Go zat op haar bureau voor 't raam, liet het Sint-Nicolaas-handwerk
op haar schoot rusten.
"Toe, Elsi, kom nu toch 's kijken, het is zoo'n eenig gezicht."
"Wacht éven, ik ben zoo klaar...." en Else schreef ernstig voort in
het huishoudboek, dat ze de laatste weken hield: "melk.... iedere dag
twee pinten, dat is f 1,10.... boter f 0,45.... van de week heeft de
juffrouw suiker gehaald, hè?.... brood 5 × 7 cent.... dat is 35.... is
de gasrekening al betaald.... en kolen?"
"Och, kom nu toch, je moet dien bangen jongen zien; die durft gewoon
de helling van de brug niet op;.... kijk die glijen.... och heer,
daar komt onze juffrouw ook; dat mensch moest niet uitgaan, nu 't
zoo glad is,.... als ze vàlt.... o, daar gaat onze buurman; 't is,
of hij op rolletjes loopt."
Else had haar kas nu in den steek gelaten, en kwam naast Go voor het
met sneeuw omrande venster staan. De huizen aan den overkant waren wit
toegedekt, wat de altijd doodsche achtermuren nóg triester maakte,
en Go wees Else op het kleine plaatsje, waar het kippenhok stond,
dat bijna onzichtbaar was geworden.
"Wat lijkt 't nu op een ets van Witsen, en de lucht ziet nog zoo grauw;
er zal nog heel wat komen, denk ik."
"Ik hou van sneeuw; 't maakt alles zoo licht--en hier is 't wel
buitengewoon grappig met dat bruggetje."
"Hoor, hoor, nu komen de kinderen uit school."
Stappen en stemmetjes werden luider door de zware lucht en 'n heele
groep kleine meisjes in capes, de kappen over de losse haren getrokken,
kwamen glijdend en stoeiend voorbij het raam, bleven dichtbij staan om
elkaar te kochelen, en sneeuwballen te werpen naar 'n grooten hond,
die ze blaffend nasprong. Tot 'n blozend dienstmeisje gillend door
ze heen vloog, nagezeten door 'n smidsjongen, wien de blanke sneeuw
smolt in de zwarte handen.
"Leuk!" zeiden ze samen, lachend, zoo ver mogelijk ze naoogend. "Wat
gezellig, dat we dadelijk er door moeten naar college."
En Else dacht, dat ze echt wel graag eens ingewreven wilde worden, maar
niet door zoo'n smidsjongen, die zwarte vlekken maakte in je gezicht.
"Kijk nóu 's," stootte Go haar opeens aan, toen ze vlak bij college
waren: Louis Hoefman stond met 'n kleur op z'n triestig gezicht bij
'n boom en gooide armen vol naar Lize, die meer perplex dan geërgerd
zich omgedraaid had, om te vragen, wat 'm bezielde, en nu de vochtige
sneeuwmassa vlak in 't gezicht kreeg, terwijl de aanvaller, als
ontzet over z'n eigen stoutmoedigheid, z'n hoed voor haar afnam,
maar toch weer 'n nieuwe bal pakte.
"Niet kijken," zei Else goedig, "ze denken, dat niemand ze ziet,
maar wat is die Louis toch 'n rare jongen."
"Hij valt me toch mee," dacht Go, terwijl ze naar binnen ging,
en toen Lize even later, druipend en met 'n kleur, het kamertje
inkwam, brommend over: "die lamme sneeuw en die idiote jongens",
keek ze haar met meer belangstelling aan dan gewoonlijk, en vond
'r niet zoo vreeselijk leelijk, nu ze 'n kleur had, en 'r haar wat
losgeraakt was uit den strengen wrong.
