Hij maakte vorderingen. Hij voelde zelf dat hij vorderingen maakte
en dat gevoel vervulde hem met kracht en moed. Eens had jonkvrouw
Elvire hem iets van haar eigen werk getoond en zóó vast en zeker en
toch zonder eenigen overmoed wist hij, dat het zijne daar nu reeds
verre boven stond, dat dit vluchtig bewustzijn, althans in iets haar
meerdere te zijn, hem dagen lang troost had gegeven. Hij wist het,
hij wist het met de volste zekerheid; en niet alleen hij, maar ook
zij zelve had het gevoeld, want zij had hem gezegd:
--Gij keunt dat al veel beter als ik, Alfons.
Alfons! Zij noemde hem nu niet meer Fonske, gelijk vroeger, maar
gaf hem zijn vollen naam. Zij sprak tot hem als tot een man, en,
waar zij over kunst sprak, als tot een gelijke en weldra als tot een
meerdere. Een gelijke! Zou het dan toch mogelijk zijn wat Florimond en
Sylvain hem steeds met kracht bleven voorspiegelen! Als kunstenaar, ja,
maar verder!.... Had hij maar de kennis, de wetenschap, de instructie,
de manieren, en ook het onverstoorbaar zelfvertrouwen en aplomb van
zijn twee vrienden; maar daar had hij niets van, helaas! hij wist
niets, hij kende nog niet eens enkele woorden Fransch--de taal die
zij gewoonlijk sprak--en hoe knapper hij werd in zijn kunst, hoe
dieper en schrijnender voelde hij alles wat hem nog zoozeer ontbrak
aan verdere opleiding.
Kon hij althans maar een beetje Fransch, om niet altijd in zijn
plat vlaamsch dialekt met haar te moeten spreken! Maar wie zou het
hem leeren? Hij piekerde daarover, hij dacht er halve nachten over
na en voelde zich radeloos-ongelukkig. Dat kwam hem ineens als een
alles-overwegende hoofdzaak voor. Dat hij arm was, dat hij laag werk
moest verrichten om aan zijn brood te komen, dat hij met zijn moeder
in een hutje woonde, dat alles leek hem niets, vergeleken bij het
groote euvel, dat hij geen enkel woord Fransch kon spreken. En eens,
in den nood van zijn ontreddering, bekende hij 't aan Florimond en
aan Sylvain:
--'t Zoe meschien meugelijk zijn, da 'k moar 'n beetse Fransch kon.
--Leert heur vloamsch! antwoordde Florimond, die een vurig
vlaamsch-gezinde was.
--Da kan ze, zuchtte Fonske.
Florimond keek hem strak aan, met glimlachenden mond en schitterende
oogen, als in geestdriftig nadenken.
--Hawél, weet-e watte: 'k zal ou Fransch leeren.
Fonske sprong van blijdschap op.
--O! da-ge dá wilde doen! Da-ge dá wilde doen! smeekte hij als in
een vrome bede.