Gedurende de eerste maanden, die voorbijgingen, kreeg Paulus telkens
nieuwe verrassingen over zijn boek, couranten-artikelen, stukken in
tijdschriften, particuliere brieven.—
Op een avond kwam Marcelio hem een invitatie brengen van den
hoofdredacteur Duval, van „Het Morgenrood”, om deel te nemen aan een
der beroemde maandelijksche diners van de redactie. Dit was een groote
onderscheiding, zeide Marcelio, want die redactie van „Het Morgenrood”,
het eerste en oudste literaire tijdschrift van Leliënstad, was zeer
exclusief, en het was een bijzondere eer, in haar kring te mogen
aanzitten.
Paulus wilde eerst voor de uitnoodiging bedanken, maar Marcelio zeide
hem, dat zijn geheele positie van schrijver er mede gemoeid was. Het
zou gelijk staan met zich voor goed onmogelijk te maken, als hij zulk
eene invitatie afsloeg. Paulus wilde toch immers van zijn werk leven,
en van niemand afhangen? Dan moest hij ook zorgen, dat hij bestaan kon,
en de machthebbers niet noodeloos tegen zich maken.—
Er was niets aan te doen, hij móest gaan, als hij niet alles weer wilde
bederven. Met een gevoel van zelfverwijt in het hart, alsof hij iets
prijs ging geven, schreef Paulus, dat hij vereerd was, van Duval’s
vriendelijke uitnoodiging gebruik te maken.
Den volgenden avond kwam hij, deftig gerokt, het haar gefriseerd door
een bekwamen kapper, in het groote Restaurant des Princes, in de
Koninginnestraat, waar het redactie-diner van „Het Morgenrood” zou
plaats hebben. Hij werd door een buigenden kellner in het gereserveerde
zaaltje gelaten, waar hij opeens tusschen een achttal serieuse oude
heeren stond. Zij imponeerden hem met grijze haren en baarden, met
gouden brillen, en het air van geposeerde gewichtigheid, dat hen omgaf.
„Aha! Daar hebben we onzen jongen prins der droomen,” riep Jacob Duval
vroolijk uit, en nam Paulus beschermend bij de hand. „Heeren, mag ik u
voorstellen.... Paulus.... den schrijver van het charmante sprookje „De
Prins en de Fee”, die ons het genoegen zal doen heden avond met ons aan
te zitten.”
Paulus boog.
Hij hoorde een paar bekende namen op het gebied van kunst en
wetenschap, met doctors- en professorentitels er voor. Die mannen waren
allen grooter van gestalte dan hij, waardoor ze op hem neerzagen,
beschermend, vriendelijk, vooral zíj die hem aankeken van achter hun
gouden brillen.—En weêr voelde hij zich klein, en minderwaardig, bij
zooveel officiëel gewichtigs.
Héél achter zijne verwarring bleef nog een flauw bewustzijn: „Dit zijn
de mannen, die Wederich en Lavelane hebben bespot, die gehoond en
geschimpt hebben het mooiste en zuiverste,” maar, als om die gedachte
onwerkelijk te maken, hoorde hij opeens Duval zeggen: „Nu wachten we
nog alléén maar op Wederich, onzen nieuwen mede-redacteur.”—
En juist kwam een bleeke, magere man binnen, onhandig en verlegen,
besluiteloos staanblijvend, of hij eigenlijk niet goed verder durfde.
Paulus voelde de tranen in zijn oogen komen van teleurstelling en
medelijden. Dit was dan de ideale held van zijn jonge droomen in het
Bosch, dien hij had vereerd als een heilige, en nù was hij hier
gekomen, om de handen te drukken van de vijanden van het mooiste en
innigste uit zijn ziel. Het violette lintje van de orde van de
Diamanten Ster was in zijn knoopsgat.
Wederich liep nu schoorvoetend, schuchter als een schooljongen, op al
de heeren toe, onderdanig buigend, met iets van een lakei in zijne
bewegingen. Toen hij aan Paulus werd voorgesteld, kwam hij meer op zijn
gemak, alsof hij voelde, dat hij voor het fijne en teêre in hèm niet
bang behoefde te zijn. En hij keek hem vriendelijk, ietwat beschermend
aan. Paulus dacht opeens aan al het wondere mooi, dat die man ééns aan
zijn ziel had gegeven, en de herinnering aan dat zuivere genot deed hem
al het latere vergeten. Eerbiedig boog hij voor de ziel, die altijd nog
in dien man moest zijn, en stamelde ontroerd een paar warme woorden van
vereering en dank.
Toen gingen de heeren aan een prachtige, van zilver en kristal
schitterende tafel zitten, waar achter lakeien in blauw en goud statig
wachtten. Paulus werd een plaats aangewezen tusschen Wederich en Duval.