"Hoor de jongens vandaag 's in de gang," zei ze lachend, en ze vond
prettig te merken, dat de aandacht onder historische grammatica
merkbaar leed door het blanke gevlok achter den rug van den
professor. Zij zelf keek stil in den witten tuin, die zoo mooi was
met de blinkende boomen, en de ongereptheid van den gladden grond. Er
was den heelen dag weer niemand in geweest; alles was in volkomen
natuurlijkheid, zooals de sneeuw zelf zich 'n plaatsje had gezocht:
op de teere takjes van de heg, tusschen de verroeste harktanden,
en over den hoop dorre blaren tegen den muur.
Alles was iets heel bizonders geworden, en vooral toen het lichter
werd, nog soms maar 'n enkel vlokje daalde, leek het 'n sprookjestuin.
Maar toen de professor z'n boeken had dichtgeslagen en weggegleden
was met 'n korten groet, was opeens aan het droomen 'n einde geweest
door het uitgelaten losbreken van de jongens, die de altijd-gesloten
deur openrukten en den onberoerd-slapenden tuin opschrikten met het
luide gelach van hun jonge stemmen en de klatering van hun roepen,
terwijl hun voeten gaten maakten in de blanke, vlakke sneeuw, en hun
handen er breed in grepen om ze elkaar toe te gooien.
"Kom dames!" vroeg Hoefman, en Go liep met Lou en Coba stralend naar
buiten, als verblind blijvend staan van al den glans om haar heen,
want jubelend was de zon doorgebroken, en deed de takken glinsteren
als facetjes van diamanten.
Maar 'n bal vloog rakelings langs haar oor, en snel bukkend pakte
ze de witte poedersneeuw, en wierp terug in den wilde, naar den
hoek, waar zwarte jongenslijven joelend dooreen krioelden. Het
werd 'n sneeuwgevecht met ononderbroken ballenwisseling. De
oudere-jaars-meisjes keken lachend door de beslagen ramen; ook Lize
was niet te bewegen geweest mee te doen, waarom Louis trachtte, door
't van boven-open venster sneeuw in de collegezaal te werpen.
Nu werd het 'n drijfjacht in den tuin: de rokken bijeen genomen rende
Go schaterlachend om de witte perken, over den witten grond; aan
alle kanten bedreigd, wierp ze zich midden over 't gras, struikelde,
viel.... haar haarspelden lagen in de sneeuw verspreid, elk krulletje
droop langs haar roode wangen.
"Genade.... hou op.... ik moet toch nog naar binnen!" lachte ze,
haar coiffure-attributen verzamelend, terwijl het bombardement om
haar voortduurde: "Laat me er door; ik kan zóó toch niet op college
zitten." En hijgend zich door de jongens heen werkend, liep ze bijna
den professor omver, die de les al kwam hervatten. "O, pardon,"
prevelde ze beschaamd, het haar wegstrijkend uit haar verlegen oogen,
maar hij lachte vaderlijk, schoon 'n beetje ironisch: "Wat hebben
we 'n pret gehad!" en ze voelde, dat hij haar wèl 'n erg kind vond,
maar aan z'n eigen dochtertje dacht, van wie hij dit ook aardig zou
hebben gevonden.
Ze was er dankbaar voor, trachtte daarom op te letten, toen de ernst
weer begonnen was, maar schrijven kon ze niet; haar handen waren te
verkleumd en gezwollen; en achter in de zaal bleef 't te gezellig
en roezig om haar aandacht op de stem van den professor te kunnen
concentreeren. Ze zag, dat 'n paar jongens sneeuw mee naar binnen
hadden genomen, en met de smeltende hoopjes elkaar stilletjes zaten
te gooien onder de tafel. Een had 'n stukje ijs op Hoefman's zwart
haar gelegd, zonder dat hij het bemerkte en nu viel er telkens
'n druppel langs z'n voorhoofd; dan schrikte hij op, veegde 'm af,
verbaasd, lachte even, tot-ie opeens iets voelde op z'n hoofd, 't
afschudde, en 't ijs met 'n plets op z'n dictaat-cahier viel. "Echte
kinderen," dacht Go, "en 't is eigenlijk enorm flauw";--maar ze genoot
van het "schooltje", fluisterde giechelend met Coba over Hoefman's
onschuldig-verwonderd gezicht; tot ze weer bedacht, dat ze op moest
letten, en, haar gloeiend gezicht in de tintelende handen, zich naar
den professor wendde: hoe lief van 'm, dat hij om haar gelachen had,
en niet boos was geworden, toen de jongens zoo lang bleven voetenvegen
in de gang. Hoe echt-menschelijk, zich er wel in te kunnen denken,
wat zalig sneeuw was voor jonge menschen,--al streefden ze er ook
naar doctor in de Nederlandsche letteren te worden.
