“Heel eenvoudig, op betaaldagen hebben de patroons natuurlijk het

meeste contante geld in huis, of op de fabriek.”

Charly keek Raffles met groote oogen aan, maar hij zeide niets. Wel

begreep hij wat er op dit oogenblik in het hoofd van zijn vriend om

ging.

Dat was zeker, Raffles scheen iets te vreezen voor Dane, den eigenaar

van de groote fabriek van machineonderdeelen, die bijna duizend

arbeiders aan het werk hield.

Intusschen had men de achtervolging weder voortgezet, maar Raffles zag

maar al te spoedig in, dat een gehuurde motorboot, al was zij dan ook

snel in den aanvang, het op den duur niet kon opnemen tegen een zoo

voortreffelijk vaartuig als dat van den rosharige.

De afstand werd hoe langer hoe grooter, het noodlot wilde, dat er een

paar groote sleepen in den weg kwamen en nog voor men de groote

wolkenkrabbers weder voorbij voer, moest Raffles zich wel gewonnen

geven. De bruine motorboot was uit het gezicht verdwenen en

waarschijnlijk hadden de bandieten zich reeds aan wal begeven.

Die opvatten bleek de juiste te zijn, want toen de gehuurde motorboot

langs den kleinen steiger voer, lag daar reeds weder rustig de

mahoniehouten boot en nergens was iets van de bandieten te bespeuren.

Zij hadden zich weder in de menigte opgelost.

De duisternis begon reeds weder te vallen, want het grootste gedeelte

van den middag was met de achtervolging verstreken en het zou moeilijk

zijn, thans het spoor van Canny en haar medeplichtigen te hervinden.

Toch besloot Raffles, zich de diensten van King opnieuw te verzekeren.

Men kon nooit weten, hoe zij den hond weder konden gebruiken.

Henderson belastte zich hiermede en zou het dier onder zijn berusting

houden en Raffles en Charly, na de boot weder te hebben afgeleverd,

begaven zich aan land, en bereikten in een tamelijk mistroostige

stemming hun hotel.

Het kon niet anders gezegd worden—zooals de zaken nu stonden, was de

laatste trek aan hun tegenstanders geweest.

Alles wat zij wisten was, dat zij zich ophielden in een verlaten loods,

en dat was niet veel.

Want niemand kon zeggen, of zij daar iederen nacht zouden doorbrengen

en zelfs kon men dit onwaarschijnlijk achten, want bandieten, als Black

Pete en zijn minnares moesten vreezen dat de politie ieder oogenblik

hun schuilplaats kon ontdekken.

Toch gaf Charly, zoodra de beide mannen de kamers betreden hadden, waar

zij zouden dineeren, Raffles in overweging onmiddellijk de politie te

waarschuwen opdat deze voor alle zekerheid de loods in het oog zou

kunnen houden.

Maar Raffles schudde het hoofd en zeide:

“Volgens jouw beschrijving van het terrein gaat het al heel moeilijk,

zelfs des avonds, want je deelde mij mede dat de loods geheel vrij

staat, en dat wij minstens eenige honderden meters moeten afleggen over

een geheel open terrein.”

“Dat is zoo. Met alleen de stukken pijp van de waterleiding als

tusschendekking,” moest Charly toegeven.

“Dat is onvoldoende. Wij hebben met sluwe boeven te doen. Zij zullen

wel hun wachtposten hebben, in de gedaante van een zoogenaamd

argeloozen arbeider, een vroegrijpen straatjongen, die het nooit

bijzonder op de politie begrepen heeft, of iets dergelijks.”

“Maar wij zelf dan, Raffles? Kunnen wij dan niet de taak van de politie

overnemen, wij die veel minder in het oog vallen?”

“Daar denk ik ook over, mijn waarde, maar eerst moet ik je oordeel eens

vernemen, inzake een aardig stukje papier. Hier is het.”

En met deze woorden duwde Raffles Charly onverhoeds een stukje papier

in de handen.

