Langs een smal en steenachtig pad, dat soms opeens steil steeg en weer
zachtaan ging rijzen dan, en waar overal veel schaduw omheen was met
een glimpje van bloemen telkens en het lichte geluid van kabbelend
water, klommen wij de heuvels in boven Madjawarna. De zendeling van
den post, wiens gast ik voor eenige dagen was, wilde mij aan een
ontginning op de kruin van den heuvel toonen hoe Madjawarna, als zoo
menig ander Christenen-dorp, was ontstaan uit de nederzetting van
een enkel gezin midden in de wildernis.
Het pad, door naakte voeten in gras en kruid gesleten, liep door
het opene eerst, door struikgewas en boomopslag, dan door een hoog
en donker djati-woud, dat den grond bestrooide met zijn reusachtige
bladeren, bultig-bol als gedreven bronzen kommen. Alles was er bruin:
bruin van naakten grond, bruin van verdorrend gebladerte, bruin
van gladde, rechte zuilen van stammen, waar geen loover van afhing,
waar geen struweel tusschen opschoot. Heel in de hoogte pas gloorde
het groen der geweldige kruinen tegen de lucht, schuins doorstraald
van namiddagzon; daar kwam veel helder vogelgefluit uit, allerlei
fijne schelle tonen, boven het diepe gekoer van woudduiven uit en de
lach-roep telkens van den gelen wielewaal. Het was een andere wereld,
daar in de hoogte en waar wij gingen in den halfdonker.
Eén enkelen keer kwamen wij een mensch tegen, het was een mager,
armelijk gekleed, oud vrouwtje, met slierten wit haar langs het
ingevallen gezicht, die een hitje, even afgejakkerd en oud als
zijzelve, en bepakt met twee, van weerszij hem tegen de ribben
schokkende, manden vol gras, voor zich uit de helling afdreef. Wij
vonden het spoor van een ander mensch, die kort geleden hier gegaan
was, den geleider van een houttransport: de zware stam, aan een ketting
door buffels gesleept, had een glimmende streep getrokken over het
pad. Anders was van menschelijke nabijheid niets te merken. Op plekken
was het djati-woud minder dicht en gaf ruimte aan ander geboomte,
breeder en ijler van groei, waar met groote schijnsels en glanzen het
licht door heen viel; de boschrand ging open tegen de lucht, en de
wijde vlakte van Djombang gloorde op uit de diepte, fonkelgroen van
zonnig rijstveld. Dat verdween weer en dan was het woud nog donkerder
en nog eenzamer dan te voren.
De weg ging een steil ravijn door, en weer tegen een helling op. Toen
werd het licht. Rondom lagen de groote stammen geveld. En midden in
de open plek op de kruin van den heuvel verscheen het huisje van den
ontginner, van bamboe gevlochten, bleek en glimmig nog van nieuwheid.
Het was zoo laag dat wij bukken moesten om binnen te komen, en
schemerdonker als het bosch zelf: zóo rook het er ook: een reuk van
grond, dorre bladers en hout. Het huisgezin zat op een matje tegenover
ons, wien zij stoelen hadden aangeboden. De kinderen, een kloek met
kuikens, een jong geitje en een magere, spitsneuzige hond zochten
elk zijn plaats op de mat en tusschen de stoelen. De man vertelde,
met zijn zachte gedempte stem.
Het was te merken dat hij op de komst van den zendeling had gewacht
om in allerlei beslommeringen raad te krijgen. De vrouw zei een
woordje nu en dan. Zij zat met een kind aan de borst. Waakzaam zag
het verstandig-blikkende gezicht over het donzige koppetje van den
zuigeling heen.
Die twee menschen hadden met hun eigen handen alles wat om en aan hen
was gemaakt: hun kleeren, hun huisje, hun velden. De maïskolven van
den vorigen oogst hingen, goudig glimmend door de schemering, aan
rijen onder het lage dak. En op het veld rijpten de nieuwe al. Zij
toonden ons, wel-voldaan, den weligen akker. Rondom was ruimte voor
nieuwe ontginning; in hun hart en handen was moed. Zij hoopten enkel
op buren en vriendschappelijke hulp. Maar die zou wel komen op dezen
vruchtbaren grond, die voor arbeid verzekerde welvaart geeft.
Op den terugweg aan den rand van het al nachtelijk wordend woud
zag ik nog eens om naar het gelig-schemerende huisje, dat de kiem
was van een gehucht, wie weet hoe spoedig misschien een dorp van
gezeten boeren, eigenaars van den grond. Uit juist zulk een kiem,
zulk een gezin-in-een-huisje, begon, een goede vijftig jaar geleden,
Madjawarna zich te ontwikkelen. Midden in het wilde woud, dat de
vlakte toen bedekte, kapte een Christen-inlander, die zich onder zijn
Mohamedaansche dorpsgenooten niet langer op zijn plaats had gevoeld,
een plek open, waar hij een huisje kon zetten en wat voedsel bouwen
voor zich en zijn gezin. Een broeder kwam met het zijne om hem te
helpen. De ontginning werd een gehuchtje van eenige gezinnen; al
spoedig een dorp; het oude recht dat den ontginner tot eigenaar maakt
van den grond, beschermde de christen-gemeente toen ook Mohamedanen
zich daar kwamen neerzetten.
Het is nu een dorp van meer dan vijfduizend zielen. Aan het voorkomen
en de kleedij van de menschen, hun huizen en erven, de breede
wel-onderhouden wegen is het te zien dat het dagelijksch leven er
zijn eisch heeft en nog een begin van overvloed ook. De dorpsvelden
zijn goed verzorgd. Er staat vee in de stallen, roodbruine runderen en
ruige grauwe buffels die den ploeg trekken door den drassigen akker,
een enkele heeft een paardje. Op de markt, naast de brug, waar de
rivier met een frisch gebruis onder door schiet, ligt de kostelijke
rijst op hoopen en heuveltjes tusschen kramen vol waar.
Het huis van den zendeling staat midden in het dorp, tusschen
de inlander-huizen in. Men heeft er maar korten tijd te zijn om
te bemerken dat het een soort kantongerecht, notaris-kantoor,
consultatie-bureau en huishoudschool is in de oogen van de
dorpelingen. Een bescheiden kuchje, een "Ik vraag verlof," meer
gefluisterd dan gesproken, dat is alweer een vrager om raad of hulp,
die, onhoorbaar het erf opgekomen, neerhurkt ter zij van de kleine
voorgalerij. Uit de gesprekken van een enkelen na-middag zou men
vrijwel het beeld van de samenleving in het dorp kunnen construeeren.
