Raffles las den brief meerdere malen aandachtig door. Daarop lachte hij
luid en sprak tot Brand:
„Dat is een zeer merkwaardige zaak, die mij daar door de post werd
toegezonden. Men schijnt mij te verwisselen met Sherlock Holmes. Ik
moet een schat van ongeveer vier millioen op een onbekend eiland gaan
zoeken! Het is onzinnig!”
Hij las nogmaals den brief door, om het adres der afzendster te weten
te komen, maar tevergeefs. Er was geen enkele aanduiding te vinden,
betrekking hebbende op de woonplaats der afzendster.
„Echt vrouwenwerk,” sprak Raffles, „ik moet haar helpen, maar weet niet
eens waar zij woont.”
Hij nam de bijgezonden kaart en bekeek deze.
„Een eigenaardige chaos,” vervolgde hij tot Charly Brand, „het eiland
ziet er uit als een groote kreeft en ik betwijfel ten zeerste, of het
ding wel bestaat. Bovendien heb ik nooit gehoord, dat een eiland als
dit, waarop een kleine vulkaan is aangegeven, koraalriffen bezit. Kijk
eens naar die kaart!”
Charly Brand bestudeerde haar met groote opmerkzaamheid, schudde het
hoofd en sprak:
„Ik denk, dat wij aan de Lloyd misschien inlichtingen kunnen krijgen,
waar een dergelijk eiland te zoeken is. Daar heeft men de beste en
nieuwste kaarten van de geheele wereld.”
„Ik dacht daar ook reeds aan. Wij kunnen het probeeren.”
Zij gingen naar het bureau van de Lloyd en de ambtenaren van deze
grootste zeevaartmaatschappij der wereld raadpleegden urenlang kaarten.
Reeds wilden zij hun pogingen opgeven, toen zij een oude kaart vonden,
die misschien uit de 16e eeuw afkomstig was. Ook deze vergeleken zij
met de kaart, welke Raffles had meegebracht.
Beide vertoonden opvallende overeenkomst met elkaar, maar de
koraalriffen, die op de kaart van Raffles voorkwamen, ontbraken op de
andere. De beambte van de Lloyd verklaarde echter als zeer
waarschijnlijk, dat het wel een onjuistheid zou zijn van de teekenaars
der kaart, welke Raffles bezat, daar de bedoelde riffen geen
koraalbanken waren, maar zand- of steenhoogten. Het eiland droeg den
naam Rocky-eiland en bevond zich dicht bij de westelijke kust van
IJsland.
„Gij kunt met een stoomboot,” zoo vertelde de beambte, „het eiland in
vier dagen bereiken. Gij zult in Southampton, voor zoover ik in de
scheepslijsten kan vinden, een boot, genaamd „Hertha” treffen, die
reeds morgen naar IJsland vaart Het is een walvischvanger, veel
geriefelijkheden zult gij aan boord niet vinden.”
Toen Raffles het gebouw der maatschappij had verlaten, ging hij met
Charly Brand naar een groot restaurant, waar hij zwijgend zijn diner
gebruikte.
Nadat de maaltijd was afgeloopen, sprak hij, onder het rooken van een
cigarette:
„Ik zal naar IJsland varen en beproeven, het eiland en den schat te
vinden.”
„Ik ontraad het je,” antwoordde Charly Brand. „Wie weet, of het eiland,
dat men ons op het bureau der Lloyd heeft aangeduid, hetzelfde is, dat
je zoekt.”
„Dat hindert niet,” antwoordde Raffles hem. „Dan beschouw ik mijn vaart
als een pleiziertochtje. Morgen gaan wij van Southampton naar IJsland.”
Op de boot, die hen naar de plaats van bestemming bracht, bevond zich
behalve hen beiden nog een passagier, en dat was McIntosh.
Hij gaf zich uit als walvischjager en Raffles vermoedde niet, dat hij
de afzender was van den brief, met het doel om hem uit Londen naar het
eenzame eiland te lokken en hem te vermoorden.
Gedurende den overtocht deed McIntosh niet de minste moeite om kennis
te maken met Raffles.
McIntosh kende uit vroeger dagen, toen hij meerdere zeereizen had
gemaakt, het kleine eiland aan de westkust van IJsland en wist, dat het
zelden door menschen werd bezocht.
