“Nu zult gij mij zeker wel willen zeggen, mijnheer, wie gij zijt, en

hoe het u ter oore is gekomen, dat men voor hedennacht een aanslag op

mijn villa heeft beraamd, terwijl men tevens mijn fabriek wil trachten

te vernielen?”

“Het eerste gedeelte van uw vraag zal ik u aanstonds beantwoorden—wat

het tweede gedeelte aangaat, daarop kan het antwoord heel eenvoudig

luiden: Het toeval stelde ons in kennis van één en ander! Zie hier wat

ik vond aan boord van een motorboot, die toebehoort aan één der lieden

van de bende, welke het op uw eigendommen voorzien heeft. Het is een

stukje van een brief, en oorspronkelijk was het in raadselschrift

gesteld, dat één mijner vrienden niet zonder groote moeite en veel

geduld heeft weten op te lossen.”

En met deze woorden stak Raffles den fabriekseigenaar het stukje papier

toe, waarop de gevonden woorden stonden, en de aanvulling daarvan,

zooals Raffles zich die had gedacht.

Dane verbleekte en balde de vuisten onder het lezen van deze

veelzeggende woorden, en wendde zich toen naar Raffles met de vraag:

“Zoudt gij mij willen zeggen, mijnheer, waarom gij niet aanstonds met

een groote politiemacht zijt gekomen?”

Om de dunne lippen van Raffles speelde een eigenaardige glimlach, toen

hij antwoordde:

“Dat liet ik na om verschillende, volkomen afdoende redenen, mijnheer

Dane! Als ik ze u mededeel, zult gij ze volkomen billijken! Ten eerste

zou, wanneer ik aldus gehandeld had, weliswaar uw eigendom gespaard

zijn gebleven—maar van de bandieten hadden wij er geen in handen

gekregen—en ik ben er juist zeer bijzonder op gesteld, dat zoo mogelijk

geen hunner mij ontsnapt!”

“Zijt gij zelf van de politie, mijnheer?”

“Dat niet bepaald, mijnheer Dane! Kom laat ik u niet langer in

onzekerheid laten. Ik achtervolg de bandieten niet omdat ik tot de

politie behoor, maar om dat ik hun persoonlijke vijand ben! Ik zou hen

zelfs waarschijnlijk rustig hun gang hebben laten gaan in uw villa, als

zij slechts andere middelen hadden aangewend—en niet zulke half

verdierlijkte schurken waren! Gij kijkt mij verwonderd en een weinig

verschrikt aan! Gij begrijpt mijn woorden niet? Gij zult ze beter

begrijpen als ik u zeg, dat ik John Raffles ben!”

Dane had een onwillekeurige beweging gemaakt, en was half van zijn

stoel opgestaan, terwijl hij Raffles met een ongeloovigen blik

aanstaarde.

En toen drong het eensklaps tot hem door, dat die man de waarheid moest

spreken—als hij niet tot de politie behoorde, en toch de vijand was der

bandieten, dan kon hij niemand anders zijn dan de geheimzinnige Groote

Onbekende, van wien de Amerikaansche bladen gedurende eenige weken

herhaaldelijk gewaagden in verband met zijn strijd tegen de misdadigers

der wereldstad.

Geruimen tijd bleef het volkomen stil in het groote vertrek, en toen

zeide Dane op zachten toon, terwijl hij tegelijkertijd zijn revolver in

zijn zak liet glijden:

“Nu wordt het duidelijker, waarom gij dien agent hebt neergeslagen,

toen hij u uitnoodigde hem naar het bureau van politie te vergezellen!

En wilt gij mij nu zeggen, wat u wel bewogen kan hebben, mij te

waarschuwen?”

“Maar dat zeide ik u immers reeds!” hernam Raffles een weinig

ongeduldig. “Men noemt mij de Gentleman-Inbreker, mijnheer Dane! Wilt

gij mij toestaan den nadruk te leggen op het eerste gedeelte van dat

woord? Ik maak er geen geheim van, dat ik zeer rijke lieden,

woekeraars, zwendelaars, hardvochtige geldschieters, adellijke

leegloopers, voor vele honderdduizenden heb bestolen, jaren achtereen,

en dat zonder er ooit veel berouw over te gevoelen! En toch geloof ik

steeds Gentleman te zijn gebleven. Denkt gij dan dat ik het kalmpjes

had kunnen aanzien, hoe men zou trachten brand te stichten in uw

fabriek, en uw villa te plunderen, op een even lompe als geweldige

manier? Dergelijke excessen daar houd ik niet van—als men steelt, dan

doe men het met gratie! Het is mij overigens bekend, dat dit gespuis

niet voor een moord terugdeinst—en ik wist, dat gij pas gehuwd waart!

