Al den tijd, dat hij bezig was aan zijn werk, had Paulus getracht zoo
weinig mogelijk te denken aan prinses Leliane. Hij voelde wel, àls hij
zich met zijne gedachten aan háár overgaf, dat de pijn zijn ziel zóó
zou aandoen, dat hij het mooie van vroeger niet zuiver meer zou kunnen
uitzeggen. Met al de concentratie van zijn wilskracht had hij zich
verplaatst in zijn ziele-leven van vóór den tijd, dat hij de witte
maagd gevonden had, slapende in het mos onder de droomende boomen. Nú
was hij weer begonnen met al zijn verzen nog eens na te zien, die hij
indertijd, in een klein bundeltje gepakt, met een paar andere
souvenirs, uit het Bosch had medegenomen. Toen hij ze na zoo langen
tijd weêr terugzag, verwonderde hij er zich over, dat ze zoo goed
waren. Vroeger had hij er nooit bij gedacht of ze mooi waren of niet,
hij had ze zoo maar neergeschreven, bijna onbewust eigenlijk, omdat hij
nu eenmaal niet anders kón, zóó sterk was de drang tot uiten, en nooit
was het idee bij hem opgekomen, dat anderen dan hij ze ééns zouden
lezen. Maar nu hij zelf veel óver verzen gelezen had, en zoowat in de
literatuur was gekomen, wist hij zich ook rekenschap te geven waaròm en
hoé iets mooi was, en nu voelde hij, dat die verzen van vroeger, uit
zijn eenzaamheid, werkelijk kunst waren. Met liefde schreef hij ze alle
over, veranderde hier en daar nog iets, voelde een nieuw vers in zich
opklinken, dat hij er bij voegde. Hij wilde ze nu in één bundel
verzamelen, en de uitgever van „De Prins en de Fee” was dadelijk bereid
ze aan te nemen nog vóór hij ze gelezen had, enkel omdat de naam Paulus
nu eenmaal gemaakt was. Maar eerst wilde hij ze aan Lavelane geven voor
zijn tijdschrift. „De Lotus” was in de laatste jaren sterk
achteruitgegaan, en had de grootste helft van haar abonnés verloren,
sinds Wederich en Wartenau en anderen uit de redactie waren getreden.
Lavelane alleen was overgebleven met een troepje décadenten. Wie nú in
„De Lotus” schreef was door dat enkele feit zelf al een râté, een
mislukte, die altijd een derde rangs artist zou blijven, en door de
officiëele literatuur genegeerd zou worden. Maar juist dáárom vond
Paulus het nu heerlijk, zijn verzen in datzelfde tijdschrift te
publiceeren. Hij wist dat het Lavelane goed zou doen, en hij was er
trotsch op nu met de verdrukten en de verongelukten samen te werken.
Heimelijk verlangde hij ook naar smaad en geringschatting van de
arrivisten, met de schaamte over hún lof en hún toejuichingen zwaar
over zijn ziel.
Het was hem, of hun haat en verbittering hem weer wat reiner zouden
maken en, in plaats van een hooge onverschilligheid, voelde hij een
onzuivere behoefte aan spot en hoon. Lavelane nam de verzen dadelijk
aan, en schreef hem een warmen, vriendelijken brief er over, dien hij
voortaan dag en nacht bij zich droeg, trotsch op de waardeering van
zijn idealen dichter.
Hij las nu óók het artikel tegen Lavelane in „De Zon,” van professor
Lucianus, dat Elias hem gesignaleerd had, en, bevend van
verontwaardiging, schreef hij er een antwoord op, waarin hij de
prachtige verzen verdedigde tegen de perfide, alles uit zijn verband
rukkende uitpluizingen van den geleerden, maar voor poëzie
onontvankelijken professor. Hij onderteekende het met zijn naam:
Paulus, en zond het dadelijk aan „De Zon.”
Daarna, verlucht door deze daad, begon hij weer met stille aandacht aan
het nazien van zijn verzen.
Maar midden onder het corrigeeren van de drukproeven, toen hij even,
moê van het staren op al de aparte lettertjes van de copie, een courant
had opgenomen, kwam onverwacht eene ontzetting over hem. Dáár stond
het, als iets heel gewoons, iets heuglijks zelfs, waar de wereld
verrukt over moest wezen. Over veertien dagen zou prinses Leliane in
Leliënstad haar intocht doen, als de verloofde van prins Sergius
Alexandrowitsch van Moscovië. De geheele stad zou luisterrijk
feestvieren, en met bijzondere pracht zou Leliënstad zich tooien om het
hooge paar op een waardige wijze te ontvangen.
En opééns stond het verschrikkelijke feit van ontwijding en bevlekking
weer in al zijn afschuw voor zijn ziel. Als in een vreeselijk visioen
zag hij het roode, brute gezicht van den Moscoviër vóór zich, grimmig
en ruig in den zwaren, zwarten baard, met den grooten, breeden mond,
als de gretige muil van een bloedgierig monster. Het was als het Beest
uit de sprookjes, donker, ontzaglijk, vol haar, met bloed-beloopen
oogen en lust-lekkenden tong. En dáárnaast, lelie-blank, teêr als
maneglans en rein roze van dageraad, het fijne maagd-gezichtje van de
prinses, liefelijk en licht naast het dreigende, donkere van het
Beest.—En Paulus voelde een rilling over zijn lichaam gaan, en duistere
schaduwen zich over zijn ziel uitspreiden. O! Daar kwam het weer, daar
kwam het weêr, wat hij zoo lang had teruggedrongen, achter in zijn
binnenste. De huivering van dit vreeselijke visioen rilde vèr in hem
door, over alle stille, rustige dingen van droom, en angstig bewogen ze
in hem, als bloemen waar een kille nachtwind over gaat. Zijn ziel
beefde en werd van onrust vervuld....