Wongso komt de hulp van den "pandita" vragen in een moeilijk geval. Hij
heeft zijn huis--zijn mooi huis, met een pas nieuw dak!--verhuurd
aan een mantri van den waterstaat, omdat hij zulk een grooten meneer
't niet dorst weigeren. Maar de mantri staat bekend voor een kwaden
betaler. Als nu de pandita maar wilde.... Met de eene "sembah" na
de andere ontvouwt Wongso een plan, zooals een duizend jaar geleden
menige kleine landbezitter in Duitschland, Frankrijk, Holland,
Engeland het den abt van een machtig klooster voorgelegd heeft, als
zijn ridderlijke nabuur hem wat al te zwaar benauwde: hij wil zijn
huis aan den pandita overdragen, en de pandita zal de huur opeischen
van den boozen mantri. Gelukkiger in dit opzicht dan de Westersche
grondbezitter, die zijn eigenerfde akkers tot leengoed maakte om ze
niet heel en al te verliezen, weet Wongso dat hij het maar voor het
vragen heeft om zijn huis terug te krijgen van den pandita.
Jachman heeft zich muizenissen in het hoofd gehaald over de zekerheid
of onzekerheid van zijn erfelijk-individueel bezit aan sawah,
dat immers nooit goed te bewijzen is. Hij verzoekt dat de pandita
registratie als agrarisch eigendom voor hem zal aanvragen bij den
Landraad. Pas als hij den "brief" van den Landraad in handen heeft
"zal zijn hart koel zijn." Nu, namelijk, "brandt het."
Sidin--het is de rijkaard van het dorp--komt de geboorte aangeven
van een kind en legt een rolletje guldens, blinkend van tusschen
riem en sarong te voorschijn gehaald, op de tafel van den pandita,
met het verzoek dat de pandita een boekje van de spaarbank late halen
en er in opschrijve, dat Sidin deze guldens aan de postspaarbank te
bewaren geeft voor zijn kind.
Sarkam en Djembar zijn na een woedenden twist, dien zij liefst
met het mes beslecht hadden, door de buren overreed den pandita tot
scheidsrechter te vragen in hun zaak. Daar zitten zij, met fonkelende
oogen, links en rechts van de kamermat.
Niti's huis is afgebrand. Hij komt met getuigen, die verklaren dat de
brand op het dak begonnen is: brandstichting dus. Hij zal niet zeggen
dat hij zijn medeminnaar verdenkt, die gehoopt heeft op die wijze
zijn huwelijk te verhinderen, voor het sluiten waarvan de pandita
immers het bezit van een eigen huis eischt. Maar het is hem duidelijk
genoeg aan te zien dat hij van des pandita's alwetendheid uitredding
verwacht, ook zonder, mogelijk compromittante, medewerking zijnerzijds.
En inmiddels staan Mbôq-Ari, Mbôq-Sarinten, Sima en Sarkina te
wachten op de zendelingsvrouw om hulp bij het maken van kleeren,
het geven van medicijn aan een ziek kind, en het overreden van een
dochter die anders wil dan vader en moeder, plotseling, nu er sprake
is van vrijen en trouwen.
Er gaat geen dag voorbij zonder dat hulp gevraagd en gegeven wordt
in zulke dingen.
Zeker komen er ook die den zendeling zoeken als leeraar van den
godsdienst, die helderheid begeeren voor hun gedachte, vrede voor
hun hart. Maar zij zijn, klaarblijkelijk, in de minderheid.
De stoffelijke belangen zijner gemeenteleden behartigen, zóó als
zij dat met haast kinderlijke hulpbehoefte en vertrouwen van hem
verwachten; en dat uiteraard afwijkende zoo niet rechtstreeks
weerstrevende in gelijke richting doen loopen met wat hij hun
allerhoogste belang moet achten, het geloof in en het be-leven van
een wereld-verzakenden godsdienst: en te waken daarbij, dat niet de
schijn van het eene de werkelijkheid van het andere bedekke: dat is
het moeilijke probleem dat dag aan dag den zendeling in het Javaansche
dorp wordt gesteld.
Toen de man, wiens naam onafscheidelijk verbonden blijft aan
Madjawarna, toen Kruijt hier in '64 zijn levenswerk begon, vond hij
de jonge gemeente in een ongunstigen toestand. Vreemde elementen
waren binnengedrongen in de Christenen-nederzetting, en de strengere
moraal die daar een sterkte had moeten vinden, was bezweken onder
den aanval. Er werd opium geschoven, gedobbeld, ná feesten waarbij
verloopen vrouwen dansten, met messen gevochten, er werd gestolen en
gemoord in Madjawarna. Tegenover zulke euvelen die hij hoofdzakelijk,
zoo niet uitsluitend, aan de Mohammedaansche immigratie weet, koos
hij een politiek, die den indringelingen de keuze liet enkel tusschen
vereenzelviging met de gemeente der Christenen of verwijdering uit de
dessa. De oude Javaansche zede, die aan den ontginner een overwegend
aandeel geeft bij de regeling der dessa-zaken, verschafte hem (bij
samenwerking met die ontginners, immers Christenen), de mogelijkheid
daartoe.
Overreding tot overgang naar het Christendom of anders uitwijking,
verplichting tot kerkgang van volwassenen en verplichting
tot schoolgang van kinderen, elimineerden gaandeweg de vreemde
elementen. Later volgde op de negatieve actie een positieve door den
bouw van een kerk, van een school en van een ziekenhuis, terwijl ook
een spaarbank werd opgericht, een kweekschool voor onderwijzers en ten
slotte een ambachtsschool. Het was een wereld-in-het-klein met organen
voor al hare behoeften, lichamelijke, zedelijke, verstandelijke,
huishoudelijke, die de onvermoeid arbeidende vriend van den inlander
ten slotte daar had opgebouwd. Hij mocht verwachten dat zij zou
groeien en gedijen. In velerlei opzicht heeft zij dat gedaan. De
welvaart in Madjawarna en de omliggende Christendessa's is daarvan
een zichtbaar en tastbaar bewijs. En niet die gemeenten alleen, maar
de geheele streek, in een omtrek die bij den dag zich uitbreidt,
heeft baat bij de twee scholen en bij het ziekenhuis.