Gij vindt het nu wat vreemd, mij hier tegen over u te zien zitten, en

mij dit alles te hooren mededeelen! Toch kunt gij op dit oogenblik

volkomen gerust zijn, als ik inderdaad lust had gehad, de binnenzijde

van uw brandkast te onderzoeken, dan had ik daar reeds ruimschoots

gelegenheid voor gehad, ondanks de gevaarlijke schietwapens van uw

brave bedienden! De aanspraak is een weinig lang uitgevallen, mijnheer

Dane—maar zij was noodig om u de beweegreden van mijn optreden uiteen

te zetten!”

“Ik kan niet anders doen, mijnheer Raffles, dan u dank te zeggen voor

uw openhartigheid!” zeide Dane, die zich langzamerhand hersteld had, en

zijn bezoeker met de grootste aandacht aankeek—zulk een man zou hij

waarschijnlijk niet spoedig opnieuw ontmoeten.

“Onder de gegeven omstandigheden, mijnheer Dane, vond ik het het

verstandigst, u mijn waren naam te noemen!” hernam Raffles bedaard. “En

laat ons nu ter zake komen, als ik u verzoeken mag, want er moet

gehandeld worden! Gij neemt toch mijn hulp aan, naar ik hoop, ondanks

mijn.... ongunstige antecedenten?”

“Ik aanvaard ze—en van ganscher harte!” antwoordde Dane kortaf. “Ik wil

mij geen oordeel over uw levenswandel aanmatigen—gij zult dat zelf

hebben uit te maken met uw geweten! Ik zie thans in u slechts de man,

die hier is gekomen om mijn fabriek voor een groot onheil te

behoeden—en met de rest heb ik niets te doen.”

“Dat is tenminste duidelijke taal, mijnheer Dane! En zeg mij nu eens,

of gij kunt vermoeden, waar men de helsche machine in de stookruimte

verborgen kan hebben.”

De jonge fabrikant dacht even na, en antwoordde toen:

“Er wordt tot half vijf in de fabriek gewerkt, maar de machinist blijft

altijd een half uur langer met zijn stoker, ten einde de kolen uit te

halen, en het vuurrooster schoon te maken. Mijn bedrijf is niet

continu, en de stoomketels behoeven dus niet des nachts op spanning te

worden gehouden. Maar zoodra zij weg zijn is de fabriek geheel

verlaten!”

“Maar er zal toch wel een waker zijn?”

“Dat spreekt vanzelf, en die man doet geregeld de ronde, maar hij kan

niet overal tegelijk zijn, en een paar mannen, die goed op de hoogte

zijn van de gewoonten in de fabriek, kunnen het al heel gemakkelijk zoo

aanleggen, dat zij iets in de stookruimte verbergen, zonder dat de

bewaker het merkt! Dit lokaal heeft vrij wat ramen, waarvan de kozijnen

zich op nauwelijks een meter boven den grond bevinden!”

“Dan hebben wij zeer waarschijnlijk te doen met een uurwerkbom,

mijnheer Dane, en natuurlijk moet in de eerste plaats dat ding

verwijderd worden, en onschadelijk gemaakt! Natuurlijk zullen dan de

bandieten vruchteloos wachten op de ontploffing—maar ik hoop hen dat

wachten aanzienlijk te bekorten!”

“Gij hebt gelijk, mijnheer!” riep Dane uit, na een blik op zijn horloge

te hebben geworpen. “Laten wij ons in Godsnaam haasten! Mijn arme

fabriek, die hier nog niet lang staat, en waaraan ik reeds met alle

vezelen van mijn hart gehecht ben!”

Raffles was opgesprongen en riep uit:

“Laten we dan aanstonds gaan! De fabriek ligt hier immers dichtbij?”

“Op geen tachtig passen van het huis!”

“Vooruit dan! Trek een jas aan, waarvan gij den kraag opzet, en haal uw

hoed zoo dicht mogelijk over de oogen, zoodat men u niet herkent. Het

is mogelijk, dat de bandieten reeds nu op de loer liggen!”

