In ergere mate dan ooit nog sedert het begin van deze reis heb ik hier
in Deli het te voelen gekregen, hoe groot een afstand ons Westerlingen
scheidt van den Oosterling. Daar ligt voor aller oogen het groote werk
van de Delische tabakscultuur. Maar van de tienduizenden die dat werk
verrichten zijn voor den Westerling enkel ettelijke Westerlingen de
verklaarders. Ook al kende hij de vele talen van die menigten van
Oostersche arbeiders, ook al kon hij persoonlijk Battaks, Boyans,
Bandjareezen, Javanen, Soendaneezen, Boegis ondervragen, hij zou niet
te weten komen hoe zij over dat werk in betrekking tot henzelven
oordeelen. Het historisch gewordene wantrouwen van het overwonnen
ras is te diep, dan dat het zoo voetstoots een onbaatzuchtige
belangstelling in het overwinnende zou kunnen aannemen. Wie van
buitenaf in Deli komt, zal het niet anders leeren kennen dan van
het standpunt van den Westerling en den werkgever uit: nooit van het
standpunt van den Oosterling en den werknemer uit. Mijn voorstelling
zal niet anders dan een éenzijdige kunnen wezen; voor meér geef ik
ze niet.
Het is overbekend uit hoe klein begin de industrie is ontstaan die op
het oogenblik voor de wereldmarkt werkt: de tabaksteelt op de Oostkust
van Sumatra. Iedereen heeft het verhaal wel gehoord hoe een jonge man
die, op Java zijnde, toevallig had gehoord dat tabak van bijzonder
goede hoedanigheid groeide in Deli, op goed geluk daarheen ging,
in een Chineesch vaartuigje; hoe hij, met een paar meubels van den
schipper geleend zoo goed en kwaad als het ging, een Inlander-woning
inrichtte die de Sultan hem in huur afstond; en hoe hij aan het
werk ging met Europeesche helpers die het al spoedig opgaven en met
Inlandsch werkvolk dat niet graag werken wou. De pionier beproefde
de methode die hij op Java had zien slagen: op zijn Vorstenlandsch
trachtte hij den arbeid van het volk te koopen door het belang van
den vorst. Maar de moeite die voor de beloofde f 0.50 per pikol tabak
de Sultan van Deli deed om zijn onderdanen tot planten te brengen
was onvoldoende of vergeefs: en de planter moest omzien naar ander
werkvolk. Hij dacht er te zullen komen met Javanen, een gezelschap
hadji's te Penang overgebleven. [16] Maar de hadji's wilden veel
liever preeken dan planten of plukken. Ten slotte nam hij de proef met
Chineezen uit Singapore. Zij bleken onkundig van landbouw-werk: maar
de begeerte om geld te verdienen en de leerzaamheid van den Chinees
hielpen over dien hinderpaal heen. Een vorm werd gevonden voor de
verhouding van werkgever en werknemers: het werk zou verricht worden
in contract en betaald volgens een vastgestelde taak,--de aflevering
van duizend boomen. Daarmee was ontstaan wat tot zulke reusachtige
afmetingen zou opgroeien en beide zooveel goed en zooveel kwaad zou
voortbrengen--een industrie in een nieuw land met uit den vreemde
binnengebrachte arbeiders, volgens contract werkende.
De pionier had in enkele jaren een reusachtig vermogen gewonnen. Die
volgden op den weg door hem gebaand kwamen in groepen. Bij getalen
werden maatschappijen opgericht. [17] Het werk ging nu in het groot.