Bij aankomst in de haven van IJsland verdween hij spoorloos en Raffles
deed moeite om een visscher te vinden, die hem naar het onbekende
eilandje zou willen brengen. Eerst nadat hij twee dagen lang gezocht
had, gelukte hem dit en na een vaart, die vier-en-twintig uur duurde,
bracht de visschersboot hem naar het kleine, onherbergzame eiland.
In de door riffen omgeven haven vonden de beide vrienden een bootje
liggen. De eigenaar van het visschersvaartuig was hierover zeer
verbaasd; hij had niet gedacht, dat er menschen op het eiland waren.
Raffles beval hem, drie dagen lang met zijn boot te wachten in de
kleine, door rotsen ingesloten haven.
„Wees voorzichtig,” sprak de visscher tot Raffles, toen bij hem aan
land bracht. „Dit eiland is vol gevaarlijke plekken; ik bracht verleden
jaar een gezelschap, bestaande uit Duitschers en Engelschen, naar het
Noorden van het eiland, en tot op den huidigen dag is geen van hen
teruggekeerd. In de moerassen of in de heete zwavelbronnen zullen zij
den dood hebben gevonden. Wij zeggen altijd, dat dit land de menschen
verslindt en wij noemen IJsland het begin van de hel. Weest dus
voorzichtig, heeren. De bodem is vulkanisch.”
Raffles bedankte den vriendelijken ouden man en ging aan land. Hij en
Charly Brand hadden zich voorzien van wollen dekens, houweelen, touwen
en proviand, om het eenige dagen op het eiland te kunnen uithouden.
Het was een woeste, rotsachtige streek, die zij doortrokken. Slechts
met moeite konden zij vooruitkomen. Rotsen, ijsbergen en afgronden
versperden hun den weg.
Ondanks dit alles volgde Raffles nauwkeurig de richting naar de plek,
die op zijn kaart was aangeduid als bergplaats van den schat.
In den avond maakten zij in een kleine grot hun legerstede klaar en
Raffles bereidde een stevig glas groc op een meegebracht
spiritustoestel.
„Wij bevinden ons in eigenaardige. omstandigheden,” sprak Raffles. „Wel
een beetje ongemakkelijk om te slapen, maar overigens vind ik de lucht
hier beter dan in ons mistige Londen en men behoeft niet bang te zijn,
hier een inspecteur Baxter te ontmoeten”.
„Daarin heb je gelijk,” lachte Charly Brand, „ik denk, dat wij de
eenige levende wezens op het eiland zijn.”
Zij hadden verscheiden uren gerust, toen Charly, die achter in het hol
lag, en die door de ongemakkelijke houding en de buitengewone
omstandigheden den slaap niet kon vatten, een geluid hoorde, dat hem
vol oplettendheid naar den ingang van het hol deed kijken.
Duidelijk onderscheidde hij in het nachtelijk duister de gedaante van
een man, die in den ingang stond en blijkbaar luisterde.
Hoewel Charly niet vreesachtig was beefde hij nu toch van angst. De
onbekende bukte zich en kroop langzaam naar hen toe. Het bloed stolde
den jongen man in de aderen, zijn keel was als dichtgeknepen en hij kon
van ontzetting geen woord uitbrengen. Hij wilde schreeuwen, maar het
lukte hem niet.
Hij wilde een beweging maken om Raffles, die rustig slapende, naast hem
lag, te wekken, maar hij kon zich niet bewegen en geen geluid te
voorschijn brengen. Zijn tong was als verlamd, en slechts met de oogen
volgde hij elke beweging van den man, die zoo ongeroepen was komen
opdagen.
Het was Charly Brand duidelijk, dat hij niets goeds in het schild
voerde, eveneens twijfelde hij er geen oogenblik aan, dat hij en Lord
Lister tegen dezen schurk gezamenlijk moesten optreden als zij hem
onschadelijk wilden maken.
Hoe verschrikte hij echter, toen de vreemdeling plotseling vlak bij den
grooten onbekende was gekomen en zijn hand ophief, waarin hij een dolk
hield, die gericht was op de borst van den rustig slapenden man. Het
scherpe wapen blonk in het zacht maanlicht.
Daar gelukte het Charly—op het uiterste oogenblik—een luiden gil uit te
stooten en den rechterarm van Raffles heen en weer te schudden.
Dadelijk sprong Lord Lister op met een gewapende Browning-revolver in
de hand.
„Wat is er?” riep hij verbaasd uit.
Charly had eerst eenige minuten noodig om van zijn schrik te bekomen.