En nu begon een zware, droeve tijd voor Paulus. Heel Leliënstad maakte
zich op, om de verloving van de prinses te vieren. Overal verrezen
eerepoorten en versieringen, en de huizen werden omhangen met groen en
bloemen.—Iederen dag vorderde het groote werk en duizenden werklieden
waren bezig, de triomf alleeën mooi te maken, waar het koninklijke paar
zou dóórtrekken. Het leek of een groot geluk de wereld had verlicht, of
alle ellende voorbij was en een wonderbare liefde over alle menschen en
dingen was gekomen, en of nu dit heuglijke feit moest worden gevierd
met lauweren en festijnen en bloemen. De couranten stonden vol
artikelen over het aanstaande huwelijk, over de voorbeeldige
verbintenis van de prinses met een telg van het Moscovische
vorstenhuis, het machtigste der aarde, waardoor Leliënland werd
versterkt in het Europeesche statenverbond. Officiëel erkende dichters
waagden het van hooge, reine liefde te zingen, alsof dit door de
politiek geregelde huwelijk gelijk stond met een ideale liefde van
Dante en Petrarca.—Wederich had er een serie sonnetten over in het
nieuwe nummer van „Het Morgenrood,” en Jacob Duval wijdde er een lang,
geleerd artikel aan over de stamboomen van beide vorstenhuizen.
Comité’s werden opgericht in alle buurten, en in de armste wijken werd
nog voldoende geld opgezameld, om de ellende daar met wat groen en
bloemen te bedekken. Zelfs in „de Sloppen der Verlorenen,” werd er voor
gewerkt. Duizenden en duizenden, waar onberekenbaar veel misère en
onrecht meê verzacht had kunnen worden, werden nu verspild aan
eerebogen en vlaggen en bloemversieringen, om te vieren het aanstaande
huwelijk van de Schoonheid en het Beest. En nu bleek ook aan Paulus,
hoeveel waarheid er was in Marcelio’s woorden over het volk. Het volk,
het verdrukte, het vertrapte, nu het er op aankwam om feest te vieren,
nu men het wat koningsglorie had voorgeschitterd, en wat vóórgespiegeld
van parades en vuurwerken en illuminatie, nú sjouwde het zelf ’t hardst
mede, om den machthebbers genoegen te doen, en was het al het onrecht
en de ellende vergeten.
Wèl probeerden de sociaal-democraten de razernij te bedwingen, en
verspreidden zij pamfletten en spotprenten in de straten, maar de dolle
verblinding van het volk was door niets te stuiten, en het liet zich
aanzien, dat de domme drommen van honderdduizenden het intrekkende paar
al brullende en schreeuwende van geestdrift, dronken van opwinding en
bier en jenever, zouden ontvangen. Het was Paulus onmogelijk, in die
dagen te werken. Koortsig, met brandend hoofd en kloppende slapen liep
hij door de stad, in stomme ontzetting het aanziende, hoe overal
bloemen en groen werden aangebracht, om dat verschrikkelijke feit te
huldigen van de ontwijding der blanke Maagd door het ruige Beest. In de
koortshitte van zijn overspannen zenuwen kreeg de geweldige drukte van
het feest-versieren in de stad iets helsch-geweldigs voor hem, iets als
de triomf van het Kwade, dat de zonde huldigt en zich demonisch
verheugt in den ondergang van het reine.—Nu zág hij het, en ’t was
onverbiddelijk, het Kwade zegevierde, en het Beest was overwinnaar, het
zou het blanke, bloode offerlam nemen in zijn vinnige klauwen en
drinken van haar melk en bloed. En om dit duivelsche festijn te vieren,
waren de menschen uitgekomen, en zij hadden bloemen en lauweren
gehaald, en zij hadden triomfpoorten opgericht, en zij zouden doen
schetteren klaroenen en trompetten, want het zachte en teêre en blanke
van de Maagd móest ondergaan in de besmetting van het ruige en roode en
bloedgierige van het Beest.
Vooral ’s avonds, als de arbeiders werkten aan de bloemen-bogen, in het
licht van fakkels, dat hen overstroomde met een gloed van bloed, kreeg
het tooneel een helsch aspect voor hem, en angstig stond hij te staren
naar dat demonische gedoe.
Dagen en dagen duurde de zenuwachtige spanning voor Paulus. Nu zou het
komen, nu zou het komen...
Toen Marcelio hem in Monte-Regina de ontzettende tijding vertelde, was
de verschrikking niet zoo reëel voor hem geweest, als zij nú werd. Want
nú zou het in al zijn afschuw met de oogen zijn te aanschouwen: het
ruige Beest naast de lelieblanke Schoonheid, en dit als door een
duivelsche verdoeming vereenigde paar zou zijn intocht houden door het
groen en de bloemen, onder de jubelkreten van het geheele volk.
Eindelijk was de dag van den intocht aangebroken. Paulus had zich
voorgenomen, den geheelen dag thuis te blijven, om niets van de
gruwelijke feestviering te zien, maar een onweerstaanbare drang, om het
tóch aan te zien en zich zelf pijn te doen, dreef hem naar buiten. Het
was twaalf uur, toen hij op den Leliën-Boulevard kwam, en daar vanzelf
moest blijven stilstaan, omdat het verkeer door de ontzaglijke menigte
was gestremd. Duizenden en duizenden waren uitgetogen, om het
koninklijk paar te zien voorbijgaan. De vensters van de huizen waren
vol opeengedrongen menschen, en op de daken was het zwart van de
toeschouwers. Paulus was nog nooit in zoo’n dichte menschenmassa
geweest, en toen hij opeens zag, dat hij noch vooruit, noch achteruit
meer kon, voelde hij een angstige beklemming. Het was of hij stikken
zou. Een weeë, muffe menschenlucht kwam in zijn neusgaten. Het was een
lucht als van beesten, vermengd met stinkenden tabaksgeur en bedorven
odeuren, en reuk van opgedroogd zweet. Hij voelde zich onpasselijk
worden. In ’t eerst trachtte hij nog weg te komen, een zijstraat in,
maar de zwarte menschendrom nam hem willoos mee, tot hij tot stilstand
kwam op den linkerzijweg van den Leliën-Boulevard, onder de boomen.
