Madjawarna

Langs een smal en steenachtig pad, dat soms opeens steil steeg en weer

zachtaan ging rijzen dan, en waar overal veel schaduw omheen was met

een glimpje van bloemen telkens en het lichte geluid van kabbelend

water, klommen wij de heuvels in boven Madjawarna. De zendeling van

den post, wiens gast ik voor eenige dagen was, wilde mij aan een

ontginning op de kruin van den heuvel toonen hoe Madjawarna, als zoo

menig ander Christenen-dorp, was ontstaan uit de nederzetting van

een enkel gezin midden in de wildernis.

Het pad, door naakte voeten in gras en kruid gesleten, liep door

het opene eerst, door struikgewas en boomopslag, dan door een hoog

en donker djati-woud, dat den grond bestrooide met zijn reusachtige

bladeren, bultig-bol als gedreven bronzen kommen. Alles was er bruin:

bruin van naakten grond, bruin van verdorrend gebladerte, bruin

van gladde, rechte zuilen van stammen, waar geen loover van afhing,

waar geen struweel tusschen opschoot. Heel in de hoogte pas gloorde

het groen der geweldige kruinen tegen de lucht, schuins doorstraald

van namiddagzon; daar kwam veel helder vogelgefluit uit, allerlei

fijne schelle tonen, boven het diepe gekoer van woudduiven uit en de

lach-roep telkens van den gelen wielewaal. Het was een andere wereld,

daar in de hoogte en waar wij gingen in den halfdonker.

Eén enkelen keer kwamen wij een mensch tegen, het was een mager,

armelijk gekleed, oud vrouwtje, met slierten wit haar langs het

ingevallen gezicht, die een hitje, even afgejakkerd en oud als

zijzelve, en bepakt met twee, van weerszij hem tegen de ribben

schokkende, manden vol gras, voor zich uit de helling afdreef. Wij

vonden het spoor van een ander mensch, die kort geleden hier gegaan

was, den geleider van een houttransport: de zware stam, aan een ketting

door buffels gesleept, had een glimmende streep getrokken over het

pad. Anders was van menschelijke nabijheid niets te merken. Op plekken

was het djati-woud minder dicht en gaf ruimte aan ander geboomte,

breeder en ijler van groei, waar met groote schijnsels en glanzen het

licht door heen viel; de boschrand ging open tegen de lucht, en de

wijde vlakte van Djombang gloorde op uit de diepte, fonkelgroen van

zonnig rijstveld. Dat verdween weer en dan was het woud nog donkerder

en nog eenzamer dan te voren.

De weg ging een steil ravijn door, en weer tegen een helling op. Toen

werd het licht. Rondom lagen de groote stammen geveld. En midden in

de open plek op de kruin van den heuvel verscheen het huisje van den

ontginner, van bamboe gevlochten, bleek en glimmig nog van nieuwheid.

Het was zoo laag dat wij bukken moesten om binnen te komen, en

schemerdonker als het bosch zelf: zóo rook het er ook: een reuk van

grond, dorre bladers en hout. Het huisgezin zat op een matje tegenover

ons, wien zij stoelen hadden aangeboden. De kinderen, een kloek met

kuikens, een jong geitje en een magere, spitsneuzige hond zochten

elk zijn plaats op de mat en tusschen de stoelen. De man vertelde,

met zijn zachte gedempte stem.

Het was te merken dat hij op de komst van den zendeling had gewacht

om in allerlei beslommeringen raad te krijgen. De vrouw zei een

woordje nu en dan. Zij zat met een kind aan de borst. Waakzaam zag

het verstandig-blikkende gezicht over het donzige koppetje van den

zuigeling heen.

Die twee menschen hadden met hun eigen handen alles wat om en aan hen

was gemaakt: hun kleeren, hun huisje, hun velden. De maïskolven van

den vorigen oogst hingen, goudig glimmend door de schemering, aan

rijen onder het lage dak. En op het veld rijpten de nieuwe al. Zij

toonden ons, wel-voldaan, den weligen akker. Rondom was ruimte voor

nieuwe ontginning; in hun hart en handen was moed. Zij hoopten enkel

op buren en vriendschappelijke hulp. Maar die zou wel komen op dezen

vruchtbaren grond, die voor arbeid verzekerde welvaart geeft.

Op den terugweg aan den rand van het al nachtelijk wordend woud

zag ik nog eens om naar het gelig-schemerende huisje, dat de kiem

was van een gehucht, wie weet hoe spoedig misschien een dorp van

gezeten boeren, eigenaars van den grond. Uit juist zulk een kiem,

zulk een gezin-in-een-huisje, begon, een goede vijftig jaar geleden,

Madjawarna zich te ontwikkelen. Midden in het wilde woud, dat de

vlakte toen bedekte, kapte een Christen-inlander, die zich onder zijn

Mohamedaansche dorpsgenooten niet langer op zijn plaats had gevoeld,

een plek open, waar hij een huisje kon zetten en wat voedsel bouwen

voor zich en zijn gezin. Een broeder kwam met het zijne om hem te

helpen. De ontginning werd een gehuchtje van eenige gezinnen; al

spoedig een dorp; het oude recht dat den ontginner tot eigenaar maakt

van den grond, beschermde de christen-gemeente toen ook Mohamedanen

zich daar kwamen neerzetten.

Het is nu een dorp van meer dan vijfduizend zielen. Aan het voorkomen

en de kleedij van de menschen, hun huizen en erven, de breede

wel-onderhouden wegen is het te zien dat het dagelijksch leven er

zijn eisch heeft en nog een begin van overvloed ook. De dorpsvelden

zijn goed verzorgd. Er staat vee in de stallen, roodbruine runderen en

ruige grauwe buffels die den ploeg trekken door den drassigen akker,

een enkele heeft een paardje. Op de markt, naast de brug, waar de

rivier met een frisch gebruis onder door schiet, ligt de kostelijke

rijst op hoopen en heuveltjes tusschen kramen vol waar.

Het huis van den zendeling staat midden in het dorp, tusschen

de inlander-huizen in. Men heeft er maar korten tijd te zijn om

te bemerken dat het een soort kantongerecht, notaris-kantoor,

consultatie-bureau en huishoudschool is in de oogen van de

dorpelingen. Een bescheiden kuchje, een "Ik vraag verlof," meer

gefluisterd dan gesproken, dat is alweer een vrager om raad of hulp,

die, onhoorbaar het erf opgekomen, neerhurkt ter zij van de kleine

voorgalerij. Uit de gesprekken van een enkelen na-middag zou men

vrijwel het beeld van de samenleving in het dorp kunnen construeeren.

