Djokjasche Landheeren

Er zijn er geen meer. Een reorganisatie, dieper gaande dan eenige

die het beleid van regeerders bedenken of bewerkstelligen kan, heeft

hen weg-georganiseerd: de hervorming van de suikerteelt na de groote

crisis. De omstandigheden zijn verdwenen en kunnen nooit wederkeeren,

waaronder, op andere wijze dan alle andere Indische ondernemers, de

Djokjasche landheeren van den ouden stempel groot geworden zijn. Zij

waren een afzonderlijk geslacht.

Niet van suiker kweekten zij een grondige en omvattende kennis, maar

van menschen, van Djokjasche menschen, van den Sultan, den Kraton en

den land-houdenden adel, meest van al. De grond was onuitputtelijk

rijk: elken dag in den Oostmoesson scheen de zon, elken dag in

den Westmoesson regende de regen, wat kon het riet anders doen dan

groeien? Het water, dat langs den van noord naar zuid hellenden grond

stroomt met gelijkmatig verval, draaide hun rietmolen, geen concurrent

streefde hun opzij, laat staan voorbij, met lage prijzen; hoe konden

ze anders dan grof geld verdienen? Maar die het in zijn hand had of

zon, regen, water, grond, voor hen veranderden in goud, dat was de

Sultan, en met hem zijn ontelbare familie en de adel. Die moesten zij

te vriend krijgen en hebben en houden, als zij landheeren wilden zijn.

De taak was geen lichte; en zwaarder dan voor anderen moet zij

voor hen zijn geweest, die, men kan wel zeggen zonder uitzondering,

voortkwamen uit een omgeving aan alle hoofschheid vreemd.

Het was niet de bloem der natie, die in hun tijd naar "den Oost"

ging. Van de gouverneurs-generaal zelfs der pas ontbonden Oost-Indische

Compagnie waren er vele, die niet eens tot den eenigermate beschaafden

stand behoorden. Wij weten van een soldaat, een sergeant, een matroos,

een kajuitsjongen die Landvoogd werden, van raadsleden naar de kolonie

gekomen uit het weeshuis, als gesjeesd student, als kwakzalver. [4]

De aanstaande Djokjasche landheeren, erfgenamen in een zekeren zin

van de Compagnie, wier val hun opkomst immers pas mogelijk maakte,

waren huns gelijken en kornuiten. En er zullen er wel ettelijke onder

geweest zijn van het slag wien de Compagnie den recommandatiebrief

placht mee te geven, met de drie H's, die niet beteekenden "Helpt Hem

Haastig," maar "Houdt Hem Hier." Dat alles was weerbarstig hout om

er hovelingen uit te snijden, al hoefden het dan ook maar hovelingen

op zijn Javaansch te zijn.

Maar het geluk diende hen. Zij kwamen op het tijdstip dat het

Oostersch-feodale stelsel juist genoeg vervallen was om weerloos te

zijn tegen het indringen van een nieuw krachtig element, maar nog

sterk genoeg om tegen al wat minder sterk was zich te weren. Er was

een bres gevallen in den kraton-muur; wie er dóor kon zat daar binnen

veilig en op zijn gemak. De bres was ongeveer een halve eeuw geleden

uitgebroken, in 1755, toen de Compagnie, krachtens voor enkele jaren

verkregen rechten het oude keizerrijk van Mataram deelde in Soerakarta

en Djokjakarta. De Djokjasche Sultan die (als tot op dezen dag toe) het

prestige miste dat, in de oogen der Vorstenlandsche Javanen, den uit

de oudere lijn stammenden Soesoehoenan van Solo omgeeft, wilde althans

een hofstaat hebben aan dien van zijn Soloschen bloedverwant gelijk;

en een even groot aantal ambtenaren, als vroeger in het onverdeelde

Mataram met landbezit bij wijze van salaris was beloond, moest nu van

de helft van die oppervlakte zijn deel krijgen. Wanhopige pogingen

tot oplossing van de onoplosbare moeilijkheden hadden voor eenig

resultaat, de ontevredenheid der apanagehouders. Het werd nog erger

toen Raffles kwam, en het zoozeer besnoeide gebied van den Sultan

(dat alweer het gebied der apanagehouders was) nog verder besnoeide,

zóo ver, dat hij in het leven sneed.