Hij voelde zich nog altijd klein en nietig, tusschen al die geleerde,
beroemde heeren, maar met een sluimerend bewustzijn, dat er tóch iets
in hem was, beter misschien, dan zij allen te samen. Hun stemmen
klonken luid en gezaghebbend, en als vuurwerk schitterden hun
gesprekken vol geest en gloed. Er werd gesproken over oude wijsheid,
die hij niet kende, over boeken, waar hij nooit de titels van had
gehoord, over uitvindingen van groote geleerden, die hij niet begreep.
Hij was daar maar heel onbeduidend en onwetend bij. Het was allemaal
zoo verschrikkelijk deftig en officiëel. Die menschen hadden zulke
wijze, overtuigde gezichten, en wisten zoo onnoemelijk veel. En onder
al die ontzaglijke dingen van wetenschap en kunst zaten zij als
deskundigen met groote kennis van zaken de fijne gerechten te proeven,
en ledigden zij gretig de kristallen kelken met fonkelenden wijn. De
atmosfeer was zwaar van de geuren van vleesch en wildbraad, en het werd
drukkend warm in het zaaltje. De vorken tikkelden voortdurend met een
irriteerend geluid op de borden. Rood werden de gezichten der etende
geleerden.
Toen dacht Paulus ineens: „Wat heeft dit met mijn ziel te maken?... Wat
kan er ooit voor moois uit deze menschen komen, dat mijn ziel kan
aandoen?...”
En opeens vond hij het onbegrijpelijk dwaas, dat hij daar zat, hij, met
zijn jonge, warme hart, die de grandiose schoonheid had aanschouwd van
het Bosch, dáár, tusschen die deftige, gewichtige meneeren, die zoo
genoeglijk hun eten zaten te kauwen, pratende over allerlei hooge,
edele dingen, die onbestaanbaar leken in dit warme, bedompte zaaltje
vol etensgeuren en heete gaslucht. Waar was hij dan toch in Godsnaam
toe gekomen?
Er werd weinig acht op hem geslagen. Nu en dan zeide een van de heeren
even iets tegen hem, minzaam, uit beleefdheid. Het was al een heele
eer, dat hij mede mocht aanzitten. Wàt zij zeiden, waren banaliteiten
over het eten en het weer, buiten de sfeer van zijn ziel.
Eindelijk zeide ook Wederich iets, die zwijgend naast hem had gezeten.
„—Ik heb dat sprookje van u zoo mooi gevonden, meneer Paulus.... het
heeft me tot een sonnet gebracht.... u heeft dat zeker gelezen...?”
„—Ik dánk u er voor,” antwoordde Paulus zonder warmte, want hij had het
vers niet mooi gevonden. Maar inééns dacht hij ook weer aan al het
mooie van vroeger, en hartstochtelijk zeide hij, hem ontroerd
aanziende:
„Maar nog véél meer dank ik u voor uw eersten bundel „Gedichten” van
vroeger.... U wéét niet wat uwe verzen in mijn leven geweest zijn....
hoe ik er over gehuild heb, en hoe ik uw boek altijd bij mij droeg en
het ’s nachts zorgvuldig bewaarde onder mijn kussen.... o! en al het
mooie toen, in uw tijdschrift „De Lotus”, samen met Lavelane...!”
„Sstt! Sstt!” zeide Wederich. „Dien naam moogt u híer vooral niet
uitspreken.... Dat is zijn eigen schuld, hij wil niet met zijn tijd
meegaan, Lavelane, en staat nu moederziel alleen, in zijn belachelijk
isolement.... Zóó, vondt u mijn eersten bundel „Gedichten” zoo
mooi?.... zóó, zóó.... wat wild en wat naïef toch nog.... mijn
„Jugendsünden” noem ik ze nu.... iedereen heeft nu eenmaal zoo’n
zwarten tijd doorgemaakt....”
Paulus keek hem aan, sprakeloos van verbazing. Hij kon niets meer
antwoorden. „Jugendsünden”... „zwarten tijd”.... het gaafste en
zuiverste, dat ooit uit die dichterziel was opgeklonken!.... Er was
iets hoekigs en straks in Wederich’s gezicht. Het leek Paulus, of er
iets in hem dood was. Zijn bleek, tragisch-leelijk hoofd kwam bijna
ridicuul uit den hoogen boord op, en zijn magere lichaam deed
potsierlijk in den rok.... Het was om te lachen en tegelijk om heel erg
te huilen, het vruchtelooze pogen van den eenvoudigen, gewonen man uit
het volk om een verfijnde meneer te schijnen.
Naarmate het diner vorderde, werd de stemming onder de heeren
vroolijker. Een deftige professor zeide een woordspeling over
geslachtelijke dingen, die luid werd toegejuicht. Een ander vertelde
iets over de liefde van twee beruchte actrices, die onafscheidelijk
waren, en niets van mannen wilden weten. De gesprekken kleurden zich
lichtelijk obsceen.
