Toen ik voor het eerst een tabaksveld zag, in Mei, was het bloeitijd
en oogsttijd tevens. In lange vegen lag het lichtroode waas van
den bloesem gespreid over het grove grootbladerige groen van de
heuvelvelden. En overal, tusschen de hooge struiken waar zij het blad
afplukten, op de fel-zonnige paadjes waarlangs zij de volle manden
naar de droogschuur droegen, was het Chineesche koelievolk aan den
arbeid. In de schuren, koel en donker voor wie er binnenkwam uit
den blakenden zonneschijn, zaten de Javaansche vrouwen het blad te
rijgen aan dunne bamboe-stokken. Van de nok der hooge schuur af tot
op manshoogte boven den vloer hing het vol van als franje afbengelend
gebladerte, frisch groen, verleppend groen, geel, vaal, fijnbruin;
en de tabaksreuk maakte de lucht prikkelig.
Ik kwam terug in Juli; toen was de "schuurtijd" begonnen. Het volk,
dat over de uitgestrekte velden her en der verspreid had geloopen, was
bijeen in het middelpunt der onderneming: de groote fermenteer-schuur;
en in de fermenteer-schuur ook was de tabak, die op die velden
gegroeid en in al de droogschuren droog geworden was. In rijen van
geweldige bergen en mijten, rechtgestapeld als hooischelven, stond de
oogst opgetast van het eene eind der haast onafzienbaar-lange schuur
tot het andere; en langs de wanden, in een dubbele rij er om heen,
zaten vijfhonderd Chineezen het blad te sorteeren op lengte en op
kleur; terwijl een menigte vrouwen op den verhoogden vloer in het
midden zich heen en weer bewoog tusschen broeiende stapels tabak,
die afgebroken en in een andere schikking der bladerbundels weer
opgebouwd werden. In een afzonderlijk gedeelte van de schuur zaten
de beoordeelaars, Chineesche mannen, Javaansche vrouwen, aan wie de
sorteerders van de tabak hun werk kwamen toonen; zonder een woord
te spreken, met een tegelijk snel en rustig gebaar, namen zij aan,
bezagen en keurden goed of keurden af, naar twee zijden de bundels
werpend. En de Chineesche boekhouder achter zijn lessenaar schreef van
iederen koelie op wat hem aan loon toekwam. Binnenkort zou de laatste
voor het laatste werk zijn uitbetaald, en de tabak, gepakt in de op
Borneo gevlochten matten, aan boord gebracht van het stoomschip dat
de waar naar de Amsterdamsche veiling brengt.
De tabak die toen in de fermenteer-schuur behandeld werd,
was uitgezaaid in December en overgeplant in Februari en
Maart. Vijf-en-vijftig dagen had de plant daarna gebruikt om tot
vollen wasdom en bloei te komen. De maand Mei was de tijd voor het
oogsten geweest. Het had twintig dagen geduurd voor het groene blad
in de droogschuren bruin was geworden; twee maanden voor de stapels
gefermenteerd waren voor de eerste maal, en nog eens tweemaal zes weken
voor het gesorteerd en voor de tweede maal gefermenteerd was. In negen
maanden was de kringloop van het bedrijf voltooid geworden. En reeds
waren op het veld de arbeiders al weer aan het werk die de velden
bereidden voor een nieuwen oogst.
Behalve het persen voor het in balen pakken van de tabak, is al de
arbeid aan plant en product in die negen of tien maanden verricht,
arbeid met de hand. Het bedrijf is eenvoudig, vergeleken vooral met
de suiker. Maar inplaats van de complicaties door machinalen arbeid
en door scheikundige onderzoekingen, heeft het niet minder bezwaren
van anderen aard, ten deele van de teelt op zichzelve, ten deele van
plaatselijke omstandigheden het onvermijdelijke gevolg.
De tabaksteelt eischt, volgens het oordeel der planters, een rusttijd
van acht jaar voor den akker na elken oogst. Dat maakt een voortdurend
verplaatsen noodig van de woningen voor de assistenten en de koelies
en van de schuren voor het drogen van het blad. Drie jaar lang kunnen
de gebouwen blijven staan: de grond aan weerszij der "plantwegen"
waarop het gewas wordt geteeld, ligt verdeeld in drie strooken,
die de eene na de andere beplant worden. Is de oogst van de derde
veld-strook afgehaald, dan begint de verhuizing-in-'t groot. Een
nieuw stuk wordt in bewerking genomen van grond, die acht jaar
lang braak heeft gelegen: en mèt het werk gaan de werkers en het
werkgereedschap daarheen. Bij die periodieke verhuizing komt nog een
jaarlijksche: in den "schaar-tijd" komen alle assistenten (op één na,
die het volk surveilleert, dat bij het veldwerk blijft) te wonen
in de huizen gelegen op het "emplacement," d. w. z. het terrein
rondom het administrateurshuis, de fermenteerschuur, het kantoor
en het koeliekampement. Die vele verhuizingen (een van de oorzaken
die den assistenten het beginnen van een geregeld huishouden en een
gezinsleven langen tijd onmogelijk hebben gemaakt) vorderen veel tijd,
den arbeid van een groote menigte volk- en hooge uitgaven.