Daarop vertelde hij in korte, afgebroken woorden, wat hij gezien had.
Raffles lachte hem uit en meende, dat alles een droombeeld, een
hersenschim was geweest. Toen echter zijn jonge vriend stellig
verklaarde, dat hij zich niet vergist kon hebben en dat hij den
sluipmoordenaar vlak bij zich had gezien, werd Raffles ernstig en begon
hij nauwkeurig het geheele hol door te zoeken. Geen spoor werd echter
van den vreemdeling ontdekt.
Lord Lister en Charly zochten ook in den naasten omtrek van hun
legerplaats, echter zonder iets verdachts te vinden.
Nergens was een spoor van eenig levend wezen.
Rotsblokken van grilligen vorm lagen overal om hen heen verspreid en
boden veilige schuilplaatsen aan voor meerdere aanvallers.
De beide vrienden bleven het verdere gedeelte van den nacht wakker en
spraken samen over het Londensche zaakje met Mr. Geis.
Des morgens gingen zij weer op weg en Raffles zocht bij elken stap,
dien zij aflegden, of hij misschien een spoor kon ontdekken van den
onbekenden bezoeker van vorigen nacht.
Maar in den rotsachtigen bodem bleven geen voetsporen achter.
Tegen den avond waren de beide wandelaars tot op eenige uren afstand
van hun einddoel genaderd.
Maar de snel invallende duisternis maakte het hun onmogelijk om verder
te gaan. Onder een uitstekend rotsblok legden Raffles en Charly Brand
zich, in hun dekens gehuld, neer, nadat zij waren overeengekomen om
beurtelings te waken.
Het was bijna middernacht en Charly wilde juist zijn vriend wekken,
toen hij door twee sterke armen van achteren werd beetgepakt en zijn
keel zoo vast werd dicht gedrukt, dat hij geen geluid kon geven. Alsof
hij een veertje was, zoo werd hij met zijn deken opgelicht en door
iemand, dien hij niet kon zien, weggedragen.
Het was McIntosh, die zijn slachtoffers had gevonden.
Tevergeefs trachtte de jonge man zich uit de armen van zijn vijand te
bevrijden.
De man, die hem wegdroeg moest over reuzenkrachten beschikken.
Want zonder eenige moeite en zonder dat hij zijn zwaren last een
oogenblik neerzette, droeg hij hem eenige honderden meters ver.
Charly Brand gaf eindelijk de moeite op om zichzelf te bevrijden.
Allerlei gedachten vlogen door zijn brein. Het was hem onverklaarbaar,
welk belang deze sterke man in hem kon stellen. En dat niet alleen hij
onschadelijk gemaakt zou worden, zei hem een onbepaald voorgevoel.
Maar waarom dit alles? Waarom?
Hij zag geen kans om Raffles te waarschuwen tegen het onbekende lot,
dat hem wachtte. Hij zag duidelijk in, dat zijn vriend, dien hij zoo
innig vereerde, het offer zou worden van den een of anderen spitsboef,
die eerst hemzelf van kant zou maken.
Hij zag, hoe deze man, wiens armen hem als in ijzeren schroeven
vasthielden, naar de legerstede van Raffles zou sluipen en den rustig
slapenden jongen man het koude staal in de borst zou stooten.
Deze en dergelijke gedachten doorvlogen bliksemsnel zijn hersens,
zonder dat Charly een middel kon vinden, hoe hij zijn vriend nog zou
kunnen redden.
Plotseling bleef de man, die hem droeg en dien hij niet kon zien, staan
en liet zijn vracht op den bodem glijden. Charly Brand wikkelde zich
uit zijn deken en keerde zich snel om. Maar zijn onzichtbare vriend was
sterker dan hij. Op het oogenblik, dat Charly den koelen nachtwind
inademde en zijn hoofd uit de deken stak, greep een sterke vuist zijn
hals van achteren beet en drukte zijn hoofd naar omlaag.
Daarop omvatte een arm zijn lichaam en tilde hem hoog in de hoogte.
En nu zag Charly Brand voor zijn verschrikte oogen een afgrond, waaruit
witte dampen opstegen.
Met een duivelsch lachje hield zijn onbekende vijand hem eenige minuten
in deze vreeselijke houding vast. De arme jongen beleefde
verschrikkelijke oogenblikken, terwijl hij boven den afgrond zweefde.
En er bestond geen mogelijkheid om aan de vuisten van zijn tegenstander
te ontkomen, er was geen uitweg, geen kans op redding.