Toen begon Jacob Duval over een nieuw op te richten Academie, waarin
enkel poëten zitting zouden hebben, en geen prozaschrijvers of
historici. Dit zou iets eenigs zijn in de geheele wereld, een academie
van enkel zuivere dichters, uit tien leden hóógstens bestaande. Een
luidruchtig debat ontstond over de vraag, wie de tien uitverkorenen
zouden zijn. Géén der geleerde mannen was het met een ander eens, wie
het eerst van allen in aanmerking zou komen.
Eindelijk zeide Jacob Duval, een ingeving krijgend:
„En u, meneer Paulus, wat denkt ú er van?... U staat nog zoo heelemaal
buiten de partijen... en uw oordeel is nog door niets geïnfluenceerd...
wie vindt ú nu wel, dat allereerst in aanmerking zou komen van de
echte, zuivere dichters?...”
Paulus dacht aan zijn heerlijke avonden in het Bosch, toen hij lag te
droomen over de verzen van zijn liefste dichters. En naïef, zonder erg,
zeide hij:
„Lavelane!”
Wederich trapte hem waarschuwend op den voet, maar het was te laat. Al
de deftige heeren keken, als waren zij beleedigd, vóór zich. Het was of
iets onheiligs was opgeklonken tusschen hun heilige eet-ceremonie.
„Bah!... Lavelane,” zei een lange, magere professor verachtelijk.
Jacob Duval trachtte het nog zoo goed mogelijk te maken, en zeide
schertsend:
„Maar meneer Paulus... wat is u nog naïef!... weet u wel, dat u een
„enfant terrible” bent!...”
Paulus begreep het nog niet goed, en antwoordde zonder erg:
„Lavelane is toch een groot dichter!”
Toen zeide een oude professor, lang-gebaard, met een grimmige
uitdrukking op zijn gezicht:
„Lavelane moge een dichter zijn, hij is een man zonder principes,
zonder piëteit, die geen eerbied heeft voor wat zijn voorgangers gedaan
hebben, en zonder égards, voor wien of wat ook, alles neerhaalt wat
officiëel erkend is tot de literatuur te behooren. Er is voor dien man
niets heilig.”
„—En bovendien,” zeide Jacob Duval, als om het láátste, dóóddoende
argument te geven, „Lavelane is geen heer, geen gentleman, en is niet
iemand met wien je bijvoorbeeld aan tafel zoudt kunnen zitten, en dien
je in gezelschap zoudt kunnen presenteeren.”
Paulus zweeg, verbaasd, tè overweldigd door zooveel onrechtvaardigheid,
om nog iets te kunnen zeggen. Geen heer, geen gentleman voor dat
gezelschap van oude, wijze geleerden, die zich amuseerden met schuine,
obsceen getinte anecdotes over geslachtelijke dingen!
En Wederich, ééns Lavelane’s beste vriend, hij bleef zitten of er niets
gebeurd was, en uitte géén enkel ridderlijk woord om hem te verdedigen!
Hij zat daar, „heer” geworden jongen uit het volk, potsierlijk in zijn
veel te wijden rok, het lintje glimmend in zijn knoopsgat, heulend met
zijn vroegere vijanden, waar zijn groote, beste vriend werd beschimpt.
En hier, in déze bende zou híj nu óók moeten treden; met déze menschen
zou hij óók moeten omgaan, nederig en onderdanig, om óók te mogen
behooren tot de officiëele letterkunde van beschaafde, erkende
schrijvers, en er geld mede verdienen, om te kunnen bestaan? Hij vergat
alles, wat Elias hem gezegd had, en voelde een onweêrstaanbaren drang
in zich opkomen, om zijne verontwaardiging te uiten. Het kropte nog te
veel in hem op, en het duurde geruimen tijd eer hij iets zeggen kon.
Totdat een van de professoren opstond, en met hoog-geheven
champagnekelk een toast uitsprak op Wederich, den nieuwbenoemden
redacteur van „Het Morgenrood.” Hij wees er op, hoe Wederich in den
loop der tijden zijn vroegere onrecht had leeren inzien, en zich thans
ridderlijk verzoend had met wie vroeger zijn vijanden waren, zóó
oprecht zelfs, dat hij nu het redacteurschap had aanvaard van hetzelfde
tijdschrift, dat hij vroeger zoo fel had bestreden. Thans, nu hij zich
bevrijd had van den verderfelijken invloed, dien de literaire anarchist
op hem had uitgeoefend, die zich Lavelane noemde....