Charly keek verbluft naar de onbegrijpelijke aaneenrijging van letters

en riep toen uit:

“Wat geef je me daar nu? Wat moet dat voorstellen? Waar heb je dat

gevonden?”

“Ik vond het aan boord van de bruine motorboot, Charly, en het is

zonder eenigen twijfel een boodschap van den chef van de bende aan zijn

ondergeschikten.”

“Maar het is geheimschrift,” riep Charly uit.

“Dat meende ik ook te hebben opgemerkt,” hernam Raffles droogjes, “en

omdat we aan raadselschrift niets hebben, noodig ik je hierbij

vriendelijk uit, deze rebus voor mij op te lossen. Ik meen, dat je daar

zeer sterk in bent.”

“Maar dat is een zaak, Raffles, die mij dagenlang kan bezig houden,”

hernam Charly op wanhopigen toon.

“Ik hoop, dat je er wat korter over zult doen, mijn jongen. Ik ben er

ten zeerste op gesteld, zoo spoedig mogelijk te weten, wat dit

eigenaardige samenvoegsel van letters te beteekenen heeft.”

HOOFDSTUK VI.

DE OPLOSSING.

Charly had zich in een stoel laten vallen en staarde naar het

snippertje papier, dat hij in de hand hield.

En het duurde niet lang, of zijn eerzucht werd geprikkeld—hij had

steeds bekend gestaan als een schrander oplosser van allerlei rebussen

en charades, rekenopgaven en andere vraagstukken—en hij zou alle

mogelijke moeite doen, om ook deze geheimzinnige letters te

ontraadselen.

Hij ontveinsde zich echter niet, dat zijn taak zeer bemoeilijkt werd,

omdat hij niet den geheelen brief, maar slechts een klein gedeelte

ervan in handen had.

Toen begon hij langzaam, den blik strak op het stukje papier gericht:

“Wat het eerst trekt in deze verzameling van letters, die volkomen

onbegrijpelijk zijn, dat is de opeenvolging van tien, ja soms twaalf

medeklinkers, een opeenvolging, die in geen enkele taal der wereld

voorkomt. In het Poolsch vindt men wel eens woorden, waarin zeven

medeklinkers achter elkaar voorkomen, maar zij zijn zeldzaam, en er is

volstrekt geen reden om aan te nemen, dat de lieden, die dit

geheimschrift opstelden, zich van een andere dan de Engelsche taal

bediend hebben. Overigens is de verhouding van de klinkers tot de

medeklinkers volkomen normaal en wijkt zij niet af van die der meeste

westersche talen. Het is een verhouding van twintig procent, dat wil

zeggen, dat op iedere vijf medeklinkers een klinker voorkomt. Wij

behoeven er niet aan te twijfelen, of ieder van deze letters heeft een

afzonderlijke beteekenis.”

“Dat heb ik ook aanstonds gedacht,” riep Raffles uit.

“En dat maakt mijn taak er zeker niet gemakkelijker op, want het is

bijna zeker, dat twee k’s achter elkaar geplaatst aan het begin van den

derden regel, ieder een andere beteekenis hebben.”

“De zaak is nu, Charly, die beteekenis uit te vinden.”

“Juist, maar hoe? Er is een getal, Edward, dat deze letterreeks

beheerscht, en het is slechts de vraag, wat dat getal is. Natuurlijk

valt er niet aan te denken het toeval te baat te nemen.”

“Ik heb al ongeveer vier getallen geprobeerd, Charly,” hernam Raffles

glimlachend, “maar ik had mij die moeite gerust kunnen sparen.”

“Geen wonder. Het zou al zeer vreemd geweest zijn, wanneer je toevallig

juist het goede getal getrokken had. Daarbij komt natuurlijk nog iets.

Het is namelijk volstrekt niet zeker, dat het laatste cijfer van het

gekozen getal juist overeenstemt met de laatste letter van dit

raadselschrift. Integendeel zou ik bijna gezegd hebben.”

Charly had den stoel dicht bij de tafel getrokken en had de letters van

het zonderlinge raadselschrift, juist zooals zij op het afgescheurde

stukje papier stonden, op het groote vel papier opgeschreven en daarbij

ruimte gelaten om onder iedere letter een cijfer te kunnen schrijven.