Wongso komt de hulp van den "pandita" vragen in een moeilijk geval. Hij

heeft zijn huis--zijn mooi huis, met een pas nieuw dak!--verhuurd

aan een mantri van den waterstaat, omdat hij zulk een grooten meneer

't niet dorst weigeren. Maar de mantri staat bekend voor een kwaden

betaler. Als nu de pandita maar wilde.... Met de eene "sembah" na

de andere ontvouwt Wongso een plan, zooals een duizend jaar geleden

menige kleine landbezitter in Duitschland, Frankrijk, Holland,

Engeland het den abt van een machtig klooster voorgelegd heeft, als

zijn ridderlijke nabuur hem wat al te zwaar benauwde: hij wil zijn

huis aan den pandita overdragen, en de pandita zal de huur opeischen

van den boozen mantri. Gelukkiger in dit opzicht dan de Westersche

grondbezitter, die zijn eigenerfde akkers tot leengoed maakte om ze

niet heel en al te verliezen, weet Wongso dat hij het maar voor het

vragen heeft om zijn huis terug te krijgen van den pandita.

Jachman heeft zich muizenissen in het hoofd gehaald over de zekerheid

of onzekerheid van zijn erfelijk-individueel bezit aan sawah,

dat immers nooit goed te bewijzen is. Hij verzoekt dat de pandita

registratie als agrarisch eigendom voor hem zal aanvragen bij den

Landraad. Pas als hij den "brief" van den Landraad in handen heeft

"zal zijn hart koel zijn." Nu, namelijk, "brandt het."

Sidin--het is de rijkaard van het dorp--komt de geboorte aangeven

van een kind en legt een rolletje guldens, blinkend van tusschen

riem en sarong te voorschijn gehaald, op de tafel van den pandita,

met het verzoek dat de pandita een boekje van de spaarbank late halen

en er in opschrijve, dat Sidin deze guldens aan de postspaarbank te

bewaren geeft voor zijn kind.

Sarkam en Djembar zijn na een woedenden twist, dien zij liefst

met het mes beslecht hadden, door de buren overreed den pandita tot

scheidsrechter te vragen in hun zaak. Daar zitten zij, met fonkelende

oogen, links en rechts van de kamermat.

Niti's huis is afgebrand. Hij komt met getuigen, die verklaren dat de

brand op het dak begonnen is: brandstichting dus. Hij zal niet zeggen

dat hij zijn medeminnaar verdenkt, die gehoopt heeft op die wijze

zijn huwelijk te verhinderen, voor het sluiten waarvan de pandita

immers het bezit van een eigen huis eischt. Maar het is hem duidelijk

genoeg aan te zien dat hij van des pandita's alwetendheid uitredding

verwacht, ook zonder, mogelijk compromittante, medewerking zijnerzijds.

En inmiddels staan Mbôq-Ari, Mbôq-Sarinten, Sima en Sarkina te

wachten op de zendelingsvrouw om hulp bij het maken van kleeren,

het geven van medicijn aan een ziek kind, en het overreden van een

dochter die anders wil dan vader en moeder, plotseling, nu er sprake

is van vrijen en trouwen.

Er gaat geen dag voorbij zonder dat hulp gevraagd en gegeven wordt

in zulke dingen.

Zeker komen er ook die den zendeling zoeken als leeraar van den

godsdienst, die helderheid begeeren voor hun gedachte, vrede voor

hun hart. Maar zij zijn, klaarblijkelijk, in de minderheid.

De stoffelijke belangen zijner gemeenteleden behartigen, zóó als

zij dat met haast kinderlijke hulpbehoefte en vertrouwen van hem

verwachten; en dat uiteraard afwijkende zoo niet rechtstreeks

weerstrevende in gelijke richting doen loopen met wat hij hun

allerhoogste belang moet achten, het geloof in en het be-leven van

een wereld-verzakenden godsdienst: en te waken daarbij, dat niet de

schijn van het eene de werkelijkheid van het andere bedekke: dat is

het moeilijke probleem dat dag aan dag den zendeling in het Javaansche

dorp wordt gesteld.

Toen de man, wiens naam onafscheidelijk verbonden blijft aan

Madjawarna, toen Kruijt hier in '64 zijn levenswerk begon, vond hij

de jonge gemeente in een ongunstigen toestand. Vreemde elementen

waren binnengedrongen in de Christenen-nederzetting, en de strengere

moraal die daar een sterkte had moeten vinden, was bezweken onder

den aanval. Er werd opium geschoven, gedobbeld, ná feesten waarbij

verloopen vrouwen dansten, met messen gevochten, er werd gestolen en

gemoord in Madjawarna. Tegenover zulke euvelen die hij hoofdzakelijk,

zoo niet uitsluitend, aan de Mohammedaansche immigratie weet, koos

hij een politiek, die den indringelingen de keuze liet enkel tusschen

vereenzelviging met de gemeente der Christenen of verwijdering uit de

dessa. De oude Javaansche zede, die aan den ontginner een overwegend

aandeel geeft bij de regeling der dessa-zaken, verschafte hem (bij

samenwerking met die ontginners, immers Christenen), de mogelijkheid

daartoe.

Overreding tot overgang naar het Christendom of anders uitwijking,

verplichting tot kerkgang van volwassenen en verplichting

tot schoolgang van kinderen, elimineerden gaandeweg de vreemde

elementen. Later volgde op de negatieve actie een positieve door den

bouw van een kerk, van een school en van een ziekenhuis, terwijl ook

een spaarbank werd opgericht, een kweekschool voor onderwijzers en ten

slotte een ambachtsschool. Het was een wereld-in-het-klein met organen

voor al hare behoeften, lichamelijke, zedelijke, verstandelijke,

huishoudelijke, die de onvermoeid arbeidende vriend van den inlander

ten slotte daar had opgebouwd. Hij mocht verwachten dat zij zou

groeien en gedijen. In velerlei opzicht heeft zij dat gedaan. De

welvaart in Madjawarna en de omliggende Christendessa's is daarvan

een zichtbaar en tastbaar bewijs. En niet die gemeenten alleen, maar

de geheele streek, in een omtrek die bij den dag zich uitbreidt,

heeft baat bij de twee scholen en bij het ziekenhuis.

