XVII.

Zoo maakte hij ook eens, door tusschenkomst van Florimond en Sylvain,

wier relaties zich vrij breed vertakten, kennis met een personage en

een wereld waar hij vroeger wel eens van gehoord had, maar die steeds,

door de dorps-autoriteiten afgeschilderd werden als het snoodste en

slechtste dat er kon bestaan. Eens, op een kleine tentoonstelling,

waar hij weer iets ingezonden, en zeer gelukkig verkocht had, werd

hij voorgesteld aan Kappuijns, het alombekende, verafschuwde, of

verafgoodde, kopstuk der sociale volkspartij.

Fons herinnerde zich, dat meneer de pastoor meer dan eens, in

zijn sermoenen, tegen Kappuijns en zijn verderfelijken invloed had

gepredikt. Geen mensch, op 't dorp, zou het gewaagd hebben met zulk

een man ook maar even om te gaan en nu stond Fonske vóór hem, vóór

dat levend zinnebeeld van snoodheid en van zonde, alsof het niets was.

Hij beefde ervan en sloeg eerst, als duizelig, de oogen neer. Hij

kon den doorpriemenden blik van dien man niet verdragen. Dat was nu

ook een heerscher, maar van een gansch ander soort dan de heeren der

regeerende kasteelen. Als eenvoudig werkman was hij de kamp om het

bestaan begonnen, hij had geleden en gestreden, hij had zelfs maanden

doorgebracht in de gevangenis voor zijn te kras-geuite meeningen; en nu

stond hij daar, ongebroken en krachtiger dan ooit, man van het woord

en vooral man van de daad, sterk als een rots tegen de aanranding,

gevreesd en zelfs geëerd door velen, die destijds gepoogd hadden hem

dood te drukken. Hij was een groote macht geworden door zijn taaie

werkkracht en knappe volharding, hij had de menschen overwonnen en

naar zijn eigen, sterken wil gekneed en daarbij was hij zuiver en

eerlijk gebleven, verre verheven boven 't lage ideaal van geld en

weelde, dat voor zoovelen het hoogste, maar voor hem slechts een

ondergeschikt deel was van wat hij had willen en kunnen bereiken.

Hij sprak met Fonske over de beteekenis der kunst en onder 't spreken

had hij die knedende bewegingen der handen die hem eigen waren en

waarmede hij zijn argumenten om zoo te zeggen tot concreet-voelbare

bewijsstukken scheen te verwerken. Wat speet het hem, dat hij zelf

geen kunstenaar was! Wat was er nog veel, oneindig veel te scheppen

en hoe zou hij die wereld van gewaarwordingen en ervaringen, waar

hij vol van was, die bij hem overborrelde, met aangrijpende kracht

uitgebeeld hebben! Hij keek naar Fonske's schilderijen en vond er wel

veel goeds in, maar wat was er nog oneindig veel meer en grooters en

diepers te verwezenlijken! Het gansche lijden van het proletariaat

was nog in duizenden en duizenden schakeeringen te beelden, en 't

moest en 't zou geschieden door de krachtige jongens uit het volk,

die des volks ellende hadden meegeleefd en meegestreden. Waarom

een droomerig, arcadisch landschap uitgeschilderd, terwijl er in

dat landschap mannen zwoegden, dag aan dag, van den ochtend tot

den avond, hun gansche leven lang, in afbeulende verstomping,

voor een ellendig stuk brood! Wat was, van uit een menschlievend

en zelfs gewoon-menschelijk standpunt beschouwd, aangrijpender:

een lichtekooi of rijke dame met prachtsieraden in een luxe-koets,

of een arm fabrieksmeisje dat, in lompen neergehurkt, tegen den

barren muur dier fabriek, van afgematheid zit te hijgen! En waarom,

als schilders conterfeitsels van den oorlog wilden scheppen, waarom

moesten het telkens schitterende uniformen zijn, en steigerende

paarden, en wapperende vlaggen en trofeeën; en niet de gruwelijke,

anonieme, vuile en triestige doodsellende van één enkel, onschuldig,

afgemarteld wezen: het simpel soldaatje, één en miljoenenvoudig, de

Menschheid zelve, die voor de grillen of belangen van slechts enkele

machtigen vermoord wordt? Ja, de leelijkheid, de vuilheid, de gore,

vieze, triestige, stinkende vuilheid en niet het valsche klatergoud

van den oorlog, wie zou dát eindelijk eens schilderen?

Hij wond zich op, hij liet zich gaan, hij kneedde zijn woorden

als ballen, weldra, als hield hij een publieke voordracht, door

een schaar van gretige toehoorders omringd; en de twee estheten,

die het heelemaal niet met hem eens waren, en zelfs voor een man van

zijn groote beteekenis niet de minste deferentie toonden, schreeuwden

hem namen in 't gezicht: Millet! Géricault! Delacroix! terwijl Fonske

voor het geweld van 't twistgesprek achteruitdeinsde, als door schrik

bevangen. Maar nieuwe horizonnen gingen meteen voor hem open; wat

die man, wat die geweldige Kappuijns bereikt had, konden ook anderen

in een andere lijn bereiken: men moest vooral willen en durven,

hartstochtelijk, fanatiek, met nooit-vermoeide werkkracht, de oogen

steeds halsstarrig-strak gevestigd op zijn ideaal. Kappuijns' blakende

woorden waren als een stroom van ontembare energie over Fons heen

gevloeid; 't werd in hem als een plotselinge openbaring van nog nooit

vermoede, eigen kracht; die sterke man had, in enkele minuten tijds,

als 't ware een nieuwe wereld voor het nuchter buitenkind geopend.

Van hoog en laag Het eerste levensboek · 第 22 / 28 题