Toen leunde hij opnieuw achterover en hernam peinzend:

“Als die schurken althans maar een afscheiding tusschen de woorden

hadden gemaakt, dat zou mijn taak verlicht hebben. Maar zoo is het

bijna onmogelijk. Toch wil ik het probeeren. Laat ons om te beginnen

het jaartal eens nemen....”

Hij wilde zich reeds tot schrijven zetten, maar Raffles hield hem met

een gebaar tegen en zeide:

“Houd maar op, Charly, ik heb het jaartal al geprobeerd. Het geeft

niets.”

“Maar je hebt misschien de vier cijfers onder de vier laatste letters

gezet, Edward,” riep Charly uit, “en daareven zeide ik reeds....”

“Neen, Charly, ook die illusie moet ik je ontnemen. Ik heb het getal

1921 zoodanig geplaatst, dat de laatste “1” achtereenvolgens onder de

laatste, op een na de laatste, op twee en op drie na de laatste letter

kwam. En telkens met negatief resultaat.”

“Dan is er wat anders,” zeide Charly teleurgesteld. “Dan zouden wij wel

eens het jaartal kunnen nemen van Harding’s geboorte.”

“Je kunt het probeeren, maar ik betwijfel of lieden als Black Pete en

zijn kornuiten dat getal wel zouden hebben gekozen.”

Maar Charly had het getal reeds opgeschreven en telde nu zooveel bij

ieder van de laatste vier letters als het daaronder geschreven cijfer

aangaf, opgaande in de rangorde van het alphabet.

Toen dit een volkomen onbegrijpelijk woord opleverde, telde hij er de

letters niet bij, maar trok ze af en ging dus het alphabet terug.

Het resultaat was al even onbegrijpelijk.

Hij verschoof het jaartal een paar malen, maar het hielp hem niets en

met de hand aan het voorhoofd liet Charly zich achterover vallen.

Toen keek hij Raffles strak aan en vroeg:

“Ben je er bepaald op gesteld om den inhoud van dit papier te leeren

kennen?”

“Ja, Charly. Ik ben er zeer op gesteld,” antwoordde Raffles.

“Dan zullen wij er ons op moeten voorbereiden, den geheelen avond en

waarschijnlijk een gedeelte van den nacht hier door te brengen, en aan

de oplossing van dit raadselschrift te besteden, want op een andere

manier dan door telkens te probeeren behoeven wij er niet op te

rekenen, dat wij zullen slagen.”

“Ik heb er den avond en den geheelen nacht voor over, Charly,” zeide

Raffles eenvoudig. “Geef mij het stukje papier eens. Ik zal de letters

ook voor mijzelf opschrijven en ik zal alle getallen probeeren die mij

te binnen vallen.”

Charly keek zwijgend toe, hoe Raffles de letters overschreef en juist

toen dit gebeurd was, werd er op de deur geklopt.

Raffles schoof de papieren snel in zijn zak en een oogenblik later trad

de kellner binnen, vergezeld van een piccolo, die de tafel begon te

dekken.

Het diner verliep tamelijk stilzwijgend, want de beide vrienden

probeerden uit hun hoofd alle getallen, die hen wilden invallen.

Maar toen zij na het dessert het eerste kopje dronken van den

geweldigen pot koffie, welke Raffles uit voorzorg besteld had, waren

zij nog geen stap verder.

Twee uren lang werkten zij zoo, en reeds hadden zij van alles

geprobeerd.

Het geboortejaar van president Lincoln, zijn sterfjaar, het

geboortejaar van den tooneelspeler die den ongelukkigen president in

zijn loge vermoordde, ook diens sterfjaar, het jaar der terechtstelling

van eenige bekende Amerikaansche moordenaars, het jaar waarin de

slavernij werd afgeschaft, en dat waarop de noordelijken en zuidelijken

den vrede teekenden. Niets hielp. Zij verkregen slechts een

samenvoegsel van volkomen onbegrijpelijke letterteekens.

