Westkust van Sumatra

In enkele uren draagt de langs een tandradbaan klimmende trein den

reiziger uit het witte en het zwarte stof van Emmahaven naar Fort

de Kock. De spoor dient voor het vervoer van de Ombilinsteenkool,

waarvan datzelfde zwarte stof afkomstig is, en dat merkt men

zoowel aan den buitengewoon lagen prijs van het vervoer (het

personenvervoer is immers maar een bijzaak naast de hoofdzaak, het

steenkolenvervoer) als aan het schrikkelijke stuiven en warrelen

van scherp steenkolenstof in de wagens en aan de wolken stinkenden

en verstikkenden rook. De onaangenaamheden zijn trouwens gering in

vergelijking met de onberekenbare voordeelen die de steenkool de streek

heeft aangebracht. En verder is de reis zoo mooi, dat men al spoedig

aan niet anders dan aan genieten en bewonderen meer denkt. Door aldoor

stijgend landschap gaat de weg, in lange slingeringen. De kloof der

Anei gaat open. Achter trage golvingen van den grond rijzen heuvels

op, dan berghellingen, donker oerwoud, waarvan schuimwit, de beken

met wervelende watervalletjes afstorten in de onstuimige rivier,

grijs-blauw als een alpenstroom wanneer de sneeuw smelt. Al koeler

waait de wind den uitkijkende in het gezicht. De Inlanders die aan

de stopplaatsen langs de lijn wachten, de jonge meisjes vooral,

hebben een roodachtigen schijn door het bruin der wangen spelen.

Fort de Kock ligt binnen een krans van bergen, Merapi, Singalang,

Sago, Ophir, en de tallooze lagere kruinen en deinende heuvelklingen,

die groen en bruin golven tusschen het blinkende blauw dier steile

toppen. De frischheid van de bergen ligt als een waas over alle

dingen in het stadje. Er is overal geruisch en geklok van water,

een glans van natte rijstvelden in diepte van golvige dalletjes, heel

licht groen op de hellingen, een koele lucht, een reuk van bloemen,

die rijk bedauwd in de zon staan. Alle tuinen zijn vol rozen. Zelfs

zoo maar in het wild langs veldweggetjes en tusschen hagen bloeien

licht-roode maandrozen. En scheiding tusschen landstraat en erven

maakt niet een gemetseld muurtje of houten heining, maar het dichtste

gewas van breedbladige heesters, overschitterd van goud-geel gebloemte.