Hoewel Charly Brand wist, dat zijn laatste uur was aangebroken, verloor
hij geen oogenblik zijn tegenwoordigheid van geest. Nog eenmaal keek
hij om zich heen, als wilde hij de plek, waar hij den dood zou vinden,
nauwkeurig onthouden.
Het was een woeste, romantische streek, waar de beide mannen zich
bevonden. Rondom hen staken allerlei rotsblokken hun kale kruinen in de
hoogte, rechts onder hen, wel honderd meter diep, lagen vulkanische
meren, wier zwarte, gladde wateroppervlakken als spookachtige
geestenoogen naar den nachtelijken hemel en de maan opkeken.
Vlak vóór Charly stegen merkwaardige witte dampen op, waarvan hij de
herkomst eerst niet begreep, totdat hem inviel, dat deze sissende damp
veroorzaakt werd door heete, onderaardsche bronnen. Nu wist hij ook,
welk vreeselijk lot hem wachtte. Dat niemand hem meer kon helpen, als
hij eenmaal daar beneden was, begreep hij zeer goed. Want nog nimmer
had men de rotsklooven, die gevormd worden door de vulkanen van
IJsland, onderzocht.
Nu liet de onbekende man zijn slachtoffer los en met een vreeselijken,
doordringenden gil, die duizendmaal weerkaatst werd door de steile
rotsmuren, stortte Charly Brand in den schier bodemloozen afgrond.
Een hoonend lachen van den misdadiger was het eenige antwoord op den
doodskreet van den jongen man.
Daarop sloop hij als een reusachtige panter naar de legerstede terug,
om Raffles denzelfden weg te doen opgaan van zijn eerste slachtoffer.
Maar het gebeurde anders.
De kreet van ontzetting, door Charly Brand geslaakt, had Raffles
gewekt.
Dadelijk was hij opgesprongen en had gemerkt, dat de plaats, waar
Charly Brand had gelegen, leeg was.
Terwijl hij nog nadacht, welke geheimzinnige macht zijn vriend had doen
verdwijnen, zag hij, hoe plotseling vóór hem in het nachtelijk donker
de gestalte van een man opdook.
Nog voordat Raffles zijn revolver kon opnemen, sprong de man als een
tijger naar hem toe en greep hem bij de keel.
Een vreeselijke strijd begon. Geen enkel geluid werd vernomen, behalve
het onstuimige hijgen der beide mannen, die op leven en dood met elkaar
vochten. Ieder van hen wist dat en verdubbelde zijn inspanning om den
kamp te winnen.
McIntosh had de kracht van Raffles onderschat. Al was deze ook iets
kleiner dan McIntosh en al bezat hij niet zooveel lichaamskracht,
Raffles was een uitstekend geoefend worstelaar, terwijl hij lenig was
als een aal.
Terwijl McIntosh ruw vocht, verdedigde de ander zich met alle trucs,
waarin geoefende sportslui bedreven zijn. Het lukte den Ier niet,
Raffles te overweldigen en hij probeerde daarom met een snelle
handbeweging, een dolk uit zijn broekzak te voorschijn te halen, om
dezen den grooten onbekende tusschen de ribben te stooten.
Maar deze poging werd hem noodlottig.
Nauwelijks had zijn hand Raffles vrijgelaten, of deze maakte van de
gelegenheid gebruik en bracht zijn tegenstander een geweldigen
vuistslag tegen den slaap toe.
Als een gevelde boomstam viel de schurk, zonder een kik te geven,
bewusteloos neer.
Nu was het voor Raffles het werk van een paar seconden om den
gevaarlijken kerel met behulp van de meegenomen touwen te binden.
Na korten tijd ontwaakte McIntosh tandeknarsend van woede uit zijn
verdooving; hij zag zich in Raffles’ macht. Deze had zijn electrische
zaklantaarn te voorschijn gehaald en liet het licht vallen op het
hatelijke gezicht van den moordenaar.
„Vervloekte hond!” beet hem de geboeide toe.
Raffles had een cigarette aangestoken en blies den vloekenden man den
rook in het gelaat. Hij herkende den voorgewenden walvischjager, die
met hen samen van Engeland op dezelfde boot naar hier was gekomen.
„Uw vloeken is belachelijk”, sprak Raffles, „houdt uw mond, anders
krijgt gij nog een vuistslag. Als het dag is, zullen wij elkaar wel
nader spreken.”