Het hospitaal dat in '92 werd opgericht om vijftig patiënten te
bergen, heeft op het oogenblik ruimte en verpleging voor meer dan
tweehonderd. [6] Er is onlangs--voornamelijk de suikerfabrikanten
van de streek hebben de gelden daartoe bijgedragen--een doelmatig
ingericht operatiegebouw bijgezet. Het heeft een afgezonderd liggende
afdeeling voor melaatschen. En de polikliniek wordt door gemiddeld
honderdtwintig patiënten per dag bezocht, die zelfs uit plaatsen,
waar openbare ziekenhuizen zijn, hierheen komen.
De Javaan wordt dikwijls voorgesteld als een natuurkind, gelukkig,
gezond, tevreden, en alleen door de aanraking met Westersche
onnatuur in gevaar gebracht. Een half uur in de voorgalerij van het
zendingshospitaal zou de kuur zijn voor zulke zoogenaamd dichterlijke
waan-voorstellingen. Wat een stroom van ellende gaat hier naar
binnen! Wonden, misvormingen, gezichten afschuwelijk door vuilen
uitslag en zweren, lichamen ellendig verminkt, oogen waaruit de blik
al bijna verdwenen is, leden die, lam, hangen. En onder die vele en
velerlei zieken hoeveel, ach! hoeveel kinderen, tot allerkleinsten toe,
als verflensende bloemetjes slap en bleek hangende in de draagsjerp van
de bekommerd-kijkende moeder! Het hart krimpt ineen bij de voorstelling
van wat er geleden zou worden, werd hier geen hulp geboden. In
de processie van ellendigen zijn het talrijkst de lijders aan
wonden. De Javanen gaan blootsvoets: zij treden op splinters, doorns,
scherven. Op den akker, bij het grassnijden, bij het bamboe hakken,
hanteeren zij een kort zwaar mes: een onhandige beweging slaat een wond
tot op het been toe. Zij werken in fabrieken: de gewoonte maakt hen
onachtzaam tusschen machines. Misschien is de kwetsuur onbeteekenend
geweest eerst. Maar fatalistische onverschilligheid, verwaarloozing,
onzindelijkheid en de praktijken van den Indischen kwakzalver, den
doekoen, maken van een schram al spoedig een etterende, invretende
wonde. Het zijn ijselijkheden die de dokter en de verpleegsters te
heelen krijgen, dag aan dag.
Ook teringzieken komen er in helaas! nog altijd vermeerderende
getallen. De voorwaarden waaronder het geringe volk leeft, bevorderen
de akelige armoedziekte, die te voorschijn komt in allerlei
afzichtelijke gezwellen en misvormingen van het beenderstelsel. De
behandeling in het hospitaal doet wat alleen-doenlijk is zoolang niet
betere levensomstandigheden een betere volksgezondheid voortbrengen:
veel pijn verzachten.
Dan komen de ooglijders. Volgens de ervaring van den behandelenden
arts zijn zij er in een menigte, waarvan de statistiek (l'art de
préciser les choses qu'on ignore) geen flauwe voorstelling geeft:
schrikwekkend. Java is een van de vier wereldcentra der "Egyptische
oogziekte;" (Egypte, Amsterdam en de provincie Limburg de drie andere)
en de achteloosheid en onkunde der lijders verergert het op zichzelf
al zoo erge kwaad. Mits bijtijds aangebracht, vermag medische hulp
hiertegen echter veel. En, gelukkig, wint die overtuiging veld onder
de Javanen, zoodat, wie vroeger zich maar overgaf als hij het al
grijzer en donkerder zag worden om zich heen, en zich niet meer uit
huis durfde wagen zonder een leidende hand, nu vol vertrouwen bij den
zendingsdokter komt, en zelfs voor de deur van de donkere kamer, en
voor het fel uit den nacht opschitterende oogspiegeltje en de scherpe
druppels uit het spuitje niet meer terugschrikt. Het is aandoenlijk de
gezichten te zien in de afdeeling voor ooglijders: een weinig opgeheven
naar waar, door het verdonkerende verband heen, het licht te voelen is,
als tastend naar een, nog verre, maar toch al maar dichterbij komende
vreugde. En zooals nu en dan een, met schuin gehouden hoofd, een heel
klein glansje poogt te vangen onder den blinddoek, en een ander, door
een zwarten bril heen, zijn hand beziet, duidelijk voor het eerst
weer sedert wie weet hoe langen tijd! De kinderen zitten heel stil,
ontroerend-geduldig, met een bloempje of een stuk speelgoed, dat een
verpleegster hen in de hand heeft gegeven. Als zij den stap van den
dokter hooren, verhelderen de kleine gezichten. Hij belooft hun dat
ze gauw weer naar huis mogen en spelen met de broertjes en zusjes.
Er zijn véél kinderen in het ziekenhuis, lijders aan allerlei
ziekten, operatie-patiëntjes ook, véle. Men moet zich den angst en
den afschuw, dien de Javaan voor het mes van den chirurgijn voelt,
eerst goed voorstellen om te kunnen begrijpen wat dat beteekent: een
overwinning, door zuivere menschenliefde behaald op vooroordeel niet
alleen, maar op het wantrouwen, de vrees, den haat die drie honderd
jaar lang bruin van blank gescheiden hebben gehouden op Java.
Voor een deel is die overwinning te danken aan het wijze inzicht
dat onnoodige botsingen vermijdt; er wordt in het ziekenhuis niet
gestreefd naar bekeering der patiënten. Wel vindt de Christen er de
gemeenschap in geestelijke dingen die hij zoekt, doch den Mohammedaan
wordt zij niet opgedrongen. Vandaar dat zelfs priesters het ziekenhuis
der zending zoeken.
Met de school staat het anders: deze is bepaald confessioneel. Zij
is opgericht om kinderen op te leiden tot de Christelijke
wereldbeschouwing. Niettemin zenden ook Mohammedaansche ouders,
en die willen dat hun kinderen Mohamedanen zullen blijven, hun
kinderen er heen. Het gebeurt zelfs dat de Moslim-kinderen er in de
meerderheid zijn. In een school, voorverleden jaar in een naburige
dessa opgericht, waar maar weinig Christenen wonen, is de proportie
van Mohammedanen tot Christen-kinderen zelfs als van bijna vier tot
een. Blijkbaar tellen de niet-Christenen het confessioneele gevaar
voor weinig of niets tegenover de winst die hun kinderen voor het
geheele leven hebben van een opvoeding op de zendingsschool. Het
geval is analoog met dat van het hospitaal, in zoover als ook de
school beantwoordt aan een behoefte die anders onvervuld zou blijven:
want de inlandsche dessaschool, waar niet anders geleerd wordt dan het
op een dreun opzeggen van onverstane Koran-teksten, wordt zelfs door
weinig nadenkenden in dezen tijd niet meer aangezien voor zulk een
vervulling. Zooals zij den arts en de verpleging in het ziekenhuis
zoeken, liever dan den doekoen en zijn toovermiddeltjes, zoo zoeken
zij ook den schoolmeester en het, zij het dan ook Christelijk gericht,
onderwijs liever dan den goeroe en zijn Arabische spreuken.