Onder het eene voorwendsel of het andere of zonder eenig voorwendsel

hoegenaamd, nam Raffles den Sultan land af: de Kedoe en de

Patjitanstreek, waar de beste apanages lagen; gronden voor den

onafhankelijken> Prins dien hij (het voorbeeld van Daendels in Solo

volgend) instelde, den Pakoe-Alam; gronden voor den Chinees van wien

hij een Javaansch edelman maakte; gronden voor den onafhankelijken

Prins van Solo, tot loon voor zijn diensten aan Raffles bewezen in

den oorlog tegen Djokja.

De Sultans zagen zich te redden zoo goed en kwaad als het kon. Het

was meestal kwaad. Zij waren, in de laatste jaren van de 18de eeuw al,

begonnen aan hun familie-leden met geld goed te maken, wat zij hun aan

land moesten te kort doen; zij zetten het systeem voort ten opzichte

van de andere groote leenmannen. [5] Dat had zijn grenzen echter, om

begrijpelijke redenen nog al nauwe grenzen. Toen maakten de Sultans van

weinig veel op dezelfde manier als de Westersche vorsten het hebben

gedaan, ten tijde dat in Europa de vervanging van het feodale door

het burgerlijke stelsel begon: zooals de Westersche koningen de munt

vervalschten, vervalschten de Oostersche het land: voor het gehalte,

de maat. De oude Sultan Sépoeh, onder wien de eerste huurders in 't

land kwamen, was daarin een virtuoos. Hij kon zóó knap meten dat een

land, dat de eerste maal van opmeten tien bouw groot had geheeten,

bij den tweeden keer vijftien bouw groot bleek, en bij een derden

misschien wel twintig, en wie weet hoe groot het ten slotte werd,

als de Sultan maar vaak genoeg liet opmeten. De ambtenaren en de

sultansafstammelingen werden volgens hun rang bedacht met al die

"nieuwe landen van den Sultan." Maar alweer moest er geld bij om

dat luchtige grondbezit toch éenig gewicht te geven, al maar meer

van het verwenschte geld dat er niet was en nog erger "niet-was"

dan ooit, sedert Raffles de schatten uit den veroverden kraton had

weggehaald. Daar kregen de nieuwkomelingen hun kans! Zij zelven hadden

ook wel geen geld, maar zij konden het maken: met suikerriet-bouw. De

Engelsche en Amerikaansche koopers boden immers tegen elkander op

voor het kostelijke product. De suikerrietstengel bleek de tooverstaf

die grond in goud veranderde. Inplaats van aan zijn priaji's gaf de

Sultan zijn apanagegronden aan de Hollandsche ondernemers.

