Onder de Karo-Bataks

In gezelschap van den besturenden ambtenaar waren wij de nieuwe

leiding bij Payong gaan zien, die aan de menschen en de velden

dezer van droogte verterende streek water toe zal voeren. Een lange

ris vrouwen, den bamboe-schalm op het hoofd, die hier voor emmer,

schepper, kan en vat wordt gebruikt, kwam juist het steile paadje

van het dorp naar de rivier af. Ons ziende, bleven zij staan. "Eh,

zusters, wat zijn dat voor Hollandsche mannen, die met den Toewan

Besar zijn meegekomen?" Eene riep terug: "Dat zijn geen mannen,

maar vrouwen!"--"O, vriendinnen!, hoor Djaroeng, hoe zij spot! Zij

noemt mannen vrouwen!"--"Neen, vaders-zuster, ik spot niet! Die

twee zijn werkelijk Hollandsche vrouwen." Al de vrouwtjes begonnen

te lachen. Wat? Geen sarong noch slendang aan, en geen doek op het

hoofd, maar een witten hoed, zooals de Groote Heer zelf er een droeg,

en op den openbaren weg in zijn gezelschap en in gesprek met hem,

en geen last op het hoofd, noch een kind in de draagsjerp, neen,

geheel en al niets doende, vrij en frank, voor eigen genoegen gaande

naar eigen wil--dat zouden vrouwen wezen? Zelfs de kleine meisjes,

wichtjes van een jaar of vijf, zes, die met een nog kleiner wicht op

den rug zwoegden, moesten er om lachen.

Zoo zeldzaam zijn nog, daar waar de groote weg ophoudt, de aanrakingen

geweest tusschen Hollanders en Bataks.

Er zijn vier stammen van Bataks: de Toba, in de streek rondom het

Toba-meer, die voor de bakermat van het volk geldt; de Timor ten

Oosten, de Pakpak ten Westen van hen; en in het Noorden de Karo,

die voor de meest beschaafden gelden. Onze kritische beschouwsters

bij de waterleiding waren Karo-vrouwen.

Het is een demokratisch-gezind slag. Voor de expeditie van 1904 en de

regeling der toestanden door het gouvernement leefden zij in hun dorpen

onder het gezag van hoofden, die zij zelven kozen en handhaafden zoo

lang het hun goed docht. Het beginsel van erf-opvolging bestond;

maar sterker dan die theorie was de practijk, die eischte,--en

doorzette--dat de best-geschikte hoofd werd. Die geschiktheid bestond

in vaardigheid met de tong en vaardigheid met de vuist. Een radja moest

welbespraakt zijn. Want elk Karo-dorp had altijd door geschillen met

elk ander Karo-dorp, over akkers, over recht van jagen, van visschen,

van houtkappen, van weiden en gras-snijden. En die geschillen werden

in den raad der dorpshoofden besproken en beslecht. Ieder hoofd trad

daar op als advokaat van zijn dorp: het kwam er dus op aan dat hij

een goed advokaat was. Verder werden geschillen, die op die vreedzame

wijs niet bijgelegd konden, uitgevochten met de wapens. Dat gebeurde

veel. Want de uitspraak der hoofden-vergadering was niet bindend;

alleen raad-gevend. Wilde iemand dien raad niet aanvaarden, dan zei hij

het en trok van leer. In het gevecht van dorp tegen dorp, (dat evengoed

particuliere als gemeenschaps-aangelegenheden betreffen kon; want het

was in alle dingen één voor allen en allen voor een bij de Bataks),

was, alweer, de radja de aanvoerder; daarom kwam het er op aan dat hij

een goed soldaat was. Was hij het een en het ander, dan bleven zijn

aanhangers hem trouw, en hij behoefde zich weinig te bekommeren om de

op erf-opvolging gegronde aanspraken van mededingers. Te Kaban-Djahe,

het groote welvarende dorp dat om ligging, zielental en rijkdom door

landbezit en opkomenden handel wel kan gelden als hoofdplaats der

Karo-Bataks, wonen nog twee hoofden, die het echte type van dien tijd

vertoonen, de een vooral vechtersbaas, de andere vooral redenaar; zij

zijn bekend onder de teekenende namen van "de Grove" (Pa M'Belgah)