De opleiding in de zendingsschool is gericht in de eerste plaats
op de vorming van het karakter in Christelijk-deugdzamen zin; de
ontwikkeling van het denken door het aanbrengen van kennis is tot
dat doel een middel. Zij gaat te werk volgens een methode, die door
de hernieuwers van het onderwijs in Duitschland begonnen en bij ons
te lande nagevolgd, door den tegenwoordigen leider der school is
gewijzigd naar de behoeften van den Javaan.
De school neemt het dessa-kind op van zijn derde of vierde jaar af:
zulk een kleintje komt in de fröbelklasse. Met zijn vijfde of zesde
begint het dan aan het eigenlijke school-onderwijs dat, als het in
zijn geheel wordt gevolgd zes jaar duurt, en omschreven kan worden als:
het stelselmatig ordenen, tot een helder begrip herleiden en aan zijn
welzijn dienstbaar maken van de ervaringen van zijn dagelijksch leven,
zooals dat van kinder- tot jongelings-leeftijd verloopt. Het Javaansche
volkskarakter heeft een eigenaardige neiging tot het verzamelen van
volkomen onnutte mystieke "kennis;" die neiging wordt tegengegaan. De
kinderen leeren, stelselmatig, door aanschouwing, begrip en toepassing,
belang stellen in wat hen het meest onmiddellijk aangaat. Zij leeren
alles omtrent hun huis, hun huisraad, hun erf, de planten en vruchten
die er op groeien, de dieren die er verzorgd worden. Zij maken modellen
van wat hun vertoond is en uitgelegd: van een huisje, een schuur,
een kar, akkergereedschap en huisraad. Zij teekenen een paard en een
buffel, kippen, eenden, duiven, terwijl zij leeren hoe die dieren
behandeld en verzorgd moeten worden. Zoo worden zij geprikkeld tot
zelfwerkzaamheid, die een eind maakt aan het gedachtelooze ná-doen
dat zooveel bedorven heeft en altijd nog bederft van den goeden
aanleg van het Javaansche volk. Het is alleraardigst om te zien met
welk een pleizier en handigheid de kleine knutselaar van klei en van
rijststroo-halmen door bolletjes was verbonden, zijn heele omgeving
in het klein nabootst en speelgoed maakt met schoolwerk tegelijk. De
twee eerste jaren gaan er aan, hem op die manier zijn naaste omgeving,
en zichzelven in die omgeving te doen kennen. Dan breidt zijn ervaring
zich uit; hij wordt in theorie (als in de praktijk) een werkend lid,
van zijn gezin eerst, dan van zijn dessa: hij leert met luisteren,
herhalen en doen, wat er gebeurt in huis, in school, op de sawah, in de
warong, op den pasar, in de smidse en den timmermanswinkel. En in het
vijfde en zesde jaar wordt de kring uitgebreid tot de uiterste, voor
hem beschikbare grenzen, over de hoofdplaats van de streek en geheel
Java, waarbij hij dan de inrichting leert kennen van het dessa-bestuur,
de politie, de spaarbank, de gesteldheid van het land, de middelen van
verkeer, de toestanden, en die niet alle zooals zij op dezen dag zijn,
maar zooals zij zich, sedert de laatste, zeg, vijftig jaar, ontwikkeld
hebben. Lezen en schrijven, rekenen, aardrijkskunde en geschiedenis van
Java voor zoover ze voor hem bevattelijk en nuttig zijn, leert hij in
dit verband. En tevens wordt zijn aanleg voor muziek en voor teekenen
langs specifiek-Javaansche lijnen ontwikkeld. Op zijn twaalfde jaar
(dan is het Javaansche kind jonkman en jong-meisje) heeft de leerling
zooveel begrip van de samenleving als hij om harent- zoowel als om
zijnzelfswil behoeft; en het mogelijke is gedaan om zijn werklust te
ontwikkelen en zijn zin voor de gemeenschap.
Een kweekschool voor onderwijzers is verbonden aan deze school. En
zij sluit aan bij een ambachtsschool, die tegelijk werkplaats en
winkel, degelijk huisraad levert voor uiterst matigen prijs, zoodat
de dessa-man al begint daar te koopen, terwijl de leerlingen er
gevormd worden tot handige timmerlui en schrijnwerkers, die hun kost
kunnen winnen onafhankelijk van den hoe langer zoo meer precairen
landbouw. Naast die vak-opleiding voor jongens staat er eene voor
meisjes, een naaischool onder leiding van de onderwijzersvrouw, en een
zorgvuldige opleiding voor het huishouden die, in haar huiselijken
kring, de vrouw van den zendeling aan een vast aantal dochters van
gemeenteleden geeft.
Resultaten van deze inrichtingen en methoden der zending zijn het
die zoo verblijdend te zien komen in de algemeene welgesteldheid van
Madjawarna en zijn omgeving.
Weinig dingen zijn zoo moeilijk als een Javaan afbrengen van
overlevering en oude gewoonte. Een woord als dat van Potgieter:
"Slechts vernieuwing kan behouden
Achter raakt wie stil blijft staan,"
heeft voor hem geen zin. Het is voor de zending geen geringe roem,
dat zij werkelijk er in geslaagd is hem zooveel en zoo velerlei
nieuws te doen aanvaarden. Zoo als zij hem er toe gebracht heeft zijn
stoffelijk en zijn verstandelijk bestaan te vernieuwen en vernieuwend
te verbeteren, zoo streeft zij ook en uiteraard hoofdzakelijk, naar een
vernieuwing en verbetering van zijn zedelijk bestaan. De resultaten
zijn niet zoo spoedig bereikbaar, noch zelfs, bereikt, zoo dadelijk
bemerkbaar op dit gebied als op de twee andere. Niettemin valt toch
al bij vergelijking van Madjawarna met het gewone type der Javaansche
dessa een groote verandering ten goede waar te nemen in de openbare,
zoowel als in de huiselijke zeden.