Daar waren de landhuurders aan boord van het schip dat hen naar

de Goudkust varen zou; maar zij moesten zeemanschap gebruiken,

daar waren gevaarlijke klippen te ontzeilen. De vijandschap van de

vroegere apanagehouders eerst, die zelfs tegen redelijke vergoeding

in geld zich verzetten omdat, als zijzelven wel merkten, het geld

hun door de vingers liep, terwijl de levering in naturaliën nergens

anders heen kon dan naar hun maag. En daarnaast de vijandschap van

Hollandsche koloniebestuurders, die den staat de rol toewenschten,

vroeger vervuld door de Compagnie, die van groothandelaar, en

den universeel-erfgenaam van haar belangen bedreigd vonden door de

Djokjasche mindere legatarissen. De landheeren schenen tot schipbreuk

gedoemd en ondergang, toen de voorstanders van het vernieuwd-oude het

verbod teweeg brachten van landverhuur aan Europeanen. Maar de nood

van den Kraton werd hun uitkomst. Want het Sultanaat kon de enorme

sommen niet opbrengen als schadeloosstelling voor het verbreken der

aangegane contracten gevorderd. Wat lang al gebrouwd had brak los: de

Java-oorlog, waarvoor de gekrenkte rechten van Dipa Negara aanleiding

waren en voorwendsel. En het stelsel kwam ten val, dat tot zulke

noodlottige uitkomsten had geleid. Het verbod van landverhuur werd

door de opvolgers van den verbieder te niet gedaan. En na beëindiging

van den Java-oorlog begon een nieuwe, voorspoedige periode voor de

landhuurders. Dat was wel hun glorietijd. Toen werden de grondslagen

gelegd voor die reusachtige, rijkdomgebouwen, die hoe vervallen,

afgebroken, verminderd dan ook, tot op den dag van vandaag toe voor

zoovele hunner afstammelingen de prachtige levensherberg zijn. De

Javaansche adel kon hun niet langer schaden. De Nederlandsche regeering

liet hen met rust, van cultuur-stelsel en verbod van ontginning van

woeste gronden verschoond, die in de gouvernementslanden den lust

tot ondernemen stuitten. De Sultan was hun vriend. Voor de vullers

van zijn schatkist, voor de bestrijders van zijn vijanden, wat zou

voor die te goed wezen? Hij gaf hun voorrechten, arbeiders, land,

voor weinig pacht soms, in een enkel geval om niet; hij gaf hun

prachtige geschenken in huizen, goud, edelgesteenten; soms gaf hij

hun een dochter of kleindochter tot vrouw. De landheeren waren in het

pronkvertrek en in de schatkamer geïnstalleerd van den ouden feodalen

burcht, door de bres waarvan hun aanvoerders van 1800 zich heen hadden

gewrongen. Zij zijn er een goede halve eeuw in gebleven. Het verblijf

heeft vele en wonderlijke dingen gedaan aan hun uiterlijken, zoowel

als aan hun innerlijken mensch. Wie op den huidigen dag door Djokja

gaat, door stad en ommelanden, zal van die dingen de laatste sporen

nog gewaar worden aan hun achterkleinkinderen.

Wat de Djokjasche Indo-families, afstammelingen van de oude landheeren,

onderscheidt van alle andere, is, spelend in haast ontelbare

schakeeringen, de vermenging van het Javaansch-aristocratische met

het Westersch-democratische element.

In hun uiterlijk komt dat te voorschijn in de gelige tint der huid,

veel lichter dan zij elders bij Indo's is, en in den snit van het

gezicht, dat smal is, en in kaak en kin wat zwak, maar nooit grof

gevormd; terwijl bij alle rankheid de lichaamsbouw krachtig is en de

bewegingen vlug.

In het innerlijk toont zich de vermenging in ondernemingslust

en doorzettingsvermogen, waartegenover de spilzucht staan en de

achteloosheid in geldzaken van in erfelijken rijkdom opgegroeide

aanzienlijken, voor wie zulke geringschatting van wat voor de groote

meerderheid het levensbelang is, een teeken is van superioriteit;

en vooral in een vormelijkheid en een zekere verfijning die uit

het Oostersche principe voortkomt, en in een aan het dichterlijke

verwanten aanleg, die op zijn alleronverwachtst schuil kan gaan voor

Westersche nuchterheden, en een enkele maal ook wel voor Westersche

ruwheid, hoewel dat toch maar zelden. Westersch in het algemeen,

niet in het bijzonder Hollandsch: er is hier veel vreemd bloed.