Het hospitaal dat in '92 werd opgericht om vijftig patiënten te

bergen, heeft op het oogenblik ruimte en verpleging voor meer dan

tweehonderd. [6] Er is onlangs--voornamelijk de suikerfabrikanten

van de streek hebben de gelden daartoe bijgedragen--een doelmatig

ingericht operatiegebouw bijgezet. Het heeft een afgezonderd liggende

afdeeling voor melaatschen. En de polikliniek wordt door gemiddeld

honderdtwintig patiënten per dag bezocht, die zelfs uit plaatsen,

waar openbare ziekenhuizen zijn, hierheen komen.

De Javaan wordt dikwijls voorgesteld als een natuurkind, gelukkig,

gezond, tevreden, en alleen door de aanraking met Westersche

onnatuur in gevaar gebracht. Een half uur in de voorgalerij van het

zendingshospitaal zou de kuur zijn voor zulke zoogenaamd dichterlijke

waan-voorstellingen. Wat een stroom van ellende gaat hier naar

binnen! Wonden, misvormingen, gezichten afschuwelijk door vuilen

uitslag en zweren, lichamen ellendig verminkt, oogen waaruit de blik

al bijna verdwenen is, leden die, lam, hangen. En onder die vele en

velerlei zieken hoeveel, ach! hoeveel kinderen, tot allerkleinsten toe,

als verflensende bloemetjes slap en bleek hangende in de draagsjerp van

de bekommerd-kijkende moeder! Het hart krimpt ineen bij de voorstelling

van wat er geleden zou worden, werd hier geen hulp geboden. In

de processie van ellendigen zijn het talrijkst de lijders aan

wonden. De Javanen gaan blootsvoets: zij treden op splinters, doorns,

scherven. Op den akker, bij het grassnijden, bij het bamboe hakken,

hanteeren zij een kort zwaar mes: een onhandige beweging slaat een wond

tot op het been toe. Zij werken in fabrieken: de gewoonte maakt hen

onachtzaam tusschen machines. Misschien is de kwetsuur onbeteekenend

geweest eerst. Maar fatalistische onverschilligheid, verwaarloozing,

onzindelijkheid en de praktijken van den Indischen kwakzalver, den

doekoen, maken van een schram al spoedig een etterende, invretende

wonde. Het zijn ijselijkheden die de dokter en de verpleegsters te

heelen krijgen, dag aan dag.

Ook teringzieken komen er in helaas! nog altijd vermeerderende

getallen. De voorwaarden waaronder het geringe volk leeft, bevorderen

de akelige armoedziekte, die te voorschijn komt in allerlei

afzichtelijke gezwellen en misvormingen van het beenderstelsel. De

behandeling in het hospitaal doet wat alleen-doenlijk is zoolang niet

betere levensomstandigheden een betere volksgezondheid voortbrengen:

veel pijn verzachten.

Dan komen de ooglijders. Volgens de ervaring van den behandelenden

arts zijn zij er in een menigte, waarvan de statistiek (l'art de

préciser les choses qu'on ignore) geen flauwe voorstelling geeft:

schrikwekkend. Java is een van de vier wereldcentra der "Egyptische

oogziekte;" (Egypte, Amsterdam en de provincie Limburg de drie andere)

en de achteloosheid en onkunde der lijders verergert het op zichzelf

al zoo erge kwaad. Mits bijtijds aangebracht, vermag medische hulp

hiertegen echter veel. En, gelukkig, wint die overtuiging veld onder

de Javanen, zoodat, wie vroeger zich maar overgaf als hij het al

grijzer en donkerder zag worden om zich heen, en zich niet meer uit

huis durfde wagen zonder een leidende hand, nu vol vertrouwen bij den

zendingsdokter komt, en zelfs voor de deur van de donkere kamer, en

voor het fel uit den nacht opschitterende oogspiegeltje en de scherpe

druppels uit het spuitje niet meer terugschrikt. Het is aandoenlijk de

gezichten te zien in de afdeeling voor ooglijders: een weinig opgeheven

naar waar, door het verdonkerende verband heen, het licht te voelen is,

als tastend naar een, nog verre, maar toch al maar dichterbij komende

vreugde. En zooals nu en dan een, met schuin gehouden hoofd, een heel

klein glansje poogt te vangen onder den blinddoek, en een ander, door

een zwarten bril heen, zijn hand beziet, duidelijk voor het eerst

weer sedert wie weet hoe langen tijd! De kinderen zitten heel stil,

ontroerend-geduldig, met een bloempje of een stuk speelgoed, dat een

verpleegster hen in de hand heeft gegeven. Als zij den stap van den

dokter hooren, verhelderen de kleine gezichten. Hij belooft hun dat

ze gauw weer naar huis mogen en spelen met de broertjes en zusjes.

Er zijn véél kinderen in het ziekenhuis, lijders aan allerlei

ziekten, operatie-patiëntjes ook, véle. Men moet zich den angst en

den afschuw, dien de Javaan voor het mes van den chirurgijn voelt,

eerst goed voorstellen om te kunnen begrijpen wat dat beteekent: een

overwinning, door zuivere menschenliefde behaald op vooroordeel niet

alleen, maar op het wantrouwen, de vrees, den haat die drie honderd

jaar lang bruin van blank gescheiden hebben gehouden op Java.

Voor een deel is die overwinning te danken aan het wijze inzicht

dat onnoodige botsingen vermijdt; er wordt in het ziekenhuis niet

gestreefd naar bekeering der patiënten. Wel vindt de Christen er de

gemeenschap in geestelijke dingen die hij zoekt, doch den Mohammedaan

wordt zij niet opgedrongen. Vandaar dat zelfs priesters het ziekenhuis

der zending zoeken.

Met de school staat het anders: deze is bepaald confessioneel. Zij

is opgericht om kinderen op te leiden tot de Christelijke

wereldbeschouwing. Niettemin zenden ook Mohammedaansche ouders,

en die willen dat hun kinderen Mohamedanen zullen blijven, hun

kinderen er heen. Het gebeurt zelfs dat de Moslim-kinderen er in de

meerderheid zijn. In een school, voorverleden jaar in een naburige

dessa opgericht, waar maar weinig Christenen wonen, is de proportie

van Mohammedanen tot Christen-kinderen zelfs als van bijna vier tot

een. Blijkbaar tellen de niet-Christenen het confessioneele gevaar

voor weinig of niets tegenover de winst die hun kinderen voor het

geheele leven hebben van een opvoeding op de zendingsschool. Het

geval is analoog met dat van het hospitaal, in zoover als ook de

school beantwoordt aan een behoefte die anders onvervuld zou blijven:

want de inlandsche dessaschool, waar niet anders geleerd wordt dan het

op een dreun opzeggen van onverstane Koran-teksten, wordt zelfs door

weinig nadenkenden in dezen tijd niet meer aangezien voor zulk een

vervulling. Zooals zij den arts en de verpleging in het ziekenhuis

zoeken, liever dan den doekoen en zijn toovermiddeltjes, zoo zoeken

zij ook den schoolmeester en het, zij het dan ook Christelijk gericht,

onderwijs liever dan den goeroe en zijn Arabische spreuken.