Dit bijvoorbeeld, dat het dorpshoofd en de leden van het dorpsbestuur
niet Mohammedanen zijn, maar Christenen: dat is al een nieuwigheid
die gelijk geacht mag worden aan een omwenteling in de oude orde
van dessa-dingen. Voor den dessa-man is geen scheiding ooit denkbaar
geweest van kerk en staat, om op zijn Westersch te spreken. Althans
sedert de Mohammedaansche verovering is de beheerscher van het land
het hoofd van den godsdienst geweest, en alle van hem uitgaand en
afdalend gezag dit twee-ledige: staatkundig en kerkelijk. Nog altijd
is voor den kleinen man vooral, de Soesoehoenan van Soerakarta
de opperheer van Java, koning en priester tegelijk. (De Sultan
van Djokja, als uit een jongeren, en later, door de macht van
vreemden tot de heerscherswaardigheid gekomen tak, geniet niet
hetzelfde aanzien.) Hij gelooft dat de Soenan de zon kan doen
schijnen en den regen vallen. Als het hem gebeuren mag den Soenan te
zien--Vorstenlanders maken vaak opzettelijk de reis naar Solo--zal hij
het heele jaar gezond blijven. Op het nieuwjaarsfeest vecht hij om een
scherf van het vaatwerk waaruit de Soenan gegeten heeft, en bergt die
als "djimat," als geluk-aanbrengenden talisman, in zijn huis. Al gaat
hij niet zoo ver als de Vorstenlander die uit vergodenden eerbied
den ingang van zijn huis niet op dezelfde hemelstreek durft maken
als waarop de Kraton-poort is gericht, op het Oosten, hij beschouwt
toch den priester-koning als een wezen zoo verheven, dat reeds zijne
nabijheid heiligt. Tegenover een Vorstenlander als zoodanig gedraagt
hij zich als tegenover zijne meerdere. Een Vorstenlandsch gebruik is
voor hem de "adat" bij uitnemendheid. Een sarong of een hoofddoek uit
de Vorstenlanden is een kostbaar en ook gelukaanbrengend bezit. Geen
grootere glans kan verleend worden aan een regenten-familie dan door
een huwelijk met een Solosche of Djokjasche vorstendochter.
Van dien grootste daalt het gezag verminderd wel, maar niet in
aard veranderd, op de kleineren af. De regent van de streek is de
hoofdpriester van de streek. Het dessa-hoofd is de dessa-priester,
die voorgaat bij godsdienstige plechtigheden en voorzit bij de
offer-feesten van het dorp. Een Christen, dus een niet-priester,
haast zou men mogen zeggen een tegenpriester als dessa-hoofd, dat
was een breuk in wat onverbrekelijk had geschenen. Er is indertijd
gewaarschuwd voor het gevaarlijke van de proefneming: men vreesde voor
oproer. Niets van dat alles! Op de geleidelijkste en vreedzaamste wijs
heeft de groote vernieuwing haar beslag gekregen. Misschien hielp
daartoe, wat Madjawarna betreft, een recht nog ouder dan de Islam:
het ontginnersrecht dat gezag geeft over de dessa, en de godsdienst
van den ontginner van 1818 was het die het nieuwe recht van zijn
opvolgers beschermde. Maar in andere christendorpen ligt het geval
anders: zonder den beschermenden schijn van welke oude denkbeelden ook,
is dit nieuwe er ter overwinning gekomen. En, merkwaardig! uit eigen
beweging hebben zelfs Mohammedaansche dessa-lieden hun Christenhoofd
dezelfde voorrechten toegestaan, ten opzichte van akkerbezit en
dorpsdiensten als den Mohammedaanschen loerah toekomen. Dat hij geen
deel neemt aan de offerfeesten wordt, als nadeel, blijkbaar gering
geacht tegenover het voordeel dat een op betere beginselen rustend
bestuur aanbrengt. Het is weer hetzelfde geval als met het ziekenhuis
en de school; omdat het blijkbaar, tastbaar, zichtbaar beter is,
wint het nieuwe het van het nog zoo vereerde en hartstochtelijk
vastgehouden oude.
In het huiselijk leven is een dergelijke vernieuwing bemerkbaar. Er is
tegelijkertijd meer vrijheids-gevoel en meer verantwoordelijkheidsbesef
in gekomen. Man en vrouw scheiden zoo licht niet van elkander als
gewoonlijk Javanen doen, onder wie drie, vier, vijf maal scheiden
en hertrouwen niets ongewoons is. De ouders nemen de opvoeding der
kinderen ter harte. Er zijn er zelfs al bij wie die zorg zich uit op
een wijze haast ondenkbaar voor een gewonen Javaan: door zorg voor de
toekomst der kinderen. Zij hebben een spaarbank-boekje op den naam
van hun kind, en brengen geregeld daar op in. Zij laten de kinderen
op school, zoo lang zij maar eenigszins het zonder hun mede-arbeid en
-verdienste kunnen stellen. En ook de meisjes krijgen een opvoeding,
wat onder gewone dessa-lieden nooit gebeurt. Tegelijk komt een zekere
vrijheid in de houding der kinderen tegenover de ouders. Zij ligt niet
in de Javaansche zede. Zoolang het klein is wordt het Javaansche kind
vertroeteld en ook verwend en bedorven tot in het ongeloofelijke. Den
geheelen dag solt een Javaansche moeder met haar kind. Het gaat de
"slendang" niet uit. Als het kikt wordt het aan de borst gelegd. Zelfs
in de kerk. Geen sprake er van dat het een oogenblik, op nog zoo
veilige plek, alleen wordt gelaten, een oogenblik aan nòg zoo goede
hoede van een ander toevertrouwd. "Als mijn kind niet uit mij drinkt,
sterft mijn kind." Het "drinkt uit zijn moeder" nog wanneer het al
begint te rooken. Ieder die door de velden loopt kan dit tafereeltje
zien: een jongen van een jaar of drie die van zijn kornuiten bij het
rijst-bewaken of het rietblad-stroopen wegloopt naar de borst der
geduldig-neerhurkende moeder, en, verzadigd, een strootje opsteekt en
wegwandelt. Maar laat de dreumes grooter worden en met vertroetelen
is het uit. Tegenover een volwassen kind zijn ouders streng, om niet
te zeggen hard. Er wordt bevolen, en nooit gezegd waarom. Er wordt
gestraft en gewoonlijk niet rechtvaardig of redelijk, laat staan
zachtzinnig. Naar eigen wil van een zoon of dochter wordt zelfs niet
gevraagd bij een huwelijk. Dat is anders geworden sedert de zending
de huwelijksinzegening afhankelijk heeft gesteld van de verklaring
van bruid en bruidegom beiden, dat zij uit vrijen wil elkander tot
echtgenoot nemen. "Als u mij dwingen wilt moet ik gehoorzamen, maar ik
zal voor den pandita verklaren dat ik gedwongen ben" heeft al eens een
àl te autoritairen vader tot inzicht en toegeven gebracht. Terwijl
een verdere vrijheids-vermeerdering voor het kind bereikt is door
een tweeden eisch der zending: dat het jonge paar een eigen woning
hebbe. Gewoonlijk trekt het bij de ouders van den man in. Het is een
gebruik dat, als bekend, ook onder het Russische boerenvolk heerscht,
(altijd door vindt men punten van overeenkomst tusschen Javanen en
Russen, in het Westen en in het Oosten de hedendaagsche-middeleeuwers)
de lezers van Gorki's novellen weten met welke gevolgen. Zij zijn
hier op Java dezelfde. In het Christenendorp is de mogelijkheid voor
hun ontstaan afgesneden.
