Reeds sedert de oudste tijden is Afrika een geheimzinnig land geweest,
waar de meest uiteenloopende rassen met elkander in aanraking zijn
gekomen. De egyptologen verhalen ons dat Sesostris eene overwinning
behaalde over een blauwoogig menschenras met lange, blonde lokken,
dat het kustland der Middellandsche zee bewoonde.
Na de stichting van Carthago, dankte deze tyreensche volkplanting
haren bloei slechts aan den handel; de zeevaart had op dat tijdstip
grootsche afmetingen aangenomen, en de volkplantingen van Carthago
strekten zich uit tot op de westkust van Afrika, waarvan deze staat
den vorm en de uitgestrektheid nauwkeurig wilde leeren. Het verhaal
van een dezer tochten, bekend onder den naam van "Omvaart van Hanno",
is tot ons gekomen; en hoe verminkt het ook moge zijn, schijnt het
toch boven allen twijfel verheven, dat Hanno ten minste den Senegal
en de Gambia heeft bezocht.
Na de punische oorlogen, waarin Carthago het onderspit delfde, gingen
de romeinsche landvoogden voort met den binnenlandschen handel te
begunstigen. Een hedendaagsch reiziger, Duveyrier, meent dat het
vervoer toen plaats had door middel van met ossen bespannen wagens;
hij beweert zelfs dat de sporen van den destijds gevolgden weg nog
zichtbaar zouden zijn. Men kan zich licht voorstellen hoe langzaam
een dergelijke handel in zijn werk ging. Door de Arabieren werd
de kameel in Afrika overgebracht; zij hadden die dieren in hun
legertrein; en daar de kameel zich met schamel voedsel tevreden
stelt, werd hij hier gemakkelijk inheemsch. De groote afrikaansche
handel begint eerst na de verkondiging van den Islam: de ijver van
een vurige bekeeringszucht, gevoegd bij de dorst naar winstbejag,
den Arabier eigen, kwam alle moeiten te boven; in de karavanen trof
men voortaan kameelen in plaats van wagens aan; zij waagden het nu
zelfs de woestijn door te trekken. Eenige berichten, omtrent die
reizen ingewonnen, zijn door verschillende arabische schrijvers te
boek gesteld, en het schemerachtige licht, dat deze verhalen deden
opgaan over geheel vreemde volken, prikkelde de weetgierigheid der
reizigers, wier taak nog bij lange niet geëindigd is.
Sedert de studiën over Afrika in den smaak gekomen zijn, hebben de
historie-schrijvers een ijverig onderzoek ingesteld, welke toch wel
de eerste vlag moge geweest zijn, die in de nieuwere tijden, op de
afrikaansche kust heeft gewapperd. De Portugees, trotsch op zijnen
Infant Hendrik, aan wien hij de vlucht zijner marine dankt, duldde geen
mededinger nevens zich, totdat onvermoeide navorschers er in geslaagd
zijn aan te toonen, dat aan Frankrijk hier de voorrang toekomt. Bij
onderzoek der archieven van Dieppe, is men tot de overtuiging gekomen,
dat de bewoners van Normandië bereids vroeg in de middeleeuwen verre
zeetochten ondernamen; en met zekerheid kan men vaststellen, dat er
reeds in 1364 nederzettingen der Normandiërs op de afrikaansche kust
werden gevonden, terwijl de oudste documenten, die de Portugeezen
in dezen vermogen aan te wijzen, slechts tot 1418 opklimmen. Zoo
is dan deze wetenschappelijke strijd in dien zin beslecht, dat een
halve eeuw voor de komst der Portugeezen, reeds de fransche vlag op
de afrikaansche kust wapperde.
De Portugeezen, die krijg hadden gevoerd met de Mooren, waren vijandig
gezind tegen de deels mohammedaansche, deels heidensche volken
van Afrika, die door hen werden uitgeplunderd en mishandeld naar
welgevallen: zoodat hunne tochten dan ook voor hen zeer gevaarlijk
werden, wegens den tegenstand dien zij ondervonden.