Dicht op elkaar geperst stond de dikke klomp menschen daar vast,
schouder aan schouder, als een troep op elkaar gejaagd vee. Woest, op
wilde paarden, de blinkende sabel in de vuist, renden dragonders in
vliegenden galop heen en weder, om den weg vrij te houden, zooals
groote honden dreigend langs een kudde schapen gaan. Uit een zijstraat
kwam opeens een troep menschen opdringen, waardoor een deel der
vóór-staanden van de stoep af werd geduwd, op den weg. Dadelijk kwamen
een paar dragonders aangehold, die hun paarden lieten steigeren en er
onbarmhartig met de sabels op lossloegen. Vrouwen gilden, kinderen
raakten onder de hoeven der paarden. Maar bruut bleven de dragonders
doorranselen tot de weg weer vrij was. En Paulus moest opeens denken
aan Marcelio’s gezegde, toen hij het volk vergeleek met vee. Ja, wèl
had het toch iets van vee. Éen machtige élan van die duizenden, en de
paar dragondertjes zouden vermorzeld liggen. Maar nú lieten zij zich
onbarmhartig ranselen en trappen, als een troep honden, door de
huurlingen van haar, die zij straks zouden toejubelen uit al de macht
hunner longen. Al die duizenden, die honderdduizenden, waarvan het
meerendeel leefde in kommer en gebrek, zij waren hier samengestroomd,
als muggen, om wat schittering van glans, en stonden daar nu, bête en
dom, in dichte klompen saamgehouden door agenten en dragonders, om te
juichen over de overheersching van de Schoonheid door het ruige
Monster. En om hun beestachtig enthousiasme te beteugelen, diende bruut
geweld van krijgsvolk.
Paulus vreesde, dat hij bezwijmen zou. Hij zag afschuwelijke, roode
gezichten vlak bij zich, voelde gore ademen in zijn hals, en rook de
walgelijke lucht van vuil ondergoed en ongewasschen lichamen. Nooit had
hij de menschen zóó leelijk gezien.
Angstig staarde hij in ’t rond, als om uitkomst te zoeken. En daar, vèr
in ’t hooge, waar de Boulevard ópliep naar boven, zag hij opeens het
fijne wonder van de Cathedraal, recht oprijzend boven de droeve,
donkere menschen-drommen, met haar kanten pracht, als bevend van
innigheid in de lucht. Hij zag de grijze heiligen in de nissen, met hun
tot gebed geheven handen, en de wenkende engelen, wieken-gespreid tot
hemel-vlucht.
De Cathedraal!... Dáár welfde zij zich statiglijk, met haar droomend
cantille-werk en haar biddende bogen boven de reliquie van het
allerreinste, van de zeven bladen van de witte-waterlelie, waar het
vlekkelooze geslacht van Leliane uit was ontsproten.
En ach! De droeve ontwijding, die thans stond te gebeuren, en die de
witte leliën-maagd besmetten zou... Kón dit dan bestaan?... of zou op
het laatste oogenblik nog een wonder gebeuren, dat haar reinheid redden
zou?... Angstig staarde Paulus omhoog naar de Cathedraal, en wachtte...
Daar vielen opeens zwaar-galmende slagen van de beide torens naar
beneden, en plechtig begonnen de zware, bronzen klokken te luiden. In
de verte bulderde een kanonschot. Toen nog een. En nog een. Prinses
Leliane was aangekomen.
Nog een half uur stond Paulus in pijnlijke spanning tusschen den
menschendrom geplakt. De klokken luidden en luidden. De kanonnen
bulderden over de stad. Toen loeide opeens in de verte een lawaai aan,
als van een brullende zee.—Duizenden keelen juilden en schreeuwden
luide hoera’s.... Grof en bruut daverde het aan, al dichter en dichter
bij.—De dragonders drongen met hun achteruitsteigerende paarden het
volk nog meer terug. Paulus zag de groote monden in de roode gezichten
òm hem zich wijd opensperren, en hoorde een afschuwelijk gehuil, dat
gejuich moest wezen. Alles schreeuwde en brulde en krijschte door
elkaar. Hoeden vlogen in de lucht, zakdoeken wuifden.
Toen verscheen eerst een troep blinkende kurassiers, schitterend van
goud en zilver. Het leken wel ridders uit de oude tijden in hun
licht-stralende kurassen.—Daarachter een paar rijtuigen, gala-koetsen,
met hooge bokken, en koetsiers in blauw en goud, met driekanten steek.
En toen, feeëriek, als een apotheose, de acht smettelooze, sneeuwwitte
paarden van de koninklijke koets, plechtig ja-knikkend met hun
fier-gepluimde koppen, de fijne pooten voorzichtig neerzettend, als
waren zij bang, den droom te breken. Zij trokken een fijne glazen
karos, licht, op hooge wielen, rijk met goud en ivoor versierd, die
geruischloos voortgleed, als zonder materie, in de sfeer van het
sprookje. Het leek alles onreëel, visionnair, als in het Märchen van
lang, lang geleden, die schitterende wagen, daar zoo langzaam,
geluidloos voortzwevend, getrokken door die acht, verblindend witte
rossen, met de roze neusgaten, en vurige, roode oogen.