De streek waar het werd aangevangen was een wildernis,--oerwoud
doorsiepeld van een ontelbare menigte riviertjes en beken, die in
vrijwel evenwijdigen loop de Oostelijke hellingen van het Bataksche
hoogland afgerend, op den vlakkeren grond gaandeweg vertragen; in
poelen en moerassen liggen hun mondingen langs het zeestrand. Er waren
duizenden en tienduizenden arbeiders noodig om in die woestenij ruimte
te hakken en te graven voor de tabak. Het werd een trek als van een
verhuizend volk uit alle omliggende landen waar honger geleden werd
naar Deli: uit Britsch-Indië, uit Java, uit Borneo, uit China. Uit
Europa ook, uit het ook-hongerige-Europa. Uit Holland, uit Engeland,
uit België, Duitschland, Zwitserland, Frankrijk, uit Polen zelfs
(als men af kan gaan op dien naam van Polonia, dien een onderneming
kreeg, zooals anderen de namen van Gallia, Helvetia, Hessia) kwamen
arbeiders voor het tabaksveld, arbeiders met het hoofd, door de
financiers-groepen in de verschillende landen die hun kapitaal in de
nieuwe industrie staken, uitgezonden als leiders van de arbeiders
met de hand. Tusschen de strandmoerassen en het barre gebergte,
omringd door het al verder weggedrongen oerwoud, was iets als een
kleine staat ontstaan. En de werkingen daarvan deden zich al spoedig
naar alle zijden gelden.
Het eerst wijzigde het gevestigde bestaan zich naar den nieuwen
toestand. Door een serie van reorganisaties, die in 1873 begonnen,
aanhield tot 1902, werd Deli losgemaakt eerst uit zijn verband met
het Sultanaat van Siak, toen uit dat met de residentie Riouw; tot
een afzonderlijk gewest gemaakt, kreeg het Medan tot hoofdplaats
en de overige tabakvoortbrengende streken als onderafdeelingen. Het
Nederlandsche gezag werd er versterkt tegenover dat van den Sultan,
die voet voor voet moest wijken. De regeering trok de rechten aan
zich over de menschen en over het geld: een nieuwe wet bracht onder
Nederlandsch gezag en recht al wie in Nederlandschen staatsdienst of
in dienst van Europeanen werkte; een verdrag met den Sultan bracht
in de Nederlandsch-Indische schatkist de al aanzienlijker bedragen
der in- en uitvoerrechten. Daar behalve de Sultan van Deli, die
om zijn vijandschap met dien van Siak belang had bij een leven in
vrede en vriendschap met de Hollanders, al de Sumatraansche vorstjes
zich tegen die uitbreiding der Hollandsche machtsfeer verzetten
en tabak-ondernemingen door gewapende benden werden aangevallen,
kwamen troepen, die de nieuwe orde van zaken met den sterken arm
doorzetten. De planters werden bevestigd in het pas gewonnen bezit,
en nieuw land werd voor hen opengesteld.
Onderwijl hadden zij zich onderling verstaan ter bevordering hunner
gemeenschappelijke belangen: de Plantersvereeniging was opgericht. In
het jaar volgend op dat der oprichting (1872) kwam de nieuwe
organisatie tegenover de regeering te staan in zake de verhouding
tusschen de planters en hun werkvolk. De wijze waarop de regeering
die wilde regelen oordeelden de planters een voor hen nadeelige. Zij
verzetten zich. De strijd was begonnen, waarin de koelie-ordonnanties
van 1880, '91, '97, 1903 de wapenstilstanden waren en het ontwerp
Blommestein met de tegen-actie der planters het laatst-geleden treffen.