De fransche burger- en godsdienstoorlogen der vijftiende eeuw deden de
tochten der bewoners van Dieppe uit het oog verliezen, en verzekerden
de overwinning aan de portugeesche vlag. Uit de benamingen, die men
zelfs heden nog aantreft in Afrika, blijkt echter, dat de bewoners
van Dieppe hier de baanbrekers zijn geweest. De naam van la Mine
op de Goudkust, eene nederzetting gesticht om zich den rijken
goudhandel te verzekeren, bewijst dat. Ter zelfder plaatse stichtten
de Portugeezen in 1481 een kasteel, dat het middelpunt en de sleutel
hunner bezittingen op de Goudkust werd; en men wil dat men in de
kapel van Elmina nog het fransche wapen heeft gebeiteld gevonden.
De handel dien de Portugezen aan den Senegal dreven, was altijd zeer
onzeker; in 1591 was er in die streken nog slechts één Portugees
te vinden; de inboorlingen van de kust van Guinea, eindelijk hunne
wreedheden moede, hadden hen overal verjaagd en de Hollanders hadden
hunne plaats ingenomen. Ook de Engelschen vertoonden er zich, en
hielden zich bezig met ruilhandel te drijven, gelijk trouwens de
eerste Europeanen, die op de kust van Afrika vasten voet kregen,
over het algemeen deden.
Niet lang echter zou deze handel zijn onschuldig karakter
blijven behouden; na de ontdekking en kolonisatie van Amerika,
en de aankweeking van aldaar deels inheemsche, deels derwaarts
overgebrachte en voor den handel belangrijke gewassen, kwamen er
andere elementen in den afrikaanschen handel: men zag er weldra
slavenmarkten, die bestemd waren hare koopwaar voor Amerika af te
leveren. Tal van sterkten verrezen op de kust van Afrika, en met een
te voren ongekende hardnekkigheid betwistte men elkander het bezit
van de meest verwijderde en ongezondste streken.
In 1637 nam Frankrijk bezit van Saint-Louis. Deze haven bleef sedert
de sleutel der fransche bezittingen op de Westkust van Afrika. Evenwel
was men niet geneigd aan Frankrijk het bezit dezer haven en van dat
gedeelte der kust, dat tusschen kaap Blanc en Sierra-Leona ligt,
onbetwist te gunnen, en de hachelijke oorlogskans noopte het hof van
Versailles een- en andermaal om zijne afrikaansche bezittingen af te
staan aan meer gelukkige mededingers. De zeventiende en achttiende eeuw
was getuige van hardnekkige worstelingen; doch sedert 1815 scheen men
een ander inzicht gekregen te hebben in de wederzijdsche aanspraken
en verhoudingen der mogendheden; van toen af kon er aan gedacht
worden een zekerder regeling voor de toekomst vast te stellen. Meer
dan eenig andere heeft dus de afrikaansche bevolking voordeel gehad
bij den stroom van verlichte ideën, die onze eeuw met kwistige hand
heeft uitgegoten.
Thans het een en ander over den slavenhandel: eene kwestie, die reeds
vele ernstige gemoederen heeft bezig gehouden, en waarvan het dus
overwaardig is, de verschillende ontwikkelings-phasen tot aan haar
algeheele oplossing na te gaan. Van het begin af heeft men het noodig
geacht den slavenhandel een masker voor te binden; de voorstanders
beweerden dat het hun voornamelijk te doen was om de verwezenlijking
der grootsche ideën: vrijheid voor de verdrukte Indianen, beschaving
en Christendom voor de Afrikanen. Dit programma, wij behoeven het niet
te zeggen, werd in geen enkel opzicht vervuld. De Indianen werden in
de amerikaansche volkplantingen uitgeroeid; men stelde negers voor
hen in de plaats; doch ook bij dezen stond het cijfer der geboorten
in geenerlei verhouding tot dat der sterfgevallen, en ook zij slonken
op hunne beurt weg. Steeds kwam er uit Amerika dringender aanvraag
om nieuwe slaven, waarvan meestal de helft stierf alvorens de plaats
hunner inscheping te bereiken, terwijl van de overgeblevenen zeer
velen op de zeereis omkwamen.