De opleiding in de zendingsschool is gericht in de eerste plaats

op de vorming van het karakter in Christelijk-deugdzamen zin; de

ontwikkeling van het denken door het aanbrengen van kennis is tot

dat doel een middel. Zij gaat te werk volgens een methode, die door

de hernieuwers van het onderwijs in Duitschland begonnen en bij ons

te lande nagevolgd, door den tegenwoordigen leider der school is

gewijzigd naar de behoeften van den Javaan.

De school neemt het dessa-kind op van zijn derde of vierde jaar af:

zulk een kleintje komt in de fröbelklasse. Met zijn vijfde of zesde

begint het dan aan het eigenlijke school-onderwijs dat, als het in

zijn geheel wordt gevolgd zes jaar duurt, en omschreven kan worden als:

het stelselmatig ordenen, tot een helder begrip herleiden en aan zijn

welzijn dienstbaar maken van de ervaringen van zijn dagelijksch leven,

zooals dat van kinder- tot jongelings-leeftijd verloopt. Het Javaansche

volkskarakter heeft een eigenaardige neiging tot het verzamelen van

volkomen onnutte mystieke "kennis;" die neiging wordt tegengegaan. De

kinderen leeren, stelselmatig, door aanschouwing, begrip en toepassing,

belang stellen in wat hen het meest onmiddellijk aangaat. Zij leeren

alles omtrent hun huis, hun huisraad, hun erf, de planten en vruchten

die er op groeien, de dieren die er verzorgd worden. Zij maken modellen

van wat hun vertoond is en uitgelegd: van een huisje, een schuur,

een kar, akkergereedschap en huisraad. Zij teekenen een paard en een

buffel, kippen, eenden, duiven, terwijl zij leeren hoe die dieren

behandeld en verzorgd moeten worden. Zoo worden zij geprikkeld tot

zelfwerkzaamheid, die een eind maakt aan het gedachtelooze ná-doen

dat zooveel bedorven heeft en altijd nog bederft van den goeden

aanleg van het Javaansche volk. Het is alleraardigst om te zien met

welk een pleizier en handigheid de kleine knutselaar van klei en van

rijststroo-halmen door bolletjes was verbonden, zijn heele omgeving

in het klein nabootst en speelgoed maakt met schoolwerk tegelijk. De

twee eerste jaren gaan er aan, hem op die manier zijn naaste omgeving,

en zichzelven in die omgeving te doen kennen. Dan breidt zijn ervaring

zich uit; hij wordt in theorie (als in de praktijk) een werkend lid,

van zijn gezin eerst, dan van zijn dessa: hij leert met luisteren,

herhalen en doen, wat er gebeurt in huis, in school, op de sawah, in de

warong, op den pasar, in de smidse en den timmermanswinkel. En in het

vijfde en zesde jaar wordt de kring uitgebreid tot de uiterste, voor

hem beschikbare grenzen, over de hoofdplaats van de streek en geheel

Java, waarbij hij dan de inrichting leert kennen van het dessa-bestuur,

de politie, de spaarbank, de gesteldheid van het land, de middelen van

verkeer, de toestanden, en die niet alle zooals zij op dezen dag zijn,

maar zooals zij zich, sedert de laatste, zeg, vijftig jaar, ontwikkeld

hebben. Lezen en schrijven, rekenen, aardrijkskunde en geschiedenis van

Java voor zoover ze voor hem bevattelijk en nuttig zijn, leert hij in

dit verband. En tevens wordt zijn aanleg voor muziek en voor teekenen

langs specifiek-Javaansche lijnen ontwikkeld. Op zijn twaalfde jaar

(dan is het Javaansche kind jonkman en jong-meisje) heeft de leerling

zooveel begrip van de samenleving als hij om harent- zoowel als om

zijnzelfswil behoeft; en het mogelijke is gedaan om zijn werklust te

ontwikkelen en zijn zin voor de gemeenschap.

Een kweekschool voor onderwijzers is verbonden aan deze school. En

zij sluit aan bij een ambachtsschool, die tegelijk werkplaats en

winkel, degelijk huisraad levert voor uiterst matigen prijs, zoodat

de dessa-man al begint daar te koopen, terwijl de leerlingen er

gevormd worden tot handige timmerlui en schrijnwerkers, die hun kost

kunnen winnen onafhankelijk van den hoe langer zoo meer precairen

landbouw. Naast die vak-opleiding voor jongens staat er eene voor

meisjes, een naaischool onder leiding van de onderwijzersvrouw, en een

zorgvuldige opleiding voor het huishouden die, in haar huiselijken

kring, de vrouw van den zendeling aan een vast aantal dochters van

gemeenteleden geeft.

Resultaten van deze inrichtingen en methoden der zending zijn het

die zoo verblijdend te zien komen in de algemeene welgesteldheid van

Madjawarna en zijn omgeving.

Weinig dingen zijn zoo moeilijk als een Javaan afbrengen van

overlevering en oude gewoonte. Een woord als dat van Potgieter:

"Slechts vernieuwing kan behouden

Achter raakt wie stil blijft staan,"

heeft voor hem geen zin. Het is voor de zending geen geringe roem,

dat zij werkelijk er in geslaagd is hem zooveel en zoo velerlei

nieuws te doen aanvaarden. Zoo als zij hem er toe gebracht heeft zijn

stoffelijk en zijn verstandelijk bestaan te vernieuwen en vernieuwend

te verbeteren, zoo streeft zij ook en uiteraard hoofdzakelijk, naar een

vernieuwing en verbetering van zijn zedelijk bestaan. De resultaten

zijn niet zoo spoedig bereikbaar, noch zelfs, bereikt, zoo dadelijk

bemerkbaar op dit gebied als op de twee andere. Niettemin valt toch

al bij vergelijking van Madjawarna met het gewone type der Javaansche

dessa een groote verandering ten goede waar te nemen in de openbare,

zoowel als in de huiselijke zeden.