De snelle uitbreiding, ook in de ruimte, der nieuwe cultuur, had
inmiddels de behoefte doen ontstaan aan middelen van verkeer. Een
dochter-maatschappij der Delische, kwam de Deli-spoor tot stand. Zij
werd in Holland zuur aangezien. Men vertrouwde haar niet recht. De
Hollandsche geldbelegger, de groote zoo goed als de kleine, bewaarde
zijn fiducie en zijn dubbeltjes voor Amerikaansche durf-allen en den
Russischen Vogel Grijp, die met twee snavels tegelijk kan scheuren
en slikt met een dubbele keel. De Deli-spoor zou er niet gekomen
zijn zonder de Delische tabakkers. Zij begon te bouwen in 1883. En
zulk een volharding, geestkracht en mate van wetenschap stelde zij
tegenover aanvankelijk gebrek aan geld en de schijnbaar onverwinlijke
moeielijkheden der natuur van het moerassige, zwaar overgroeide land,
dat in 1890 de lijn voltooid was, die, 102 K. M. lang, de eiland-haven
Belawan met Deli Toewa, Medan en Timbang Langkat verbond; en dat
die 102 K. M. lengte gaandeweg uitgroeide tot ruim 262, loopend
langs drie en twintig stations en haltes, terwijl rijtuigen, wagens
en locomotieven vermeerderd werden tot een aantal, dat in 1911 het
transport bewerkstelligde van ruim twee millioen reizigers en ruim
400.000 ton vrachtgoederen. [18] Een begin is gemaakt voor een verdere
uitbreiding van 123 K. M. lengte naar Assahan en Dollok Merassan, in
het Oosten der Bataksche hoogvlakte, waar de nieuw begonnen cultures
van rubber, gambier, copra en oliepalm behoefte hebben aan transport
voor hun producten, terwijl het plan overwogen wordt voor den bouw van
nog eens 200 K. M. spoorlijn het binnenland in. En inmiddels heeft
dezelfde maatschappij den heerweg door de lucht gebouwd waarlangs
de gedachte gaat en de levende stem. Van de haven tot de hoogvlakte
en den heelen wijden ring van ondernemingen langs loopt de telefoon;
en het telegraafnet heeft bijna 200 K. M. lengte.
Tegenover dien groei vertoonde zich echter het verval: de
onvermijdelijke neven-verschijnselen van een snelle industrieele
ontwikkeling vertoonden zich: speculatie, overproductie, instorting. De
jaren van 1884 tot '92 waren de magere die op zoo vele vette volgden,
en van die vette vele verslonden. Rijke menschen werden tusschen
ochtend en avond arm. Van de tabaksondernemingen ging alles wat buiten
het eigenlijke centrum der teelt lag ten gronde. In Padang en Bedagei
kon van zeventien ondernemingen maar eén enkele in stand gehouden
worden. De ellende werd zoo erg dat een fonds moest opgericht "voor
hulp-behoevende Europeanen." Er was geen geld, er was geen werk, en
het scheen haast of het er nooit meer zou komen, na de groote crisis
op de tabaksmarkt van '92, die op een jaar van misoogst, van lage
prijzen en van faillissementen volgde. Echter, de tabaksteelt kwam er
weer bovenop, en werd krachtiger nog na haar zware ziekte dan zij van
tevoren was geweest. Als de landbouw en het zuivelbedrijf in Holland
toen deed, als de suikerindustrie op Java al had gedaan, deed zij:
zij verbeterde te allen kant haar methodes, zij verbeterde haar gewas,
zij verbeterde haar arbeid. In '88 al had de organisatie der planters,
ijverend voor altijd ruimer immigratie van werkvolk uit China, het
Immigrantenbureau opgericht, waardoor regeling en nauwkeurige contrôle
en een directe snelle correspondentie met het emigratiecentrum
Swatow tot stand kwam. De vraag der openbare gezondheid eischte
strenge voorzorgen tegenover het vele immigrantenvolk uit voortdurend
besmette streken: de planters bouwden een quarantaine-station uit
ruime beurs, naar de beste methoden. Daarmee was het niet gedaan. Op
de ondernemingen ziek wordend werkvolk had geneeskundige hulp van
noode. De bestaande was geheel onvoldoende. Zelfs met de beste zorgen
en voorzorgen kon zelfs de meest voorzichtige en behalve voorzichtige
meest menschlievende planter het niet bereiken, dat een zieke koelie
naar den eisch werd verpleegd in het kleine hospitaal der onderneming,
noch voorkomen dat zijn ziekte de oorzaak werd van de ziekte van
wie weet hoeveel andere menschen. De verspreide en daarom zwakke
krachten werden vereenigd en een centraal ziekenhuis opgericht te
Medan, speciaal op de gewoonten van den Oosterling en den aard der
tropische ziekten aangelegd. En naast dat huis voor herstellenden
werd er een gebouwd voor wie niet meer herstellen zouden: een asyl
voor gebrekkige, ziekelijke en oude koelies.