Op zijn aardigst is Fort de Kock 's Zondags, wanneer het pasar is. De

straat loopt omhoog naar het wijde marktplein, geleidelijk eerst,

dan, steil, als een heel breede trap, zooals men in Italiaansche

stadjes wel ziet. Van de hoogte af, waar men staat als aan den rand

van een recht-afvallend ravijn, ziet men uit de lage verte van den

weg, wit blinkend tusschen het groen van boomrijen, het pasarvolk

er aankomen, stuwend als een langzame bonte rivier. Boven het vlak

der voetgangers steken hotsende karbouwenkarren op. Aan den voet van

de steilte verdeelt zich de stroom. De hotsende karren, achter de

breede grauwe buffelbeesten aan, stuwen, nòg langzamer, tegen den

traag-stijgenden weg op, die langs het aardige park tegenover het

residentie-erf buigt, overschaduwd door een reusachtig-spreidende

groep waringins. De voetgangers beklimmen de breede trap. Aan den

kant, in de waringin-schaduw, staan de eerste stalletjes. Daar begint

al het markten, het gonzende gebabbel, het toonen en bekijken. De

helder gekleurde baadjes van de vrouwen, waar de slendangs en de op

een bijzonder sierlijke wijze gevouwen hoofddoeken in afstekende

tinten tegen uitblinken, maken den zonneschijn bont. Op het wijde

plein, waar de markt gehouden wordt, heeft het bestuur enkele jaren

geleden loodsen laten bouwen; sedert is het verkeer zóó toegenomen, dat

jaarlijks f 20.000 aan pacht voor verkoopplaatsen in de negari-kas komt

en het getal pasar-bezoekers op drukke dagen tot 40.000 stijgt. Men

krijgt een goeden indruk van de welvaart der bevolking en van haar

nijverheid en handelsgeest hier. De menschen zijn, over het algemeen,

goed gekleed. Niet mooi, wel is waar; vooral jonge vrouwen en alle

aankomende meisjes loopen in een soort vormloos, om den hals als een

zak dichtgehaald hemd met lange mouwen: en de eigenlijke landsdracht,

door die onbeholpen nabootsing van slechte Westersche modellen al

meer en meer verdrongen, de lange kabaja, die, aan den hals ondiep

ingespleten, over het hoofd heen wordt aangetrokken, en tot over

de knieën afhangt, is al evenmin sierlijk, al helpt hier de bonte,

aardig gedrapeerde slendang, en de hoofddoek, geplooid op een heel

eigenaardige en sierlijke wijze, die, wonderlijk genoeg, herinnert

aan den hoofdtooi van de vrouwen op sommige vroeg-Italiaansche

schilderijen. Maar zoo al niet bevallig, wèl goed verzorgd, zindelijk

en frisch van kleur is over het algemeen de kleedij van de vrouwen,

die daarenboven nog vermooid wordt door allerlei gouden en zilveren

sieraad. De dracht van de mannen is, als overal buiten Java en Bali,

leelijk en karakterloos. Maar dat zij, even goed als de vrouwen, een

geheel anderen tooi kennen voor feestdagen, en wat meer beteekent,

dat het volk het geld heeft om zich dien tooi aan te schaffen, ziet men

in de kraampjes van Silindoengsche weefsels en sarongs uit Atjeh. Dat

is allerprachtigst goed, het eene geheel doorschijnend, het andere

stijf en hard van dichtheid, zijde alle twee en doorweven met goud-

en zilverdraad. Een Siloengkangsche sluier kost een tien tot vijftien

gulden, een sarong uit Atjeh van vijf en twintig tot tachtig. Men ziet

hier ook waar het geld vandaan komt, dat tegen zulke kostbare dingen

opweegt; ten minste, waar het voor een groot deel vandaan komt; van

den handel, dien het volk in eigen handen heeft. Op dezen geheelen

vollen pasar, waar naast de voortbrengselen van het vruchtbare land,

import uit Europa, Amerika, Britsch-Indië, Siam, China en Japan te koop

ligt, is niet één vreemde koopman, Chinees noch Arabier te zien. Op

Java hebben die het heft in handen, de Chinees die zijn winkels

en werkplaatsen over het heele eiland heeft staan, de Arabier die

rondgaat met het linnen geldzakje over den schouder, waar de Javaan

zoo weinig uithaalt en zooveel in terug brengt. Op Borneo zijn het

Chineesche stoomertjes, die de Barito bevaren om boschproduct. Zelfs

op de Bataksche hoogvlakte zijn het Chineezen, die den opkoop van

vruchten, groenten, eieren en kippen georganiseerd hebben voor de

markt te Medan en den zorgeloozen Batak, behalve de moeite ook de

winst afnemen. De Minangkabauer echter doet zijn eigen zaken zelf af.