en "het Lampje" (Pa Palita) mededingers van oudsher, en natuurlijk,

elkanders doodsvijanden. De redetwisten waaruit Het Lampje zegevierend

te voorschijn kwam zijn verwaaid. Maar de sporen van de oorlogen door

den "Grove" uitgevochten zijn menigvuldig in en rondom Kaban-Djahe.

Die oorlogen werden namelijk gevoerd van kleine vestingen en

hinderlagen uit. Elke heuveltop die den omtrek van het vijandige

dorp overheerscht was een vesting. En hinderlagen werden gemaakt

door het graven van een kuil in den ruig-bewassen grond, waarin een

man zich staande kon verbergen, tot aan de oogen toe: hij zag en

werd niet gezien: wie er aankwam dien schoot hij in de beenen. Er

vielen niet vele dooden bij die "oorlogen," het was veel geschreeuw

en weinig wonden. Maar de schade aan veld en vee toegebracht was

dikwijls belangrijk. En altijd bestond de kans dat de Atjehers er bij

kwamen, wanneer het met zulke schade niet afliep. De Atjehers waren de

"condottieri" der Bataks: zij vochten voor eigen voordeel in anderer

zaak. Zij kwamen hun hulp aanbieden tegen betaling. De Karo's waren

van die hulp dikwijls gansch niet gediend; maar namen aan, tegen heug

en meug, omdat ze niet anders durfden. De Atjehers waren vechtersbazen,

hun klewangs sneden vleesch. En als ze de overwinning hadden bevochten

betaalden zij zichzelven onpartijdiglijk uit het bezit van bondgenoot

en vijand beide. Zoo was het een toestand van voortdurende onrust,

van voortdurend gevaar waarin de Bataks leefden. Dat is misschien

wel de reden waarom zij zich zoo weinig verzet hebben tegen de

annexatie. Terwijl zij bukten voor de macht van den sterkere,

begrepen zij dat zulk bukken hun voordeel zou kunnen aanbrengen. Het

waren maar enkele dorpen die zich ernstig verweerden. Van de meesten

kwamen de hoofden hun onderwerping aanbieden, na niet veel meer dan

een schijn van verzet. Eéne voorwaarde echter stelden zij allen,

zonder uitzondering, en met den meesten nadruk: de grond moest hun

eigendom blijven, dat zonder hun wil niet vervreemd kon worden. Zij

wilden geen toestanden als in het benedenland, waar de sultans het land

verkochten aan de planters. Toen zij die toezegging ontvangen hadden

legden zij zich zonder meer bij de nieuwe toestanden neer. Zij schijnen

er tevreden onder, nu. Waarschijnlijk is het betalen der belasting op

den duur nog voordeeliger dan de kwade kansen van het oorlogje voeren

[22]. En van de heerendiensten zien zij het resultaat in goede wegen,

toenemend vervoer en volle markten.

In het begin, trouwens, trachtten zij daar hun vrouwen voor

te spannen. De vrouw van den Batak is nu eenmaal zijn werk- en

last-dier. Dáárvoor heeft hij haar van haar vader gekocht. En als zij

zijn veldarbeid deed, waarom dan niet zijn arbeid in heerendienst? Bij

dozijnen stonden de vrouwen te graven, te houwen en te hakken aan

den weg. Het werd verboden. Dat gaf een rumoer! En niet, als een

Westerling denken zou, onder de mannen alleen, neen, de vrouwen

waren het die het luidst protesteerden. Huilend kwamen zij op het

kantoor van den ambtenaar. "Ach Groote Heer, heb medelijden! Ach, ach,

mijn arme man! Och, och, mijn lieve zoontje! Hij moet werken! werken

met een spade! Wij bidden den Grooten Heer, dat wij het mogen doen,

zooals het toch de plicht is van ons vrouwen!"--Zij hebben de bakens

verzet sedert. Nu kan men ze zien komen: "Mijnheer, wilt u zoo goed

zijn en mijn man eens manieren leeren? Hij wil zijn werk niet doen!"