Hun slapen, hun hoofden dreigden te barsten. Zij vorderden niets.

Toen liet Charly zich achterover vallen, wierp zijn potlood op tafel en

zeide:

“Zoo komen wij er in geen week, Raffles. Zullen wij nu niet liever eens

trachten door redeneeren ons doel te bereiken?”

“Ga je gang, Charly, hoewel ik niet kan begrijpen, welke redeneering de

opsteller van het briefje zelf wel zal hebben toegepast.”

“Laat ik het toch maar eens probeeren,” hernam Charly vastberaden. “Je

bent toch zeker met mij eens, dat het briefje van groot belang is voor

dengene, die het ontving?”

“Ongetwijfeld. Van niet minder groot belang dan voor dengene die het

verzond, anders ware het natuurlijk overbodig geweest het in

cijferschrift op te stellen en zou de ontvanger ook niet de moeite

hebben gedaan, het te vernietigen, zoodra zich daartoe de gelegenheid

aanbood—op het water namelijk.”

“Acht jij het ondenkbaar dat Black Pete zelf het briefje heeft

verzonden en heeft laten overhandigen?”

“Integendeel,—ik acht het zeer wel mogelijk.”

“Wij hebben hier zeker het einde van den brief, nietwaar?”

“Dat staat voor mij vast.”

“Welnu, dan is het toch logisch aan te nemen, dat het een

onderteekening van den afzender bevat? Is dat niet zoo?”

“Tegen die opvatting valt niets te zeggen, tenzij de man die het

briefje ontving zeer nauwkeurig wist, wie de afzender was!”

“Laat ik voorloopig bij mijn meening blijven, Raffles!” hernam Charly,

die opnieuw door een koortsachtige werkwoede was aangegrepen. “Ik neem

dus aan, dat het briefje inderdaad door Black Pete verzonden en ook

onderteekend is. Zijn naam zou dan aan het slot moeten staan—en door

dien naam onder de laatste negen letters te plaatsen, en daarbij

zooveel op te tellen als zij onderling in rangorde van het alphabet

verschillen, zouden wij misschien het sleutelgetal krijgen!”

“Je kunt het mijnentwege probeeren, Charly!” gaf Raffles te kennen, die

zelf niet al te veel vertrouwen in deze redeneering had.

Charly trok het blad papier weder naar zich toe, en plaatste den naam

Black Pete onder de laatste negen letters, aldus: black pete.

Bijna had hij een schreeuw gegeven, want met den eersten blik had hij

gezien, dat de letters van het raadselschrift in rangorde allen boven

die van den naam van Black Pete stonden!

Dat was in ieder geval een goed voorteeken, want in het

tegenovergestelde geval had hij zijn pogingen gerust aanstonds kunnen

opgeven.

Met koortsachtige haast begon hij het aldus gevonden getal steeds

verder teruggaande, en het telkens opnieuw herhalend onder de letters

te plaatsen, en toen dit gedaan was, begon de optelling volgens de

rangorde van het alphabet.

Bijna had Charly een juichkreet geslaakt, want toen hij bij den

laatsten regel begon, las hij zonder haperen het volgende:

“.... de bekende plek te zijn, Black Pete.”

Hij boog zich aanstonds over het papier heen, en ging verder, met

schitterende oogen en een verhoogde gelaatskleur.

Maar bijna dadelijk hield hij weder op, en riep teleurgesteld uit:

“Ik ben een ezel! Ik vergeet geheel en al dat dit een afgescheurd

stukje papier is, en ga rustig voort met het herhalen van het gevonden

sleutelgetal!”

“Wat is dat, Charly? Heb je het inderdaad gevonden?” riep Raffles

opgewonden uit.

“Zonder eenigen twijfel! De laatste zin loopt voortreffelijk!”

“Dan is er niets verloren! Geef mij het getal op, dan zullen wij het

net zoolang op de overgebleven letters van den brief toepassen, iedere

regel afzonderlijk, totdat er een verstaanbaar zinsgedeelte is

ontstaan!”

