Daar was Hans. "Is hij er nog niet eens uit? 't Is kwart over."

Go schrikte, maar Rolands zei, dat hij er ook te laat was ingegaan.

"Hoe was-tie? Nog al kalm?"

"Ach, zoo. Hij had nog al beroerd geslapen vannacht."

Er begon nu onrust onder de menschen te komen; ze schoven naar de deur;

de goeiige pedel keek op z'n horloge, grapte, dat 't nu lang genoeg was

geweest, dat-ie de heeren 's zou gaan zeggen, dat het uit moest zijn.

"Hij zal zoo moe zijn," zei Go zacht tegen Gerard, maar die ging

er niet op door, praatte luchtig tegen Hans over 'n voetbalmatch

van den vorigen Zondag. Andere jongens kwamen er bij, dandy-achtige

heertjes, die allemaal iets hadden, dat Go even aan Eduard denken

deed. Ze stonden in 'n groote groep; alleen Henri en Else waren in

het kamertje gebleven.

"Maar wat zie-jij er vreeselijk slecht uit, Elders," zei Frieda

opeens tegen Hans. Ze noemde de jongens altijd bij hun achternamen,

ook hierin toonend haar mannelijke vriendschap.

Allen keken nu naar Hans, die lachend 't eerst onzin heeten wilde,

toen, geprest, bekende: "Dat komt, omdat ik heelemaal niet naar bed

ben geweest .... Ik heb vannacht laat zitten werken, en ben toen

tegen zes uur naar Katwijk gefietst. Je zou 't niet denken, maar

't is van ochtend 'n prachtige zonsopgang geweest; wel veel wolken,

maar enorm, zie-je!"

"Malle kerel, je hebt natuurlijk kou gevat," plaagden ze, en een nieuw

verhaal begon aan den anderen kant van 't clubje; maar Go hoorde hem

nog zeggen met z'n lieve, dankbare stem:

"Het was buitengewoon, zie-je.... Zoolang de zon nog opgaat, kan toch

niemand beweren, dat er niet 'n heeleboel moois is in 't leven."

Daar ging de deur open, en allen draaiden zich in 'n ruk om. Eduard,

in rok met 'n witte das, bleek met nerveuse vlam-kleurtjes onder

z'n oogen, kwam met onzekeren lach naar hen toe, en, dadelijk 'm

insluitend, vielen ze op 'm aan, met dof-gemompeld, voorzichtig

vragen. Hij haalde de schouders op, streek over z'n hoofd; hij wist

't niet; aan 't eind was-t-ie gaan rijden, omdat-ie zoo moe werd;

ze hadden 'm ook te lang gehouden, hè? hoe laat was 't nou?

Ze vergeleken hun horloges; de oude pedel klopte 'm goedig op z'n

rug: 't zal wel losloopen. Maar hij maakte zich ongeduldig uit de

belangstelling los, liep 't kamertje in om water te drinken, ging

toen in de deurpost staan.

De anderen bleven onder elkaar overleggen, vroegen de juristen,

wat ze er van dachten; en hij werd 'n beetje spraakzamer, noemde

'n paar dingen, die hij niet had geweten.

"God kerel, die weet ik nòg niet, en ik ben nu toch doctorandus,"

kalmeerde 'n donkere man.

Ze zwegen weer; 'n paar jongens tikten met hun wandelstokken.

"Wat duurt 't lang," fluisterde Go.

"Dat is 'n goed teeken."

"Dat weet je niet."

"Ik kan gerust nog 'n kwartier wachten," zei Eduard met 'n nerveus

lachje, "dat kan me niets schelen." En hij slingerde z'n horloge

tegen de deur heen en weer.

"Komt er geen familie van je?"

"Niemand weet 't, goddank."

"Zou Bruno je afhalen?" vroeg Frieda, trachtend hem af te leiden. "Wat

krijgt hij, als je er bént?"

Een begon zachtjes te fluiten, ze stonden allemaal naar Eduard en

naar elkaar te kijken, en niemand wist meer, wat hij zeggen moest.

"'t Is half."

"Nee, 't heeft nog niet geslagen."

"Je bent altijd voor."

"Ga 's luisteren aan de deur."

Ze slopen de trappen op, leunden 't oor aan het sleutelgat.

"Ik hoor niets."

"Stil nou, vent.... ze lachen."

"Ze lachen.... je bent er, hoor!"

"Zouën ze daar zoo'n pret om hebben?" vroeg hij bitter.

"Ik heb beloofd dadelijk z'n ploerterij te gaan waarschuwen, als hij

er is, om de vlag. M'n fiets staat beneden," fluisterde Rolands.

Er kwam iemand de trap op; in spanning hoorden ze de voetstappen.

"O, van de krant."

"Beroerling," bromde Gerard, "wat gaat 't 'em an."

"Maar kerel, 't is z'n baantje."

De stilte. Eduard kraakte een voor een z'n lange, witte vingers.

"La dernière heure d'un condamné," trachtte de pedel op te wekken,

maar hij bleef norsch kijken, zuchtte.

Opeens: de bel.

Vlug schuifelend met z'n oud, dik lijf schoof de pedel naar binnen;

terug weer: "Wilt u maar komen, meneer."

Even stonden ze in spanning, half vooruit-willend, half wijkend: maar

triomfantelijk-wijd werd de deur achter 'm open gehouden; de pedel

wenkte, 'n vriendelijke professor achter de groene tafel wenkte ook: ze

stroomden binnen, schuifelden nóg, terwijl 't speechje al begonnen was.

"Met zeer veel genoegen," mompelde Gerard, "ze hebben waarachtig

alleen zoo lang gedelibereerd, of ze ook "cum" zouden geven."

Go stond naast 'm, met tranen in de oogen; ze was zoo bang geweest en

nu zoo blij, en 't was zoo plechtig met al die heeren achter de tafel.

En zoodra 't uit was, stormde ze de trappen af naar buiten, rende

door de dikke sneeuw, met 'r mond open, om lucht te krijgen. Ze was

zoo blij, zoo blij--maar ze had 'm niet kunnen feliciteeren, want

dan had ze zich zeker niet goed kunnen houden.

Toen ze 's avonds naar Lize toeging--die goeie Hoefman, ze zou zien

het gesprek op hém te brengen; ze wilde immers iedereen in alles

helpen--hoorde ze bij Levedag het jolig lawaai van vroolijke stemmen,

en in de lichte gang zag ze veel zwarte ruggen en gladde hoofden,

die allemaal naar iets schenen te kijken, dat heel grappig was.

"Eddy, Eddy," hoorde ze roepen, en ze stelde zich voor z'n fijn,

stralend gezicht, en de hartelijke vroolijkheid hem ter eere.

Hoe dol graag zou ze toch 's zoo'n jongens-fuif meemaken; zoo 's

echt meegenieten in onbezorgde joligheid. En bij deze zou ze wel

't liefst van alle zijn geweest.

Droomerig ging ze langs z'n huis, op 't maan-witte Rapenburg; de

ramen stonden open, de kamer was leeg. Maar uit 't dakvenster hing

stil en statig de lange vlag, onbeweeglijk in den blanken winternacht,

zegeteeken van zijn overwinning.

Een Meisje-Studentje · 第 20 / 39 题