Maar een moeilijkheid, zwaarder dan deze, en dergelijke uit het
bedrijf voortkomende, is de bijkomstige, teweeggebracht door de
oorspronkelijke gesteldheid der streek, onbewoonbare wildernis als zij
was: de ontstentenis van inheemsch werkvolk, en de noodzakelijkheid van
te werken met uit den vreemde geïmporteerde arbeiders van verschillende
en ten deele onderling vijandige nationaliteiten. Dat was de groote
moeilijkheid nu vijftig jaar geleden, en dat is de groote moeilijkheid
vandaag nog. En de vrees van velen is dat het de groote moeilijkheid
zal blijven, en een nog grootere worden misschien wel!--in de toekomst.
Nemen wij als gemiddelde grootte van een onderneming aan 4000 bouw
(waarvan altijd maar 1/8 in bewerking onder het heerschende stelsel van
bebouwen), dan is daarvoor noodig, werkende onder een administrateur
en van vier tot zes employé's, een volk van duizend arbeiders, mannen
en vrouwen, van wie de helft gezinnen hebben. Van die duizend zijn
vijfhonderd Chineezen, mannen alleen. De andere vijfhonderd, allen
of zoo goed als allen getrouwd, mannelijke en vrouwelijke arbeiders,
zijn, Javanen, Boegineezen, Boyans, Bandjareezen, Bataks, volk van
de Westkust van Sumatra, Klingaleezen en Sikhs. Van deze vele rassen
heeft elk een eigen soort arbeid, waaraan het zich houdt, zoo goed
als eigen gewoonten en zeden die het geëerbiedigd wil zien, en eigen
vooroordeelen, die het wonen en werken afzonderlijk van alle anderen
tot een noodzakelijkheid maken, om niet te spreken van eigen ondeugden,
waarmee rekening gehouden moet worden.
De Chineezen zijn verreweg de beste arbeiders en aan wie het werk
dat de meeste zorg vereischt toevertrouwd kan worden. De Chineezen
wonen afzonderlijk, zoowel in den tijd van het veldwerk als in den
schuurtijd, en gehoorzamen aan eigen opzichters, "tandils," die weer
onder een hoofd-tandil staan. Zij hebben een tempel op de onderneming;
en een theater (in den trant van de zeventiend'-eeuwsche theaters van
Londen gebouwd) en een speelhuis, alleen voor zichzelven. Maar met
die afscheiding naar buiten is het niet gedaan: ze zijn ook onderling
gescheiden. Naar Deli komen Chineezen van drieërlei ras: Hailokhong,
Teoetjoe (uitgesproken tjautjoe) en Keh. Hailokhong en Teoetjoe zijn
echte landbouwers; Keh zijn ambachtslieden; Hailokhong en Teoetjoe
zien verachtelijk neer op Keh. Bij die uit verre tijden dateerende
verdeeldheid is onlangs de nieuwe gekomen tusschen oud-Chinees en
jong-Chinees, keizersgezinde en republikein. Verder zijn allen,
zonder onderscheid, hartstochtelijke spelers en is hun eenig spel
het dobbelen, zoodat wie als goede vrienden neerzitten rondom het
matje waarop de zeshoekige speeltol draait, elkaar misschien als
doodsvijanden naar de keel vliegen aan het eind van het spel. De
administrateur en zijn assistenten moeten op alles bedacht zijn om
moord en doodslag te voorkomen bij nachtelijke opstootjes in het
speelhuis.
De Javanen zijn vooral grond-arbeiders, terwijl de vrouwen het lichte
werk doen. Zij wonen in een eigen kampong, waar alles op zijn Javaansch
is ingericht; hebben als gouvernementsonderdanen geen eigen bestuur,
maar wel eigen mandoers en ook eigen velden voor rijstbouw. Zij
dobbelen even erg als de Chineezen en zitten nog veel dieper dan
dezen in speelschulden. Zij zijn min of meer getrouwd onder elkaar
(dikwijls min) en die toestand van labiel evenwicht in het echtelijke
veroorzaakt rare duikelingen, vooral als de evenwicht-verstoorders,
als nog al eens gebeurt, Chineezen zijn.