Toen zag Paulus in die glazen koets, teêr en droome-rein, in een wolk
van fijne kanten gehuld, de wondere verschijning van de prinses,
liefelijk als de Fee uit het sprookje, met haar zachtblauwe oogen,
waarin de droom lag van de hooge hemelen.—
Maar.... o gruwel!.... vlak daarnaast.... dat andere gezicht,
zwaar-gebaard, ruig en rood, het Monster, dat de tooverprinses heeft
geroofd.... hoog en donker náást haar, geweldig en onoverwinnelijk van
brute kracht.... als een echte barbaar, in den dos van zijn zwarten,
langen baard, en met bloedbeloopen oogen....
Paulus voelde zich wankelen, en alles begon te draaien om hem heen. Nog
éven zag hij Marcelio in zijn roode huzaren-uniform te paard naast het
portier, nog éven hoorde hij gejoel en gehuil.
En dan verloor hij het bewustzijn....
Toen hij weer bijkwam, lag hij op een bank. Hij voelde, dat zijn hoofd
was natgemaakt. Een paar agenten stonden om hem heen.—De Boulevard was
leeg.
„Hij komt al weer bij!” hoorde hij zeggen. „Het was maar een
flauwte.... van het dringen zeker....”
En dadelijk kwam hij weer tot zich zelven. O ja! Die koets daarstraks,
en dat roode, grimmige gezicht met dien baard!.... Hoe was hij
geschrokken!.... Toen was hij zeker flauw gevallen. Gelukkig, dat al
die menschen nu weg waren, achter den stoet aangeloopen, toen hij
voorbij was. Nu kon hij rustig verder gaan. Hij bedankte de agenten en
verzekerde hun, dat hij nu weer beter was. Hij zou nu zelf den weg naar
huis wel vinden. En schijnbaar kalm liep hij door. Maar waarheen?....
Daar zag hij vóór zich de Cathedraal! O ja! De Cathedraal! Daar zou hij
rust vinden voor zijn moede ziel. En haastig liep hij den Boulevard op,
waar hij aan het einde de torenen zag opgaan van de Kerk der heilige
Leliane.
Toen de zware deuren achter hem dicht vielen, en hij zich heel alleen
voelde, onder de hooge gewelven van de Cathedraal, viel hij schreiend
in een bidstoeltje op de knieën.—Zijn luid snikken weerklonk door de
plechtige stilte van de gewelven.
Er was op dat uur niemand in de Cathedraal. Het licht droomde zacht
door de hooge, beschilderde vensters, en alles lag in een ernstigen,
gouden schemer. De marmeren en albasten zuilen rezen statig omhoog, en
aan de wanden glansden vergulde beelden van heiligen. Hier en daar, wèg
in het halfdonker van een nis, brandden stil een paar heilige kaarsen.
Een groot kruisbeeld van goud, aan onzichtbare draden opgehangen,
zweefde blinkend in de lucht. Op den achtergrond schitterde mysterieus
het goud van het altaar, met een vreemden gloed. Daarachter, hier en
daar, stond een eenzaam, rood lichtje te branden, apart en bijzonder.
En Paulus wist, dáár, ginds, naast het altaar, was de crypte, waarin
bewaard werd de reliquie van de heilige Leliane.
Heel klein, heel nietig, een arm, eenzaam schepseltje, lag hij daar
neergeknield, onder de hooge, golvende bogen van de Cathedraal,
verloren in de ontzaglijke ruimte van wijde gewelven, waar vèr boven
zijn hoofd het dak omhoog droomde in allerfijnste pracht van kanten
cantille-werk. Overal in ’t rond zagen witte heiligen en engelen op hem
neer, roerloos, onbewogen, verzonken in eigen, innerlijk gebed.
„—O God! o! mijn God!” snikte hij, en hij wist niet eens, wien hij
eigenlijk aanriep, in het uiterste van zijn nood, hij, die alléén God
had gevoeld in de stilte van het Bosch. „En gij! o! heilige Leliane,
redt haar! o! redt haar van het Beest... bij al de vlekkeloosheid van
deze gewijde bidplaats, bij al de gevouwen handen van de engelen, bij
al de gebeden van de heiligen, o! redt prinses Leliane van het Monster,
dat haar bedreigt... want dit kán toch niet, mijn God, dit kán toch
niet, het witte, het smetteloos blanke van de Lelie en het ruige, het
zwarte en roode van het Beest... dit kán toch niet gebeuren, en deze
kuische Cathedraal, zij zou toch niet zóó roerloos blijven staan in al
haar wondere heiligheid, de Cathedraal van de heilige Leliane, die
oprees uit de witte waterlelie door het Licht van de Zon, als háár
kind, de éénige afstammelinge van haar gebenedijd geslacht, zou worden
ontwijd door de aanraking van het afschuwelijke Beest.—O! heilige
Leliane, o! heilige Leliane, red haar!... ik sméék het u met het
heiligste van mijn ziel, en héél graag wil ík sterven, den
gruwelijksten marteldood,... als het háár maar kan redden van de
besmetting door het Monster!...”
Maar geen antwoord kwam, uit de goud-licht schemerende ruimte, op zijn
gebed. Rustig stonden de rechte corinthische zuilen, roerloos en
onbewogen, en de stilte, die zwaar uit de hooge gewelven neerhing,
bleef geheimzinnig zwijgen. De heiligen en engelen baden door, en
wisten niet van zijn smart. Eenzaam flikkerden de droeve, roode
lichtjes om het altaar. En op het kolossale kruisbeeld, hoog in de
lucht, hing de bleek-ivoren Christus te sterven, bloedig en klagelijk,
voor der wereld zonden, en achtte niet dit ééne, eenzame leed...
Zóó lag Paulus nog lang te snikken in de uiterste wanhoop van zijn
ziel, eenzaam en onverhoord in de groote Cathedraal.