Maar ook daar bleef het niet bij: gedachtig aan het woord dat
voorkomen beter is dan genezen, sloegen de planters de handen ineen
om een instituut tot stand te brengen waar de oorzaak der ziekten
bestudeerd kon worden en proefondervindelijk de middelen tot wering
onderzocht. Het Pathologisch Laboratorium verrees.
Tegelijk en op dezelfde wijze--die van wetenschappelijk onderzoek en
proefneming--gingen zij aan de verbetering van de geheele cultuur. Er
werden proefvelden aangelegd en onder deskundig beheer gesteld. En in
het laboratorium begon de arbeid met nieuwe methoden om de ziekten
der tabaksplant te genezen, om op haar terende insecten te weren en
om de voorwaarden van haar wasdom altijd door te verbeteren. Terwijl
hun onvermoeibaar initiatief den toch zoo wijd getrokken en zoovele
andere belangen omsluitenden kring van het eigen belang doorbrak
met den bouw van een leiding, die de stad Medan zuiver drinkwater
bracht uit de heuvels. Medan was in den tusschentijd gegroeid. Het
was een stad geworden, éenig in Nederlandsch-Indië, een stad met
"Europeeschen" zweem, ruim, regelmatig, zindelijk, met alle gerieven
voorzien; en met een gehéél eigenaardig kenmerk: de jeugd van alle
Europeesche bewoners. Als bijna al het andere is ook dit--dat er geen
oude menschen zijn in Medan noch in Deli--weer een uitwerking van
den voorspoed der tabaksindustrie: de menschen kunnen hier in korter
tijd dan elders geld genoeg verdienen om verderen arbeid in de tropen
onnoodig te maken. En jong nog en voor anderen werkkring bruikbaar
gaan zij naar hun geboorteland terug, niet denkend aan "ver-indischen"
en blijven. Zooals dat eenzame inlanderhuisje met het van een schipper
geleend huisraad, waarin de pionier der Delische tabaksteelt begon
met te wonen, het spiegelbeeld was van Deli in 1863, zoo is de volk-
en geldrijke stad van jonge menschen Medan het spiegelbeeld van Deli
in 1912.
Zoovele en zoodanige dan zijn de uitwerkingen geweest van wat nu
haast vijftig jaar geleden begon. Andere staan te wachten. En
daaronder zullen er naar alle waarschijnlijkheid wel zijn, die
niet toegejuicht zullen worden door wie die vroegere, terecht,
toejuichten. Niet alleen de werkers hebben het werk gemaakt: ook het
werk maakte de werkers. Zij zijn andere menschen nu, dan zij twintig
of zelfs tien jaar geleden waren, de Delische koelies. Zij hebben
gehoord van den strijd der arbeiders tegen het kapitaal in Europa;
zij hebben eenzelfden strijd in hun eigen land zien beginnen, en bewust
of onbewust, hebben zelfs diegenen de gevolgen ervan ondervonden, die
niet zelven er aan deelnamen. Voor den Javaan en den Soendanees uit een
afgelegen kleine dessa waar geen Europeaan ooit kwam, voor de mannen
uit den binnenlanden van Borneo en het Sumatraansche gebergte is het
koelieschap in Deli de ingang tot een nieuwe wereld geworden. En de
Chinees is tot politiek bewustzijn ontwaakt.--Hoe zal dat alles Deli
aandoen? Alleen dáarover is verschil van gevoelen: over de wijze van
de inwerking. Niet over de vraag of zich, ja dan neen, eene inwerking
zal doen gevoelen. Dat wordt aangenomen voor een zekerheid.