Dit bijvoorbeeld, dat het dorpshoofd en de leden van het dorpsbestuur

niet Mohammedanen zijn, maar Christenen: dat is al een nieuwigheid

die gelijk geacht mag worden aan een omwenteling in de oude orde

van dessa-dingen. Voor den dessa-man is geen scheiding ooit denkbaar

geweest van kerk en staat, om op zijn Westersch te spreken. Althans

sedert de Mohammedaansche verovering is de beheerscher van het land

het hoofd van den godsdienst geweest, en alle van hem uitgaand en

afdalend gezag dit twee-ledige: staatkundig en kerkelijk. Nog altijd

is voor den kleinen man vooral, de Soesoehoenan van Soerakarta

de opperheer van Java, koning en priester tegelijk. (De Sultan

van Djokja, als uit een jongeren, en later, door de macht van

vreemden tot de heerscherswaardigheid gekomen tak, geniet niet

hetzelfde aanzien.) Hij gelooft dat de Soenan de zon kan doen

schijnen en den regen vallen. Als het hem gebeuren mag den Soenan te

zien--Vorstenlanders maken vaak opzettelijk de reis naar Solo--zal hij

het heele jaar gezond blijven. Op het nieuwjaarsfeest vecht hij om een

scherf van het vaatwerk waaruit de Soenan gegeten heeft, en bergt die

als "djimat," als geluk-aanbrengenden talisman, in zijn huis. Al gaat

hij niet zoo ver als de Vorstenlander die uit vergodenden eerbied

den ingang van zijn huis niet op dezelfde hemelstreek durft maken

als waarop de Kraton-poort is gericht, op het Oosten, hij beschouwt

toch den priester-koning als een wezen zoo verheven, dat reeds zijne

nabijheid heiligt. Tegenover een Vorstenlander als zoodanig gedraagt

hij zich als tegenover zijne meerdere. Een Vorstenlandsch gebruik is

voor hem de "adat" bij uitnemendheid. Een sarong of een hoofddoek uit

de Vorstenlanden is een kostbaar en ook gelukaanbrengend bezit. Geen

grootere glans kan verleend worden aan een regenten-familie dan door

een huwelijk met een Solosche of Djokjasche vorstendochter.

Van dien grootste daalt het gezag verminderd wel, maar niet in

aard veranderd, op de kleineren af. De regent van de streek is de

hoofdpriester van de streek. Het dessa-hoofd is de dessa-priester,

die voorgaat bij godsdienstige plechtigheden en voorzit bij de

offer-feesten van het dorp. Een Christen, dus een niet-priester,

haast zou men mogen zeggen een tegenpriester als dessa-hoofd, dat

was een breuk in wat onverbrekelijk had geschenen. Er is indertijd

gewaarschuwd voor het gevaarlijke van de proefneming: men vreesde voor

oproer. Niets van dat alles! Op de geleidelijkste en vreedzaamste wijs

heeft de groote vernieuwing haar beslag gekregen. Misschien hielp

daartoe, wat Madjawarna betreft, een recht nog ouder dan de Islam:

het ontginnersrecht dat gezag geeft over de dessa, en de godsdienst

van den ontginner van 1818 was het die het nieuwe recht van zijn

opvolgers beschermde. Maar in andere christendorpen ligt het geval

anders: zonder den beschermenden schijn van welke oude denkbeelden ook,

is dit nieuwe er ter overwinning gekomen. En, merkwaardig! uit eigen

beweging hebben zelfs Mohammedaansche dessa-lieden hun Christenhoofd

dezelfde voorrechten toegestaan, ten opzichte van akkerbezit en

dorpsdiensten als den Mohammedaanschen loerah toekomen. Dat hij geen

deel neemt aan de offerfeesten wordt, als nadeel, blijkbaar gering

geacht tegenover het voordeel dat een op betere beginselen rustend

bestuur aanbrengt. Het is weer hetzelfde geval als met het ziekenhuis

en de school; omdat het blijkbaar, tastbaar, zichtbaar beter is,

wint het nieuwe het van het nog zoo vereerde en hartstochtelijk

vastgehouden oude.

