hijgde Mr. Geis, „wat is er dan met het geld? Ik
verwacht Raffles elk oogenblik!”
McIntosh barstte uit in een hoongelach:
„Ik had gelijk. Een dief kan men niet voor zich laten stelen. En ik
herhaal, dat de millioenen zoo zeker naar den duivel zijn, als ik hier
voor je zit. Zoek ze, waar de peper groeit! Je ziet er geen penny van
terug.”
Mr. Geis moest gaan zitten, zijn knieën knikten, hij begon te beven en
de geheele kamer draaide met hem rond.
„Is het werkelijk waar?” fluisterde hij met gebroken stem.
„Als ik in God geloofde, zou ik het je in zijn naam zweren”, sprak
McIntosh. „Luister, wat mij overkomen is.
„Ik wilde het geld voor ons redden want ik begreep, wat er zou
gebeuren. Ik nam mijn dolk en wachtte voor de Lincoln-Bank, totdat deze
ellendeling en zijn vriend het gebouw zouden verlaten. Was hij volgens
afspraak naar de wachtende auto gegaan, dan zou ik naast den chauffeur,
dien ik goed ken, zijn gesprongen en mee naar hier zijn gereden.
„Dan had ik mij vergist en alles was goed geweest.
„Maar het ging anders en wel juist zoo, als ik dacht. Raffles ging niet
naar links, maar rechts de straat in. Dadelijk begreep ik, wat mij te
doen stond. Zoo zacht als ik kon, sloop ik achter het tweetal aan in de
schaduw der huizen en wilde eerst Raffles en daarna zijn vriend mijn
dolk tusschen de ribben stooten.
„Het zou mij ook gelukt zijn, als Raffles niet zulke uitstekende ooren
had. Terwijl ik hem naar de andere wereld wilde helpen, verraste hij
mij met een ouden truc, bij de detectives bekend. Hij keerde zich om en
velde mij neer door een enormen vuistslag.
„Wat er verder gebeurde weet ik niet. Een ding is echter zeker, hij is
met zijn millioenen niet naar hier gekomen. De duivel hale den hond.”
Het gelaat van den bankdirecteur was vaalbleek geworden. Hij begreep,
dat hij bedrogen was. Zijn gedachten joegen door zijn brein als
stormvogels en hij wist geen uitweg, hoe de gestolen millioenen terug
te krijgen.
„Het spel is verloren,” sprak McIntosh, die zijn gelaat met water
bette. „Als je mijn raad had gevolgd en den kerel aan de politie
overgeleverd, dan had ik vannacht het geld gehaald en wij waren rijk.
Als ik je niet dankbaar moest zijn, dan zou ik je voor je grenzenlooze
domheid doodslaan.
„De eenige raad, dien ik je geven kan, is deze, dat je morgenochtend
dadelijk naar de Bank gaat, Scotland Yard op de hoogte brengt en
tracht, Raffles en zijn buit te achterhalen.”
Dat was een laatste stroohalm voor Mr. Geis, waaraan hij zich kon
vastklampen en de eenige hoop, die hem overbleef. Toen hij de kamer
wilde verlaten, sprak McIntosh:
„Ik geloof, dat het het verstandigst zou zijn, als wij Londen
verlieten. De duivel mag weten hoe deze geschiedenis afloopt!”