Fransch bijvoorbeeld. De stichter van een der oudste en machtigste

landheerenfamilies in de Vorstenlanden was een Franschman, een kok uit

de Napoleontische legers, die in zijn pollepel een maarschalksstaf

bleek te bezitten. Hij kwam langs de hemel weet welke wonderlijke

wegen naar Java en aan het hof van den opvolger van dien Sultan Sepoeh,

die zulk een opmerkelijk talent had voor het uitbreiden van land door

meting. Het was een man van echt-franschen geest, voortvarend, moedig,

en verliefd op het buitengewone, dat de verbeelding aanvuurt; maar

tegelijk van het puur-avontuurlijke en romantische teruggehouden door

een precies begrip van de waarde van geld. Hij begon met den Sultan

lekkere schotels voor te zetten, en won zijn waardeering als kok. De

weg door de maag naar het hart was een korte bij den vorstelijken

lekkerbek. De knappe kok werd kameraad en bleek als beraden in--altijd

benarde en hopeloos verwarde--geldelijke zaken zijn gewicht in goud

waard. De Sultan gaf hem goud, in den vorm van land, en, om hem te meer

aan zich te binden, een van zijn dochters (hij was er vrijgevig mee en

kòn het zijn). De Franschman veranderde zijn voor een Javaansche tong

niet uit te spreken naam, en schikte zich ook verder naar Javaanschen

landaard. Als gemaal van een Sultansdochter leefde hij Sultan-lijk

op zijn met breede roeden gemeten landen. Hij bouwde er een huis dat

eer een kraton genoemd mocht, een labyrinth van gebouwen met een muur

van ettelijke voeten dik en zware poorten er om heen. Hij richtte

een eigen legercorps op, dat hij,--dacht hij nog aan den Grooten

Keizer?--zijn "legioen" noemde. Hij had zijn eigen muziekkorps, zijn

eigen menagerie, zijn eigen stoet jagers. En hij had ook een kris en

een speer, die als de wapenen der legendarische helden van het Westen,

als Durandal en Excalibur, een eigen naam hadden. Met die kris en

die speer trok hij, aan het hoofd van zijn legioen op tegen Dipa

Negara's benden in 1825. En de dikke muur van zijn kraton weerstond

alle aanvallen. Toen hij met zijn sultansdochter de zilveren bruiloft

vierde was niet enkel het geheele hof met alle edelen en ambtenaren

bij hem te gast en niet enkel de andere landhuurders, allemaal met

vrouwen, kinderen en dienstboden, maar de geheele bevolking van de

streek, voor wie hij een goed en rechtvaardig meester was.

Een landgenoot van hem kwam in de jaren 50, ook een soldaat, en ook uit

een "Napoleontisch" leger: uit dat van den derden Napoleon, dat in de

Krim had gevochten. Wie weet, had hij niet voor Sebastopol gestaan?,

den aanval gezien van "The Light Brigade" en gehoord hoe er gezegd

werd: "C'est magnifique mais ce n'est pas la guerre!" Er bleef iets

als een atmosfeer van avontuur en gevaar om hem zweven, zelfs hier

in Djokja. Hij kwam een samenzwering op het spoor in den kraton. Een

van de bijvrouwen van den Sultan, een eerzuchtige, geestkrachtige,

onversaagde vrouw, zooals er tusschenbeide, verwonderlijk, opstaan

uit den allen geest en moed verstikkenden druk van het kratonleven,

was de ziel ervan. Haar bewoog het eenige wat zelfs onder zulken druk

niet te verpletteren is: de moederliefde. Zij wilde haar zoon tot

troonopvolger doen verklaren, in plaats van den zoon der Sultane. In

het geheim had zij reeds een aanzienlijken aanhang. Haar toeleg werd

ontdekt en zij vluchtte, niet om zich met haar zoontje te bergen,

maar integendeel, om van een veilige plaats uit den strijd openlijk te

beginnen. De Fransche dragonder zette haar en haar gewapend geleide

in den nacht na, joeg de mannen op de vlucht, en bracht haar met het

kind terug in den kraton. De regeering, wie de schrik van 25 nog niet

uit het geheugen was gegaan, beval hem aan in de gunst van den Koning,

die den dragonder tweeden luitenant maakte. Toen hij, altijd nog in

Djokja, het vijftigjarige jubileum van zijn officierschap vierde,

werd de grijze tweede luitenant bevorderd tot kapitein.

