Twee dagen na deze conferentie ontving Raffles met de ochtendpost een
brief van den volgenden inhoud:
„Hooggeachte heer!
Ik weet niemand op de wereld, die mij zou kunnen helpen dan gij. Ik
ben een wees. Mijn moeder heb ik nooit gekend, mijn vader was
koopman en reeder in Trinidad. Vandaag voor twee jaar, voordat ik
meerderjarig werd, stierf mijn vader aan een beroerte, zonder een
testament te hebben nagelaten. Daar ik bloedverwanten, noch iemand
bezat, die mijn vertrouwen genoot, regelde ik met behulp van een
advocaat, die mij door de rechtbank werd toegewezen, de
nalatenschap van mijn vader en vond daarin onder meer, behalve
eenige duizenden ponden sterling, waarvan ik tot heden leef, een
landkaart, waarvan ik u een nauwkeurige schets toezend.
Aan de keerzijde van die kaart heeft mijn vader genoteerd, dat een
ontrouw beambte, Pelugro genoemd, hem een vermogen van vier
millioen had ontstolen, waarmee hij ongeveer vier jaar geleden zou
zijn gevlucht.
Mijn vader heeft het spoor van dien man gevolgd en is te weten
gekomen, dat hij op een onbekend eiland den schat verborgen heeft
en met een deel van het geld naar Parijs is getrokken.
Hij zou het geld juist daar hebben verborgen, opdat het niet,
ingeval hij in Parijs gevangen zou worden genomen, in mijn vaders
handen zou vallen. Eerst als mijn vader gestorven was, zou hij den
schat gaan halen.
Pelugro is intusschen gestorven. Men wilde hem in Parijs
arresteeren en bij het gevecht, dat hij daar voerde met de hem
achtervolgende detectives, is hij door een schot gedood. Al wat men
op hem vond, waren 100,000 francs en de kaart van het onbekende
eiland.
Tot dusverre is het mij nog niet gelukt, dit eiland uit te vinden.
Ik ben nu zonder geld en daar ik zoo dikwijls in de couranten over
u gelezen heb en heb gehoord, dat gij een edelmoedig mensch zijt,
wend ik mij nu tot u en smeek u, mij te willen helpen.
Ik woon tijdelijk in een Londensch pension.
Intusschen blijf ik met de meeste hoogachting.