Het eigenlijke werk van den Batak is de akkerbouw. Dat gaat op tamelijk

primitieve wijze. Er is op de Hoogvlakte weinig, men mag wel zeggen

géén bevloeid land, en even weinig water. De smalle beken loopen door

beddingen, diep ingesleten in den lossen tuf-grond. Van de heuvels

af gezien lijken het ravijnen, wat donkerder groen van struikgewas en

geboomte tusschen het lichte groen van den alang-alang. Er is weinig

plaats voor den sawah-bouw van Javanen en Baliërs. De Batak bouwt op

drogen grond. In eeuwenlangen roofbouw heeft hij den bodem uitgeput,

zoodat bemesting noodzakelijk is geworden. Waar dat wordt ingezien,

is een schrede vooruit gedaan op den goeden weg. Daar ziet men over

het geheel meer arbeid en zorg besteden aan den grond, en ook beter

gereedschap: den ploeg bijvoorbeeld. Maar als hij er kans toe ziet,

bespaart de Batak zich die inspanning en maakt een rijstakker door

een veld alang-alang of een met struweel begroeide helling in brand te

steken. Eenige jaren achtereen geeft de grond hem dan vanzelf vrucht

genoeg. Dien bodem ploegt hij ook niet met een kouter. De vrouwen gaan

er heen, een heele schaar, van twaalf tot twintig. Op een rij staande,

stooten zij aangepunte staven in den grond, bewegen die tweemaal heen

en weer, en wrikken, alle tegelijk. Groote schollen aarde worden zoo

opgelicht en gekeerd. Daarmee is dan de akker voldoende bewerkt. Het is

een zonderling gezicht, zulk een rij den grond "omstekende" vrouwen;

met hun lange staken lijken zij lans-draagsters, zich oefenend in

een spiegel-gevecht.

De roekelooze wijze van roof-bouwen door het verbranden van gras

en struikgewas, die den bodem op zichzelf verarmt--immers de hitte

doodt de micro-organismen die hem vruchtbaar maken,--bedreigt ook

nog den woudrijkdom, of althans wat van den vroegeren woudrijkdom

is overgebleven, der streek. Zoodat toestanden te vreezen zijn als

waaronder tegenwoordig Italië lijdt--vermindering van regenval, en,

bij het neerkomen van buien, wegspoelen der teelaarde door de nergens

tegengehouden waterstroomen. Dit, om nog te zwijgen van het gebrek

aan timmer- en aan brandhout. Maar de Batak is, als in het algemeen

de natuur-mensch, zorgeloos. En zelfs strenge straffen helpen maar

weinig tegen een kwaad dat zijn gemak dient.

De rijst op droge gronden groeiend eischt de zorgen niet die de

in moerasbed geteelde behoeft. Zij kan aan zichzelve overgelaten

tot den tijd van rijp worden. Dan komen wakers om de rijstdiefjes

te verjagen. En over het veld wordt een net van touwen gespannen,

dat door een enkelen ruk van het wachthuisje uit, in beweging kan

gebracht. Bonte lappen fladderen er aan; bamboe-schalmen geven

klappend en fluitend geluid, de boer loopt er langs en schreeuwt

vervaarlijk. Het ligt niet aan het rumoer, wanneer de rijstdiefjes

niet, verschrikt, zéer verre blijven.

Het oogsten is voor het heele dorp het groote feest van het

jaar. Daarvan blijft niemand weg. En de scholen laten de kinders vrij

om te gaan helpen.