Rondom Fort de Kock ligt een krans van welvarende dorpen, daar kan

men zien hoe dit volk zijn huizen bouwt. Het verval in stijl en goeden

smaak, dat een onafscheidelijke schaduwzijde is van de hier en nu nieuw

groeiende dingen, doet zich ook hier gevoelen aan haastig saamgeflanste

vierkante bouwsels onder een dak van gegolfd zink. Maar er is toch nog

overvloedig genoeg van inheemschen trant om zulk een dorp een lust

voor de oogen en voor de gedachte te maken. De huizen staan hoog,

dikwijls op palen; een trap, die soms van steen gemetseld is en met

treden en balustrade in sierlijken zwaai zich opricht, klimt naar den

ingang. De deur is versierd met snijwerk, dat in sprekende kleuren

beschilderd is. In overeenstemming met de versiering der deur is de

geheele wand van het houten huis getooid; een breede lijst kleurig

snijwerk loopt beneden langs de ramen; een smallere boven, waarvan

de kleuren en de figuren licht gedempt worden door de schaduw van den

dakrand, en waar, in den wind wuivend, allerlei fijn plantengroeisel

over afhangt, orchideeën en varens, mossen, teer slingergewas, dat in

de dichtgespreide palmvezel van het dak, de zwarte idjoek, zijn behoef

aan voedsel en vochtigheid vindt. Boven al dat bonte van groen, kleur

en soms sober aangebracht verguldsel, rijst het dak donker en hoog, met

een lange nok, gebogen als de halve maan, waarop een tweede, kleinere

nok rust, volgens dezelfde schoone lijn gebogen, zoodat vier slanke,

scherpe spitsen twee aan twee oprijzen tegen de lucht. Aan de huizen

van rijke geslachten--want het huis is onvervreemdbaar familiebezit

hier--is nog een afzonderlijke uitbouw aangebracht in de lengte, van de

vloerbalken tot aan de spits van den gevel zoo kwistig gebeeldhouwd,

beschilderd en verguld, dat het denkbeeld van bouwwerk verdwijnt,

voor dat van een architectonisch kleinood. En de schoonheidszin van

den Minangkabauer heeft met den bouw van zulk een woning nog geen

volle bevrediging gevonden. Neen! nu moet hij ook zijn voorraadschuur

nog bouwen en tooien in denzelfden trant. Dwars door een tuin, die vol

bloemen en bloeiend vruchtgeboomte staat, maakt hij een breed pad naar

den ingang van zijn erf; en aan weerszij daarvan zet hij een kleine

rijstschuur, als een wieg van onder smal en van boven breed, op palen

geheven, met een overhangend dak gedekt, en aan alle vier de wanden,

van beneden tot boven, bont van vroolijk-kleurig ornament. Zulk een

woonstee met den blauwen Indischen hemel er boven, en het welige

groen der gaarde half verbergend, half omlijstend, rondom, iets

mooiers is niet te bedenken. En het genot van den beschouwer wordt

volkomen door de wetenschap, dat die verheugelijke woning een vesting

is en een sterkte, onneembaar voor welken vijandelijken nood ook,

onvervreemdbaar de tijden door, waarin van moeder op dochter, al een

geheele afdalende reeks gezinnen uit hetzelfde geslacht zijn kinderen

heeft grootgebracht, en waarin nu nog ongeborenen zullen opgroeien,

even veilig als eens die eersten, wier trots op het familiebezit in

den rijken tooi van huis en voorraadschuren zijn uiting vond.

Althans, zoo zal het wezen, indien het aloude stelsel ongerept blijft,

dat de Minangkabauer tot nog toe heeft gehandhaafd, zelfs tegen den

geestdrijvenden Islam in, het matriarchale stelsel. Maar zal dat oude

blijven? Het is de vraag. Het heeft nieuwe vijanden gekregen in dezen

allerlaatsten tijd.

Volgens de jongste onderzoekers van de geschiedenis van het

matriarchaat is deze vorm van het gezinsleven, voortgekomen uit de

uitbreiding van den exogamischen huwelijksregel over een geheele

groep van onderling gehuwde stammen verloren gegaan daar waar een

volk van het zwervende jagersleven overging tot landbouwbedrijf en

handel. Toen de man de plaats van kostwinner voor het gezin hernam,

door de vrouw bezet gehouden zoo lang haar arbeid in den landbouw in

het klein meer leeftocht verschafte dan de zijne op de wisselvallige

jacht, hernam hij ook de overmacht, en het patriarchale recht werd

buiten alle vergelijking grooter dan ooit het matriarchale geweest was.

Bij de Minangkabauers is het echter anders gegaan. De landbouw is

hun voornaamste middel van bestaan en het zware werk daarvan wordt

door de mannen verricht. De handel bloeit en is, althans in zijn

belangrijkste onderdeelen, geheel in handen van de mannen. Maar

niettemin heeft onder hen het matriarchale stelsel zich gehandhaafd

tot op den huidigen dag toe.