De levenswijze van den enkeling ook is veranderd onder den invloed der
nieuwe denkbeelden. Hoewel door geen tekst letterlijk verboden, zóo als
bijvoorbeeld alcoholische dranken verboden zijn door een Korantekst (en
niettemin, hoe langer hoe meer helaas, gedronken worden), wordt toch
drinken, opiumschuiven en dobbelen geacht voor een christen ongepast
te wezen, evenals het leenen tegen woeker-rente, de "nieuwe adat"
is daartegen. Het is niet aan te nemen dat dat alles in het geheel
niet meer voorkomt onder Christenen; maar stellig is het zeldzamer
onder hen.
Zooveel dan heeft de zending gewonnen. Heeft zij ook gewonnen wat haar
het allerbelangrijkste moet schijnen, de innerlijke bekeering van den
Javaan? Uit de woorden van zendelingen, zooals zij opgeteekend staan
in hun eigen organen, uit de herhaalde klachten over het langzame
vorderen van den zendingsarbeid, de zeldzaamheid der toetreding van
volwassenen tot het Christendom, en de kracht die, alle belijdenis
van den Christelijken godsdienst ten spijt, het oude, animistische
bijgeloof en de fataliteits-idee, beide even verderfelijk, nog over
den geest van den Javaan blijken te behouden, uit zulke klachten
schijnt het gewettigd de gevolgtrekking te maken dat de zending tot
dit haar hoogste doel, tot nog toe niet zoo dicht is genaderd als
tot die andere doeleinden, in het stoffelijke, verstandelijke en
maatschappelijk-zedelijke gelegen.
"In zijn verslag over 1898 klaagt hij (Kreemer) zeer over de
oppervlakkigheid zijner bekeerlingen. Hij miste bij hen maar al te
vaak energie en een levendige opvatting van het Christendom; en typen
van ontwikkelde, in het hart getroffen Christen-Javanen, die.... als
een bewijs van den zegenrijken invloed der zending vertoond kunnen
worden, zijn schaarsch." [7]
"Geeft men den menschen in de eene hand rijst, in de andere den
godsdienst, dan is de hand met rijst steeds aan den mond, de andere
zoover mogelijk uitgestrekt." [8]
"Er is geen andere weg (dan land-ontginning) om het Evangelie meer
ingang te doen vinden, en het tot gemeengoed van dit diep gezonken
volk te doen worden." [9]
"Er komt van lieverlede orde en regel in het leven van den Javaanschen
Christen. Hij wordt werkzamer, begint zich beter te kleeden; toont bij
toeneming de behoefte om goed te wonen en zich netter in te richten;
van opium-pijp, dansmeiden en spel is geheel afstand gedaan; de
lommerd blijft onbezocht; de landrente wordt geregeld gekweten; de
kinderen, ook de meisjes, gaan allen school; en van echtscheiding,
anders schering en inslag onder de Javanen, wordt niet, of hoogst
zelden, gesproken; politiezaken komen niet voor." [10]
Met zulke zeggingen in de gedachte, en het schouwspel van een dorp als
Madjawarna voor oogen, voelt de beschouwer die onpartijdig tracht te
staan, de gedachte opkomen dat de Javaan van de zending andere gaven
zoekt en aanneemt dan die eene, die zij de eéne-kostelijke acht en
dat hij "Christen" wordt om vooruit te komen in de wereld.
Als dat zoo is, dan heeft de zending een ander doel gediend dan
zij voor het hare koos. Die haar overtuigingen deelen zullen zich
daarover bedroeven. Die een andere wereldbeschouwing hebben, zullen
bedenken hoe dit niet de eerste maal zou zijn dat over de beweging
der enkelen heen, en er tegen in zelfs, en toch en zelfs juist door
middel daarvan, de maatschappij haar eigen voorwaartschen gang gaat,
naar haar eigen, nog achter onzen gezichteinder verborgen doel.
Een bevloeiïngswerk.
