Die dag van het bezoek zijner vrienden teekende een ommekeer
in Fonske's leven. Hij was niet langer 't schuwe mannetje, dat
vreesachtig-eerbiedig opzag tegen al wat boven hem stond; 't gelukte
hem althans iets van de overgeërfde slaafsche onderworpenheid van
zich af te schudden.
Hij voelde zich opeens rijker geworden; niet alleen door het verdiende
geld, maar rijker van gemoed. Hij kon meer, hij durfde meer, hij
mocht meer. Er kwam iets mannelijks in hem, hij hield het hoofd op,
zijn oogen keken recht en frank de menschen en de dingen aan, zijn
stap werd vlugger, veerkrachtiger. Er lag een helder doel voor hem
in het verschiet, waaraan veel ander heil verbonden was en waar hij
flink op afstuurde.
Hij wilde kunstenaar worden, hij wàs kunstenaar, hij zou er zijn
brood mee verdienen!
Het eerste wat hij deed was op beleefden, doch vasten toon
aan Van Belleghem te gaan zeggen, dat hij voortaan nog
wel binnenhuis-versiering en decoratie-geschilder, maar geen
kladpotters-facade-werk meer wenschte te verrichten. Zoo iets beviel
Van Belleghem maar half en even zette hij een norsch gezicht; maar
Fonske hield vol, vertelde van de vier verkochte schilderijen en Van
Belleghem lei zich uit nooddwang bij den toestand neer. Trouwens, 't
was of het zoo wezen moest: nog denzelfden dag ontving Van Belleghem
een aanvraag tot wandversiering van een nieuwe, bij het station
gebouwde herberg en Fonske werd de als van zelf aangewezen persoon
om het werk uit te voeren. De condities waren mooi, hij ging met Van
Belleghem kijken. Zij kregen accoord en er werd besloten dat Fonske
de vier herbergwanden met waterverf-tafereelen zou beschilderen:
een hertenjacht in groene bosschen, een wolvenjacht op de sneeuw
en verder 't kasteel van meneer den graaf en 't kasteel van meneer
den baron, ieder op zijn heuvel, met de rivier en de weilanden vol
grazend vee er onder. Te vergeefs had Fons gepoogd, uit een begrip
van logisch verband, de wolvenjacht te doen vervangen door een ander
tafereel, b. v. door het kerkje en het oude molentje, aangezien
er misschien nog wel herten, maar zeer zeker geen wolven in den
omtrek meer bestonden. Doch de bierbaas had absoluut op de wolven
aangedrongen en Fonske moest, met tegenzin, wel toestemmen. Het ging
niet zonder eenige moeite. Sylvain en Florimond hadden met hem wel eens
gesproken over wat zij noemden "hun artistiek geweten", dat hun slechts
toeliet die werken uit te voeren, welke met hun esthetische opvatting
strookten. Nooit weken zij van dit hardnekkig-vastgehouden beginsel
af en Fonske vroeg zich even af, of het nu ook zijn artistieke plicht
niet was onwankelbaar zijn meening te verdedigen. Hij deed het echter
niet. Voor ditmaal gaf hij toe, vast besloten, later, als hij nog
wat sterker in zijn schoenen stond, geen enkele concessie meer te doen.
Toen kwam iets anders aan de beurt. Een artiest mocht wel eigenaardig,
maar niet schunnig gekleed loopen. Een artiest toch was een heer,
en, als zoodanig, diende hij zich netjes voor te doen. Met een
deel van de drie honderd vijf en zeventig frank, kocht Fonske zich
nieuwe kleeren. Hij nam ook de gewoonte aan, elken dag, ook op zijn
werk, een witte boord te dragen, en hij liet zijn haar groeien en
machinaal streken af en toe zijn vingers in krullende beweging op
zijn bovenlip, waar zich een donzig snorretje begon te ontwikkelen. In
enkele weken tijds was Fonske zóó veranderd, dat de menschen hem niet
meer herkenden.
In de stad had het kringetje zijner kennissen zich ook langzaam
uitgebreid. Zijn verkochte schilderijtjes waren, met werk van andere
jonge schilders, in een klein zaaltje ten toon gesteld geweest, en
enkele menschen waren hem komen aanspreken, hadden hem komplimentjes
gemaakt. Zelfs had een locaal kunstblaadje waardeerend over zijn
arbeid geschreven. Meer en meer ontwikkelde hij zich tot bewuste
zelfstandigheid en voelde hij hoeveel ruimer de wereld en het
leven waren, buiten het nauwe kringetje, dat totnogtoe zijn blik
omgrensde. De regeerende kasteelen van zijn nederig dorpje schenen
hem niet langer de eenige, bestaande wereldmachten; meneer de graaf,
meneer de baron, meneer Gaëtan of jonkvrouw Elvire de eenige voorname
en superieure wezens: hij zelf nu voelde zich dagelijks ontwikkelen en
stijgen en naarmate hij steeg kwam het hem voor of de traditioneele
afgoden daalden en of hij meer en meer met hen op een gelijk plan
kwam te staan.
Hij sprak nu tamelijk goed Fransch, hij kon een Fransch gesprek
volgen en er min of meer deel aan nemen, hij had reeds eenmaal, vrij
voldoende, een franschen brief beantwoord. En, wat wel teekenend
was voor zijn ontwikkeling: hij begon ook in andere kunst-uitingen
belang te stellen: hij las boeken, 's avonds, als hij tijd had en
meer dan eens was 't reeds gebeurd, dat hij ook na de teekenacademie
in de stad bleef, ergens, met vrienden, in een eenvoudig restaurantje
lunchte en daarna een muzikale of theatrale matinee bijwoonde.
Ongeloofelijk-sterk werkte aldus de wrijving van gedachten, het
kritisch aanhooren, aanschouwen en genieten van verschillende kunst
op hem in. Hij kon het lang niet alles in zich opnemen en verwerken;
't was ineens veel te rijk-en-afwisselend, maar dat loste zich dan
langzaam-bezinkend in hem op gedurende de vele rustig-stille dagen
van de arbeidsweek en voortdurend verrijkt in levenskennis en ervaring
kwam hij bij het reeds verkregene en begrepene nieuwe schatten oogsten.