De Boyans (lieden van Bawean) zijn huizen-bouwers, en goed voor
hun werk, maar al te langzaam. De traagheid maakt dat zij het veld
moeten ruimen voor de handiger Bandjareezen. Er zijn er velen op
de ondernemingen, boschloopers, houtkappers, timmerlui, die bij het
gestadige afbreken en weer opbouwen hun werk hebben. Als reden voor
de verhuizing naar Deli geven zij wel eens op: afkeer van de op Borneo
gevorderde heerendiensten (die echter volgens officieele gegevens niet
zwaar zijn). De aard van hun werk laat hun lange tijden van vrijheid,
die zij gebruiken voor de bebouwing van gronden, tegen betaling van een
huur in gewas van de onderneming gehuurd. Zij werken onder een eigen
mandoer, maar hebben (als gouvernements-onderdanen) geen eigen bestuur.
Bataks werken in menigte op de tabaksvelden. Zij hebben daar eigen
dorpen, waarin zij, evenals op de Hoogvlakte, onder een eigen
bestuur leven. Hun prachtige bouwstijl heeft al erg geleden onder
de verhuizing naar deze nieuwe omgeving, die aan den anderen kant op
sommige schadelijke overleveringen, als b.v. het tanden-afvijlen, weer
gunstig inwerkt. Eén kwade gewoonte houden zij bijzonder hardnekkig
vast: het brandbrieven-schrijven. De administrateur die op een dag
aan zijn huis, of aan een tabaks-schuur, een bamboekokertje vindt
hangen met een miniatuur houten mes en fakkel als zinnebeelden van
doodslag en brandstichting, begrijpt daaruit dat er een Batak op de
onderneming is die grieven heeft. Het behoeven geen grieven tegen
hem, den administrateur, of zelfs tegen een der employé's te zijn:
ze kunnen evengoed een mandoer, een anderen koelie, een dorpsgenoot
van den bedreiger gelden. Maar in elk geval, de administrateur is de
bedreigde: hij moet zorgen dat de grief, welke zij dan ook wezen moge,
wordt weggenomen.
De Klingaleezen die voor eigen rekening uit Madras en Pondicherry
komen, leven in kongsies, onder een eigen hoofd, den kling-tandil. Zij
zijn karrevoerders en verzorgers van het vee, en als zoodanig goede
werklui. Maar zij geven veel overlast door hun onverbeterlijke
drankzucht. De andere Britsch-Indiërs, Bengaleezen en Afghanen, zijn
boodschappenloopers en nachtwakers. Een Afghaan, rijzig gebouwd, met
felle oogen uit een trotsch-besneden gezicht kijkend, en nog grooter
en fierder door den hoogen witten tulband, is een indrukwekkende
verschijning, voor wie Inlanders en Chineezen beiden ontzag voelen. Dat
komt hem te pas bij zijn nachtwakers-dienst en niet minder bij zijn
woekeraars-beroep. Wie zou aan zulk een imposante persoonlijkheid
twintig percent interest in de maand durven weigeren? Veel eer dan
tegen hèm zal de koelie opstaan tegen den mandoer, die zijn werk
afkeurt, of tegen den employé, die hem wegens luiheid doet bestraffen.
Deze en zoodanige dan zijn de arbeiders op de tabaksvelden. En licht
in te zien is de moeilijkheid voor de leiders eener onderneming,
eene op zich zelf eenvoudige cultuur met hen te drijven, zóo dat
het werk zijn geregelden gang gaat en ernstige botsingen daarbij
vermeden worden, zoowel tusschen werkgever en werknemer als tusschen
de arbeiders onderling.
Van de kwade kansen waaraan de tabakscultuur onderhevig is, kansen van
klimaat, markt, werkvolk afhankelijk, krijgt men ten naastenbij een
voorstelling uit enkele cijfers door de Plantersvereeniging officieel
medegedeeld. Van de 125 maatschappijen, sedert veertig jaar opgericht,
die een gezamenlijk kapitaal vertegenwoordigden van 104 millioen,
zijn geliquideerd of hebben het werk gestaakt niet minder dan 83,
met een kapitaal van 51 millioen. En van de overblijvende 42 zijn er
maar 13 met een kapitaal van 23 millioen, welker aandeelen boven pari
staan; wel is waar zéér hoog daarboven.
De goede kansen tegenover die kwade staande, komen uit in dien
hoogen koers.
De twee tegen elkander afwegend heeft een bekende autoriteit op het
gebied van de tabakscultuur in Deli en haar geschiedenis als zijn
eind-oordeel uitgesproken: dat er in het geheel bij de tabak tot nog
toe meer geld verloren was dan gewonnen.