Bij die woorden ging hij dicht bij den gevangene zitten, legde de
revolver onder zijn bereik naast zich en luisterde met gespannen
aandacht naar elk geluid, dat in zijn ooren drong. Maar niets verbrak
de nachtelijke stilte.
McIntosh was opgehouden met vloeken, toen hij zag, dat zijn vijand zich
niet door hem liet beleedigen. Hij beet zich in machtelooze woede op de
lippen. Hoe gaarne had hij zijn gehaten tegenstander met een enkelen
dolkstoot in de eeuwigheid geholpen! Dit was hem echter ten eenenmale
onmogelijk en hij dacht erover na, welke straf hem te wachten zou
staan.
Wel vreesde hij den dood niet, maar toch voelde hij weinig lust, om
hier zijn leven te verliezen. Dat de straf, die hem zou treffen, wreed
zou zijn, wist hij van te voren. Hij had reeds zooveel van den grooten
onbekende gehoord en gelezen, en diens groot rechtvaardigheidsgevoel
had telkens den schuldige weten te straffen.
Met woede in het hart gaf de reus zich aan zijn noodlot over. In elk
geval stond het bij hem vast, dat, als hij ooit weer in vrijheid zou
komen of als het hem mocht gelukken, zich te bevrijden van de vuisten
en boeien van Lord Lister, hij een nieuw leven wilde beginnen, maar
zich eerst bloedig zou wreken op zijn doodsvijand.
Met koortsachtig ongeduld verwachtte Raffles het aanbreken van den dag
en zoodra de eerste zonnestraal de rotsen van het eiland verlichtte,
verliet hij de rustplaats en kroop hij als een Indiaan, een bepaald
spoor volgend, over den steenachtigen bodem.
Met onbegrijpelijke zekerheid vond hij den weg, waarlangs Charly Brand
in den nacht was weggesleept.
Pluisjes en draadjes wol van de deken, waarin Charly was gewikkeld en
weggedragen, en die hier en daar aan de rotsen waren blijven hangen,
brachten hem, nadat hij een uur lang gezocht had, naar de rots, van
wier top McIntosh Charly naar beneden had geslingerd.
Aan den voet van deze rots bevond zich een trechtervormige kloof, welke
gevormd was door een vulkaan. Heete waterdampen stegen eruit in de
hoogte. Zij beletten Raffles om naar beneden in de kloof te kijken,
toen hij neerknielde en zich over den rand van den afgrond boog.
Als bij intuïtie begreep hij, dat Charly zich in deze kloof, onder de
uitstekende rotsen, moest bevinden.
Hij hield zijn handen bij wijze van trechter voor den mond, opdat het
geluid versterkt zou worden en riep:
„Charly, Charly!”
„Hallo,” klonk het terug en zoo dichtbij, dat Raffles verbaasd was.
„Waar ben je, Charly?” riep Raffles opnieuw.
„Hoogstens twee meter van je verwijderd,” antwoordde Charly Brand.
„De kloof wordt hier beneden nauwer zoodat de opening slechts een
handbreed is, Wat je daar boven zeker niet kunt zien. Ik lig hier als
in een Romeinsch stoombad. Ik heb al geprobeerd, naar hoven te klimmen,
maar de rotswanden zijn te glibberig en ik kan geen steunpunt krijgen.”
„Wacht een oogenblik, ik zal je helpen!”
Raffles trok zijn jas uit en maakte daarvan een dik koord; dit liet hij
daarop naar beneden. Nadat hij tevergeefs te midden van den damp naar
de plek had gezocht, waar Charly zich kon bevinden, nam hij plotseling
waar, dat aan de neergelaten jas werd getrokken en Charly Brand riep:
„Ik houd vast. Trek mij op.”
Langzaam, bij kleine eindjes tegelijk, trok Raffles zijn vriend uit den
waterdamp en, nat als een kat, kwam deze te voorschijn.
„Ik geloof,” lachte Charly Brand; „dat ik mijn geheele verdere leven
geen warm bad meer noodig zal hebben.”
„Heb je je bezeerd?”
Charly wreef zijn knieën en ellebogen:
„Bijna mijn nek gebroken. De schurk wierp mij met het hoofd naar
beneden de diepte in en ik dacht in duizend stukken te zullen vallen.
Maar met een saltomortale draaide ik mij, even vóórdat ik op den
rotswand aankwam, om en ik heb alleen mijn huid geschramd aan de knieën
en ellebogen.”