De korrels worden, op den akker zelf, uit de aar gedreven, doordat

de oogsters ze met de voeten treden. Dan scheppen de vrouwen alles in

een vlakke mand die zij op het hoofd tillen: gaan in den wind staan,

en laten, vooroverbuigend, korrels, kaf, onkruid, aarde, alles in

een langzamen scheut ter aarde vallen. De wind die er door blaast,

voert den lichten afval mee; en de korrels vallen op een hoop.

In den avond komt men de vrouwen tegen met gevlochten zakken vol

rijst op het hoofd. Het stampen in het gemeenschappelijk blok is de

voltooiing van den arbeid.

Er kan rijst genoeg groeien in de Karo-streek om de bevolking te voeden

en nog een zekere hoeveelheid te exporteeren ook. Maar daarvoor zouden

andere methodes noodig wezen, en vooral, beter gereedschap. Dat echter

zal de Westerling er moeten brengen.

Hoewel nog altijd in de eerste plaats landbouwer, begint, sedert

er wegen door zijn land zijn aangelegd, de Batakker al meer en

meer handelsman te worden. Op den grooten weg, dien de vereende

arbeid van planters, gouvernement en zelfbestuur heeft aangelegd

van Medan naar de Hoogvlakte, gaan dag en nacht de Bataksche karren

heen en weer, die rijst, groenten, aardappels en vruchten naar Medan

brengen en van de stad terugkomen met petroleum, gedroogde visch,

geweven goederen en allerlei steedsche waar, vroeger onbekend

in de Batak-dorpen en tegenwoordig dagelijks gebruikt. Lucifers,

bijvoorbeeld. De ouderwetsche manier was (evenals bij ons) vuur

slaan met een vuursteen en een stukje metaal, en de vonk opvangen in

een soort tondel. Op de markt van Kaban Djahe heb ik een oud wijfje

vinden zitten, dat kleingeklopte vuursteenen te koop had en gezien

hoe klanten die kochten en zorgvuldig wegborgen in de lange lederen

rol met een zilveren ketting omsnoerd, waarin een Batak al zulk klein

gerief bij elkaar houdt; en den zilversmid van het dorp heb ik met

zulk een vuursteen en tondeldoos den houtskool-oven zien aanmaken,

waarin hij zilver ging smelten. Maar het jonge volk weet daar niet

meer van: het gebruikt lucifers. Op diezelfde markt, die "tiga,"

van gepraat zoemende als een bijenkorf, zoodat men haar hoorde

nog eer men haar zag, verborgen als zij lag binnen een kring van

uitgespannen karren, waaromheen de room-witte, bultige Bengaalsche

trekossen het wreede gras liepen af te weiden, her en der, tusschen

kittige Batak-hitjes in,--op diezelfde "tiga," waar het oude wijfje

zat met haar klein-geklopte vuursteenen, had een jonge Batak een heele

uitstalling van lucifersdoosjes, smaakvol geschikt tusschen pakjes

sigaretten in. De lucifers kwamen uit Japan. Daar had men den ouden

en den allernieuwsten tijd vlak naast elkander.

Met vele andere Bataksche dingen gaat dat als met de lucifers en de

vuursteenen. Het oude handhaaft zich nog, maar het nieuwe wordt met

den dag sterker. Daar gaan, over de heuvels, de oude "Batakpaadjes,"