Hier kon Paulus zich niet langer bedwingen. Bevend van verontwaardiging
stond hij op, en riep met luide stem over de tafel:
„—Zeg liever, thans, nu hij zijn besten vriend en zijn heiligste
gevoelens heeft verraden, professor!.... Lavelane is de grootste
dichter dien wij bezitten, en hij staat dáárom alléén, omdat hij niet
mede wil knoeien met de groote, officiëele bende.... Wat heeft dit eet-
en drinkgelag met de literatuur te maken, dit vráág ik u...? ik scháám
mij hier aan te zitten met mannen, die het heiligste, wat de literatuur
bezit, durven beschimpen!....”
Hij gooide het glas, dat vóór hem stond, aan stukken, en liep ziedend
van drift de zaal uit, terwijl de deftige geleerden van de officiëele
literatuur, als door den bliksem getroffen, bleven zitten, en elkaar
wezenloos aanstaarden van opperste verbazing over zóó iets fabelachtigs
en ongehoords....
Buiten gekomen, haalde Paulus diep adem. Dat deed goed, die frissche,
koude avondlucht na de bedompte eet-atmosfeer van de zaal. Hij voelde
zich van een grooten druk bevrijd, nu hij het eindelijk gezegd had, en
hij schaamde zich diep, dat hij werkelijk een tijd had kunnen buigen
voor de onwaardige bende, uit klein, benepen eigenbelang. Hij had geld
verdiend met zijn boek, en hij zou nóg meer geld verdienen, naarmate
het meer verkocht werd. Hij was nu ook beroemd, en ieder kende zijn
naam. Maar gebógen had hij; en al had hij positief niets slechts
gedaan, negatief had hij gehuicheld, door onderdanig te wezen tegenover
de machthebbers en het poenendom.
Maar nú was hij dan vrij, eíndelijk, eíndelijk vrij! Nu zouden ze hem
beschimpen, en bekladden en uitstooten, maar vríj wás hij. Zijn werk
zou nu wel worden afgebroken, het debiet van zijn boeken zou dalen, en
dan zou hij misschien wel ééns moeten hongerlijden, .... maar o! vríj
zou hij toch zijn en blijven! Was het dan niet beter en heerlijker, om
ellendig te zijn mèt de verdrukten, mèt de verworpenen, en de afgetobde
hoeren van de straat, dan rijk en beroemd te wezen met de onwaardige
usurpateurs van de literatuur, die het heiligste goed verzaken voor wat
glorie en wat geld?
Op zijn kamer teruggekomen zocht hij al de critieken en besprekingen
over zijn boek bij elkaar, verscheurde ze alle, maakte er een grooten
hoop papier van, en wierp het pak in den haard. Met een innig genoegen
zag hij de mooie vlammen er uit opslaan. Daar gingen de lof en het
opgehemel en het gevlei van de verdorven, vijandige bende, die hem
bíjna vergiftigd had door haar zoet gefluit. Wát kon het waard zijn
geweest, het kunstige sonnet van Wederich „Aan de Reinheid,” het lange,
geleerde artikel van Jacob Duval, die hem met Dante had vergeleken, en
al die andere prullen van de officiëele machthebbers méér, als niet één
van hen in staat was, het valsche van het echte te onderscheiden?
Wederich, de verrader, de kunstige rijmelaar van nú, gevierd en geëerd,
en Lavelane, de éénige die zijn ziel had rein gehouden, beschimpt en
gehoond! En hoe had hij, Paulus, dan den lof van die schennende bende
kunnen aanvaarden? Hij rilde van schaamte over dit denkbeeld.
Toen voelde hij een onweêrstaanbaren aandrang, om eíndelijk toch eens
Lavelane te zien, en hem op te zoeken in de misère, waarin hij moest
leven.—Elias, die op alle officiëele grootheden neerzag, maar eene
groote bewondering voor Lavelane had, omdat hij zuiver was gebleven en
liever eerlijke armoede leed, dan een rijkdom te zoeken als die van
Wederich, had hem veel van den uitgestooten dichter verteld.—Lavelane
was voor velen een soort legendarische figuur geworden, die beurtelings
het leven leidde van een heilige en van een ontaarden wellusteling. Hij
was te vinden in de duistere krochten van Leliënstad, omringd door een
troepje décadenten, die zich hadden meester gemaakt van het, na
Wederich’s vertrek uiteengespatte, tijdschrift „De Lotus”.—Hij leefde
met een afzichtelijke negerin, die een demonisch-sensueelen invloed op
hem uitoefende, en aan wie hij de prachtigste sonnetten wijdde, waarin
hij haar vergeleek met den nacht, die zijn ziel verborgen hield voor
het gemeen. In een roes van bijna altijddurende dronkenschap zwijnde
hij het leven door in orgieën van het laagste allooi, waarin geen
champagne, maar enkel absinth en jenever vloeiden. In plotselinge
opflikkeringen van luciditeit schreef hij dan onverwacht, op een hoekje
van een vuile tafel, een vers, dat zijn vrienden gauw moesten wegnemen,
omdat hij het anders tóch weer zou verscheuren, en dat later klassiek
zou worden. Dán was hij weer in eens verdwenen, zonder dat iemand wist
waar hij was, en later bleek, dat hij ergens vèr op de heide had
gezeten, in een hut, waar hij een bundel sonnetten had geschreven: „Van
Eenzaamheid”, in stil verkeer met zijn onsterfelijke ziel.—En daarna
dook hij weer onverwacht op in de stad, altijd weer ergens anders, om
zijn schuldeischers te ontloopen, zonder vaste woning, zonder adres,
overal gevolgd door de afzichtelijke, zwarte vrouw, die als een
dreigende schaduw achter hem was.—In den laatsten tijd werd hij veel
gezien in de Martelaarssteeg, een zijstraat van een buiten-boulevard,
in het „Café Dufour”, een rendez-vous van schooiers en mislukte
artiesten.—
Het was al laat, tien uur, maar Paulus kon zijne opwelling niet
bedwingen, om nú, vanavond nog, Lavelane te zien. Hij trok zijn rok
uit, deed een halfgekleed avondcostuum aan, en nam de electrische tram
naar den buiten-boulevard, waar hij naar de Martelaarssteeg ging
zoeken. Na veel vragen aan voorbijgangers kwam hij eindelijk terecht.