De Hollanders, ook de soldaten onder hen, lieten zich veel minder aan

de glorie der wapenen gelegen liggen. Zij waren--ten minste de besten

onder hen waren--in hun hart kooplui; kooplui dan van het heroïsche

slag dat in Holland bloeide in de zeventiende eeuw, en waarvan onder

de aanzienlijke geldmannen van hun eigen tijd, renteniers als zij geen

speculanten waren, al lang de laatste eigenschappen waren verloren

gegaan. Met gerechtvaardigden trots spreken hun afstammelingen heden

van hen. Van dezen, die ontwikkelingen voorzag, toen zelfs nog niet in

beginsel aanwezig, en aan zijn land telkens nieuwe stukken aanvoegde,

zoodat het als met scherpe wiggen drong in nog onbezet gebied,

overal waar water overvloedig was. Van genen die op zijn landen

om de vijf paal een post had waar acht paarden gestald stonden,

met het aanlichten van den dag uitreed, zijn velden langs, en niet

terug kwam voor het donkerde. Hij wist alles wat overal gebeurde,

hij was alomtegenwoordig. Vermoeidheid kende hij niet, het woord

"gemak" had geen zin voor hem. Van een derde, geplaagd met een zwak

gestel, dat de kilte van de Djokjasche nachten slecht verdroeg: maar

die rheumatieklijder als hij was, er op uit ging, elken dag om de

ontginningen te inspecteeren, die hij overal in de streek had liggen.

Dat is het Westersche element, dat niet ten onder te brengen was door

welke verslappende invloeden ook. Maar niettemin liet het Oostersche

zich ook gelden: in hen, wel is waar, niet zoo sterk als in hun

kinderen. Bijna allen werden zij hartstochtelijke dobbelaars in den

omgang met de kratonbewoners, voor wie dobbelen de eenige uitkomst is

uit de doodschheid van hun leege dagen. Zij dronken zwaar ook. En zoo

niet zij zelf, dan hun kinderen, verkwistten ontzaggelijke rijkdommen

op geheel Oostersche manier, dat wil zeggen, zonder eenigen smaak of

zin, in pure, baldadige, roekeloosheid.

Van dit alles dragen hun huidige afstammelingen het kenmerk.

Niet in gelijke mate. Als in de industrie, waaruit hun macht en

beteekenis is voortgekomen, is ook in die kleine wereld-op-zich-zelf,

die de oud-Djokjasche families vormen, een element te onderscheiden dat

ten onder gaat, en een ander dat zich snel vervormt, zich aanpassend

aan nieuwe omstandigheden: terwijl bovendien, tusschen de twee in,

een derde staat, onveranderlijk, in zijn hoedanigheid, maar slinkend

bij den dag.

Dit element is een kleine, en al kleiner wordende groep, dat de oude

kenmerken duidelijk vertoont. Bij de andere twee zijn ze verbasterd.

Daar is, aan den eenen kant, de groote meerderheid die gaandeweg

terugzinkt in het Inlander-element. Het is alleen nog maar het bezit

van wat meer of minder fortuin dat, een onzekere afsluiting, hen

daarvan scheidt. Of zij zelven in steenen huizen wonen, "Europeesch"

huisraad gebruiken en--bij gelegenheid--in Europeesche dracht voor

den dag komen, hun naaste familie woont in den kampong, en zij zelven

voelen zich daar thuis.

Aan den anderen kant staat een groep, weinig in getal maar door

karaktereigenschappen de sterkste, die binnen afzienbaren tijd geheel

Hollander zal zijn geworden. De mannen die "in het landelijke" zijn

hebben een technische opvoeding ontvangen in Holland. En--ontwikkeling

van de allerlaatste jaren--onder de meisjes zijn er die zich

zelfstandig willen maken door een beroep, soms een waarvoor studie

aan de universiteit noodig is.

Over blijven, als erfgenamen van den ouden tijd, eenige weinige,

oudere menschen, tijdgenooten, velen van hen, van den ouden Sultan,

en zijn goede vrienden en bloedverwanten, die hij aanspreekt met

"broeder" als zij onder elkander zijn, en die de jonge pangeran's

en raden ajoe's "Oom" noemen. Zij zijn de bewaarders van al wat in

Djokja het verleden is: de hoofsche etiquette, de geschiedenis van

het Sultanaat en die van het oude landheerendom, die immers een eeuw

lang dezelfde geschiedenis geweest zijn; van de opvattingen en zeden

van vroeger. Veel merkwaardigs, veel moois ook is daaronder. En al

te gader heeft het de aandoenlijke bekoring van wat uniek geweest is,

en wat spoedig voor altijd verdwenen zal zijn.

Natuur en Menschen in Indië · 第 15 / 71 题