Sedert 1792 begonnen er zich in het engelsche Parlement stemmen te
verheffen tegen dit menschonteerend bedrijf. Men schatte destijds het
cijfer der Afrikanen, die jaarlijks naar Amerika vervoerd werden, op
tachtigduizend; maar dit cijfer bleek ver beneden de werkelijkheid:
alleen St Domingo en de engelsche Antillen eischten zoo veel slaven,
om hunne plantages aan den gang te houden. In de fransche en engelsche
koloniën bevonden zich een millioen vijfmaal honderd-duizend slaven;
in de spaansche koloniën vond men er twee millioen; niet minder waren
er in Brazilië.
Naar eene stellig niet overdreven berekening, mag men veilig aannemen,
dat jaarlijks niet minder dan tweehonderd-duizend negers uit Afrika
naar Amerika werden vervoerd. Het kwaad was zoo hoog gestegen,
dat eene reactie niet kon uitblijven. Het vervoer van deze tweemaal
honderd-duizend slaven vorderde eene groote koopvaardijvloot, die
jaarlijks aan verschillende artikelen, een waarde, gelijkstaande
met deze menschelijke koopwaar, naar Afrika terugbracht. Frankrijk
en Portugal deden zelven hun aankoopen van slaven en vervoerden
ze. De groote winsten van dien handel wekten Engelands naijver op,
dat zich weldra het leeuwenaandeel wist te verzekeren. Niet alleen
toch voorzag het zijne eigen koloniën van slaven, maar het wist ook
van Spanje het monopolie te verwerven van den slaveninvoer in zijne
overzeesche bezittingen.
Tot aan den vrede van Aken 1748, werden de spaansche koloniën,
ten gevolge van dit octrooi (asiento), door Engeland van slaven
voorzien. Tegen een schadevergoeding van een half millioen francs,
was Engeland toen geneigd, het systeem van vrijen handel in dezen
te herstellen. Aan Engeland de schande, eenerzijds, dat het den
handel op ongekend groote schaal heeft gedreven; maar aan Engeland
ook, anderzijds, de eer, het eerst dezen onmenschelijken tak van
handel te hebben gefnuikt. Bij het begin dezer eeuw, op het Weener
congres, besloten, op een door Engeland daartoe genomen initiatief,
de afgevaardigden der verschillende mogendheden den slaveninvoer
in al hunne bezittingen af te schaffen. Het Weener congres legde
de kiem tot die beweging, die de slavernij zelve wilde vernietigen,
en welker geschiedenis wij kortelijk willen verhalen.
Na den vrede van 1815 herleefde alom de handel, na een langdurigen
tijdperk van stilstand en achteruitgang. Ook de slavenhandel begon
op nieuw, en nam thans, geprikkeld door den hoogen prijs der negers
op de koloniale markten, een ongekende vlucht. In 1792 bedroeg het
getal der uitgevoerde slaven tweemaal honderd-duizend: thans overtrof
het dat cijfer nog. Strenge wetsbepalingen werden er in Frankrijk
en elders tegen den slavenhandel uitgevaardigd: eindelijk werd die
handel met zeeroof op ééne lijn gesteld. Frankrijk en Engeland zonden
ook schepen naar de afrikaansche kust om aldaar te kruisen, en de
misbruiken tegen te gaan, die er onder hunne vlag werden bedreven. Op
tallooze manieren wisten echter de slavenhandelaars aan de kruisers
te ontsnappen: zij hadden zulke lichte schepen, dat zij den snelsten
zeiler konden ontkomen; en had men hen ook al eens met stil weder
of in een baai verschalkt, dan werden de kruisende schepen nog om
den tuin geleid door het hijschen eener valsche vlag of het toonen
van valsche scheepspapieren, die de slavenhalers steeds in voorraad
hadden. Engeland stelde ten laatste aan zijne bondgenooten voor,
om aan deze schandelijke praktijken een einde te maken door aan de
kruisers wederzijds het recht toe te kennen, zich te vergewissen
omtrent de identiteit van de vlag der schepen, die zij ontmoetten in
de wateren, welke door de slavenhandelaars werden bezocht. Dit recht
werd, ten aanzien van Frankrijk en andere mogendheden, geregeld bij
de conventiën van 1832 en 1833, welke echter Spanje, Portugal en
Brazilië weigerden te onderteekenen, daar zij haar als strijdig met
hun belang beschouwden. Met een som gelds werd echter de spaansche
kroon tot medewerking overgehaald; en bij het snuffelen in hare oude
archieven, kwam de britsche regeering tot de verrassende ontdekking,
dat zij reeds het recht had, de portugeesche en braziliaansche
schepen te onderzoeken: een recht, waarvan zij nu ruimschoots gebruik
maakte. Gemengde commissiën zetelden op verschillende punten der
afrikaansche kust, om, in twijfelachtige gevallen, de geldigheid
van het aanhouden der slavenschepen door engelsche kruisers uit te
maken. De admiraliteit van Sierra-Leona was zonder ophouden werkzaam;
echter kon het overgroote aantal veroordeelingen, welke dit lichaam
uitsprak tegen spaansche, portugeesche en braziliaansche schepen,
die bleken slavenhalers te zijn, dien handel niet fnuiken, die juist
door den tegenstand al winstgevender werd.