In het huiselijk leven is een dergelijke vernieuwing bemerkbaar. Er is

tegelijkertijd meer vrijheids-gevoel en meer verantwoordelijkheidsbesef

in gekomen. Man en vrouw scheiden zoo licht niet van elkander als

gewoonlijk Javanen doen, onder wie drie, vier, vijf maal scheiden

en hertrouwen niets ongewoons is. De ouders nemen de opvoeding der

kinderen ter harte. Er zijn er zelfs al bij wie die zorg zich uit op

een wijze haast ondenkbaar voor een gewonen Javaan: door zorg voor de

toekomst der kinderen. Zij hebben een spaarbank-boekje op den naam

van hun kind, en brengen geregeld daar op in. Zij laten de kinderen

op school, zoo lang zij maar eenigszins het zonder hun mede-arbeid en

-verdienste kunnen stellen. En ook de meisjes krijgen een opvoeding,

wat onder gewone dessa-lieden nooit gebeurt. Tegelijk komt een zekere

vrijheid in de houding der kinderen tegenover de ouders. Zij ligt niet

in de Javaansche zede. Zoolang het klein is wordt het Javaansche kind

vertroeteld en ook verwend en bedorven tot in het ongeloofelijke. Den

geheelen dag solt een Javaansche moeder met haar kind. Het gaat de

"slendang" niet uit. Als het kikt wordt het aan de borst gelegd. Zelfs

in de kerk. Geen sprake er van dat het een oogenblik, op nog zoo

veilige plek, alleen wordt gelaten, een oogenblik aan nòg zoo goede

hoede van een ander toevertrouwd. "Als mijn kind niet uit mij drinkt,

sterft mijn kind." Het "drinkt uit zijn moeder" nog wanneer het al

begint te rooken. Ieder die door de velden loopt kan dit tafereeltje

zien: een jongen van een jaar of drie die van zijn kornuiten bij het

rijst-bewaken of het rietblad-stroopen wegloopt naar de borst der

geduldig-neerhurkende moeder, en, verzadigd, een strootje opsteekt en

wegwandelt. Maar laat de dreumes grooter worden en met vertroetelen

is het uit. Tegenover een volwassen kind zijn ouders streng, om niet

te zeggen hard. Er wordt bevolen, en nooit gezegd waarom. Er wordt

gestraft en gewoonlijk niet rechtvaardig of redelijk, laat staan

zachtzinnig. Naar eigen wil van een zoon of dochter wordt zelfs niet

gevraagd bij een huwelijk. Dat is anders geworden sedert de zending

de huwelijksinzegening afhankelijk heeft gesteld van de verklaring

van bruid en bruidegom beiden, dat zij uit vrijen wil elkander tot

echtgenoot nemen. "Als u mij dwingen wilt moet ik gehoorzamen, maar ik

zal voor den pandita verklaren dat ik gedwongen ben" heeft al eens een

àl te autoritairen vader tot inzicht en toegeven gebracht. Terwijl

een verdere vrijheids-vermeerdering voor het kind bereikt is door

een tweeden eisch der zending: dat het jonge paar een eigen woning

hebbe. Gewoonlijk trekt het bij de ouders van den man in. Het is een

gebruik dat, als bekend, ook onder het Russische boerenvolk heerscht,

(altijd door vindt men punten van overeenkomst tusschen Javanen en

Russen, in het Westen en in het Oosten de hedendaagsche-middeleeuwers)

de lezers van Gorki's novellen weten met welke gevolgen. Zij zijn

hier op Java dezelfde. In het Christenendorp is de mogelijkheid voor

hun ontstaan afgesneden.

De levenswijze van den enkeling ook is veranderd onder den invloed der

nieuwe denkbeelden. Hoewel door geen tekst letterlijk verboden, zóo als

bijvoorbeeld alcoholische dranken verboden zijn door een Korantekst (en

niettemin, hoe langer hoe meer helaas, gedronken worden), wordt toch

drinken, opiumschuiven en dobbelen geacht voor een christen ongepast

te wezen, evenals het leenen tegen woeker-rente, de "nieuwe adat"

is daartegen. Het is niet aan te nemen dat dat alles in het geheel

niet meer voorkomt onder Christenen; maar stellig is het zeldzamer

onder hen.

Zooveel dan heeft de zending gewonnen. Heeft zij ook gewonnen wat haar

het allerbelangrijkste moet schijnen, de innerlijke bekeering van den

Javaan? Uit de woorden van zendelingen, zooals zij opgeteekend staan

in hun eigen organen, uit de herhaalde klachten over het langzame

vorderen van den zendingsarbeid, de zeldzaamheid der toetreding van

volwassenen tot het Christendom, en de kracht die, alle belijdenis

van den Christelijken godsdienst ten spijt, het oude, animistische

bijgeloof en de fataliteits-idee, beide even verderfelijk, nog over

den geest van den Javaan blijken te behouden, uit zulke klachten

schijnt het gewettigd de gevolgtrekking te maken dat de zending tot

dit haar hoogste doel, tot nog toe niet zoo dicht is genaderd als

tot die andere doeleinden, in het stoffelijke, verstandelijke en

maatschappelijk-zedelijke gelegen.

"In zijn verslag over 1898 klaagt hij (Kreemer) zeer over de

oppervlakkigheid zijner bekeerlingen. Hij miste bij hen maar al te

vaak energie en een levendige opvatting van het Christendom; en typen

van ontwikkelde, in het hart getroffen Christen-Javanen, die.... als

een bewijs van den zegenrijken invloed der zending vertoond kunnen

worden, zijn schaarsch." [7]

"Geeft men den menschen in de eene hand rijst, in de andere den

godsdienst, dan is de hand met rijst steeds aan den mond, de andere

zoover mogelijk uitgestrekt." [8]

"Er is geen andere weg (dan land-ontginning) om het Evangelie meer

ingang te doen vinden, en het tot gemeengoed van dit diep gezonken

volk te doen worden." [9]

"Er komt van lieverlede orde en regel in het leven van den Javaanschen

Christen. Hij wordt werkzamer, begint zich beter te kleeden; toont bij

toeneming de behoefte om goed te wonen en zich netter in te richten;

van opium-pijp, dansmeiden en spel is geheel afstand gedaan; de

lommerd blijft onbezocht; de landrente wordt geregeld gekweten; de

kinderen, ook de meisjes, gaan allen school; en van echtscheiding,

anders schering en inslag onder de Javanen, wordt niet, of hoogst

zelden, gesproken; politiezaken komen niet voor." [10]

Met zulke zeggingen in de gedachte, en het schouwspel van een dorp als

Madjawarna voor oogen, voelt de beschouwer die onpartijdig tracht te

staan, de gedachte opkomen dat de Javaan van de zending andere gaven

zoekt en aanneemt dan die eene, die zij de eéne-kostelijke acht en

dat hij "Christen" wordt om vooruit te komen in de wereld.

Als dat zoo is, dan heeft de zending een ander doel gediend dan

zij voor het hare koos. Die haar overtuigingen deelen zullen zich

daarover bedroeven. Die een andere wereldbeschouwing hebben, zullen

bedenken hoe dit niet de eerste maal zou zijn dat over de beweging

der enkelen heen, en er tegen in zelfs, en toch en zelfs juist door

middel daarvan, de maatschappij haar eigen voorwaartschen gang gaat,

naar haar eigen, nog achter onzen gezichteinder verborgen doel.

Een bevloeiïngswerk.