De geschiedenis van Deli is in het verkleind en in het versneld een
herhaling van die van Nederlandsch-Indië; en als voor de kolonie is
er voor de streek een tijd geweest, dat vooral zij daarheen gingen,
die nergens anders meer terecht konden. Voor Deli is die tijd nog
niet sedert zoo lang voorbij; een twaalf, vijftien jaar geleden werd
het nog vaak genoeg, en met genoeg reden, gezegd van jonge mannen van
beter allooi: "te fatsoenlijk voor Deli." Dat hoort men niet meer. De
wisselwerking van betere omstandigheden en betere menschen, omtrent
1900 begonnen, heeft den toestand gunstig veranderd. Nu het noodlottig
trouwverbod, uit een tijd dateerend van primitieve toestanden ter eene
en kortzichtig eigenbelang ter andere zij, grootendeels of geheel is
opgeheven, dank zij den moed dier eersten, die hun carrière er aan
waagden om hun menschenrecht te verdedigen; nu er, ook door hen,
die geen administrateur worden, toch weer behoorlijk geld wordt
verdiend; nu er goede wegen gekomen zijn, gemakkelijke gemeenschap
met Medan, spoorweg, telegraaf, telefoon; en geneeskundige hulp, de
beste die in geheel Indië verleend wordt, dadelijk te krijg is: nu
komen ook jonge mannen van goede opvoeding en goed gedrag naar Deli,
als naar een passenden werkkring. Bij de tabak verdienen zij veel
meer dan bij de thee of de koffie; en, daar het getal employé's op
een tabaksonderneming van vier tot zes is, terwijl het gecompliceerde
suikerbedrijf het drie- en vierdubbele aantal vordert op een fabriek,
hebben "tabaksassistenten" een even veel malen grootere kans op het
administrateurschap als "suikeremployé's."
Eén nadeel echter--en het is een heel erg--schrikt velen van Deli
af: de onveiligheid. Zij is er altijd geweest: van het begin af zijn
aanslagen van koelies op Europeanen voorgekomen. Maar betrekkelijk
veelvuldiger zijn zij geworden juist in den laatsten tijd, nu de
oorzaken van haat der koelies tegen de Europeesche leiders van het
bedrijf juist minder zijn geworden.
Middellijk is dit een gevolg, een treurig gevolg, van een goede en
verheugelijke zaak: de ontwaking van den Oosterling.
De nieuwe ideeën nemen, het is waar, zonderlinge vormen aan in die
voor het overgroote meerendeel nog totaal ongeschoolde hersens. Men
kan hooren vertellen, onder Chineezen, dat een onlangs (op de Westkust
van Sumatra) ingevoerde belasting der Nederlandsch-Indische regeering
moet dienen om aan de Chineesche het "bloed-geld" te betalen voor de
slachtoffers der jongstleden troebelen te Soerabaja. En de Maleische
krantjes wagen het niet hun abonné's andere dan overwinningsberichten
te brengen omtrent den strijd, dien de Beheerscher der Geloovigen
tegen Italië voert. Maar hoe wonderlijk ook vergroeid, het idee is
er en zit onverwrikbaar vast, dat de Oosterling, lang geminacht en
geknecht, het juk van den Westerling heeft afgeworpen en tegenover hem
staat nu als de eene mensch tegenover den andere: gelijken. Zoodat,
wie vroeger zwijgend het grievendste onrecht verdragen zou hebben,
vandaag zelfs tegen een geringe verongelijking zich met de uiterste
heftigheid verzet.
De arbeidsinspectie, ingesteld, om het terloops te vermelden,
naar aanleiding van feiten niet in Deli voorgevallen--het waren de
koeliemishandelingen in Redjang Lebong, die den stoot gaven tot de
oprichting--de arbeidsinspectie, die zelfs van partijdigheid voor
de koelies beschuldigd is geworden, maakt eigen richting overbodig,
zoo goed als zij op zichzelf ongeoorloofd is. Maar de koelie ziet dat
zelden, indien ooit, in. Maar al te dikwijls schrijft hij een uitspraak
te zijnen gunste inplaats van aan rechtvaardigheidszin aan angst toe
en vindt er op zijn best een aansporing in om een volgend maal liever
zichzelven recht te verschaffen dan er op te wachten uit de hand van
wie het hem toch moeten geven. Misschien is aan zulke averechtsche
voorstellingen ook déze omstandigheid schuld, dat de inspecteerende
ambtenaars voor het verkeer met de vele talen sprekende koelies zich
van tolken bedienen: over zulk een omweg gaande kan veel verloren
raken of verkeerd terecht komen. Slotsom: er is gevaarlijk veel kans
dat het zelfbewustzijn van den koelie zal omslaan in overmoed.
Nu de assistent. Meestal is hij een jonge man; de beginnelingen zijn
even twintig. Hij heeft nog weinig menschenkennis; ervaring in het
leiden van ondergeschikten, zooals hij er nu ten getale van tachtig
tegelijk onder zich krijgt, nog in het geheel geen. Hij weet wat zijn
werk is: helpen winstmaken, een zoo groot mogelijke winst. Daarvan
hangt het af of hij spoedig vooruitkomt. Zijn eigenbelang drijft hem
voort. Achter het zijne staat dat van zijn administrateur. Achter
dat van den administrateur, dat van den hoofdadministrateur, weer
daarachter dat van de directie en de aandeelhouders der Maatschappij,
in een volgorde van toenemende kracht en nadruk. Dus voortgedreven komt
de assistent te staan tegenover den koelie, de Westersche assistent
tegenover den Oosterschen koelie. Er is gevaarlijk veel kans dat de
ijver van den employé zal overslaan in dwingelandij.