de zonderlinge weggetjes die soms een heelen voet diep in den grond

zijn ingesleten, zoodat men er in loopt als met geboeide enkels: langs

die paadjes houdt het oude zijn oude sleur. Maar reeds komen er aan,

en aldoor komen zij dichter bij, en reeds is hun gang aangewezen,

de diepten van het binnenland in, reeds komen er aan de groote

wegen, breed dat karren er op rijden kunnen, en verhard, sommige,

tegen wegsleurend geweld van regenbuien: en langs die wegen houdt het

nieuwe zijn intrek. Men zou, met de oogen op den grond, kunnen zeggen,

wat van de twee in een streek te vinden is. Wel te verstaan, doen niet

alle groote wegen zoo goeden dienst: die van Koeala naar Koeta Tani,

die tegen het advies in van de meeste ambtenaren der streek door

de regeering is doorgezet, en wel ten koste van twaalf ton, loopt

door een verlaten streek, ten gerieve van heen en weer marcheerende

soldaten alleen. Maar daarentegen zal er nu een gemaakt worden, die de

Bataklanden, door den Medanschen weg reeds met de Oostkust verbonden,

ook met de Westkust verbindt. Van Pamatang Si Antar, het opkomende

cultuur-centrum in het land der Timor-Bataks (waarheen van Medan uit

een spoorlijn geprojecteerd is), zal die weg gaan, in aansluiting

bij een reeds bestaanden, maar die noodig verbeterd moet worden,

door Z.O. Tapanoeli, naar Balige, aan den zuidelijken oever van het

Toba-Meer, en vandaar dwars over het gebergte en door het land der

Toba-Bataks naar Siboga. Daarmee zal dan het geheele cultuurgebied in

Noord-Sumatra één geworden zijn, en de stroom van handel en verkeer

langs vrije banen kunnen vloeien.

Wat de toch nog zoozeer gestremde en belemmerde beweging tot nu

toe al gedaan heeft, merkt men aan kleine dingen en aan groote

beide. De Bataks hebben van Westersche instellingen er dadelijk

vier overgenomen, met ware geestdrift: lucifers, parapluies,

naaimachines en de gramofoon. Men komt geen Batak op reis tegen,

hetzij man of vrouw, anders dan met een parapluie op het hoofd

gedragen--zoo'n echte dikke "besteedster." Op elke tiga zit de

"toekang mesjien," de reizende kleermaker, die met een Wheeler en

Wilson op het hoofd van de eene tiga naar de andere wandelt, overal

met ongeduld verbeid, en been-kruiselings zich neerzet in de schaduw

van een uitgespannen ossenkar om badjoes en broeken in elkaar te

flansen en om de blauwe jakjes van Bataksche nufjes te versieren

met rijen lichtblauw stiksel. Wat de gramofoon aangaat, die is in de

Doesoen (de "kolonie" eigenlijk, dorpen, van het centrale Batakgebied

uit gesticht in het lagere land), in de Doesoen geloof ik, meer in

gebruik dan op de eigenlijke hoogvlakte: de Doesoen-Bataks zijn in

alle opzichten meer ge-europeaniseerd dan de bergmenschen, doordat

zij meer met Westerlingen in aanraking komen. Maar te Medan kan men

de Bataksche handelaars van "boven" in getale zich zien verdringen

rondom de open deur waaruit een gramofoon zingt, lacht, praat en

schreeuwt. Hoe meer geweld hoe mooier! Vuur; beschutting tegen den

regen; sieraad; luidruchtige vroolijkheid: dat hebben de Bataks om

te beginnen gekozen uit de mars van den grooten kramer: Europa.

De Doesoen-Bataks ook al betere dingen: bijvoorbeeld betere ideeën

omtrent schoonheid en hygiëne. De Bataksche adat eischt, evenals de

Javaansche, het afvijlen van de tanden: volgens Kruyt (Het Animisme in

den Indischen Archipel) een uiting van het algemeen onder animistische

volkeren verbreide idee, dat de geesten der afgestorvenen afgunstig

zijn op de levenden, om dat groote geluk van het leven, dat zij

moeten missen; en dat hun afgunst gepaaid moet worden met het ten

offer brengen van kleine gedeelten van de levende persoonlijkheid;

weshalve ook de overblijvende tandstompjes zwart gemaakt moesten

worden om ze aan de naijverige geestenblikken te onttrekken en

den mond geheel tandeloos te doen schijnen. Dat afvijlen van de

tanden is een barbaarsche proceduur, gruwelijk pijnlijk, hoewel de

gepijnigden, meisjes zoowel als jongens, er een eer in stellen,

de urenlange marteling te verdragen zonder een kik te geven. En

de ergste ontstekingen en ziekten in de van het beschermende email

ontbloote tanden zijn er natuurlijk het gevolg van. Onder den invloed

der gaaftandige Westerlingen beginnen nu de Doesoen-Bataks te breken

met dien adat. Een gaaf en blank gebit, vroeger voor "honden-tanden"

gescholden, vindt nu al zijn bewonderaars onder jonkvolk.