In het stroomgebied van de Solo ontspringt en verzinkt weer in den
drassigen grond de Pritjetan. Zij is een van die vele "tijdelijke
rivieren" op Java die in de regenmaanden aanwassen tot een woesten
vloed, en in den drogen tijd slinken tot verdwijnens toe. Haar
bovenloop gaat door een wijd dal tusschen twee met een verren zwaai
naar elkander toe buigende landruggen ingesloten, waarvandaan de grond
langzaam aan oprijst naar de streek waardoor de naaste der vele van
de bergen komende zijrivieren der Solo vloeit. In den Westmoesson,
als ontelbare bronnen en aderen opengaan in den doordrenkten grond,
zwelt de Pritjetan tot een sleurenden stroom die over zinking en
zwelling heen voortrent naar de groote rivieren. Maar zoo haast de
regens ophouden ebt zij van de hellingen weer weg, ligt als een
slijmerig groene plas in de kom van het dal, wordt een smalle en
al smallere kronkelbeek, en is ten slotte niet meer dan een dunne
trage spreng, die wegsiepelt in een moeras. Het dal, beurt aan beurt
verdronken en verdorrend, is gaandeweg verlaten door de bevolking
die er verhongerde, zoo rijk als de grond is. De weinigen die nog
bleven, leden ellende. Zij geneerden zich met houthakken in de groote
djatibosschen van den omtrek, met sprokkelen, het plukken van djatiblad
dat zij op de passars in den omtrek verkochten als inpak-materiaal
voor eetwaar, van hout-diefstal natuurlijk ook. Op de hellingen
trachtten zij tabak te telen; in de kuilen rijst. Het gebeurde soms
wel dat zij tot zeven malen in een jaar opnieuw plantten en van den
nu verschroeiden, dan verdronken grond niet éenmaal een eenigszins
voldoenden oogst wonnen. Wie een kip slachtte, deed het in het geheim,
om niet overvallen en mishandeld of misschien doodgeslagen te worden
voor het begeerlijke maal. Van het dagenlange zwerven door het scherpe
woud kregen kinders als volwassenen, vrouwen en mannen, wonden aan
de voeten, die gaandeweg invraten, tot het been bloot kwam; niemand
was er die hen verzorgde. Om zulke ellende te verhelpen, dadelijk,
en een toekomst te beginnen van allengs toenemende welvaart, werd
verleden jaar het groote werk aangevangen dat de Pritjetan zal maken
tot den wèl-geregelden bevloeier van de streek.
Het is het eerste werk van dien aard en die groote verhoudingen, op
Java van regeeringswege begonnen. Twee en een halven K. M2. oppervlakte
heeft het dal, dat door den afsluitdam veranderd zal worden in
een vergaarkom voor de bandjirwateren der rivier; de capaciteit
zal zijn van tien millioen M3.; zeventien M. hoog bij vierhonderd
lang en, op zijn zwaarst, negentig breed, de reusachtige dam die
de watermassa tegenhoudt; en het langs twee kanalen rechts en links
van den aftapduiker afgevoerde water zal voldoende wezen om meer dan
zesduizend bouw grond geschikt te maken voor rijst-teelt. Zesduizend
bouw rijst, in dit altijd meer rijst behoevende land! Het moest
heerlijk zijn te zien hoe zoo iets wèrd. Wij gingen.
Van het Djombangsche uit naar de Pritjetan-vallei is de tocht
een gang van de volheid der technische beschaving terug naar
de natuur. Het begin van den weg loopt langs enkel fabrieken en
spoorweglijnen; suikerfabrieken links en rechts van den langen, door
zware tjikarren stukgereden weg; twee ijsfabrieken, waarvan het groote
wiel gewenteld wordt door een voorbijstroomend, met dammen en sluizen
driftig gemaakt riviertje; de stad Djombang dan, het drukke station
van spoor- en tramlijnen, de straten waarlangs automobielen stuiven;
weer fabrieken, groote, pasgebouwde, dreunend van zwaren machineslag;
de dijk langs de Brantas en over de breede rivier heen de twee lange
bruggen, zwaar en breed, de eene voor het algemeen verkeer, de andere
als spinrag dun en zwart om te zien, twee smalle ijzeren staven op
vele smalle ijzeren stutsels, de brug van de Babat-Djombangtram. Aan
gene zij van de groote, als een meer breede en rustig-vloeiende
rivier, weer een suikerfabriek met geweldigen schoorsteen boven de
boomen uit, weer een drukke straat tusschen Chineesche winkeltjes en
woninkjes door, en altijd nog de blinkende rails der tramlijn. Maar
nu wordt het stiller. Voor onzen automobiel vliegen zwermen vogels
op uit de vaalgele Oostmoessonpadi, die armelijk op het veld staat,
verdord in de laatste gloeiende weken, waarin niet een enkele bui is
gevallen. Verderop gaan pluksters door het veld; zij bewegen langzaam,
geluideloos, lusteloos door den geringen oogst. Er staan armelijke
huisjes aan den weg, dun van wanden onder een uitgerafeld rieten
dak. Dan is ook dat verdwenen. En de weg duikt de schaduw in van
het bosch.
Het is djati-bosch, gouvernements-aanplant. De groote gladde, bruine
zuilen van stammen staan geregeld in de rij. Er zijn kenmerken op
aangebracht, hier, ginder, daar alweer, met roode en zwarte teekens,
met kepen diep gekerfd in den bast. Opeens wordt alles licht, dan,
heelenal grijs: hier is het bosch "geringd." Om de stammen heen loopt
een breede witte wond, waar de bast is afgelicht van het hout. Zóó
moet de boom doodgaan, "sterven op stam." Het duurt twee jaar voor de
laatste toppen zijn uitgedroogd en het levende organisme verstijfd
is tot bouwstof. Mager als geraamten, strak als steen staat het
bleeke bosch te sterven. En zonderling, vlak daarnaast weer, het
herbeginnende groen, dof grof groen van djati met verrassend daar
tusschen op een enkele plek de teedere, tintelend-lichte looverwolk
van een tamarinde, een lente van een boom, en, schitterend in de zon,
djoewars in vollen bloei, goudgeel.
Nog altijd loopt naast ons het spoor der tram. En, tusschen de
boomen, op een enkele plaats, komt een tweede spoor te zien, in de
hoogte, een spoor door de lucht, over afgezaagde stammen loopend;
de mono-rail, waarlangs van de heuvels af, hangende ijzeren wagens
met boomstammen bevracht, in een vliegende vaart naar beneden
komen. De exploitatiechef der tram, onze gids op dezen tocht,
legt ons de constructie in W-vorm der wagens uit, waarvan hij de
uitvinder is en eerste toepasser. Het is niet mogelijk, dat, zelfs
bij de scherpste bocht, de slingerende wagens ooit uit het gewicht
raken. In den regentijd, als de boschwegen in moeras veranderen, gaat
ongestoord het hout-transport zijn gang langs dezen luchtigen weg,
de eene ijzeren staaf op de onthoofde boomen gedragen. Overal in het
bergland van Java op cultuur- en houtaankapondernemingen begint men
nu met den aanleg van zulke monorails.