De stem van een koster deed hem opschrikken. Hij moest nu weg, zeide de
oude man, de kerk moest worden gesloten. Een week lang zouden de
poorten dicht moeten blijven, want het versieringswerk zou beginnen
voor de groote ceremonie over een week, als de prinses de reliquie zou
komen kussen van de heilige Leliane, vóór er iets kon worden
vastgesteld voor het huwelijk.
„Heb je zoo’n verdriet, mijn jongen?” zeide de grijsaard, „en dat op
zoo’n heuglijken dag?... Kom, ga wat naar buiten, alles viert vandaag
feest, en probeer je wat te verzetten... hier kan je nu heusch niet
blijven....”
Met zachten dwang geleidde hij Paulus de Cathedraal uit. Toen vielen de
prachtige, ijzeren poortdeuren zwaar achter hem dicht, en Paulus stond
weer alleen op den Boulevard. Er was niets veranderd. De hooge huizen
stonden onbewogen. Lustig wapperden de groote vlaggen van de daken, met
de witte waterlelie op het blauwe veld. De Cathedraal stond plechtig,
als altijd, veilig in eigen vroomheid opgerezen, en wist niet.
Toen voelde Paulus diep, dat hij heel alleen bleef met zijn smart. Hij
had gedacht, dat het verschrikkelijke feit van Leliane’s ontwijding een
wereldgebeurtenis zou wezen, dat al het bestaande niet in zijn voegen
zou kunnen blijven als dat afschuwelijke gebeurde, dat er een wonder
zou komen om het te beletten, een zondvloed, of een cataclysme.
Maar alles was ongeroerd, en alle dingen hadden hun dagelijksch aspect.
Het leek maar heel gewoon wat stond te gebeuren. Alleen hadden de
straten een uiterlijk van banaal, ordinair feestvertoon. Op den grond
lagen sinaasappelschillen en stukken papier en weggeworpen vodden.
Tusschen de boomen hingen touwen met vetpotjes voor de illuminatie van
den avond. De menschen waren op hun Zondagsch, ongewoon, leelijker dan
anders in hun daagsche kleeren.
En langzaam begon het begrip in Paulus door te dringen, dat het
onherroepelijk was en het feit van verschrikking in de natuurlijke orde
der dingen moest liggen. De witte onschuld bevlekt door het zwarte
Beest, het volk verdrukt in ontbering en ellende, dat als vee stond te
bulken en te blêren voor wat glans van vorstelijke pracht, die heilige
Cathedraal waarin eene ceremonie zou worden voltrokken die ontheiliging
was en leugen, dit alles moèst zoo, en was gewòòn, en kón misschien
niet anders. De eenige, die ongewoon was, en buiten het natuurlijk
verband der dingen, was hij zélf, en dáárom leed hij, en beefde zijn
ziel van angst, waar al de anderen jubelden en dansten van dolle
vreugde. Hoe klein en nietig was hij toch! En al dat andere, hoe groot
en sterk, hoe onoverwinnelijk en almachtig! Hij kon zijn hoofd er tegen
te pletter loopen, niemand zou er iets van bemerken, en het zou even
massaal blijven staan, zonder één oogenblik te hebben bewogen. Alles
was zooals het moést zijn, en híj alleen was de zieke, de abnormale, de
minderwaardige, die moest ondergaan, zonder genade.
Zonder te weten waarhéén, liep hij doelloos rond, en had geen begrip
meer van den tijd, altijd maar loopend, loopend, vanzelf voortgestuwd
door zijn onrust. En overal werd hij herinnerd aan het gruwbare feest.
Wáár hij ook kwam, overal waaiden de vlaggen, overal was groen, overal
liepen de menschen in Zondagsche kleeren, met lelie-rozetjes
vastgespeld op hun goed. Hij voelde zijn hoofd duizelen, en zijn hart
pijnlijk kloppen. Eindelijk kwam een vaag bewustzijn in hem op, dat hij
misschien ziek was, dat hij koorts had, en dat het goed zou doen, te
liggen op een bed, en te slapen, te vergeten. Met moeite vond hij toen
den weg naar zijn kamer, waar hij doodmoe neerviel op zijn bed. O! Wat
brandde het in zijn hoofd, wat brandde het! De dingen om hem heen
begonnen te weifelen en te draaien. En hij viel in een zwaren, bruten
slaap, als een afgejakkerd dier...
Toen hij wakker werd was het donker. Hij wist eerst niet goed, waar hij
was. Wat was dat alles donker... Buiten hoorde hij zingen, met grove,
schorre stemmen, het Leliënlandsche volkslied. Toen wíst hij weer. Zijn
hoofd was nog gloeiend warm, en hij voelde het zweet op zijn voorhoofd
parelen. Het was drukkend heet in de kamer. Hij dacht dat hij zou
stikken. O! Lucht, versche lucht... Toen waschte hij zich het hoofd met
koud water, nam zijn hoed, en stoof naar buiten, snakkend naar versche
lucht.
De straten waren vol donkere menschen, die schreeuwden en zongen. Het
was al laat. Acht uur zag hij op de klok in een winkel. Had hij zóó
lang geslapen? Wat wilden toch al die menschen? Waarom schreeuwden ze
zoo? Waren ze dronken? O ja... o ja... het feest... het feest... Overal
hingen rijen brandende vetpotjes langs de boomen. Het stonk naar olie
en benauwden walm. Neen, hier was geen lucht. Vérder moest hij wezen,
véél verder, waar geen menschen meer waren. Boven, op de heuvelen, dáár
zou het goed zijn, daar was de lucht nog rein....
Haastig, zoo gauw hij maar kon vooruitkomen door de dichte drommen
menschen, liep hij den weg naar den Leliën-Boulevard, die naar de
heuvelen leidde. Hij liep tegen menschen aan, die hem vloekend
afstootten. Hier kreeg hij een stomp, daar een trap. Maar hij lette er
niet op. Als hij maar vooruitkwam, wèg naar de hoogten, waar het rein
zou zijn en stil.