Het was een donkere, armoedige buurt, louche en verdacht, waar de
vierde rangs prostitutie rondwoekerde, voor verloopen studenten, en
râtés, en verongelukte artiesten. Bijna ieder huis was een hol van
ontucht, of een kroeg. Verdacht uitziende kerels liepen voor de deuren
heen en weer, kwartjesvinders, of gidsen naar infame gelegenheden, of
souteneurs. Agenten liepen hier en daar rond, om vreemde voorbijgangers
te waarschuwen. Meiden met poneyhaar, in havelooze kleeren, slenterden
lonkend heen en weer.
Paulus vroeg een agent naar het „Café Dufour” en trad, half-bang,
schoorvoetend het kroegje binnen, waar hij den dichter zou zien, die
zijn onsterfelijke ziel had uitgezongen in onsterfelijke liederen. Een
dikke walm van tabaksrook kwam hem tegemoet, en in het eerst kon hij
menschen en dingen moeilijk onderscheiden door dat vunzige, blauwe
waas.
Aan eenvoudige, wit-geschuurde tafeltjes zaten groepjes mannen en
vrouwen bijeen, luidruchtig pratende en zingende. De meeste mannen
hadden het haar lang, op de schouders hangende, het hoofd bedekt door
een breeden, slappen flambard.
Zijn binnenkomen van net, jong heertje in fijne kleeren, wekte al
dadelijk opschudding. Spottende gezichten keken naar hem, grijnzend,
een paar meiden knipoogden, en een kerel, die bij de deur zat, nam
grinnikend zijn hoed af, en boog tot op den grond.
Een gemeen uitziende kellnerin, met vette, geplakte haren en half-open
borst kwam op hem af en vroeg, schijnbaar onderdanig: „wat zal meneer
de graaf gebruiken?... Champagne hebben we hier niet!”
Een ruw gelach ging op na deze woorden, en aller blikken waren op hem
gericht.
„Geef me een glas bier,” antwoordde hij beleefd, en ging kalm in een
hoekje zitten, waar een leege stoel stond. Hij begon nu te begrijpen,
dat het verkeerd van hem was geweest, hier in dit costuum van heer te
komen, in plaats van zich als een verloopen artiest voor te doen. Hij
voelde zich weer klein en nietig in al dat grove, bruyante om hem heen.
Al die mannen hier hadden zware stemmen en breede gebaren. Zij hadden
groote snorren en baarden, en wilde, roode gezichten. Een hard, scherp
gelach klonk uit hen op, en zij zetten hun glazen neer met een woesten
slag op de tafel. Hij voelde, dat het enkele feit van zijn hier binnen
komen, als wèlgekleed, beschaafd heertje, hun vijandig moest zijn.
Het leken allen zoowat mislukte artiesten, zooals hij er wel eens in
illustraties had gezien, en op spotprenten bij Marcelio.
Hij keek aandachtig rond, of hij ergens iemand zien zou, die Lavelane
kon zijn, maar geen der gezichten, die hij een voor een bekeek, leek
hem toe, dat van den grooten dichter te kunnen zijn.
„O hé, meneer de graaf!” riep er een, spottend, „waar kijk je toch zoo
naar, mooie meneer?.... zoek je hier wat?... je bent zeker verkeerd...
wat kom je hier eigenlijk doen, monsieur le capitaliste?...”
Maar Paulus liet zich niet overweldigen door de harde stem, die hem dat
toeschreeuwde.
„—Dat wil ik u wel zeggen, wat ik hier kom doen,” antwoordde hij kalm.