In het stroomgebied van de Solo ontspringt en verzinkt weer in den

drassigen grond de Pritjetan. Zij is een van die vele "tijdelijke

rivieren" op Java die in de regenmaanden aanwassen tot een woesten

vloed, en in den drogen tijd slinken tot verdwijnens toe. Haar

bovenloop gaat door een wijd dal tusschen twee met een verren zwaai

naar elkander toe buigende landruggen ingesloten, waarvandaan de grond

langzaam aan oprijst naar de streek waardoor de naaste der vele van

de bergen komende zijrivieren der Solo vloeit. In den Westmoesson,

als ontelbare bronnen en aderen opengaan in den doordrenkten grond,

zwelt de Pritjetan tot een sleurenden stroom die over zinking en

zwelling heen voortrent naar de groote rivieren. Maar zoo haast de

regens ophouden ebt zij van de hellingen weer weg, ligt als een

slijmerig groene plas in de kom van het dal, wordt een smalle en

al smallere kronkelbeek, en is ten slotte niet meer dan een dunne

trage spreng, die wegsiepelt in een moeras. Het dal, beurt aan beurt

verdronken en verdorrend, is gaandeweg verlaten door de bevolking

die er verhongerde, zoo rijk als de grond is. De weinigen die nog

bleven, leden ellende. Zij geneerden zich met houthakken in de groote

djatibosschen van den omtrek, met sprokkelen, het plukken van djatiblad

dat zij op de passars in den omtrek verkochten als inpak-materiaal

voor eetwaar, van hout-diefstal natuurlijk ook. Op de hellingen

trachtten zij tabak te telen; in de kuilen rijst. Het gebeurde soms

wel dat zij tot zeven malen in een jaar opnieuw plantten en van den

nu verschroeiden, dan verdronken grond niet éenmaal een eenigszins

voldoenden oogst wonnen. Wie een kip slachtte, deed het in het geheim,

om niet overvallen en mishandeld of misschien doodgeslagen te worden

voor het begeerlijke maal. Van het dagenlange zwerven door het scherpe

woud kregen kinders als volwassenen, vrouwen en mannen, wonden aan

de voeten, die gaandeweg invraten, tot het been bloot kwam; niemand

was er die hen verzorgde. Om zulke ellende te verhelpen, dadelijk,

en een toekomst te beginnen van allengs toenemende welvaart, werd

verleden jaar het groote werk aangevangen dat de Pritjetan zal maken

tot den wèl-geregelden bevloeier van de streek.

Het is het eerste werk van dien aard en die groote verhoudingen, op

Java van regeeringswege begonnen. Twee en een halven K. M2. oppervlakte

heeft het dal, dat door den afsluitdam veranderd zal worden in

een vergaarkom voor de bandjirwateren der rivier; de capaciteit

zal zijn van tien millioen M3.; zeventien M. hoog bij vierhonderd

lang en, op zijn zwaarst, negentig breed, de reusachtige dam die

de watermassa tegenhoudt; en het langs twee kanalen rechts en links

van den aftapduiker afgevoerde water zal voldoende wezen om meer dan

zesduizend bouw grond geschikt te maken voor rijst-teelt. Zesduizend

bouw rijst, in dit altijd meer rijst behoevende land! Het moest

heerlijk zijn te zien hoe zoo iets wèrd. Wij gingen.

Van het Djombangsche uit naar de Pritjetan-vallei is de tocht

een gang van de volheid der technische beschaving terug naar

de natuur. Het begin van den weg loopt langs enkel fabrieken en

spoorweglijnen; suikerfabrieken links en rechts van den langen, door

zware tjikarren stukgereden weg; twee ijsfabrieken, waarvan het groote

wiel gewenteld wordt door een voorbijstroomend, met dammen en sluizen

driftig gemaakt riviertje; de stad Djombang dan, het drukke station

van spoor- en tramlijnen, de straten waarlangs automobielen stuiven;

weer fabrieken, groote, pasgebouwde, dreunend van zwaren machineslag;

de dijk langs de Brantas en over de breede rivier heen de twee lange

bruggen, zwaar en breed, de eene voor het algemeen verkeer, de andere

als spinrag dun en zwart om te zien, twee smalle ijzeren staven op

vele smalle ijzeren stutsels, de brug van de Babat-Djombangtram. Aan

gene zij van de groote, als een meer breede en rustig-vloeiende

rivier, weer een suikerfabriek met geweldigen schoorsteen boven de

boomen uit, weer een drukke straat tusschen Chineesche winkeltjes en

woninkjes door, en altijd nog de blinkende rails der tramlijn. Maar

nu wordt het stiller. Voor onzen automobiel vliegen zwermen vogels

op uit de vaalgele Oostmoessonpadi, die armelijk op het veld staat,

verdord in de laatste gloeiende weken, waarin niet een enkele bui is

gevallen. Verderop gaan pluksters door het veld; zij bewegen langzaam,

geluideloos, lusteloos door den geringen oogst. Er staan armelijke

huisjes aan den weg, dun van wanden onder een uitgerafeld rieten

dak. Dan is ook dat verdwenen. En de weg duikt de schaduw in van

het bosch.

Het is djati-bosch, gouvernements-aanplant. De groote gladde, bruine

zuilen van stammen staan geregeld in de rij. Er zijn kenmerken op

aangebracht, hier, ginder, daar alweer, met roode en zwarte teekens,

met kepen diep gekerfd in den bast. Opeens wordt alles licht, dan,

heelenal grijs: hier is het bosch "geringd." Om de stammen heen loopt

een breede witte wond, waar de bast is afgelicht van het hout. Zóó

moet de boom doodgaan, "sterven op stam." Het duurt twee jaar voor de

laatste toppen zijn uitgedroogd en het levende organisme verstijfd

is tot bouwstof. Mager als geraamten, strak als steen staat het

bleeke bosch te sterven. En zonderling, vlak daarnaast weer, het

herbeginnende groen, dof grof groen van djati met verrassend daar

tusschen op een enkele plek de teedere, tintelend-lichte looverwolk

van een tamarinde, een lente van een boom, en, schitterend in de zon,

djoewars in vollen bloei, goudgeel.

Nog altijd loopt naast ons het spoor der tram. En, tusschen de

boomen, op een enkele plaats, komt een tweede spoor te zien, in de

hoogte, een spoor door de lucht, over afgezaagde stammen loopend;

de mono-rail, waarlangs van de heuvels af, hangende ijzeren wagens

met boomstammen bevracht, in een vliegende vaart naar beneden

komen. De exploitatiechef der tram, onze gids op dezen tocht,

legt ons de constructie in W-vorm der wagens uit, waarvan hij de

uitvinder is en eerste toepasser. Het is niet mogelijk, dat, zelfs

bij de scherpste bocht, de slingerende wagens ooit uit het gewicht

raken. In den regentijd, als de boschwegen in moeras veranderen, gaat

ongestoord het hout-transport zijn gang langs dezen luchtigen weg,

de eene ijzeren staaf op de onthoofde boomen gedragen. Overal in het

bergland van Java op cultuur- en houtaankapondernemingen begint men

nu met den aanleg van zulke monorails.