Met nieuwen moed wierpen de beide mannen zich opnieuw op den arbeid, en

na nog een uur lang te hebben gewerkt, hadden zij ten slotte een stukje

papier voor zich, waarop de volgende acht regels te lezen waren:

e l s c h e

o o k r u i m t e

o n t p l o f f i n g w o r d t

e r e e n v e r w a r r i n g i n d e v i l l a

a r v a n w i j g e b r u i k z u l l e n m a k e n

s n e l o n z e n s l a g t e s l a a n. Z o r g t

d e b e k e n d e p l e k t e z i j n.

B l a c k P e t e.

Een oogenblik bleven de beide mannen elkander zwijgend aanzien, en toen

zeide Raffles:

“Ik maak je mijn compliment, Charly—dat heb je kranig opgeknapt.”

“Dat mag zoo zijn Raffles, en ik dank je voor je goede meening, maar ik

wil je wel bekennen, dat ik er nu niets meer van begrijp, als toen ik

dat briefje voor het eerst zag!”

“Dat verbaast mij wel een weinig, Charly, want voor mij is de

mededeeling thans vrij duidelijk leesbaar—en haar beteekenis in verband

gebracht met wat jij in je schuilplaats gehoord hebt, kan niet

twijfelachtig zijn!”

“Ik ben benieuwd naar je verklaring.”

“Ziehier! In den derden regel is, zooals je ziet, sprake van een

ontploffing, en ik bega dus volstrekt geen al te gewaagde

veronderstelling, als ik vermoed, dat van het allereerste woordje,

eenvoudig de “h” is weggevallen!”

“Ik weet het al—er is sprake van een helsche machine!” riep Charly uit.

“Dat is dunkt mij nog al duidelijk!”

“Maar het tweede woord dan? Wat heeft dat te beteekenen?”

“Maar mijn waarde Charly—heeft de oplossing van dit letterraadsel je nu

van al je denkkracht ontroofd? In het briefje wordt immers ook van een

villa gesproken, en je behoeft er niet aan te twijfelen, of die villa

is degene die zich naast de fabriek van Alfred Dane bevindt—over wien

de bandieten ook spraken, toen zij je voorbijgingen. Welnu—in iedere

fabriek vindt men een stookruimte nietwaar?”

“Idioot, die ik ben,” riep Charly uit, “en ik meende dat het woord bij

ongeluk aan elkaar was gevoegd, en had er twee van willen maken!”

“Nu, als wij dat eenmaal hebben uitgemaakt, Charly, dan is de rest

dunkt mij al zeer eenvoudig! Het is duidelijk dat de bandieten een

ontploffing willen teweeg brengen in de fabriek, en van de daaruit

ontstane verwarring willen zij gebruik maken, om in de villa hun slag

te slaan. Ik zou je dus willen voorstellen, het briefje in dezer voege

te lezen:

“Wanneer dan de h elsche

machine in de st ookruimte

van de fabriek tot ontploffing wordt

gebracht, zal er een verwarring in de villa

ontstaan, wa arvan wij gebruik zullen

maken om snel onzen slag te slaan. Zorgt

bijtijds op de bekende plek te zijn.”

Naarmate Raffles dit oplas, had Charly snel de woorden achter elkaar

geschreven en nu riep hij opgewonden uit:

“Het kan niet anders geweest zijn! Het komt nauwkeurig uit, en beslaat

juist de breedte van het papier!”

“Nu, Charly, dan mogen wij zeggen, dat wij een allerbelangrijkste

ontdekking hebben gedaan! Er wordt dus een aanslag beraamd op de villa

van Alfred Dane, en die aanslag zal waarschijnlijk heden nacht plaats

vinden, want dan weten zij zeker, dat er veel geld in huis is, want

morgen is de betaaldag. Wij zullen ons moeten haasten, mijn jongen, om

op tijd te zijn—en wij zullen maar vast beginnen, met mijnheer Dane

telefonisch te waarschuwen! Hij moet onmiddellijk, zonder dat het

opvalt, een onderzoek in de machinekamer en de stookruimte van de

fabriek laten instellen!”