Zoo als het in den loop der tijden geworden is, werkt het hoofdzakelijk

als een economische bescherming van de familie, vertegenwoordigd in

de eerste plaats door haar vrouwelijke leden.

In de Minangkabausche familie is al het vaste goed, het huis, het

erf, het veld, eigendom van de moeder en erfdeel van de dochters. Ook

hebben zij alléén en uitsluitend het vruchtgebruik daarvan, waarover

zij beschikken naar eigen goeddunken. Echter mag ook de moeder van

dit bezit, dat niet geldt als het afzonderlijk-hare, maar als het

bezit der geheele familie, geen, hoe gering ook, gedeelte verkoopen

of op eenige wijze vervreemden. Alleen in geval van nood, en dan nog

alleen na raadplegen met en met goedkeuring van de geheele familie,

mag het, voor een bepaalden tijd, verpand, wanneer voldoende zekerheid

gegeven wordt, dat het te rechter tijd weer ingelost zal worden.

Op die wijze is het beschermd tegen slecht beheer en verkwisting van

den man niet alleen, maar evengoed tegen slecht beheer en verkwisting

van de vrouw zelve. Raadgever en helper van de gezins-moeder,

vertegenwoordiger van haar en haar gezin naar buiten en verdediger

van hun rechten, is haar oudste broeder. De geheele familie waakt er

voor dat hij zijn plichten vervult en van zijn rechten geen misbruik

maakt. En zijn erfgenamen zijn niet zijn eigen kinderen, maar de

kinderen zijner zuster, wier toeziende voogd (om met een nieuwtijdsch

woord de oude betrekking te noemen) hij levenslang is geweest. Zijn

opvolger, of in het (zeldzame) geval van ontzetting zijn vervanger,

is de in leeftijd op hem volgende broeder, of bij ontstentenis,

naaste mannelijke bloedverwant in de vrouwelijke linie. De echtgenoot,

van zijn kant, staat in dezelfde verhouding tot en vervult dezelfde

plichten jegens zijn eigen, vrouwelijke, familie, als nader hem

aangaande dan het uit zijn huwelijk voortgekomen gezin. Zoo houden de

oudere vormen van verwantschap en huwelijk te midden van de nieuwere

overheerschend stand.

De Minangkabauers hebben bij deze inrichting hunner maatschappij zich

klaarblijkelijk wèl bevonden. Want zij hebben met hand en tand er aan

vastgehouden, de tijden door, tegen alle vreemde invloeden in. En

zoo ijverige Mohammedanen ze zijn, tegenover het Mohammedaansche

patriarchaat hebben zij hun matriarchaat gehandhaafd. Zelfs de

Padris hebben die oude sterkte niet kunnen slechten. Zij staat op

den huidigen dag nog vast. En als men hier, waar trouwen, scheiden

en hertrouwen toch even gemakkelijk gaat als op Java, en ook, als op

Java, het huwelijk polygaam is, niet als op Java, verstooten vrouwen

vindt die bedelen of zich verkoopen en verlaten gezinnen die te gronde

gaan, dan is dat te danken aan het matriarchaat. De Javaansche en de

Minangkabausche familie zijn te vergelijken bij een rijstveld op de

bergen en een rijstveld in het dal. In een mild seizoen staat ook het

van regen afhankelijke bergveld welig en onder de zorg van een goeden

vader gedijt ook het Javaansche gezin. Maar er zijn dorre jaren en er

zijn nalatige vaders. Het rijstveld in de vlakte echter, door leidingen

bevloeid en omringd met dijkjes, groent en bloeit, ook al valt weken

achtereen geen regen, en het Minangkabausche gezin heeft dak, voedsel

en kleedij, ook al is de vader een verkwister of een doeniet.

Dat is de goede kant van het oude stelsel.

Maar er is een andere.

