"En glij-baantje over 't zeil voor de kachel?"
"Noù. Zúllen we nog 's, zeg? Wat is dat lang geleden!"
Else schudde haar hoofd. "Nee, voor mij is nu alles zoo veranderd,
m'n positie in de wereld.... Wat zou Jannie wel zeggen, als-tie z'n
moeder zoo dwaas zag doen...." maar ze voelde toch even met haar
kleinen voet, "of 't glad was," teleurgesteld 'm weer terugtrekkend.
"Maar voor míj is 't ook anders," zei Go, zacht en beslist. "Zooals
toen, toen de studie maar 'n bijdingetje was, kon het toch de verdere
jaren niet blijven."
"Dus nu is 't álles geworden; bepaald je ideaal?"
Else keek naar de boeken op de schrijftafel, en, systematisch geschikt,
op den vollen boekenstandaard; de kamer zag er zoo ánders dan vroeger,
zoo echt-om-te-studeeren uit: de series over elkaar op de deur,
't Minerva-beeld in den hoek, aan den muur lidmaatschap-kaarten, en
'n enkele, stemmige gravure. En dan al die wijsheid;--ze herkende
de groene bandjes van Hegel, die Han ook had, en Nietsche en Plato
en Spinoza, met de witte ruggetjes,--wat bekommerde zij zich nog
om boeken, behalve bij 't stof-afnemen; terwijl 't hiér scheen,
of wetenschap 't eenige was....
Go vóelde, dat Else op dat oogenblik hun levens tegen elkaar wóóg,
en het werd haar diep en duidelijk bewust, hoe ver ze van elkaar
waren gedreven, zij, die hun eerste vrijheid-vreugde samen hadden
genoten. Toen zei ze langzaam, alsof ze onder 't spreken haar gedachten
nog aan 't formuleeren was, strak starend op Jantje's portret: "Ik
geloof niet, dat studie, voor mij evenmin als voor de meeste meisjes,
bepaalde róeping, 't eenige is. Lize heeft 't me gezegd op de eerste
clubvergadering, en al zag ze verder de zaak veel te duister in,
ik gelóóf, dat ze hierin toch wel gelijk had. Maar daarmee is het
studeeren voor meisjes natuurlijk absoluut niet veroordeeld. Ik
meen alleen, dat bij háár altijd 'n kwestie van keuze wordt, wat
'n man vereenigt;--ik bedoel bij 'n huwelijk, en dat ze dan, bijna
altijd, niét de studie zullen kiezen. Daarom is het niet haar hoogste
roeping; maar wél kan 't iets zijn, dat haar heelemaal in beslag
neemt, en vult... Zie-je, ik geloof, dat 't bij mij zóó is: ik heb
heel veel kracht, en toewijding en levenslust. Die moet ik ergens
aan geven. En omdat ik nu hier ben, tusschen studeerende menschen,
in geestelijk-ontwikkelend milieu, geef ik ze aan studie, m'n speciaal
vak, en wijsbegeerte en oeconomie... en allerlei. Begrijp-je?"
Else streek met haar hand langs de boek-ruggen, en knikte; maar ze
dacht aan Han, en haar huis en aan Jantje,... en de meiden, en wat
morgen eten. En ze begreep eigenlijk niet, hoe Go, haar eigen nichtje,
even oud als zij, buiten dat alles leven kon, en niet ongelukkig zijn.
"O, en dien avond, toen Gé den wijn met kruidnagelen bracht," zei Go,
terwijl ze de trap naar het clublokaal opliepen, en ze voelde zich
overvol van oude herinnering. Ze hadden samen de stille, donkere
stad doorgeloopen, en weer samen-gevoeld, elkaar weer begrepen in het
verleden,--en nu scheen 't bijna ongelooflijk, dat Else zoo lang weg
was geweest, voelden ze zich even weer eerste-jaartjes, toen ze de
lichte zaal binnen kwamen.
Maar 't was dadelijk anders; de meisjes stormden op Go toe, om haar
nog geluk te wenschen met 'r candidaats-examen; op haar praeses-plaats
aan de groene tafel stond een bos bloemen, 'n attentie van 't bestuur,
en ze wist weer: hier was ze niet langer het schuchtere kind, dat in
'n hoek tegen den muur stond en niemand aanspreken durfde; ze was het
middelpunt, de leidster, de eerste van de club geworden, en terwijl ze
even sprak met de secretaris, met 't meisje, dat de lezing zou houden,
bemerkte ze, tot eigen verbazing, hoe zij rustig-helder alles regelde
en den avond organiseerde.
Mary had er op aangedrongen, dat ze zich meer met de
meisjes-vereeniging bemoeien zou. Zij zelf kwam er zelden, omdat
ze nu eenmaal in dit opzicht nog 'n vrouw van de oude traditie was,
die in societeitsleven zich niet thuis kon voelen.