Veel is op dit punt van hygiëne te danken aan de zending, die

onvermoeid is in den strijd tegen vooroordeel en vuiligheid. Er

is wat te doen, op dat gebied, onder de Bataks! Hun dorpen zijn

ware broeinesten van besmettelijke ziekten: cholera, typhus,

pokken, allerlei walgelijke uitslag, lepra zelfs en nog andere

verminkende kwalen. Elk huis staat om zoo te zeggen boven zijn

eigen mesthoop. Dat dat niet zoozeer in het oog valt, is alleen te

danken aan de varkens. De gevolgen kan men zich voorstellen. Veel

is er al verbeterd sedert de vaccinatie is ingevoerd, wat in 1894

in de Doesoen, 1904 pas op de Hoogvlakte gebeurde. De Batak, die

zeer gesteld is op een gave, gladde huid, en de pokkenlitteekens

verafschuwt, greep het middel tegen de gevreesde ziekte aan. Maar

op andere punten is hij niet zoo licht te overtuigen geweest. En

van wat te dien opzichte is verbeterd, komt de eer grootendeels toe

aan de zending. Een zendingshuis hier is een kliniek, een apotheek,

een consultatie-kamer. Tweemaal dagelijks zag ik te Kaban Djahe de

zieken daarheen gaan. Zij kwamen met klachten, kwalen en wonden, en

gingen getroost en geholpen weer heen. De zending heeft ook een asyl

opgericht voor de leprozen; zonder tegenstand laten de ongelukkigen

zich daarheen brengen. Op dat punt is de Hoogvlakte er beter aan toe

dan Medan, waar de leprozen in al hun afzichtelijke verderfelijkheid

vrij door de straten loopen. Het gouvernement geeft hierin de

zending steun--en niet zonder dwingende noodzaak: want behalve dat de

sterke arm der politie nu en dan toch en terdege noodig is om orde

te houden onder de melaatschen, is ook de geldbuidel van den staat

noodig om aan hun onderhoud tegemoet te komen. De familie der lijders

namelijk laat hen gewoonlijk aan hun lot over: het eerste medelijden,

dat dringt tot het brengen van eten aan den balling uit het gezin,

verflauwt nog al spoedig. Medelijdend zijn de Bataks nu eenmaal niet,

of, althans, niet lang achtereen. Als een moeder bij de geboorte van

haar kind sterft (het gebeurt nog al eens) begraven zij doode moeder

en levend kind te zamen. Een zendelingsvrouw, die ik leerde kennen,

redde een paar van de kleine slachtoffers, verhongerd en half-dood al,

en koesterde ze weer gezond. Toen dat bekend was geworden, brachten de

Bataks haar van links en rechts moederlooze kinders in huis. De eigen

families schoven den last bedaard van zich af. Vlak daartegenover

staat de hulpvaardigheid, die Bataks elkander in het algemeen

bewijzen, en ook de hooge eer waarin zij het moederschap houden,

en hun wensch naar kinder-rijkdom, die tot uiting komt in allerlei

al lang tot vaste gezegden en gemeenplaatsen geworden heilwenschen

bij elk huwelijk gedaan, en in het stereotype slot van oude verhalen:

zij leefden gelukkig en hadden zeer vele kinderen. Er zijn wel meer

van die tegenstellingen in het Batak-karakter, moeilijk te begrijpen

voor den vreemdeling: de verslagen van het Zendinggenootschap bewaren

voorbeelden bij menigte ervan, zooals zij trouwens over het geheel

een rijke bron van kennis zijn voor het zedelijk en verstandelijk

zoowel als voor het stoffelijk leven van dit volk.