„Ik kom hier enkel, omdat ze mij verteld hebben, dat ik hier Lavelane
kon zien, den grootsten dichter van Leliënstad, en ik zou gelukkig
zijn, als ik hem de hand mocht drukken.”
Een stomme verbazing kwam over de grove gezichten van de mannen, die
aan het tafeltje zaten, vanwaar de spottende stem was gekomen. Een
jonge, bleek uitziende kerel, mager, eenigszins beschonken, stond op,
en kwam op hem toe. Zijn gezicht was vol harde trekken, woest van
hartstocht en wellust, maar met een prachtigen mond, als van een
Griekschen god, en een nobel, hoog voorhoofd.
„—En wie bén jij dan wel?” vroeg hij uitdagend, „dat jij het wagen
durft, zoo’n groote gunst te komen vragen? Het zijn gewoonlijk niet de
mooie meneeren met fijne manieren en elegante mode-pakjes aan, die ooit
de eer hebben, de hand te drukken van onzen godbegenadigden dichter.”
„—Dat doet er weinig toe, wie ik ben,” antwoordde Paulus, zijn best
doende om rustig te blijven. „Ik heb Lavelane’s verzen gelezen, en ik
houd van hem en vereer hem. Dat moet genoeg zijn.”
Juist wilde het bleeke jongemensch nog wat zeggen, toen de deur
openging, en van het tafeltje, van waar hij gekomen was, de kreet
opging: „De Meester!... de Meester!”
En Paulus zag een groote, zware gestalte, ietwat waggelend, gebogen van
zwakte, met een rood, dreigend titanen-hoofd, wild-zinnelijk, waaruit
twee zachte, licht-blauwe heiligen-oogen vreemd voor zich uitstaarden,
als in vage verten. Het was een sensatie, die hij zijn geheele leven
niet meer zou vergeten, die angelieke oogen, vreemd en bijzonder, in
dat roode, sensueele gezicht. En hij voelde het dadelijk, bij intuïtie:
dit moest Lavelane zijn.
Een groote, zware, woest uitziende meid stoof uit een hoek op hem af,
en vloog hem om den hals, hem ruw zoenend, dat het klapte, en een
gejuich steeg op van het tafeltje. Zóó werd de groote dichter ontvangen
door het troepje râtés en bohémiens, die hem huldigden als hun Meester,
waar de officiëele machthebbers van de literatuur hem hadden
uitgestooten als een paria. En Paulus dacht ineens aan Wederich,
vroeger Lavelane’s vriend in de misère, nú deftig, gedecoreerd,
tusschen het officiëele poenendom in rok en witte das.
Dadelijk werd een groot glas absinth voor den dichter aangebracht, dat
hij met gretige teugen ledigde en onmiddellijk daarop werd hem een
nieuw, boordevol glas toegereikt. Het bleeke jongemensch was van Paulus
weggeloopen en had Lavelane’s jas en hoed aangenomen. Een stoel was
vrijgehouden en een pijp met een zak tabak lag op de plaats van den
meester gereed. Zonder te spreken was Lavelane gaan zitten, had nog
even van zijn tweede glas gedronken, en was toen zijn pijp gaan
stoppen, zwijgend voor zich uitstarend. Dikke rimpels plooiden
onheilspellend zijn voorhoofd en gaven het een woeste, grimmige
uitdrukking. De limpide, blauwe oogen, teêr als een lentelucht in
April, schenen verwonderd, en staarden met een kinderlijke onschuld in
het rond, alsof zij van niets wisten, en ook niets van de omgeving
zagen, maar enkel hun eigen droom.
Zijn al grijzende haren leken ongekamd en verwilderd, en hingen slordig
over zijn schouders, armoedig, verwaarloosd. Hij had een oud, zwart
jasje aan, vol vlekken, en een verfrommeld, liggend boordje, zonder
das, waaronder een stukje vuil overhemd uitkwam. Zijn broek was
afgetrapt en uitgerafeld, zijn modderige schoenen waren kapot. Zijn
geheele voorkomen was tot het uiterste shabby en verloopen, van iemand
aan lager wal, die geen liefderijke zorg kent van vrouwenhand, en niet
eens meer poogt, er ooit weer bovenop te komen.
Paulus voelde een groot medelijden in zich opschreien, maar
tegelijkertijd bedacht hij met vreugde, dat die ongelukkige dichter in
die misère toch beter af was, dan Wederich, die het heiligste had
verloochend, om wat rijkdom en wat roem en wat eer. En die
schooierachtige kerels om hem heen, décadenten en râtés als zij waren,
leken hem, juist om hun armoede, toch in elk geval sympathieker, dan de
deftige, officiëele professoren en doctoren van de letterkunde en de
wetenschap, die het mooie en edele beoefenden als een vak, en zoo
koud-geleerd, zonder emotie, konden spreken over kunst. Zij gáven zich
tenminste zooals zij waren, en hun vloeken en gemeene woorden kwetsten
hem niet zoo zeer, als de verfijnde, quasi-geestige obsceniteiten, die
hij had gehoord van de deftige oude heeren in rok en witte das.