Nu was hij al bij de Cathedraal. Geen licht brandde daar binnen. Het
leek of zij rouwde. Zwart en zwijgend rezen de twee hooge torenen
omhoog. O! Dat was goed zoo, dat was goed... De Cathedraal deed niet
mede aan het feest...
Nu kwam hij al hooger en hooger. Beneden zag hij de stad wegzinken met
haar duizenden lichtjes.
Nu dezen breeden zijweg in. Nog altijd liepen hier zwarte drommen
menschen. Waarom werd het nu niet stil? Wat wilden die menschen hier?
Vluchtten zij óók voor het feest?... Wat hoorde hij daar opeens voor
wild rumoer? Het was, of hij dicht bij een zee kwam. Of ruischte daar
een groot bosch, waar de wind over waaide?
Nu hier, dit zijpad. Hier zouden de menschen misschien niet komen.
Haastig liep hij door, begon te hollen, om maar weg te zijn...
Maar opeens bleef hij staan, knippend met de oogen. Een verblindend wit
licht laaide vóór hem.
De adem stokte in zijn keel.
Dáár, voor hem, schitterend van electrisch licht, verrees pralend het
witte paleis van prinses Leliane. Het leek van transparant porselein,
in den glans van al dat licht. Het gansche groote gebouw was
geïllumineerd, en straalde van blanke glorie. Het was als een witte
tempel, een blinkende hemelwoning uit een paradijs, in hooge regionen,
waar de engelen en de zalige zielen zijn...
Maar het kolossale plein vóór dit wonderbare, heilige paleis zag zwart
van een ontzaglijke massa door elkaar krioelende, schreeuwende en
brullende menschen. In donkere drommen dansten en sprongen zij door
elkaar, als wilde demonen, met roode gezichten, de kleeren verslonsd en
verscheurd, huilend en hurleerend, in beestachtig gedoe. Hier en daar
laaiden groote vreugdevuren op en in het schijnsel van de roode vlammen
voerden half-dronken mannen en vrouwen een afschuwelijken rondedans
uit. Meiden hadden zich in mannenkleeren gestoken, mannen waren
verkleed als vrouwen, en als losgelaten dieren in den paartijd sprongen
zij heen en weer, omarmden elkaar, liefkoosden elkaar met vuile
gebaren. Agenten verbroederden zich met het volk, dansten mede, in de
universeele dronkemanspartij. Het leek een pandemonium van uitgebroken
duivels. Hier en daar, in zijlaantjes van het plantsoen, waar hij door
was gekomen, zag Paulus paren wijven en kerels als beesten in het gras
liggen.
Het enorme voorplein was vrijgelaten voor het volk, voor dezen éénen
feestelijken dag. Langs de geheele lengte van het paleis stond een
driedubbel cordon soldaten met gevelde bajonet, en in de zijgangen
stonden lange rijen huzaren te paard, gereed om op het minste bevel het
plein weer te ontruimen. Maar er was niet de geringste vrees voor
opstand of verzet. Al die duizenden waren daar alléén samengestroomd in
de hoop straks de prinses te zien op het balcon, en in afwachting van
dat heuglijke moment dansten zij als dollemannen, om de roode
vreugdevuren, zwijnend en zweetend in razenden roes. Dáár, vlak vóór
het blanke paleis, waar prinses Leliane woonde, vierde het volk zijn
vuile lusten uit, schaamteloos als redeloos vee. Paulus zag hun
walgelijke gebaren, onnoembaar gemeen, en roode, kwijlende monden op
elkaar gedrukt. Onder dat alles door sprongen de schokkende lijven wild
dooreen, in woedenden rondedans.
Paulus stond geslagen van wanhoop en ontzetting.
Daar wás het nu, het volk, dat leefde in ellende en ontbering en waar
zijn hart voor had gebloed. Daar wás het nu, een troep vuil, redeloos
vee, dol en bezeten in bête, bruut enthousiasme voor wat schittering en
wat glans, blêrend als schapen, juichend in donderende hoera’s voor een
vorstin, die onverschillig was voor zijn ellende. O! Had Marcelio dan
gelijk?... Verdiende het niet beter dan kruipend, zwoegend slachtoffer
te zijn?
Was daar nog ooit íets van te maken? Had hij zich dáárvoor afgepijnd in
martelende gedachten, was hij dáárvoor biddend ópgegaan naar de
prinses, om af te smeeken haar erbarmen? Het was een dolle, vuile bende
beesten, meer niet, die hier rondkrioelde. En ook beneden in de stad,
die honderdduizenden, die daar liepen te bulken door de straten, zij
allen waren van hetzelfde, brute pak, dat alleen was te regeeren met
log geweld van bajonetten en kanonnen. Hadden dáárvoor dan al de groote
filosofen hun innigste ziel uit-gedacht, hadden dáárvoor de groote
vrijheidsdichters gezongen, om tot dit armzalig resultaat te geraken.
Hadden dáárom Elias en zijne vrienden hun leven gewijd aan de zaak van
de evolutie der menschheid? Wat was nu het gevolg geweest van al hun
moeizaam streven? De honderdduizenden liepen in dichte drommen door de
stad, brullende, blêrende, half-dronken van opwinding en jenever, nu
zij verblind werden door wat uiterlijke praal van staatsie-optochten en
illuminatie, en zij huilden en hoera’den hun longen pijn, om te vieren
de ontwijding van hun maagdelijke, lelieën kroonprinses door het zwarte
monster uit Moscovië.