“En wat doen wij?”

“Wat een vraag! Natuurlijk zullen wij van de partij zijn! Ik zou zelf

voor geen geld van de wereld de goede grap willen missen!”

“Dan zullen wij moeten voortmaken, Edward—het is reeds bij half elf!”

“Zou de fabriek niet met een auto te bereiken zijn?”

“Dat denk ik wel—als wij eerst de Brooklyn Brug oversteken! Ik geloof

echter, dat het veiliger zou zijn als wij den waterweg kiezen—wij weten

immers de plek te vinden, waar zich de fabriek en de villa bevinden!”

“Dan spoedig op weg! Maar eerst telefoneeren!”

En Raffles verliet het vertrek, begaf zich naar de telefooncel, en had

zich een oogenblik later in verbinding gesteld met Alfred Dane, en den

zeer verschrikten jongen fabrikant, die nog slechts weinige maanden

geleden gehuwd was, van het gevaar wat hem bedreigde, op de hoogte

gesteld.

Hij kondigde hem tevens zijn komst aan, zonder hem evenwel iets van

zijn identiteit te verraden, en daarop verliet hij in gezelschap van

Charly en Henderson, benevens van den braven King het hotel.

Een huurauto bracht hen in allerijl naar de kade, en daar huurde

Raffles opnieuw, en niet bepaald goedkoop, de motorboot, die hem reeds

zulke goede diensten had bewezen.

Het stelde Raffles eenigszins gerust, dat de bruine motorboot nog

altijd op haar plaats lag—als de bandieten hiermede naar de plek van de

misdaad wilden gaan, waren de drie mannen hen in ieder geval voor!

Raffles liet de boot loopen, zoo hard zij maar kon, en drie kwartier

later meerde hij haar op dezelfde plek van dien middag, terzijde van de

half over het water gebouwde directiekeet.

In allerijl begaven de drie mannen zich aan land en volgden, aangevoerd

door Charly, den pas aangelegden straatweg, die nog maar zeer schaars

verlicht was.

Het was zaak, groote voorzichtigheid in acht te nemen, want niemand kon

zeggen, of zich reeds eenige bandieten in hinderlaag hadden gelegd.

Als het ware op de knieën voortkruipend, bereikten zij de plek, waar

Charly dienzelfden dag dekking had gezocht achter de rij mooten van de

waterleidingpijp, zware betonnen bakken, die aan elkander geschoven

konden worden, en waarvan de meesten op hun kant waren neergezet.

Zij liepen er omzichtig om heen, zonder een woord te spreken, en

Henderson, die de langste was, wierp achtereenvolgens met de revolver

in de hand een blik over den rand van al deze fragmenten.

Het was immers mogelijk, dat eenige der bandieten hier een schuilplaats

hadden gezocht.

Zij bleken echter verlaten te zijn, en de drie mannen liepen verder,

zoo ver mogelijk verspreid, en bereikten ten slotte ongeveer

tegelijkertijd de villa, die door een groote tuin omgeven was, waarin

struikgewas en planten al welig opschoten.

HOOFDSTUK VII.

GEVAT.

Toen Raffles had aangebeld, werd de deur slechts op een kier geopend,

en het eerst wat Raffles te zien kreeg, was een zware koperen ketting,

en vlak daaronder de glinsterende loop van een revolver.

Blijkbaar was men daar binnen op zijn hoede.

“Gij kunt de deur gerust opendoen, vriend!” zeide Raffles op zachten

toon. “Ik ben de man, die Alfred Dane zooeven gewaarschuwd heeft!”

“Ik ben Dane zelf!” klonk het achter de deurspleet. “Als gij het zijt

die mij gewaarschuwd hebt, herhaal mij dan zoo letterlijk mogelijk, wat

gij hebt gezegd!”

“Met groot genoegen, mijnheer Dane!” antwoordde Raffles kalm, en hij

herhaalde zoo goed als woordelijk het gesprek, dat hij slechts kort

geleden met den jongen fabriekseigenaar gevoerd had.