Wij hebben het punt bereikt waar wij den landweg moeten verlaten. Van
hier naar het waterwerk gaat de tocht verder in een lorrie. Er is
een dakje van gevlochten blad over gemaakt en twee omgekeerde leege
petroleum-kisten staan er in voor banken. Zes halfnaakte koelies
duwen ons voort over het smalle spoor, op zijn dwarsliggers van jonge
djati-stammen en zijn dijk van zand en kalksteen, omgewoeld op plekken
door een stortbui, plotseling gisteren gevallen. Heuvel op kruipen,
heuvel af vliegen wij, de koelies tusschen ons in. We zien tegen
glooiïngen op en in kuilen akkertjes van enkele voeten in het vierkant,
armzalige lapjes tabak- en rijstveld. In lompen gekleede sprokkelaars
gaan bukkend door het bosch. Wij komen mannen tegen als wandelende
heuvels bladeren, die den langen weg af gaan naar een pasar ergens in
den omtrek. Dan wordt, laag gelegen, een lang vlak gebouw zichtbaar,
wit en grauw. De van zweet gudsende koelies laten de lorrie stilstaan
voor de woning van den ingenieur. Hij brengt ons naar het werk.
Van een hoogte van uitgegraven en opgeworpen aarde uit zien wij het
wordende liggen. Daar blakert, grauwwit in de felle zon, de groote
aftapduiker, tusschen gemetselde muren vier lange rechte kanalen,
waardoor het water uit de groote vergaarkom, onder den dam door,
geleid zal worden naar de bevloeiïngs-kanalen. Op een uitgestrektheid
cementen vloer aan gene zij van den duiker is een ploeg werkvolk
aan den arbeid. Recht in de rij staan zij, met zware stampers, het
uitgegoten cement vast te stampen, onder toezicht van den mandoer,
een grooten, pikzwarten neger, in hemelsblauwen broek en wit hemd,
die als een zeeman op het schommelende scheepsdek, wijdbeens staat,
en zijn orders geeft op een bootmansfluitje. De cementen vloer wordt
de bedding van het water dat naar den uitwoelbak stroomt. Als in een
echte bedding is hier al een bronnetje te voorschijn gesprongen. Het
mag niet gestopt--levend water laat zich niet terugdringen: het
vingersmalle straaltje zou den geheelen geweldigen dam van binnen uit
gaan uithollen, en uiteen woelen. Er wordt een afzonderlijk kanaaltje
gemaakt in den cementen vloer voor het borrelende bronnetje: een koeli
is er bezig aan. Aan genen kant van het cement flikkert tusschen
gemetselde wanden een plas, vlak en plat, waar des vier stroomen
uit den duiker bruisend neerstorten zullen en tot effen rust komen
voor zij, naar links en naar rechts de twee lange leidingen in gaan,
die wat nu moeras is en zandwoestijn bij beurten zullen veranderen
in vruchtbaar veld.
Rondom dien duiker in de diepte, als rondom den grondslag van het
langzaam opgroeiende werk, is een leger arbeiders doende. Er wordt
beton gemaakt. Daar slaan dozijnen steenkloppers den harden grauwen
kali-steen voor stuk. Tot heuvelhoogte al is de hoop steenslag
gegroeid: de mannen zitten klein aan den voet van den blinkenden
schervenberg. Het onafgebroken geknetter van brekenden hamerslag en
verbrijzeld gesteente maakt de lucht aan het trillen. Terzij van den
steenslag-heuvel staat een gehucht van loodsen, blinkend met daken
van gegolfd metaal. Met kracht van handen en met kracht van machines
wordt de verbrijzelde steen gemengd met zand en met cement: eindeloos
komen de rijen zware witte zakken er aan, die eenige duizenden mijlen
ver weg, aan de overzij van de wereldzee, langs Engelsche rivieren,
gevuld zijn.
Op den vloer van de machineloods liggen de lange ijzeren stangen, die
aan het eind omgebogen moeten tot in elkander grijpende haken. Dan
worden zij gevoegd in het reusachtige rasterwerk, dat daar buiten
over den grond ligt, een strak en toch veerkrachtig net van ijzeren
mazen, dat den uitgegoten en dadelijk verstarden stroom van beton in
onverbrekelijken vorm en vastigheid zal vangen. De groote dam, die op
den aftapduiker komt te staan, in een boog tegen den loop der rivier
gericht, de groote dalkom afsluitend, zal voor binnensten kern zulk
een muur van kalk en ijzer hebben. De zachte siepeling van het water
kan niet door het beton. De druk en drang van het water verwringt
het ijzer niet.
De ingenieur schetst in groote trekken den gang dien het werk moet
volgen: het aanleggen van den dam: het bouwen van de twee torens op
den duiker waarvan uit het windwerk wordt geregeerd, dat het water
toelaat in de kanalen of afsluit: de oprichting van een nood-overlaat;
de verlegging van de in wijde bocht kronkelende rivier recht aan op
den duiker.
De "rivier" is nu een smalle loome beek, groen van slijmerig gewas. Zij
komt er aan uit het in wijdte weg-blauwende dal of zij niet verder
meer kan van moeheid en watergebrek, en liefst zou blijven, liggen
in plasjes. Er is een inspanning van gedachte en verbeelding toe
noodig om zich voor te stellen dat die groene slingersloot over zes
weken een stroomende zee zal zijn. "De Pritjetan heeft in banjir-tijd
een maximum afvoer van 300 kub. M. per seconde," zegt de ingenieur,
en laat ons in nadenken over de cijfers, die voor de leeken-gedachte
niet tot een beeld willen worden. Maar dan wijst hij naar het dal,
de wijde blauwige holte, waar een jong djati-bosch opgroeiende is:
"Over drie jaar vaart daar onze motor-boot." De herinnering aan
Hollandsche plassen helpt deze Indische werkelijkheid veranderen tot
de voorstelling van wat zij eenmaal zal zijn.
Als wij uit de laaie van middagzon pal op cement en zink teruggekomen
zijn in het koele huis, krijgen wij werk en landschap in kaart gebracht
te beschouwen.
Daar staat het, wit op blauw: lijnen, cijfers, letters, die geheele
wijde overweldigende werkelijkheid gevangen in teekens. Toovenaars
hebben zulke dingen beproefd, lang geleden, als zij onbekende machten
wilden dwingen in menschendienst. Daar staat het plan van het werk,
de loop van den stroom, de ligging van het land. Nog enkele jaren,
en de tooverteekening zal een nieuwe werkelijkheid zijn geworden,
en die groote onbekende die bij den dag en bij het uur al minder
onbekend wordt voor het indringende denken der zoekers, de Natuur,
zal al weder een van haar tallooze krachten overgegeven hebben in
den dienst van de maatschappij.