Het was een ruw taaltje dat zij spraken, dat hoorde hij wel. Om het
andere woord klonk een vloek, of een grof brok jargon. Maar hun
gebaren, wild als zij waren, leken hem eerlijk, en hun gezichten
stonden oprecht, zonder achterhouding en veinzerij.
In ’t eerst sloeg het troepje geen acht meer op Paulus, en kon hij,
vanuit zijn hoekje, Lavelane rustig gadeslaan. Maar later kreeg het
bleeke jongemensch, met het prachtige voorhoofd, hem weer in het oog,
en Paulus zag dat hij Lavelane op hem opmerkzaam maakte. De dichter
scheen er zich niets van aan te trekken, dat er iemand hier was gekomen
alléén om hèm te zien. Hij haalde verachtelijk de schouders op, toen
het jongemensch was uitgepraat, en gaf zich niet eens de moeite om even
naar hem te kijken.
Toen kwam de bleeke jongeling weer naar Paulus toe en zeide ruw: „je
kunt gerust weer uitsnijen, mannetje, je hebt géén kans, hoor! Maar wie
bèn je toch, hoe héét je? Of wil je dat niet zeggen?”
„—Ik heet Paulus.”
„Wat?” riep de ander verrast. „Toch niet Paulus, van dat sprookje: „De
Prins en de Fee?””
„—Dezelfde. En wat zoú dat?”
„—Neen maar, díe is goed,” barstte de bleeke uit, en greep hem bij den
arm. „Paulus! Een arriviste! Het protégétje van „Het Morgenrood”, en
zelfs van de kroonprinses, zeggen ze. En die híer in ons midden, om
Lavelane te zien. Maar dat is een unicum. Ik moet je vertóónen, kerel!”
En vóór Paulus er op verdacht was, had hij hem van zijn stoel gesleurd
en medegetrokken naar het tafeltje, waar zijn vrienden zaten.
„Mijne heeren!” schreeuwde hij. „Mag ik jelui voorstellen: de heer
Paulus,... de dichter van het beroemde sprookje: „De Prins en de
Fee”.... de protégé van „Het Morgenrood”.... hoera!.... en van Haar
Koninklijke Hoogheid, enzoovoorts!.... verzeild geraakt bij óns,
décadenten, bij ons, proleten en paria’s.... Lavelane!.... Meester!...
wat zullen we met hem doen?....”
Maar tot hun uiterste verbazing stond Lavelane opeens van zijn stoel op
en gaf Paulus vriendelijk de hand.
„—Ben jíj Paulus?” vroeg hij.... „zoo, zoo.... ik heb toevallig je
sprookje gelezen.... ik léés anders niet veel.... dat was goed, beste
jongen, dat was goed.... kom gerust hier bij me zitten, vent.... zóó,
hier naast me maar....”
Al de anderen zwegen nu eerbiedig, en de spot was op aller gelaat
verdwenen. Van het oogenblik af, dat Lavelane hem de hand had gedrukt,
was Paulus een vriend voor hen geworden. Een handdruk van Lavelane was
iets dat met geen goud was te koopen, en gaf grooter eer dan de hoogste
ridderorde.
„—Zóó, beste jongen,” zei Lavelane nog, „kom je mij hier eens
opzoeken?.... dat is aardig van je, heel aardig, hoor!.... maar weet je
wel, wat je doet?... je bent toch immers een protégé van „Het
Morgenrood”?.... als die luitjes het te weten komen, heb je het bij hen
verbruid!”
Paulus zag hem vol liefde aan. O! dat grimmige, woeste, áfgeleden
gezicht! Wat een smartelijke, diepe trekken! Wat moest daar een ellende
overheen zijn gegaan!.... Maar de oogen, teeder blauw, als van een
onschuldig maagdelijn Gods, weerspiegelden zijn reine, vlekkelooze
ziel. Het was hem, of hij in de lichte hemelen zag.
„O! zeg dat niet!” riep hij, hartstochtelijk. „Wat kunnen mij die
mannen schelen van „Het Morgenrood,” en heel de officiëele bende, nu ik
in úwe oogen heb mogen zien?.... denk toch niet klein van mij.... ik
ben nu vrij, héélemaal vrij!.... ze hadden mij gevraagd, die menschen,
doctoren, en professoren... om een groote, rijke tafel zaten zij, in
rok en witte das, als beursmannen en bankiers.... en naast mij zat
Wederich, die zijn ziel heeft verkocht, met een lorrig lintje in zijn
knoopsgat.... o! ik zat daar maar heel klein en heel nietig, tusschen
al die groote heeren.... totdat ze het waagden, úwen naam te noemen,
Lavelane, en ze durfden spotten en hoonen mijn liefsten, grootsten
dichter van het land, en toen...”