Vlak naast elkaar liggen de dyamiet-patroon en de lont: de
allerkleinste vonk en daar laait en dondert de ontploffing.
Er zijn ondernemingen waar dikwijls, er zijn er andere waar uiterst
zelden botsingen tusschen werkvolk en leiders voorkomen. Voor een
belangrijk deel zal dat liggen aan den administrateur. Het is voor
hem niet gedaan met het verbod van slaan; dat verbod is er een dat
iedere administrateur geeft, terwijl hij toch weet dat het niet strikt
opgevolgd zal worden. Het denkbeeld van de minderwaardigheid van het
gekleurde ras zit er al te diep in bij den blanke dan dat zelfs de
humaan-voelende, in wien tegenover een blanken werkman de aandrift tot
slaan niet op zou komen, zich tegenover den koelie altijd beheerschen
zou. De groote kunst is: het voorkomen van de kans op botsingen. Dat
is, natuurlijk, maar binnen bepaalde grenzen mogelijk in welk bedrijf
ook; en in een bedrijf waar de ondergeschikte zoo zelfstandig moet
handelen als in de tabaksteelt, kunnen die grenzen niet anders dan
betrekkelijk nauw zijn. Het goede voorbeeld en wat men opvoeding van
den assistent door den administrateur zou mogen noemen, moeten het
overige doen.
Degenen die in de preventieve kracht van straffen gelooven,
eischen een strengere bestraffing, en vooral een spoedigere, voor
koelie-misdrijven. Zij houden vol dat een dag of wat gevangenis
en het te werk stellen aan den openbaren weg, het "grassprietjes
trekken," geen straf is die den koelie van dienstweigering of van
een aanval op een Europeaan zal weerhouden. Een voorstel is gedaan
om tot werk onwilligen van regeeringswege te doen arbeiden aan een
werk van openbaar nut, door de regeering ondernomen; dit werk te doen
volvoeren voor den kost zonder loon; en uit de loon-waarde, na aftrek
van de kosten voor voeding van den koelie, den planter de schade te
doen vergoeden, door de dienstweigering geleden. Het is een der vele
voorstellen naar aanleiding van het ontwerp-Blommestein geformuleerd,
en waarop voor het eerste nog geen beslissing gewacht kan worden.
Die meer dan van het bestraffen der misdrijven verwachten van het
wegnemen dier toestanden, waaruit misdrijven voortkomen, dringen
aan vooral op het afschaffen van het dobbelspel, dat de koelies
demoraliseert en voorbeschikt tot allerlei geweldpleging. De regeering
heeft indertijd zulk een verbod overwogen, [19] maar is niet overgegaan
tot de uitvaardiging er van. Men weet dat in de Straits het verbod een
uitwerking heeft gehad, aan de beoogde lijnrecht tegenovergesteld. Er
wordt te meer gedobbeld in het geheim, buiten alle contrôle. Zelfs
komen uit de gewesten, waar het spelen geoorloofd is, de speellustigen
naar de verboden streek, om bijzonder hoog te kunnen dobbelen. Het
oordeel van den bekenden Maleiervriend en kenner van Maleische
toestanden, Frank Swettenham, luidt, dat men om het dobbelen te
beletten, achter iederen Inlander een politieagent zou moeten zetten,
en achter dien politieagent een tweeden, om den eerste op de vingers te
zien, en zoo voort tot in het oneindige. Wat hij daarmee van Maleiers
zeide, kan met gelijk recht gezegd van Chineezen. Waar de zaken zoo
liggen, moeten de pogingen, die door weldenkende administrateurs
gedaan zijn en nog worden, om het dobbelspel te weren wel vergeefs
blijven. Een zeker toezicht oefent de Chineesche "tandil" uit, die de
speelpacht (in onderpacht van den majoor-Chinees te Medan) heeft. Dat
belet niet, dat er soms gevaarlijke twisten onder de spelers ontstaan,
of dat zware verliezen geleden worden. De verbitterde verliezers zijn
de volgende dagen in een toestand van ingehouden woede, die bij de
geringste aanleiding tot een uitbarsting kan komen. Wie alles goed
bedenkt, zal zich niet zoozeer over het voorkomen van botsingen
tusschen Europeesche leiders en Oostersch werkvolk verwonderen,
als wel over de betrekkelijke zeldzaamheid van zulke botsingen.
