Zoo maakte hij ook eens, door tusschenkomst van Florimond en Sylvain,
wier relaties zich vrij breed vertakten, kennis met een personage en
een wereld waar hij vroeger wel eens van gehoord had, maar die steeds,
door de dorps-autoriteiten afgeschilderd werden als het snoodste en
slechtste dat er kon bestaan. Eens, op een kleine tentoonstelling,
waar hij weer iets ingezonden, en zeer gelukkig verkocht had, werd
hij voorgesteld aan Kappuijns, het alombekende, verafschuwde, of
verafgoodde, kopstuk der sociale volkspartij.
Fons herinnerde zich, dat meneer de pastoor meer dan eens, in
zijn sermoenen, tegen Kappuijns en zijn verderfelijken invloed had
gepredikt. Geen mensch, op 't dorp, zou het gewaagd hebben met zulk
een man ook maar even om te gaan en nu stond Fonske vóór hem, vóór
dat levend zinnebeeld van snoodheid en van zonde, alsof het niets was.
Hij beefde ervan en sloeg eerst, als duizelig, de oogen neer. Hij
kon den doorpriemenden blik van dien man niet verdragen. Dat was nu
ook een heerscher, maar van een gansch ander soort dan de heeren der
regeerende kasteelen. Als eenvoudig werkman was hij de kamp om het
bestaan begonnen, hij had geleden en gestreden, hij had zelfs maanden
doorgebracht in de gevangenis voor zijn te kras-geuite meeningen; en nu
stond hij daar, ongebroken en krachtiger dan ooit, man van het woord
en vooral man van de daad, sterk als een rots tegen de aanranding,
gevreesd en zelfs geëerd door velen, die destijds gepoogd hadden hem
dood te drukken. Hij was een groote macht geworden door zijn taaie
werkkracht en knappe volharding, hij had de menschen overwonnen en
naar zijn eigen, sterken wil gekneed en daarbij was hij zuiver en
eerlijk gebleven, verre verheven boven 't lage ideaal van geld en
weelde, dat voor zoovelen het hoogste, maar voor hem slechts een
ondergeschikt deel was van wat hij had willen en kunnen bereiken.
Hij sprak met Fonske over de beteekenis der kunst en onder 't spreken
had hij die knedende bewegingen der handen die hem eigen waren en
waarmede hij zijn argumenten om zoo te zeggen tot concreet-voelbare
bewijsstukken scheen te verwerken. Wat speet het hem, dat hij zelf
geen kunstenaar was! Wat was er nog veel, oneindig veel te scheppen
en hoe zou hij die wereld van gewaarwordingen en ervaringen, waar
hij vol van was, die bij hem overborrelde, met aangrijpende kracht
uitgebeeld hebben! Hij keek naar Fonske's schilderijen en vond er wel
veel goeds in, maar wat was er nog oneindig veel meer en grooters en
diepers te verwezenlijken! Het gansche lijden van het proletariaat
was nog in duizenden en duizenden schakeeringen te beelden, en 't
moest en 't zou geschieden door de krachtige jongens uit het volk,
die des volks ellende hadden meegeleefd en meegestreden. Waarom
een droomerig, arcadisch landschap uitgeschilderd, terwijl er in
dat landschap mannen zwoegden, dag aan dag, van den ochtend tot
den avond, hun gansche leven lang, in afbeulende verstomping,
voor een ellendig stuk brood! Wat was, van uit een menschlievend
en zelfs gewoon-menschelijk standpunt beschouwd, aangrijpender:
een lichtekooi of rijke dame met prachtsieraden in een luxe-koets,
of een arm fabrieksmeisje dat, in lompen neergehurkt, tegen den
barren muur dier fabriek, van afgematheid zit te hijgen! En waarom,
als schilders conterfeitsels van den oorlog wilden scheppen, waarom
moesten het telkens schitterende uniformen zijn, en steigerende
paarden, en wapperende vlaggen en trofeeën; en niet de gruwelijke,
anonieme, vuile en triestige doodsellende van één enkel, onschuldig,
afgemarteld wezen: het simpel soldaatje, één en miljoenenvoudig, de
Menschheid zelve, die voor de grillen of belangen van slechts enkele
machtigen vermoord wordt? Ja, de leelijkheid, de vuilheid, de gore,
vieze, triestige, stinkende vuilheid en niet het valsche klatergoud
van den oorlog, wie zou dát eindelijk eens schilderen?
Hij wond zich op, hij liet zich gaan, hij kneedde zijn woorden
als ballen, weldra, als hield hij een publieke voordracht, door
een schaar van gretige toehoorders omringd; en de twee estheten,
die het heelemaal niet met hem eens waren, en zelfs voor een man van
zijn groote beteekenis niet de minste deferentie toonden, schreeuwden
hem namen in 't gezicht: Millet! Géricault! Delacroix! terwijl Fonske
voor het geweld van 't twistgesprek achteruitdeinsde, als door schrik
bevangen. Maar nieuwe horizonnen gingen meteen voor hem open; wat
die man, wat die geweldige Kappuijns bereikt had, konden ook anderen
in een andere lijn bereiken: men moest vooral willen en durven,
hartstochtelijk, fanatiek, met nooit-vermoeide werkkracht, de oogen
steeds halsstarrig-strak gevestigd op zijn ideaal. Kappuijns' blakende
woorden waren als een stroom van ontembare energie over Fons heen
gevloeid; 't werd in hem als een plotselinge openbaring van nog nooit
vermoede, eigen kracht; die sterke man had, in enkele minuten tijds,
als 't ware een nieuwe wereld voor het nuchter buitenkind geopend.