Dane snelde naar een aangrenzend vertrek, keerde met hoed en jas terug,

en onder het loopen deed hij de kleedingstukken aan.

De twee mannen bereikten de fabriek, zonder te zijn gezien, traden er

binnen, en bij het licht van een kleine kaarslantaarn begaven zij zich

naar de stookruimte.

Dane was bleek geworden, maar Raffles ging stoutmoedig voorwaarts, en

begon snel het geheele vertrek te onderzoeken.

Hij opende alle kasten, doorzocht ze zorgvuldig, keek onder de zware

tafel, waarop eenige reservedeelen lagen, en schoffelde toen

voorzichtig den hoop steenkolen uiteen, die niet ver van een der groote

ketels was opgestapeld.

Hij vond echter niets.

Ten slotte opende hij de deur van één der vuurhaarden—en aanstonds viel

zijn oog op een voorwerp, dat er ongeveer uitzag als een gewone

beschuittrommel.

Zonder te aarzelen nam hij het voorzichtig uit den stookhaard, terwijl

Dane ontzet op veiligen afstand bleef staan en toekeek.

Raffles deed de deksel van den blikken doos, en zette onmiddellijk het

uurwerk stil, dat bovenin lag—een gewone wekkerklok.

Daarop zeide hij kalm:

“Wij hebben nog anderhalf uur den tijd naar het schijnt. De kleine

contactnok, die uit de wijzerplaat opsteekt, staat op half twee,—en het

is nu juist middernacht geslagen!”

“Maar waar zullen wij dit vreeselijke ding laten?”

“Wij zullen het aan een eind touw in den kleinen vijver laten zakken,

dien ik zooeven heb meenen te zien—het is nu volkomen gevaarloos, en

gij kunt het later als stuk van overtuiging door de politie weder laten

opvisschen. En laat ons nu weder naar de villa gaan—wij moeten nu de

bandieten een hartige ontvangst bereiden!”

De twee mannen aanvaardden den terugweg, terwijl Raffles den

gevaarlijken trommel droeg, waaraan hij een stuk touw had bevestigd, in

de stookruimte gevonden.

Toen zij voorbij den vijver liepen, liet Raffles daarin voorzichtig de

bus zakken, en bond het touw aan een kleinen dennenstam vast.

Hij richtte zich weder op, en stond even in gedachten verzonken.

Toen zeide hij:

“Heb ik goed gezien, mijnheer Dane—wordt de tuin door een hek omgeven?”

“Ja, door een ijzeren hek!”

“Is het nergens onderbroken?”

“Nergens!”

“Staat de hekdeur des nachts open?”

“Neen, die is gesloten, maar de bandieten zullen haar waarschijnlijk

heel gemakkelijk kunnen openen. Waarom vraagt gij mij dat?”

“Om dat ik hierin een aardig middeltje meen te hebben gevonden, onze

bandieten als goudsnippen met het grootste gemak te vangen. Maar

daarvoor heb ik de hulp noodig van één mijner vrienden, die een

uitmuntend electricien is!”

De beide heeren begaven zich snel weder naar de villa, en aanstonds nam

Raffles Henderson terzijde, praatte even met hem, en de beide mannen

verwijderden zich, gingen naar de fabriek, wederom vergezeld door Dane,

en begaven zich naar de zaal, waar zich de groote electrische machine

bevond, welke de geheele fabriek en de villa zelfstandig van licht kon

voorzien.

Door eenige transformatoren in te schakelen wist Henderson binnen

enkele minuten een zeer krachtigen stroom op te wekken, ongeveer drie

maal zoo sterk als die op het electrische verlichtingsnet stond, dat

wil zeggen 600 volt.

Toen dit gedaan was, werden de beide gedeelten van het hek, ter plaatse

waar zich de ingang bevond, met dik koperdraad bevestigd, dat in den

grond werd verborgen—en Henderson ging zijn post innemen bij het

schakelbord, om op het eerste sein het geheele ijzeren hek trek

electrisch te kunnen laden—sterk genoeg om iedereen, die het slechts

even aanraakte met een hevigen schok verdoofd teraarde te werpen.

En toen dit alles geregeld was, kon men niets anders doen, dan rustig

afwachten.