De betrekkingen tusschen administrateur en employé's zijn, als in
wezen eveneens die tusschen werkgever en werknemers zijnde, eveneens
aan velerlei storing onderhevig en op zichzelven reeds bezwaard met
de kwade kansen die elke tegenstelling van belangen medebrengt. En
natuurlijk is bij een botsing de zwakkere, de employé, in het
nadeel. Maar dezelfde oorzaken die in zooveel andere opzichten een
verandering ten goede hebben bewerkt, hebben het ook hier gedaan. De
employé van 1911 staat er beter voor dan de employé van 1890 deed. En
de toenemende uitbreiding der cultuur, waarvan een toenemende behoefte
aan geschikte arbeidskrachten het gevolg is, heeft voor "achter-gevolg"
weer een toenemende verbetering van de positie der employé's, en een
vermeerdering van hun middelen van verweer tegen onredelijke eischen
of willekeur.
Een grief niet tegen de administratie maar tegen de Directie der
maatschappijen is, dat de inkomens en vooral de percentages aan
employé's toegekend, buiten alle verhouding veel lager zijn dan die,
toegekend aan de administrateurs.
De administrateurs van hun kant oordeelen hun hoog salaris de niet meer
dan redelijke vergoeding voor de verantwoordelijkheid die zij dragen.
Beide eindelijk, althans velen van beide categoriën, voelen als een
onrechtmatige beperking van hun persoonlijke vrijheid de bepaling
door de maatschappijen gemaakt, dat de beambten een deel van het
hun toekomende in de winst op rente moeten laten staan bij hun
maatschappij.
Daartegenover stellen de maatschappijen die bepaling voor als genomen
enkel in het belang der beambten.
De behoefte aan werkvolk uit den vreemde en de noodzakelijkheid om
het door gunstige voorwaarden aan te trekken; de bemoeienis van de
regeering sedert '72; vertoogen, nu en dan, van den kant van China,
het vaderland van de meerderheid der koelies; de drang der openbare
meening; en, zonder twijfel, ook de eigen menschelijkheid en zin
voor recht hebben de planters gebracht tot een arbeiders-politiek,
die van Deli een model-industrie-streek heeft gemaakt in meer dan
een opzicht; in dat van de hygiëne vooral. Wat den buitenstaander
het eerste treft, op de goedgeleide ondernemingen, is het gezonde
uiterlijk van het werkvolk.
Te danken is dat aan een beter loon dan òf Javanen òf Chineezen in
hun eigen land krijgen; aan een betere huisvesting; aan de wettelijke
beperking van den arbeidstijd (tot een maximum van tien uren); aan de
verstrekking, in gedeeltelijke voldoening van het loon, van deugdelijke
rijst, een marktwaarde hebbende van pl.m. f 13 (van het jaar is het
f 13.50), voor f 9.75; aan het geven van velden die de koelies voor
eigen gebruik bebouwen; en, vooral, aan den geneeskundigen dienst,
dien de planters voor hun volk hebben ingericht.
De afdeeling Sumatra's Oostkust der Vereeniging tot Bevordering
der Geneeskundige Wetenschappen in Nederlandsch-Indië heeft daar
de publieke aandacht op gevestigd met de brochure, die zij uitgaf
naar aanleiding van het ontwerp Blommestein, dat, in het oordeel der
artsen, dien gunstigen toestand bedreigde. De hier volgende opgaven
zijn grootendeels aan die brochure ontleend. De oorspronkelijke
toestand was: iedere onderneming behandelde haar eigen zieken. Uit
den aard der zaak was die behandeling onvoldoende. De versnipperde
krachten werden vereenigd en een geneeskundige dienst kwam tot stand,
die twintig centrale hospitalen bouwde, een centraal pathologisch
en bacteriologisch laboratorium, en een quarantaine-station,
en een staf aanstelde van twee-en-twintig Europeesche medici en
drie dokters-djawa. In vergelijking met de overige bevolking van
Nederlandsch-Indië wordt voor de Delische koelies zestig maal meer
aan geneeskundige hulp uitgegeven: bijna een millioen jaarlijks
(f 900.000) voor ongeveer 120.000 contract-koelies op Deli, tegen
ongeveer 5 millioen voor ongeveer 35 millioen inwoners van geheel
Nederlandsch-Indië. Het gevolg komt ten duidelijkste uit in de cijfers
der sterfte-statistiek, die, in tien jaar tijds van 60 op 1000 tot 15
op 1000 zijn gedaald, cijfers tot nog toe nergens elders op tropische
ondernemingen bereikt, terwijl die van veel plaatsen van vijf tot tien
maal hooger zijn; en bij een vergelijking met West-Europeesche landen
alleen voor de meest gunstig-gestelde klasse van arbeiders cijfers
worden gevonden gelijk aan die van sommige Delische maatschappijen. Een