In de koloniën was de prijs der slaven verdubbeld; de fransche handel
was weldra de brutale engelsche kruisers moede, en de klachten werden
eindelijk zoo dringend en heftig, dat Frankrijk besloot in 1845 de
conventiën van 1832 en 1833 op te zeggen, en zelf het opzicht over zijn
vlag wederom uit te oefenen. Voor Engeland deed dit alles een ander
licht opgaan: men begon in te zien, dat men, om den slavenhandel in de
kiem te onderdrukken, beginnen moest om de slaven in Amerika vrij te
verklaren; in de koloniën der britsche Kroon geschiedde dit reeds in
1838. Frankrijk volgde in 1848, en tegenwoordig vindt men geen slaven
meer dan in Brazilië en in de spaansche bezittingen. Sedert het groote
feit, dat een einde gemaakt heeft aan den amerikaanschen burgeroorlog,
is ook dezen staten niets anders overgebleven, dan eveneens, wat
vroeger of later, aan hunne negers de vrijheid te schenken.
Het Weener congres heeft alzoo het doel, dat het zich voorstelde,
bereikt: de eigenlijke slavenhandel wordt tegenwoordig niet meer
dan op zeer geringe schaal gedreven; slechts onder portugeesche vlag
worden er nog slaven vervoerd. De gevolgen der neger-emancipatie in
de amerikaansche koloniën zijn voor 't minst twijfelachtig; maar 't
valt niet te ontkennen, dat de opheffing van den slavenhandel zeer
gunstig heeft gewerkt op de inboorlingen van Afrika zelf.
Maar ook op den handel is die gunstige invloed merkbaar
geweest. Tijdens de slavenhandel bloeide, werden alleen die koopwaren
ingevoerd, waarmede de prijs der slaven werd betaald; na de opheffing
daarvan werden de oude stapelplaatsen, door de eischen van den
menschenhandel in het leven geroepen, niet alleen niet gesloten, maar
zelfs nieuwe wegen voor den wettigen handel geopend. Verfstoffen en
oliehoudende zaden zijn in zoo kwistigen overvloed in Afrika verspreid,
dat zij voor den koophandel eene bijna onuitputtelijke mijn openen. In
Senegambië begon men de arachide (een peulvrucht) met goed gevolg aan
te kweeken, en men bevond dat de grond en het klimaat er zeer geschikt
voor waren. De oliepalm of guineesche olijfboom (Elaïs Guineënsis)
vormt dichte onafzienbare wouden, die zich van Sierra-Leona tot aan
Angola uitstrekken.
Een nieuw tijdperk licht aan voor Afrika; werden er vroeger
eskaders uitgerust ter bescherming van weerlooze bevolkingen tegen
de gruwelijke misbruiken van menschenroof en slavenhandel: thans
worden de afrikaansche kusten alleen door koopvaarders bezocht, die
de schatten van den rijken bodem komen halen en ze inruilen voor de
voortbrengselen der moderne nijverheid.