Nu had een jongen 'n stukje sneeuw in den halsboord van z'n buurman
laten glijden; lieve hemel, wat 'n kinderen toch; en waren dat
dezelfden, die ze 'n paar weken geleden op de bibliotheek voor oude,
uitgedroogde mannetjes had uitgemaakt, die alle vermogen van jeugd in
halsstarrig studeeren hadden verloren!.... Och ja; je kon de dingen
soms zoo verschillend zien; en als ze maar niet koortsig was, bleken de
menschen toch nog zoo kwaad niet. Ze generaliseerde altijd zoo gauw,
en wie naar 'n bibliotheek ging, kwam er toch om te werken, en niet
om naar meisjes te kijken.... en op college eigenlijk ook.... alleen
met sneeuw....
.... Lize boog zich over haar tafeltje, legde stil 'n briefje naast
haar neer; ze keek verbaasd: van Hoefman;.... die jongen had z'n
"jour" vandaag.... onherkenbaar van levendigheid.... Stil las ze
onder haar hand:
"Weet je, dat Van Neerwinden vanmiddag om vier uur uitslag heeft? Ga-je
er misschien heen?"
Ze scheurde 'n blaadje uit haar cahier, pende dadelijk terug: "Zullen
we samen gaan? Ik ben nog nooit in de universiteit geweest! zou hij
er door komen?"
Na college wachtte hij in de gang. "Ik dacht wel, dat je 't niet
weten zou. Het is nog al geheim gehouden, en je kijkt zeker nooit
op het bord." En hij legde haar uit, dat op 't zwarte bord voor de
universiteit altijd de examen-papiertjes werden opgehangen, maar dat
Neerwinden het land had aan zoo'n stroom vrienden.... en er èrg veel
had--en er daarom niemand over had gesproken.
"Maar zou hij 't dan niet vervelend vinden, als wij komen?"
"De leden van Laborando vincimus hooren er toch bij--en het zal wel
in orde wezen; 't eerste gedeelte was perfect."
Toen zweeg hij, keek 'n beetje naar den grond, vroeg eindelijk ineens
bruusk: "Is die juffrouw Schermer niet een heel aardig meisje? Weet
je ook, waaróm ze geen lid wilde worden?"
"Ze heeft het te druk," antwoordde Go vriendelijk, zelf vol kinderlijke
belangstelling in de sympathie van den dichterlijken droomer voor de
uiterlijk-antipathieke, stugge Lize. "Ze móet vlug haar examens doen,
zie-je, en daarom werkt ze aan één stuk door, en gaat nooit uit."
"Maar dat kàn toch niet goed zijn. Ze ziet zoo bleek."
"Ja," knikte Go, de oogen naar 't bord, waar ze het papiertje zág:
Faculteit Rechtswetenschap--E. van Neerwinden--en ze bedacht, dat
hij nu bezig was.
"Ben je 'n vriendin van haar?" vroeg hij in de donkere vestibule.
"Ik kom wel eens bij haar, maar 't is niet makkelijk intiem met haar
te worden." Haar aandacht keerde zich van hem af, zoodra ze binnen
waren, en vol verbazing bleef ze telkens op de breede trap staan,
om de teekeningen op de muren te bewonderen.