Dane had zijn jonge vrouw met enkele woorden op de hoogte gebracht en

gerustgesteld, en nu hadden zij, Raffles, Charly Brand, en de beide

bedienden post gevat achter de gesloten gordijnen, en tuurden door de

kieren in den tuin, terwijl alles in huis volkomen duister was, want

het moest den indruk wekken, alsof men zich daarbinnen van niets bewust

was.

Traag kropen de minuten voorbij.

Het was juist kwart over éénen, toen Charly een beweging maakte, en tot

Raffles, met wien hij de wacht hield bij één der ramen, fluisterend

zeide:

“Ik geloof daar een schaduw te zien—daar bij dien dikken eik!”

“Je hebt gelijk—en daar zie ik nog een gedaante, bij dat boschje—en

daar nog een, en nog een!”

“Het lijkt waarachtig wel een heele legermacht!” hernam Charly. “Daar

zie ik er drie of vier bijeen! En aan den achterkant van het huis zijn

er zeker ook. Ik zal eens gaan zien hoe het bij Dane staat!”

Raffles verliet de rookkamer, waar de beide mannen zich verdekt hadden

opgesteld, liep de gang door, en bereikte een ander vertrek, een fraai

ingericht boudoir, waar Dane zich met één der bedienden bevond.

“De bandieten zijn in aantocht, mijnheer Dane!” zeide Raffles zachtjes

fluisterend. “Hebt gij daarginds ze ook al gezien?”

“Geen minuut geleden!”

“Hoeveel?”

“Op zijn minst vier of vijf!”

“In den voortuin hebben wij er acht geteld! Wij kunnen er dus wel op

rekenen, mijnheer Dane, dat er minstens twintig bandieten in aantocht

zijn! En die verraderlijke kleine boschkat is er ook bij—Canny Macleod!

Nog vijf minuten—dan zullen wij handelen!”

Raffles begaf zich weder naar de voorkamer en vijf minuten gingen in

spanning voorbij—de bandieten wachtten blijkbaar slechts op het

tijdstip der ontploffing, om dan van alle zijden de villa binnen te

dringen.

Plotseling rukte Raffles het raam open, en door de stilte van den nacht

klonken twee schoten!

Dat was het sein voor Henderson, om den stroom te sluiten!

In den tuin werd een schreeuw van woede vernomen—en Charly schoot zijn

revolver af zoo snel hij kon, zoodat het wel den indruk moest wekken,

alsof er in het huis een geheele politiemacht gelegerd was.

De bandieten sloegen op de vlucht, aangegrepen door een wilde paniek,

en inziende, dat de zaak verloren was.

Zij snelden van alle kanten op het hek toe, en wilden er over heen

klauteren—maar zij vielen met een doffen kreet, als door een zwaren

moker midden op het hoofd getroffen, weder terug!

Op dit oogenblik deden de villabewoners een uitval, met hun revolvers

gewapend, en de bandieten, die begrepen hadden, wat er aan de hand was,

en tegenstand poogden te bieden, werden snel neergelegd.

Maar Canny, die niet zoo hard had kunnen loopen als de anderen, en den

toeleg doorzien had, kwam met een krijschenden gil van achter het

boschje te voorschijn, en wierp zich met op geheven dolkmes als een

tijgerin op Raffles, dien zij aanstonds moest hebben herkend, ondanks

zijn vermomming.

Maar vóór zij kon toestooten, trad er een reusachtige gedaante tusschen

beiden, die haar pols greep, en haar het wapen spelenderwijs

ontwrong—het was James Henderson, die ter hulp was komen opdagen.

In een oogwenk waren de polsen van Canny met haar eigen halsdoek op

haar rug vastgebonden, en daarop wierp de reus haar als een pak vuil

waschgoed op zijn schouders, en droeg het listige schepsel, dat vloekte

als een kaaiwerker, binnenshuis.

Een half uur later kwam de politie opdagen, en nam de bandieten, die

allen zwaar gekwetst waren—het waren er twee en twintig

geweest—benevens Canny in verzekerde bewaring.

Maar toen was er van Raffles en zijn beide metgezellen geen spoor meer

te ontdekken—zij hadden zich vol bescheidenheid aan alle loftuitingen

willen onttrekken.

Lord Lister No. 0399: Een gevaarlijk Avontuur · 第 4 / 4 段