Al doller en doller werd de duizelende dans der donkere drommen. Zij
wisten niet meer wàt ze deden, wàt ze wilden, en krijsen ten hun rauwe
kreten krankzinnig in het rond. Eindelijk riep een hooge, huilende
mannenstem: „De Prinses! De Prinses!” En dadelijk herhaalden duizenden
monden dien roep. Afzichtelijke wijven schreeuwden haar naam
familiaarder, dan dien van haar kind. „Leliaantje!” riepen zij, „ons
Leliaantje moet komen! Hip hip hip hoera!” Als een stormwind loeide het
lawaai tegen het witte paleis op. Het volk zocht een afgod, om áán te
kunnen brullen, in zijn oude, ingeboren neiging om iets te aanbidden,
zooals de woeste barbaren aanbaden de zon of de maan.
Er kwam een golving in de zwarte massa, als in een zee, en langzaam
drong zij naar voren.—
Commando’s klonken hoog op van vóór het paleis, signalen schetterden
van trompetten, en de soldaten maakten zich al gereed om de redelooze
massa terug te dringen met sabel en bajonet.
Toen stond opeens de ontzaglijke menigte stil, als onder een
betoovering.—Alle geluid verstomde en roerloos stonden de donkere
drommen in diep zwijgen.
De groote, glazen deuren in ’t midden van de eerste verdieping waren
opengegaan en het volk had dit nauw gezien, of het was stil geworden,
als in een kerk, als de hostie wordt geheven.—
Toen, als een wondere, hemelsche verschijning, trad de blanke
konings-maagd op het balcon. Haar wuivend gewaad, zacht bewogen in den
avondwind, was witter dan het transparante porseleinen marmer van den
paleis-wand achter haar. Het gouden haar glansde als een lichte aureool
om haar lelie-blank angeliek gezicht. Een schitterende diadeem van
diamanten flonkerde op het ranke hoofd. Er straalde als een eigen licht
uit haar, van een blanke engelen-ziel, rayonneerend om haar heen....
En het was Paulus, of daar een licht, heilig hemelwezen was verschenen,
uit een wondere, transcendente sfeer, neêrziende van uit haar verre
hoogte op de donkere stervelingen daar beneden, die wachtten op haar
zegen.
Nog èven hield een magnetische toover de menigte gevangen.—Als
deemoedig, vernederd, midden in zijn woeste orgie, was het volk beneden
zwijgend. De witte gestalte op het balcon stond roerloos, zacht
neerziende naar de laagte, als een beschermende, zegenende engel. De
diamanten van haar diadeem schitterden als sterren om haar gouden
hoofd....
Toen brak opeens het hooge moment, en een donderend hoera steeg op uit
de dolgeworden menigte, zóó geweldig en grof, dat het evengoed een
vervloeking had kunnen zijn als een huldiging.
Paulus rilde van afschuw, en voelde het woeste gejuich als een brutalen
hoon tegen het stille, maagdelijk witte van de engelen-figuur daar
boven. Nu hij haar weer zag, in haar blanke gewaad van onschuld gehuld,
was hij de geheele vernedering in Monte-Regina weer vergeten, en wist
hij niets meer van het onrecht, dat zij hem toen had aangedaan. Zij was
alleen het witte, het reine, uit die hooge, teêre sfeer, waarin zijn
ziel haar aanbad.—
Het volk huilde en juilde altijd maar door, als een troep brullende,
vermaledijde monsters uit een hel. Daar bóven stond prinses Leliane,
als een engel uit het paradijs, neerziende op de verdoemde drommen, die
beneden rondkrioelden in het duister.—En Paulus dacht aan den Dag des
Oordeels, het laatste Gericht, als de zalige zielen uit de hemelen het
aanzien, dat de eeuwige vloek de donkere zondaren treft.
Maar opeens werd zijn droom wreedelijk verstoord. De prinses boog zich
lachend over het balcon, en neigde herhaalde malen vriendelijk tegen de
brullende bende, en wuifde haar wenkend toe met een zakdoek.
Toen steeg het wilde enthousiasme ten top. Het was een geloei van
woedende hoera’s, of een stormwind aanwoei. Duizenden roode gezichten,
afschuwelijk, in den bevenden gloed van aangestoken fakkels, grijnsden
omhoog naar het reine, witte beeld. En in haar lachen en wenken en
buigen was het, of die blanke prinses zich daar stond te geven aan die
brullende, dronken drommen, die haar ontwijdden met hunne blikken.
Daar naderde, van den achtergrond van het balcon een groote, zwarte
schaduw, hoog en ontzaglijk.... En Paulus voelde het. Dáár kwam het
Beest aan....
Gróóter dan zij.... zij reikte maar even tot zijn schouder.... een
grimmige, kolossale reus, kwam hij naast haar staan. Paulus zag het
roode, door drank verwoeste gezicht uit den langen, zwaren baard
loenschen. Al dat haar, dat óók dicht om zijn hoofd groeide, deed
denken aan een ruigen, zwarten monsteraap. In het helle licht van de
electrische lampen, om het balcon, zag Paulus zijn donkere oogen
schitteren van een onheilig vuur.
Toen gebeurde het vreeselijke, gedrochtelijke, dat de zwarte Moscoviër
schaamteloos zijn arm durfde leggen om den witten, teêren schouder van
de blanke prinses. Het was als een brutale inbezitneming, een
ontwijding, ten aanschouwe van het gansche volk.
Maar de dronken drommen beneden werden als dol door deze familiare
konings-vertooning vóór hun schennende oogen. Een nieuw gebrul huilde
op van beneden, hooge gillen sneden door de lucht, hoeden werden omhoog
geworpen, vuurzwermen knalden.
De witte prinses neigde en neigde, wuifde en wuifde, teêr en frêle
onder den zwaren arm van den ruigen reus, die bóven haar oprees,
triomfantelijk, domineerend....
