XVI.

Die dag van het bezoek zijner vrienden teekende een ommekeer

in Fonske's leven. Hij was niet langer 't schuwe mannetje, dat

vreesachtig-eerbiedig opzag tegen al wat boven hem stond; 't gelukte

hem althans iets van de overgeërfde slaafsche onderworpenheid van

zich af te schudden.

Hij voelde zich opeens rijker geworden; niet alleen door het verdiende

geld, maar rijker van gemoed. Hij kon meer, hij durfde meer, hij

mocht meer. Er kwam iets mannelijks in hem, hij hield het hoofd op,

zijn oogen keken recht en frank de menschen en de dingen aan, zijn

stap werd vlugger, veerkrachtiger. Er lag een helder doel voor hem

in het verschiet, waaraan veel ander heil verbonden was en waar hij

flink op afstuurde.

Hij wilde kunstenaar worden, hij wàs kunstenaar, hij zou er zijn

brood mee verdienen!

Het eerste wat hij deed was op beleefden, doch vasten toon

aan Van Belleghem te gaan zeggen, dat hij voortaan nog

wel binnenhuis-versiering en decoratie-geschilder, maar geen

kladpotters-facade-werk meer wenschte te verrichten. Zoo iets beviel

Van Belleghem maar half en even zette hij een norsch gezicht; maar

Fonske hield vol, vertelde van de vier verkochte schilderijen en Van

Belleghem lei zich uit nooddwang bij den toestand neer. Trouwens, 't

was of het zoo wezen moest: nog denzelfden dag ontving Van Belleghem

een aanvraag tot wandversiering van een nieuwe, bij het station

gebouwde herberg en Fonske werd de als van zelf aangewezen persoon

om het werk uit te voeren. De condities waren mooi, hij ging met Van

Belleghem kijken. Zij kregen accoord en er werd besloten dat Fonske

de vier herbergwanden met waterverf-tafereelen zou beschilderen:

een hertenjacht in groene bosschen, een wolvenjacht op de sneeuw

en verder 't kasteel van meneer den graaf en 't kasteel van meneer

den baron, ieder op zijn heuvel, met de rivier en de weilanden vol

grazend vee er onder. Te vergeefs had Fons gepoogd, uit een begrip

van logisch verband, de wolvenjacht te doen vervangen door een ander

tafereel, b. v. door het kerkje en het oude molentje, aangezien

er misschien nog wel herten, maar zeer zeker geen wolven in den

omtrek meer bestonden. Doch de bierbaas had absoluut op de wolven

aangedrongen en Fonske moest, met tegenzin, wel toestemmen. Het ging

niet zonder eenige moeite. Sylvain en Florimond hadden met hem wel eens

gesproken over wat zij noemden "hun artistiek geweten", dat hun slechts

toeliet die werken uit te voeren, welke met hun esthetische opvatting

strookten. Nooit weken zij van dit hardnekkig-vastgehouden beginsel

af en Fonske vroeg zich even af, of het nu ook zijn artistieke plicht

niet was onwankelbaar zijn meening te verdedigen. Hij deed het echter

niet. Voor ditmaal gaf hij toe, vast besloten, later, als hij nog

wat sterker in zijn schoenen stond, geen enkele concessie meer te doen.

Toen kwam iets anders aan de beurt. Een artiest mocht wel eigenaardig,

maar niet schunnig gekleed loopen. Een artiest toch was een heer,

en, als zoodanig, diende hij zich netjes voor te doen. Met een

deel van de drie honderd vijf en zeventig frank, kocht Fonske zich

nieuwe kleeren. Hij nam ook de gewoonte aan, elken dag, ook op zijn

werk, een witte boord te dragen, en hij liet zijn haar groeien en

machinaal streken af en toe zijn vingers in krullende beweging op

zijn bovenlip, waar zich een donzig snorretje begon te ontwikkelen. In

enkele weken tijds was Fonske zóó veranderd, dat de menschen hem niet

meer herkenden.

In de stad had het kringetje zijner kennissen zich ook langzaam

uitgebreid. Zijn verkochte schilderijtjes waren, met werk van andere

jonge schilders, in een klein zaaltje ten toon gesteld geweest, en

enkele menschen waren hem komen aanspreken, hadden hem komplimentjes

gemaakt. Zelfs had een locaal kunstblaadje waardeerend over zijn

arbeid geschreven. Meer en meer ontwikkelde hij zich tot bewuste

zelfstandigheid en voelde hij hoeveel ruimer de wereld en het

leven waren, buiten het nauwe kringetje, dat totnogtoe zijn blik

omgrensde. De regeerende kasteelen van zijn nederig dorpje schenen

hem niet langer de eenige, bestaande wereldmachten; meneer de graaf,

meneer de baron, meneer Gaëtan of jonkvrouw Elvire de eenige voorname

en superieure wezens: hij zelf nu voelde zich dagelijks ontwikkelen en

stijgen en naarmate hij steeg kwam het hem voor of de traditioneele

afgoden daalden en of hij meer en meer met hen op een gelijk plan

kwam te staan.

Hij sprak nu tamelijk goed Fransch, hij kon een Fransch gesprek

volgen en er min of meer deel aan nemen, hij had reeds eenmaal, vrij

voldoende, een franschen brief beantwoord. En, wat wel teekenend

was voor zijn ontwikkeling: hij begon ook in andere kunst-uitingen

belang te stellen: hij las boeken, 's avonds, als hij tijd had en

meer dan eens was 't reeds gebeurd, dat hij ook na de teekenacademie

in de stad bleef, ergens, met vrienden, in een eenvoudig restaurantje

lunchte en daarna een muzikale of theatrale matinee bijwoonde.

Ongeloofelijk-sterk werkte aldus de wrijving van gedachten, het

kritisch aanhooren, aanschouwen en genieten van verschillende kunst

op hem in. Hij kon het lang niet alles in zich opnemen en verwerken;

't was ineens veel te rijk-en-afwisselend, maar dat loste zich dan

langzaam-bezinkend in hem op gedurende de vele rustig-stille dagen

van de arbeidsweek en voortdurend verrijkt in levenskennis en ervaring

kwam hij bij het reeds verkregene en begrepene nieuwe schatten oogsten.

Van hoog en laag Het eerste levensboek · 第 21 / 28 题