"Wat is dat allemaal?" vroeg ze, en toen ze op 't portaal waren
gekomen, vergat ze stil te zijn: "O, kijk toch, kijk 's, wat
verschrikkelijk aardig...." en ze liep van den eenen kant naar den
anderen om al die grappige studenten-caricaturen te bekijken.
Gerard was er al, kwam lachend, met uitgestoken hand, naar haar toe:
"Wil-je wel 's gauw je 'n beetje stil houden; je brengt met je drukte
den examinandus heelemaal in de war... kijk.... daar-is-ie," en hij
wees naar de gele deur, waar "facultas iuridica" boven stond. "Kom
nou hier, in 't zweetkamertje; dan kunnen we praten."
Han stond met Else voor het raam te kijken: "Hoe wist jij 't?" vroeg
ze, "Han vertelde 't me vanmiddag."
Er waren meer jongens, die Go niet kende; ze praatten allemaal
zacht en gedempt, en het was er kil en triestig. 'n Droef, grijs
licht viel door het gordijnlooze raam op den houten vloer, en de met
namen bekerfde tafel. De groote kachel stond in 'n hoek als 'n zwart,
dood ding; er waren 'n paar gele, gesloten kasten, 'n paar stoelen;
'n karaf water met glazen.... meer niets. Maar de wit-gekalkte
muren leefden; niet grappig, niet vermakelijk, als in het portaal,
maar met nerveus-makende krabbels en spreuken en handteekeningen, en,
aangegrepen door 'n akelige onrust, begon Go die namen te lezen, met:
"hic sudavit, sed non frustra....", beginnend laag bij den grond en
opklimmend tot hoog boven den schoorsteen en de kachel, zoodat ze
niet begrijpen kon, hoe iemand ooit zoo hoog had kunnen reiken.
Frieda was ook gekomen, op haar eigen stille, zachte manier, zat
nu aan tafel te praten met 'n paar vakgenooten over de kansen van
'n nieuw-te-benoemen professor. Op de gang was het volkomen, akelig
stil, en onwillekeurig keerde Go zich tot Gerard, zei huiverig:
"'t Is net, of alle angst, die hier ooit gevoeld is, tusschen deze
muren is blijven hangen; je wordt hier al akelig als je binnenkomt."
"Nu, dat zal dan ook langzamerhand 'n heel pak verschrikking moeten
zijn, als je 's rekent hoeveel generaties vóór ons, hier al eens in
hoop en vreeze hebben neergezeten."
En om haar af te leiden ging hij over de sneeuw praten, liet zich
lachend vertellen, wat ze dien middag op college hadden gedaan, en
toen weer de stilte dreigde, begon hij over Sint Nicolaas, en of ze
haar surprises al klaar had.
Z'n harde, sterke stem werkte kalmeerend op haar, en ze vertelde
'n grapje van laatst onder Gotisch, toen de professor het had over
satem- en centum-talen, en samenvallen van explosivae en palatalen,
en allerlei meer onbegrijpelijkheid.
"'n Beetje ánders wel," lachte Gerard, maar ze haalde nerveus de
schouders op, zei: "Ik weet niet; ik voelde, dat ik er toch niet
bij kon, en ging zitten denken over 'n inktlap voor Broer.... ik
schijn daarbij den professor heel diepzinnig te hebben aangekeken,
want ik wilde de zeempjes meteen voor versiering laten dienen, en
dan donkergroen laken er onder;.... juist op 't oogenblik, dat ik 't
duidelijk voor me zie, buigt hij zich voorover en zegt: "Ik geloof,
u hebt ergens moeite mee, juffrouw Herderts; begrijpt u niet, dat
de gelabialiseerde velaren.... en enfin, weer 'n heeleboel van die
rarigheid, die ik niet eens navertellen kan.... Ik zei, dat ik net
met mezelf tot klaarheid was gekomen, maar was doodsbang, dat hij de
ontwerpjes in m'n cahier zou zien."