"Zie-je," had ze peinzend tegen Go gezegd, "een van de dingen die ik
't mooist vind in de vrouw van vroeger, is, dat ze, hoewel minder
individueel ontwikkeld dan de man, die zwakke individualiteit in
eenzaamheid altijd zoo zuiver heeft bewaard, veel beter dan de man,
die in de gemeenschap het fijnste, het hem-alleen-eigene, moest
opgeven in 't belang van 't geheel. Maar nu meisjes mee gaan strijden
om 'n plaats in de maatschappij, is het natuurlijk, dat ze zich ook
aansluiten, ook gaan vergaderen en debatteeren.--Alleen--ik voel me
hierin nog zoo ouderwetsch, wil me niet schikken, wil me niet géven,
ik kan niet velen, dat er aan m'n gevoel getrokken wordt... Ik blijf
liever alleen,--maar 'k geloof zeker, dat 't jou goed zal doen,
als je er meer in komt."
Go hád er heel gauw plezier in gehad, in de namiddag-thee's met de
levendige gesprekken, in de faculteits-vergaderingen en de groote
bijeenkomsten. Het tweede jaar was ze al praeses van haar faculteit
gemaakt, en toen ze met de algemeene verkiezing candidaat was gesteld,
was ze met bijna-eenstemmigheid gekozen. Ze voelde zelf, dat ze er op
haar plaats was en toen ze den hamer ter opening van de vergadering
had laten vallen, was het, of uit al de luisterende gezichten de
sympathie naar haar toe groeide.
"Bij het openen van de eerste vergadering na de groote vacantie,"
begon ze met haar heldere, opgewekte stem, "heet ik de hospitanten
hartelijk welkom, en spreek den wensch uit ze als leden nog vaak in ons
midden te mogen zien. Dat onze vereeniging voor vrouwelijke studenten
bloeit, en wezenlijk in 'n behoefte voorziet,--het jaarverslag
zal het ons allen dadelijk met getallen en feiten duidelijk maken,
maar wezenlijker, dan 'n statistiek het ons leeren kan, worden we
't ons bewust, wanneer we op dezen avond de zaal rondkijken, en zien,
hoe groot de opkomst is, en voelen, hoeveel vriendinnen de club ons
heeft gegeven... Ik zie de menschen, die het bestuur vormden, toen ik,
als verlegen eerste-jaartje, hier voor 't eerst binnenkwam;--er zijn
hier velen, die meer van den wordings-tijd der vereeniging weten dan
ik. Maar ik weet en voel haar bloei en haar weldadigen invloed, en
daar wilde ik de hospitanten over spreken. Jullie bent hier allen met
moed en verwachtingen aangekomen, en je gaat 'n mooi jaar tegemoet,
het mooiste, zou ik bijna zeggen, van je leven. In het eerste jaar
van onzen studententijd is alles heerlijk en zonnig en vol belofte..."
Ze zweeg en streek even met de hand over haar voorhoofd; ze zag
de oudere meisjes, die keken, wachtten; ze zag Mary, die even
knikte;... en dan al die nieuwe kindergezichten, al die oogen, die
nog niets wisten, die nog niet waren teleurgesteld.... En het flitste
door haar hoofd, hoe Else en zij er voor vier jaar gezeten hadden,
ook zoo op den grond, 'n beetje verbaasd, belangstellend, en zoo
kinderlijk vertrouwend op het leven, dat komen ging;.... moest ze
dien kinderen nu zeggen, dat hun niets dan teleurstelling wachtte,
of had zij den weg naar de hoogere harmonie gevonden?
Ze voelde, dat er 'n golving van onrust ging door de zaal, en de
bibliothecaris fluisterde even: "Of ze niet wist verder...."
Toen zei ze als in 'n droom, alle samenhang met 't vorige vergetend,
niet langer er aan denkend, dat haar speechje propaganda moest
maken om lid te worden van de club: "Hier wacht jullie het eerste,
wezenlijke geluk en 't eerste, groote verdriet. Ik hoop, dat je ook
't laatste, als noodzakelijk, flink zult aanvaarden. Want voor den
moedig-strijdende is de overwinning."
Het bestuur gaf 't teeken tot luid applaus, ofschoon ze de toespraak
wel wat eigenaardig vonden, bang voor 'n nieuwe, dreigende stilte. Go
zag Else kijken, verbaasd, half ongeloovig: waar haal-je het
vandaan? Maar Mary knikte, dat 't goed was, zacht lachend met 'r
diepe oogen....
Toen keerde Go zich tot de ab-actis, met verzoek om het jaarverslag
voor te lezen, en terwijl die, met verveeld rad-ratelende stem, bladzij
na bladzij opdreunde, vertelde Else fluisterend met onderdrukte
lachjes, aan Lou en Riek, die over haar heen hingen, de wonderen
van ondeugendheid en liefheid en snuggerheid van haar schattigen,
kleinen jongen.