De zending, die sedert 1890 onder de Doesoen Bataks en sedert 1905

op de Hoogvlakte werkt, heeft ook het onderwijs in de hand genomen

en wordt daarbij door de regeering met groote subsidies gesteund. De

bewondering, die de zelfopofferende arbeid der zendelingen voor het

lichamelijk welzijn der Bataks en voor wat zij het geestelijk heil

van dit volk achten, van elken onpartijdige vergt, behoeft hem niet

te dwingen tot medegaan met hun en der regeering gedragslijn op het

gebied van het onderwijs. Het onderwijs is voor de zending, uit den

aard der zaak, een middel om het christendom ingang te doen vinden:

niets minder, maar ook niets meer. Daardoor wordt het van het doel

op zichzelf, dat het behoort te zijn, een middel en van hoofdzaak

een bijzaak. Bij dit principieele bezwaar komt nog een practisch,

op zichzelf al voldoende, om de beste bedoelingen en de ijverigste

pogingen te verijdelen: gebrek aan onderwijzers. De zending is

begonnen met zooveel mogelijk scholen te bouwen, en in die scholen,

waarvoor zij geen onderwijzers had, als schoolmeesters inlanders te

plaatsen die zoowat konden lezen, schrijven en rekenen. In het beste

geval waren het kweekelingen uit de zendingsschool in de Minahasa. De

onvoldoende getallen werden aangevuld zoo goed en zoo kwaad als het

ging. Gewoonlijk ging het kwaad. Waar zouden opeens de leerkrachten

vandaan gekomen zijn? Als er dus een getal van 46 scholen met een

bevolking van 3677 leerlingen genoemd wordt in officieele verslagen,

zijn het geen "scholen" noch "leerlingen" in den zin dien men gewoon

is aan die woorden te hechten. De zending inspecteert haar scholen en

de inspecteerende ambtenaar van het inlandsche onderwijs heeft het

oppertoezicht. De ambtenaar, onder wien de Hoogvlakte ressorteert,

heeft ongeveer honderd gouvernementsscholen op ver uiteen gelegen

plaatsen te inspecteeren; en van andere, waaronder die der Bataksche

zending, ongeveer zeshonderd, eveneens her en der verspreid. De

zendelingen op de Hoogvlakte zijn met hun drieën (een vierde,

die hulp-onderwijzer is, heeft voor uitsluitend werk de vorming

van inlandsche onderwijzers aan een nieuw opgerichte kweekschool)

en hebben met hun drieën de zorg voor een bevolking van 130.000

zielen. Uit die getallen make men zich een voorstelling van den

toestand; dan zal men er niet verbaasd over staan dat bij een

examen voor de locale schoolcommissie van uit de zendingsscholen

voortgekomen aspirant-onderwijzers werk te voorschijn komt, o.a. in

sommetjes--optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en deelen met heele

getallen,--dat niet anders bewijst dan de eigen, dringende behoefte aan

onderwijs van het overgroote meerendeel dier onderwijzers-in-hope. Er

bestaat nu een kweekschool. De jongens die daar komen, leerlingen

van de zendingsschooltjes, hebben na het verlaten van die scholen

een paar jaar in den kampong rondgeloopen (hun ouders en zijzelven

verkiezen dat zoo) en moeten weer van voren af aan beginnen. Aan het

hoofd van de school staat een Hollander, een zendeling, die de akte

van hulponderwijzer heeft. Die hulponderwijzer is de eenige, zegge de

eenige, Hollander in die geheele menigte van "onderwijzers," zijnde en

wordende. Bij zulke toestanden vermogen persoonlijke eigenschappen,

ook de voortreffelijkste en zeldzaamste, maar weinig. Tenzij de

regeering met der regeering krachten doe wat der regeering is, zal

van de beschaving, die in den vorm van onderwijs van Nederland uit

moet gaan, aan den Batak niet veel ten goede komen.

Natuur en Menschen in Indië · 第 36 / 71 题