niet te berekenen weldaad is vooral voor de Javanen--de Chineezen komen
over het algemeen in betere lichamelijke gesteldheid hier aan--de
geneeskundige behandeling op Deli. De overgroote meerderheid--de
laatste statistiek noemt 85 pct.--lijdt aan mijnwormziekte. Oogziekten,
ingewandsaandoeningen en allerlei slepende kwalen die het gevolg
zijn van onvoldoende voeding en huisvesting zijn algemeen onder hen,
evenals koortsen. Zij worden daarvan genezen, met of zonder eigen
goedvinden. Dat klinkt zonderling; maar de Javaan is, ook op dit
punt, een groot kind. Veel liever is hij ziek en blijft ziek, zoowat
sukkelend en knoeiend met de geneesmiddelen van een doekoen en allerlei
talismans, bezweringsformulieren, en tooverkunstjes, dan dat hij naar
een hospitaal gaat waar hij aan strenge regels is gebonden en leelijke
drankjes misschien moet slikken. En wat Javanen uit kinderachtigheid
doen, dat doen Chineezen uit verkeerde zuinigheid. Zij kunnen niet
verdienen als zij in het hospitaal liggen. De Deli Spoor kon indertijd,
toen zij door een moerasachtige streek een lijn bouwde waar malaria
uitbrak, van de Chineesche koelies die het werk aangenomen hadden,
het niet gedaan krijgen, dat zij de voor hen beschikbaar gestelde
woningen op een afstand van het moeras gelegen, betrokken; ze verloren
met heen en weer reizen te veel tijd: liever liepen zij de kans van
aan malaria te sterven. Toen het sterftecijfer 50 pct. bereikte
verliep het volk. De Deli Spoor begon opnieuw met eigen koelies,
die zij inkwartierde in een koortsvrije streek, wien zij belette
vóor zonsopgang en na zonsondergang te werken, en voorging met
het prophylactisch innemen van kinine; daarmee was aan de sterfte
een eind gemaakt. Op geheel dezelfde wijze moeten de Delische
planters tegen hun Chineesche koelies optreden: en zij hebben bij
hen hetzelfde gelukkige resultaat bereikt. De koelie werkende onder
het koelie-contract dat hem te dezen opzichte dwingt [20], is onder
en door dien dwang in een beteren toestand gekomen dan de naar eigen
gebrekkig inzicht levende vrije arbeider ooit bereikt. En dit voordeel
voor het individu is tegelijk een voordeel voor de gemeenschap, want
doordat de zieke in een hospitaal verpleegd, dus geïsoleerd wordt,
houdt het gevaar op, dat hij zijn omgeving besmet--een gevaar dat
moeilijk overschat kan worden bij het groote aantal infectieuze
ziekten waaraan vooral Javaansche koelies lijden--dysenterie,
cholera, mijnwormziekte, om maar de meestvoorkomende te noemen. Het
vooroordeel der arbeiders is gaandeweg aan het verdwijnen tegenover de
dagelijksche ervaring. Dat zij den algemeenen toestand op de Delische
tabaksondernemingen waardeeren, blijkt trouwens uit de cijfers. Volgens
de laatstverschenen statistiek zijn er van elke honderd tachtig die na
verloop van hun contract het vernieuwen. Zij gaan wel terug naar hun
land, omdat zij, de reis vrij hebbend, hun familie op willen zoeken
en hun belangen waarnemen in hun geboorteland; maar na afdoening
van zaken komen zij weerom. In de laatste jaren--nadat de treurige
gevolgen van de inzinking in de jaren 1890 verdwenen, of zoo goed als
verdwenen waren--heeft Deli onder werkzoekers zulk een goeden naam
gekregen, dat koelieronselaars op Java "voor den overwal" wervend,
werkvolk kunnen lokken met de voorstelling van Deli als land van
bestemming, wanneer zij inderdaad naar andere streken geëxpedieerd
zullen worden, waarheen zij niet wetens en willens zouden gaan. Wat
de Chineezen aangaat: de Chineesche regeering, die in 1909 emigratie
uit Chineesche havens naar Banka en Billiton heeft verboden [21]
laat die naar Deli vrij. Het streven van de planters is tegenwoordig,
de aanwerving zooveel mogelijk te bevrijden van de misbruiken die haar
terecht in discrediet hebben gebracht. Voor de Chineesche koelies is
het al, gedeeltelijk, bereikt door dat systeem dat de werving uit
de handen der ronselaars neemt en legt in die der koelies zelven,
die repatrieërend, familie en kennissen werven, met wie zij dan
terugkeeren naar Deli. Er zal nu op Java hetzelfde beproefd worden.
Zoo, ongeveer, doet Deli zich voor aan den buitenstaander die, als
Westerling, van Westerlingen-standpunt er naar ziet. Hoe lijkt het
den Oosterling? Hoe staat de koelie tegenover de onderneming van
Europeesche kapitalisten en planters?