Toen sloeg Paulus de handen voor de oogen, om niet meer te zien, wendde
zich ijlings om en holde, als een krankzinnige, terug, den weg dien hij
gekomen was. Dit was te véél... dit was het allerláátste... nu kón hij
niet meer... nu was het úit... nooit, nooit zou hij meer kunnen wonen
in deze stad van ontwijding en verschrikking, waar alles was verrot en
bedorven... o wèg, wèg nu... lucht!... lucht!... reine, frissche lucht
van boomen en van bloemen... de vunze adem van al die verhitte, dronken
kerels stonk nog om hem heen... wèg nu toch, wèg, voor goed... vèr van
al die menschen, van die beesten, die zich lieten trappen en getrapt
wílden zijn, door hun lagen, servielen aard... o! hij stikte, als hij
nu niet weg kwam... en hij wàs al besmet, hij was gestrééld geweest
door den lof uit vuile monden... hij had de handen gedrukt van
lasteraars en verraders... bah!... hij wálgde, hij walgde, van de stad,
van de menschen, van zich zelven... er was nog maar één uitkomst... wèg
nu, wèg naar het goede, trouwe Bosch, waar zijn ziel was gegroeid in
reinheid en rust...
Toen ijlde hij terug naar zijn kamer, vastbesloten te vluchten uit de
stad. In groote haast schreef hij een kort briefje aan Marcelio en een
ander aan Elias, wien hij vertelde waar hij naar toe ging, en ook
uitduidde waar het Bosch ongeveer lag, waarin hij rust voor zijn ziel
ging zoeken. Zenuwachtig keek hij in een spoorboekje. Gelukkig, er was
nog één laatste nachttrein, die aan het grensstation ophield waar hij,
nu anderhalf jaar geleden, met Marcelio was aangekomen. Als hij maar
eenmaal dáár was, zou hij wel een gids kunnen vinden, die hem den weg
wees over de bergen. Hij pakte nog even de drukproeven van zijn verzen
in, en schreef er het adres op van Lavelane. Toen stak hij het geld bij
zich, dat in de lade lag van zijn tafel. Niets nam hij mede dan een
bundeltje oude papieren van vroeger uit het Bosch en een exemplaar van
zijn sprookje. Toen liep hij gejaagd de trap af en spoedde zich, zoo
hard hij maar loopen kon, naar het station. De trein was juist op het
punt om weg te stoomen, toen hij met moeite nog een portier kon
openrukken en instappen. Een gillend gefluit, een sissend gebriesch van
stoom, en Paulus voelde zich wègrollen in razende vaart.
Daar gíng hij dan, eíndelijk. o! Hoe verrukkelijk was die sensatie, nu
wèg te vliegen in de ruimte, vèr van de verschrikking der stad! Hij zag
de lange rijen lichten der illuminatie al flauwer en flauwer worden, en
de donkere, dreigende gevaarten van hooge gebouwen en fabrieken weken
ijlings weg, zoodra ze even óp waren gedoemd uit het duister. Iedere
seconde bracht hem verder en verder van de benauwing der steenen
kolossen, en hij had kunnen schreeuwen en gillen van opwinding, om
gauwer te hollen, nóg gauwer, wèg naar de vrijheid en de reine, zuivere
lucht, waar geen huizen waren en geen menschen. Nu was het dan toch
voor góed, zonder weifeling meer, hij had het gedaan, eíndelijk, en nu
reisde zijn moede ziel de reine rust tegemoet. De pijn in zijn hoofd
verzachtte bij het denken aan de pure, koele lucht van de bosschen,
waar hij morgen in terug zou komen. Toen doemde het wijze, rustige
gelaat van Willebrordus voor hem op. Ook híj had de verschrikking van
de menschen en de steden geweten, véél schrijnend leed moest over zijn
hoofd zijn gegaan, en tóch was dat nobele gezicht eindelijk opgeklaard
tot die uitdrukking van kalm, sereen weten, die was als een pure
avond-hemel, als geen wind meer beweegt. En Paulus voelde een groot
verlangen, om neer te knielen voor zijn’ grijzen grootvader, en te
voelen de zachte kalmeering van de zegenende handen op zijn hoofd.
Teeder, als een minnaar denkt aan zijn Liefste met reine, adoreerende
gedachten, mijmerde Paulus, alleen in den coupé gezeten, over het
Bosch, dat hij zou terugzien, terwijl de sneltrein hem met razende
vaart voortrolde door de ruimte.
Laat in den nacht kwam hij in het grensstation aan, waar hij in een
klein logement overnachtte en, moê van al de aandoeningen, dadelijk
insliep, tot laat in den morgen.—Voor een goede belooning vond hij een
paar landlieden, die zich lieten overhalen hem over de bergen te
brengen, waarachter het groote oer-woud moest liggen, dat Leliënland
aan de Oostgrens afsloot. En hij maakte nu denzelfden tocht, dien hij
ééns met prinses Leliane had ondernomen, en herkende met een vagen
weemoed dingen van het vroeger geziene.—
De gidsen waren verwonderd, dat hij dien kant op wilde, waar nooit een
reiziger voor zijn genoegen kwam, en vroegen hem, of hij wel wist, dat
hij in het onherbergzame bosch niemand zou vinden dan een paar
houthakkers hier en daar.—Ergens, heel ver weg, in het diepste van het
woud, moest ook nog een oude kluizenaar wonen, een grijze Wijze, van
wien ze wel eens vaag hadden gehoord. Het moest een prins zijn, zeiden
ze geheimzinnig, die zich vrijwillig had begeven in de eenzaamheid,
omdat hij moede was van de dingen der wereld....
Paulus antwoordde niet veel en luisterde maar half naar hun gepraat, te
diep verzonken in gepeinzen...
Na twee uur klimmen en dalen hielden de gidsen eensklaps stil.
Paulus uitte een kreet van vreugde....