De Europeesche tegenstanders van het matriarchaat beweren dat het de

mannen lui en zorgeloos maakt, omdat zij zich altijd zeker voelen van

een toevlucht in het moederhuis; en onverschillig voor hun kinderen en

voor eigen-gewonnen geld tegelijkertijd omdat zij toch aan die kinderen

dat geld niet kunnen nalaten, maar altijd de gedachte hebben dat zij

werken en sparen voor hun zusters-kinderen. Van Inlanders zal men zulk

een redeneering niet hooren. Zij schijnt ook moeilijk te bewijzen. Een

doe-niet zou niet geduld worden in het moederhuis. De handelsgeest en

ondernemingszin van den Minangkabauer, die den Chinees en zelfs den

Arabier van de markt houdt--en dat niettegenstaande zijn overdreven

vereering van al wat met den Islam samenhangt--bewijst voldoende dat,

integendeel, de uitsluiting van erfelijk bezit middellijk gunstig

op hem heeft gewerkt: een geval te vergelijken bij dat van jongere

zoons uit Engelsche groot-grondbezittersfamilies, die door noodzaak

gedreven, den weg van den arbeid opgaan, en krachten ontwikkelen die

anders waarschijnlijk verschrompeld zouden zijn. Immers, nergens

anders dan in Engeland vindt men afstammelingen van aanzienlijke

geslachten menigvuldig onder de uitbreiders en vermeerders van het

rijk. En wat de onverschilligheid omtrent hun kroost betreft, zij

wordt in gelijke zoo niet hoogere mate gevonden onder de patriarchaal

georganiseerde bevolking van de overige eilanden van den Archipel. De

Minangkabauers met wie ik hierover sprak waren eenparig van oordeel

dat, hier zoowel als ginder, die onverschilligheid een der vele

treurige gevolgen is van het polygame huwelijk, dat het vormen van

een eensgezind gezin belet, en den groei van al de zachte gevoelens

die daaruit ontkiemen. Hun grieven tegen het matriarchaat,--want ook

Inlanders en vooral de vooruitstrevenden onder hen hebben die--hun

grieven waren andere. Zij achten in de eerste plaats de vrouw zelve

benadeeld er door. De "adat," die haar veiligheid verleent, ontneemt

haar vrijheid en de mogelijkheid van zelfstandige ontwikkeling.

Als het kind meisje wordt, sluit men haar op in het moederhuis, en daar

blijft zij, als een gevangene haast, zoo streng bewaakt, tot den dag

van haar huwelijk toe. Zelfs naar den pasar gaat zij niet, noch naar

het veld. Op den akker--dien de vaders en de broeders bebouwen--ziet

men niet anders dan kleine meisjes of oudere vrouwen, het allerlichtste

werk verrichten en den mannen het eten brengen. In het oorspronkelijke

matriarchale stelsel past die opsluiting van de vrouw niet, zoomin

als haar uitsluiting van den veldarbeid, die immers juist haar eigen

en eigenlijk werk was in de allervroegste tijden. Dat moet onder den

invloed van den Islam er in zijn gekomen. Het is te begrijpen dat

het den vrouwen veel kwaad doet. En nog meer, zoo mogelijk, schaadt

hen het vroege huwelijk. Het is geen zeldzaamheid dat een meisje van

twaalf, dertien jaar wordt uitgehuwelijkt. Zij kent haar aanstaanden

man niet, noch hij haar, geen van beider toestemming wordt gevraagd,

de wederzijdsche ouders beslissen en handelen voor hen. Het meisje

krijgt in den regel (in de streek rondom het meer van Singkarah gebeurt

dat niet, naar ik van inlanders hoor) een bruidschat mee. Waar dit de

regel is, houdt men zich zoo stipt daaraan, dat de adat de verplichting

tot het meegeven van den bruidschat heeft gemaakt tot een van de vier

gevallen waarin vaste goederen verpand mogen worden. [23] Het jonge

paar krijgt een vertrek in het moederhuis ter bewoning. Ook getrouwd

blijft dus een vrouw onder de bescherming wel, maar tevens onder het

gezag van haar moederlijke familie, in het bijzonder van het hoofd

dier familie, den oudsten broeder der moeder, den "mamak." Tot een

eigen, zelfstandig familie-leven komt zij nooit. Het gebeurt wel,

dat een man, die een voldoend eigen inkomen heeft, een huis inricht

in de kampong waar zijne vrouw bij hem komt inwonen. Maar ten eerste

is zulk een inkomen een betrekkelijk zeldzaam voorkomend iets, daar

een man verplicht is met het zijne zijn moeder en zusters bij te

staan. En verder is ook onder de Minangkabauers het polygame huwelijk

in zwang. De drie of vier vrouwen van een man wisselen elkander af in

zijn huis. En geen van allen beschouwt het als het hare of wijdt er

eenige de minste zorg aan. Nog liever dan in zulk een schijn-tehuis

zijn zij in de moederlijke woning, onder der moeder gezag en dat van

den "mamak."