Ik kan het niet zeggen. Maar over de geheele wereld is degeen die werkt
in het nadeel tegenover dengeen die bezit, ziet hij dus de dingen van
den anderen kant, meet hij dus met een anderen maatstaf. En in een
kolonie is de arbeider tweemaal in het nadeel: éénmaal als arbeider
en éénmaal als lid van een overwonnen en daarenboven economisch
en cultureel nog achterlijk ras. Het oordeel van den koelie over
Deli moet dus op hoofdpunten tegenovergesteld zijn aan dat van den
Deli-kapitalist of den planter.
Het onweerlegbaar bewijs--als er nog een noodig mocht zijn--dat
niettegenstaande alle voordeelen de overgroote meerderheid van de
koelies met den toestand niet tevreden is: de poenale sanctie is
noodig gebleken om hen aan het werk te houden. Die moet hier doen wat
in het van nature armere Europa de wreede honger doet: dwingen. Het
lijkt een veel erger teeken, dat koelies de Europeesche employé's
soms aanvallen. Maar wèl bezien is het dat niet. De aanslagen zijn,
op het groote aantal koelies gerekend, zeer zeldzaam. En daarbij,
hebben zij niet de beteekenis die in Europa de aanslag van een arbeider
op een werkgever zou hebben. Onder Europeanen zal men in het algemeen
uit de hevigheid van de weerwraak tot de hevigheid van de beleediging
kunnen besluiten. Maar met Oosterlingen kan men dat niet, omdat hun
inborst de verhoudingen (voor een Westerling de natuurlijke) tusschen
oorzaak en gevolg in het psychische verandert.
Zoo moeilijk het voor ons is het gemoedsleven van den Oosterling te
begrijpen, zóoveel weten allen die eenigen omgang met hem hebben
gehad: dat bepaalde aandoeningen niet dadelijk hem tot handelen
brengen, maar lang blijven nawerken en gaandeweg aan intensiteit
toenemend, ten slotte, soms zonder oogenschijnlijke aanleiding,
uitbarsten in een daad, die geheel en al buiten verhouding staat
tot de aanvankelijke oorzaak. Verder: dat onder den invloed van in
bepaalde vormen nog voortlevende communistische opvattingen, hij de
gemeenschap verantwoordelijk stelt voor het bedrijf van welk ook harer
leden. En, eindelijk, dat hij in hartstocht alle bezinning plotseling
verliest, "mataglap" wordt, "verduisterd van oogen," en letterlijk
in den blinde naar een slachtoffer slaat. Die dat weet, weet ook,
dat het niet een erge verongelijking behoeft te wezen, die met een
bloedige wraak gewroken wordt, en dat het evenmin de verongelijker
zelf behoeft te zijn die getroffen wordt door de weerwraak. Terwijl,
zonderling genoeg, werkelijke hardvochtigheid niet dan hoogst zelden
oproer verwekt tegen den hardvochtige.
Veel dat nu geweten noch begrepen wordt, zou voor allen duidelijk
worden, wilde iemand den arbeid ondernemen uit de vonnissen der
Delische rechtbank de op koelie-delicten betrekkelijke af te zonderen,
en uit "het juridisch" in het Hollandsch te vertalen. Althans datgene
wat nu in volle onwetendheid misdaan wordt, ware dan te vermijden. Dat
is natuurlijk niet meer dan een onderdeel van het geheel waartegen het
verzet der koelies gaat. En zoo zijn ook de koelie-aanslagen op dezen
of genen mandoer, tandil, employé, administrateur, minder-beduidend
dan die gebleken noodwendigheid van de poenale sanctie, als teeken
van de stemming der arbeiders, tegenover dezen of genen meerdere niet,
maar tegenover het geheele systeem.
Het Delische systeem is, ten slotte, het koloniale systeem in het
klein; en de toestanden op Deli op kleinere schaal--en behoudens de
verschillen veroorzaakt daardoor dat zooveel koelies niet-Inlanders
zijn,--vrijwel dezelfde als die in de geheele kolonie.
Het afloopende systeem van belangen, dat inlandsche vorsten en
edelen aan de zijde van den overheerscher brengt tegenover hun
eigen landgenooten, wordt herhaald in het systeem, dat met premies
op koelie-werving en koelie-arbeid, tandils en mandoers op de hand
van den ondernemer brengt. Oneindig veel beter dan onder zijn eigen
vorsten vroeger heeft de inlander het nu onder het Nederlandsche
gezag; en oneindig veel beter dan als "vrij man" in zijn eigen land
heeft Chinees en Javaan het op Deli onder den planter.
Niettemin heeft de Nederlandsche Regeering ten slotte troepen
noodig. En niettemin behoeft de planter een bijzondere wet. Waarom
anders dan omdat, ondanks alles de Inlander en de koelie het belang
niet hebben bij de handhaving van de toegepaste stelsels dat de
Nederlandsche Staat en de Deli-Maatschappijen er bij hebben, en dat
inziende, zich gaan verzetten?
De gedachte aan mogelijke gevolgen is voelbaar in de moreele atmosfeer
van Deli.