Wij hebben het punt bereikt waar wij den landweg moeten verlaten. Van

hier naar het waterwerk gaat de tocht verder in een lorrie. Er is

een dakje van gevlochten blad over gemaakt en twee omgekeerde leege

petroleum-kisten staan er in voor banken. Zes halfnaakte koelies

duwen ons voort over het smalle spoor, op zijn dwarsliggers van jonge

djati-stammen en zijn dijk van zand en kalksteen, omgewoeld op plekken

door een stortbui, plotseling gisteren gevallen. Heuvel op kruipen,

heuvel af vliegen wij, de koelies tusschen ons in. We zien tegen

glooiïngen op en in kuilen akkertjes van enkele voeten in het vierkant,

armzalige lapjes tabak- en rijstveld. In lompen gekleede sprokkelaars

gaan bukkend door het bosch. Wij komen mannen tegen als wandelende

heuvels bladeren, die den langen weg af gaan naar een pasar ergens in

den omtrek. Dan wordt, laag gelegen, een lang vlak gebouw zichtbaar,

wit en grauw. De van zweet gudsende koelies laten de lorrie stilstaan

voor de woning van den ingenieur. Hij brengt ons naar het werk.

Van een hoogte van uitgegraven en opgeworpen aarde uit zien wij het

wordende liggen. Daar blakert, grauwwit in de felle zon, de groote

aftapduiker, tusschen gemetselde muren vier lange rechte kanalen,

waardoor het water uit de groote vergaarkom, onder den dam door,

geleid zal worden naar de bevloeiïngs-kanalen. Op een uitgestrektheid

cementen vloer aan gene zij van den duiker is een ploeg werkvolk

aan den arbeid. Recht in de rij staan zij, met zware stampers, het

uitgegoten cement vast te stampen, onder toezicht van den mandoer,

een grooten, pikzwarten neger, in hemelsblauwen broek en wit hemd,

die als een zeeman op het schommelende scheepsdek, wijdbeens staat,

en zijn orders geeft op een bootmansfluitje. De cementen vloer wordt

de bedding van het water dat naar den uitwoelbak stroomt. Als in een

echte bedding is hier al een bronnetje te voorschijn gesprongen. Het

mag niet gestopt--levend water laat zich niet terugdringen: het

vingersmalle straaltje zou den geheelen geweldigen dam van binnen uit

gaan uithollen, en uiteen woelen. Er wordt een afzonderlijk kanaaltje

gemaakt in den cementen vloer voor het borrelende bronnetje: een koeli

is er bezig aan. Aan genen kant van het cement flikkert tusschen

gemetselde wanden een plas, vlak en plat, waar des vier stroomen

uit den duiker bruisend neerstorten zullen en tot effen rust komen

voor zij, naar links en naar rechts de twee lange leidingen in gaan,

die wat nu moeras is en zandwoestijn bij beurten zullen veranderen

in vruchtbaar veld.

Rondom dien duiker in de diepte, als rondom den grondslag van het

langzaam opgroeiende werk, is een leger arbeiders doende. Er wordt

beton gemaakt. Daar slaan dozijnen steenkloppers den harden grauwen

kali-steen voor stuk. Tot heuvelhoogte al is de hoop steenslag

gegroeid: de mannen zitten klein aan den voet van den blinkenden

schervenberg. Het onafgebroken geknetter van brekenden hamerslag en

verbrijzeld gesteente maakt de lucht aan het trillen. Terzij van den

steenslag-heuvel staat een gehucht van loodsen, blinkend met daken

van gegolfd metaal. Met kracht van handen en met kracht van machines

wordt de verbrijzelde steen gemengd met zand en met cement: eindeloos

komen de rijen zware witte zakken er aan, die eenige duizenden mijlen

ver weg, aan de overzij van de wereldzee, langs Engelsche rivieren,

gevuld zijn.

Op den vloer van de machineloods liggen de lange ijzeren stangen, die

aan het eind omgebogen moeten tot in elkander grijpende haken. Dan

worden zij gevoegd in het reusachtige rasterwerk, dat daar buiten

over den grond ligt, een strak en toch veerkrachtig net van ijzeren

mazen, dat den uitgegoten en dadelijk verstarden stroom van beton in

onverbrekelijken vorm en vastigheid zal vangen. De groote dam, die op

den aftapduiker komt te staan, in een boog tegen den loop der rivier

gericht, de groote dalkom afsluitend, zal voor binnensten kern zulk

een muur van kalk en ijzer hebben. De zachte siepeling van het water

kan niet door het beton. De druk en drang van het water verwringt

het ijzer niet.

De ingenieur schetst in groote trekken den gang dien het werk moet

volgen: het aanleggen van den dam: het bouwen van de twee torens op

den duiker waarvan uit het windwerk wordt geregeerd, dat het water

toelaat in de kanalen of afsluit: de oprichting van een nood-overlaat;

de verlegging van de in wijde bocht kronkelende rivier recht aan op

den duiker.

De "rivier" is nu een smalle loome beek, groen van slijmerig gewas. Zij

komt er aan uit het in wijdte weg-blauwende dal of zij niet verder

meer kan van moeheid en watergebrek, en liefst zou blijven, liggen

in plasjes. Er is een inspanning van gedachte en verbeelding toe

noodig om zich voor te stellen dat die groene slingersloot over zes

weken een stroomende zee zal zijn. "De Pritjetan heeft in banjir-tijd

een maximum afvoer van 300 kub. M. per seconde," zegt de ingenieur,

en laat ons in nadenken over de cijfers, die voor de leeken-gedachte

niet tot een beeld willen worden. Maar dan wijst hij naar het dal,

de wijde blauwige holte, waar een jong djati-bosch opgroeiende is:

"Over drie jaar vaart daar onze motor-boot." De herinnering aan

Hollandsche plassen helpt deze Indische werkelijkheid veranderen tot

de voorstelling van wat zij eenmaal zal zijn.

Als wij uit de laaie van middagzon pal op cement en zink teruggekomen

zijn in het koele huis, krijgen wij werk en landschap in kaart gebracht

te beschouwen.

Daar staat het, wit op blauw: lijnen, cijfers, letters, die geheele

wijde overweldigende werkelijkheid gevangen in teekens. Toovenaars

hebben zulke dingen beproefd, lang geleden, als zij onbekende machten

wilden dwingen in menschendienst. Daar staat het plan van het werk,

de loop van den stroom, de ligging van het land. Nog enkele jaren,

en de tooverteekening zal een nieuwe werkelijkheid zijn geworden,

en die groote onbekende die bij den dag en bij het uur al minder

onbekend wordt voor het indringende denken der zoekers, de Natuur,

zal al weder een van haar tallooze krachten overgegeven hebben in

den dienst van de maatschappij.

Natuur en Menschen in Indië · 第 16 / 71 题