Op de jongens werkt het stelsel even ongunstig in den

tegenovergestelden zin: inplaats van dwang bewerkt het voor hen

bandeloosheid. Op zijn tiende jaar al--en soms vroeger nog--gaat

een jongen het moederhuis uit en krijgt zijn plaats in een der

gemeenschappelijke mannen-huizen van het dorp. Hoe hij daar opgroeit

is na te gaan: in het wilde. Lichamelijke verwaarloozing is het minste

nog van de kwaden, waartoe hij, noodzakelijkerwijze, vervalt. Het

wordt ook niet beter als hij opgroeit en trouwt. In het huis van

zijn vrouws familie blijft hij de gast. Rechten heeft hij enkel in

het mannenhuis van zijn eigen familie, in de "soerau."

Dit dan zijn de, inderdaad, ernstige grieven, die ontwikkelde

Minangkabauers hebben tegen het in andere opzichten weer hoog door

hen gewaardeerde matriarchaat.

Het stelsel begint te brokkelen, niet door hun of iemands persoonlijk

toedoen, maar onder de inwerking van veranderende--en in al sneller

tempo veranderende--omstandigheden. De Minangkabauer is buitengewoon

intelligent, hij bezoekt vlijtig en met uitstekend gevolg de

gouvernementsscholen, hij slaagt bij examens, hij wordt ambtenaar,

en het is uit met het leven in de kampong. Hij moet gaan waar zijn

ambt hem roept. Nu kan hij niet langer een min of meer tijdelijke

inwoner zijn in het huis van zijn schoonmoeder. Hij moet een eigen

huis hebben, een eigen gezinsleven is het gevolg; aan welk gevolg weer

een geheele reeks gevolgen hangt. Veelal is het monogame huwelijk

daaronder. Verder laat de oude structuur los op die plekken waar de

behoefte aan gereed geld er aan gewrikt heeft. Het adat-verbod van

verkoop van vaste goederen wordt door hoe langer hoe meer bezitters

in den wind geslagen: het kàn niet gehandhaafd in vele gevallen. Een

nieuwe ontwikkeling is, door denzelfden nood begunstigd, onder de

vrouwen begonnen. Zij gaan naar nieuw-opgerichte industriescholen om

kant te leeren maken, dien zij verkoopen. Verscheidenen al kunnen

lezen en schrijven, zelfs onder de ouderen; de meisjesscholen zijn

vol. Een pionierster van de vrouwenbeweging, de dochter van een

inlandschen onderwijzer aan de kweekschool te Fort de Kock, heeft als

eenig meisje onder al die jonge mannen den cursus afgeloopen en een

buitengewoon goed examen afgelegd. Zij is nu naar Batavia gegaan om

te leeren voor de Nederlandsche hulponderwijzers-acte. De zoon van

denzelfden vooruitstrevend-gezinden voorganger van zijn volk is te

Batavia werkzaam op een handelskantoor en verloofd met een meisje dat

hij in zijn vaders huis heeft leeren kennen, en met wie vrije keuze

hem verbonden houdt. Dat alles zijn dingen die tegen den ouden adat,

zooals hij oorspronkelijk is en zóo als hij onder vreemde invloeden

is geworden, rechtstreeks ingaan. De strijd is begonnen tusschen het

oude en het nieuwe. Men moet hopen, dat de uitkomst het goede ongerept

zal laten dat het oude, terecht, aan vele harten dierbaar maakte,

en eerwaardig.

Natuur en Menschen in Indië · 第 37 / 71 题