„Dank den Hemel, Charly, dat de geschiedenis weer zoo goed is
afgeloopen. Het scheelde deze keer maar een haartje en nu raad ik je,
snel terug naar onze slaapplaats, opdat je je van droge kleeren kunt
voorzien. Den schurk, die je naar beneden heeft gegooid, heb ik
vastgebonden en je kunt hem, als je er zin in hebt, van het heete bad
laten genieten, dat voor jou bestemd was.”
McIntosh wierp een blik vol woede op Raffles, toen deze met Charly
Brand aankwam.
„De duivel hale je!” siste hij.
„Jij hebt je spel verloren,” sprak Raffles, „het boezemt mij echter
veel belang in, waarom je dezen aanval op ons hebt gewaagd.”
„Loop naar de hel,” vloekte McIntosh, „ik geef jullie geen antwoord.”
Raffles maakte van droge takken en hout een vuurtje, opdat Charly zich
hierbij kon warmen en zijn kleeren drogen. Daarop maakte hij een
ontbijt gereed en, nadat de weer vereende vrienden behoorlijk hadden
gegeten en Charly Brand zich zoo goed mogelijk had verkleed, sprak
Raffles:
„Nu zullen wij gaan zoeken naar de plek, waar zich de schat bevindt en
den schurk zoolang geboeid hier achterlaten.”
„Misschien ontvlucht de kerel en valt hij ons opnieuw aan,” meende
Charly.
„Dat zou hem slecht bekomen,” lachte Raffles. „Laat ons nu gaan.”
Na een wandeling van twee uur bevonden zij zich op de plek, diep op de
kaart was aangegeven. De groote steen bevond er zich werkelijk en
dadelijk ontdekten zij versche sporen, die erop wezen, dat iemand had
geprobeerd, den schat mee te nemen.
Met zijn houweel bewerkte Raffles den bodem en na korten tijd stiet hij
op een houten kistje, dat hij met een slag verbrijzelde. Het bevatte
echter een ijzeren cassette, die van zware sloten was voorzien.
„Wij hebben den schat en als ik mij niet heel erg vergis, is de man,
die ons overviel, bekend met ons geheim. Hij heeft ons uit den weg
willen ruimen om den schat alleen te bemachtigen. Wij zullen de
cassette ongeopend meenemen naar het schip.”
Raffles bond touwen om het ijzeren kistje en daar dit te zwaar was om
het te kunnen dragen, trokken zij het beide achter zich aan als een
slede.
Toen McIntosh Raffles ontdekte met zijn buit, brulde hij van woede als
een waanzinnige en trachtte met geweld zijn boeien te verbreken.
Raffles had inderdaad zijn schat ontdekt.
McIntosh was zoo lichtzinnig geweest om zijn kaart, welke hij aan
Raffles zond, teneinde dezen uit Londen weg te lokken, nauwkeurig te
copieeren.
Sinds tientallen van jaren had hij op dit afgelegen eiland zijn buit,
alles wat hij had geroofd en door moord had verkregen, in veiligheid
gebracht.
Zijn doel was geweest om zijn schat mee te nemen naar Londen en daar te
leven van de millioenen, die de ijzeren kist bevatte.
„Ik zie,” lachte Raffles, „dat wij je spaarpot hebben gevonden. Je kunt
gerust zijn, mijn vriend. Ik zal een goed gebruik maken van den
inhoud.”
„Wat zullen wij met den man doen?” vroeg Charly Brand. „Hij verdiende
een kogel door de hersens.”
„Mijn beste jongen,” antwoordde Raffles, „ik houd het schieten voor een
nuttelooze uitvinding. In de eerste plaats kost het patronen, in de
tweede plaats knalt het en prikkelt de zenuwen en ten derde is het
doelloos. Men kan op een andere wijze met zijn vrienden afrekenen. Wij
zullen dezen heer hier laten liggen bij zijn leege brandkast. Dat zal
voor hem een grootere straf zijn, dan wanneer wij hem naar de andere
wereld hielpen.
„Vooruit, wij gaan naar onze boot terug!”
Zij namen verder geen notitie van McIntosh, die brulde van woede, maar
trokken de cassette achter zich voort. Nog urenlang hoorden zij te
midden der rotsen het vreeselijke geschreeuw van den achtergelaten man.
Zonder verdere avonturen bereikten zij den volgenden dag het strand en
met behulp van den visscher brachten zij den gevonden schat aan boord
van het schip.