Dane scheen tevreden te zijn door den uitslag van deze proef, maar toch

vroeg hij nog:

“Wie zijn de twee mannen die gij bij u hebt?”

“Vrienden, mijnheer Dane! Ik verzeker u, dat gij verstandig zult doen,

ons spoedig binnen te laten, want er zullen wel haastig maatregelen

genomen moeten worden! Een van deze heeren was er bij tegenwoordig,

toen ik u in het Central Park bewusteloos op den grond vond

uitgestrekt!”

“Gij zijt het dus geweest, die den agent van politie hebt neergeslagen,

toen hij naar uw identiteit vroeg?” riep Dane verwonderd uit.

“Ik had het genoegen en het voorrecht, mijnheer!” antwoordde Raffles

lakoniek.

“Maar waarom hebt gij het gedaan?”

“Omdat hij ons verzocht hem naar het politiebureau te volgen!”

“En waarom hebt gij geweigerd?”

“Dat zal ik u mededeelen, zoodra gij mij daartoe in de gelegenheid

stelt, door de deur voor ons te openen!” gaf Raffles ten antwoord.

Alfred Dane scheen nog een oogenblik te aarzelen, maar toen opende hij

de deur, Raffles en zijn twee metgezellen traden binnen, de deur werd

zachtjes weder gesloten, en de schakelaar van het electrische licht

tikte zachtjes, waarop de vestibule daghelder verlicht werd.

En nu zag Raffles twee bedienden in een hoek staan, nog al tamelijk

bleek, maar ieder voorzien van een revolver, waarmede zij nog genoeg

onheil zouden kunnen aanrichten.

Raffles zag het even glimlachend aan, en zeide toen hoofdschuddend:

“Als die brave lieden niet gewend zijn, dergelijke gebeurtenissen het

hoofd te bieden, mijnheer Dane, dan geloof ik, dat wij er verstandiger

aan doen, hen voorloopig die gevaarlijke voorwerpen af te nemen!

Vuurwapenen in de handen van ondeskundigen, die bovendien nog een

weinig zenuwachtig schijnen te zijn, richten meestal meer onheil aan,

dan dat zij de zaken tot een goed einde brengen.”

Opnieuw scheen Dane te weifelen, en alles wel beschouwd kon Raffles hem

zijn argwaan niet euvel duiden, want Dane kende hem in het geheel niet,

en al had hij het gesprek woordelijk kunnen herhalen—het was toch

denkbaar, dat dit gesprek was afgeluisterd door derden.

Hij redde dus den jongen fabrieksdirecteur uit de verlegenheid, door

schouderophalend op te merken:

“Gij kunt overigens doen, wat gij het beste acht, mijnheer Dane, als

gij er voor kunt instaan, dat uwe bedienden vooral niet overijld en op

eigen gezag handelen, want dan zouden zij de geheele zaak kunnen

bederven! Zou ik u een oogenblik onder vier oogen kunnen spreken? Het

is tijd dat wij een klein veldtochtplan opmaken!”

“Ik ben tot uw dienst, mijnheer!” antwoordde Dane.

“Ik dank u—mijn beide vrienden zullen hier wel op onze terugkomst

wachten, ik zal u niet lang ophouden!”

Zwijgend wees Dane op de trap, en Raffles volgde hem naar een zeer

fraai ingerichte werkkamer op de eerste verdieping, waarvan de drie

ramen uitzicht gaven op den tuin van het huis.

Raffles overtuigde zich, dat de gordijnen goed gesloten waren, vóór hij

toeliet, dat Dane het electrische licht opdraaide.

Toen sloot hij de deur zorgvuldig, en ging glimlachend op den stoel

zitten, die Dane, zijn revolver nog altijd in de hand houdend, hem had

toegeschoven.

De jonge fabrieksdirecteur, die zelf had plaats genomen, keek zijn

zonderlingen bezoeker een oogenblik nieuwsgierig aan, en begon toen:

Lord Lister No. 0399: Een gevaarlijk Avontuur · 第 3 / 4 段