„—En toen?....” riepen allen om het tafeltje, in groote spanning....
„—En toen.... toen ben ik opgestaan.... ik kón niet meer.... ik zou
krankzinnig zijn geworden.... toen heb ik het hun gezegd, wat ze waard
waren, de hééle bende.... en dat ik me scháámde met hen aan te
zitten.... en ik ben weggegaan, om mij niet langer te besmetten....”
Een luid gejubel barstte los.
De bleeke, jonge man omhelsde hem geestdriftig, als een broeder.
„Heb je dát gedaan, kerel, heb je dát gedaan?” juichte hij, „dan ben je
mijn vriend, hoor! mijn vriend!”
„—Én de mijne,” riepen de anderen, en hij voelde handen, die warm de
zijne drukten, en hoorde het zoete woord „vriend” uit veler monden. Hij
schrikte van de geestdrift, die hij had opgewekt, en zijn hand deed
pijn van de forsche drukken.
Lavelane scheen verder niet eens meer alles te hebben gehoord. Na éven
te zijn opgewaakt uit zijn gepeins, was hij weer in zijn soezerigen
roes verzonken, en zat zwijgend aan zijn pijp te trekken. De blauwe
oogen staarden vaag in de verte....
Paulus zat nu met de anderen aan, één met hen door zijne vereering voor
Lavelane, maar vèr van hen af door wat zij spraken en deden. Zij
dronken glas na glas met bier, of grog, of absinth, zij rookten
cigaretten en sigaren, en maakten grove scherts met de kellnerinnen,
die hen bedienden. Zij praatten in een ietwat ploertig jargon, vol
vloeken en gemeene woorden. Hun stemmen waren ruw en heesch van ’t
drinken en ’t rooken. Zij hadden het over allerlei dingen van
literatuur en kunst, waar hij nooit van gelezen had, noemden namen van
zoogenaamd onsterfelijke dichters en schilders, die hij zich niet
herinnerde ooit te hebben gehoord, en reciteerden nu en dan een vers,
door allen toegejuicht, waar hij absoluut niets van begreep. Hij raadde
in hen het opgeschroefde, het verwrongene, het wanhopige pogen, om toch
maar iets te wezen dat vóór alles niet gewoon was en den eenvoudigen
bourgeois kon verbazen. Één ding alleen leek hem echt in hen: hun
liefde voor Lavelane. Hij voelde het afschuwelijke er van, dat een zoo
groot dichter als hij tot éénige vereerders moest hebben dit
luidruchtige, artistiekerige troepje décadenten, en dat hij dit
bohémien-leven moest leiden van kroegloopen, zonder home en zonder
liefde. Maar als hij dan even in die wondere, blauwe oogen zag, zoo
teeder en zoo klaar, voelde hij zich weer gerust, en wist hij dat de
ziel, die zich daarin weerspiegelde, tóch altijd behouden zou blijven,
veilig in eigen, vlekkelooze sfeer. Hij zag het grimmige
titanen-gezicht al rooder en rooder worden onder het vele drinken, en
de magere handen beefden zenuwachtig, als zij het glas opnamen. Maar de
hemel-blauwe oogen waakten rustig, als stille sterren....
Toen dacht Paulus aan de sublieme verzen van liefde, die de ziel van
dezen mensch gezongen had, en van de ontzaglijke smart, toen de Liefste
hem verlaten had, en hij eenzaam was achtergebleven met al de
schoonheid, die hij háár had willen wijden. Na dat wreede verraad aan
zijn ziel door zijn Lief, was Lavelane, te zwak om dat leed mooi te
dragen, voor goed verloren geraakt in een leven van drank en ontucht,
waarin hij vergetelheid had gezocht.
Paulus hoorde een vers in zich opklinken uit Lavelane’s eersten tijd,
en toen hij dat roode gelaat zag, dacht hij: „is er dít nu van hem
geworden?” Maar toch voelde hij, dat die dronken, verloopen dichter
beter af was dan Wederich, die het heiligste had verzaakt. En in dat
afgetobde, uitgesjouwde lichaam leefde de ziel onaangetast, en uitte
zich nog somtijds met haar diepste innigheid in een zwaar-geëmotioneerd
vers.
Naarmate het later werd, begon het gezelschap meer opgewonden te
worden. De glazen jenever-grog werden boordevol geschonken en met
groote teugen geledigd. Lavelane dronk enkel absinth, zonder water. De
gezichten werden rooder, de gesprekken werden onsamenhangend, vol
vloeken en vuile woorden. Paulus wist nog Lavelane’s adres te krijgen,
en voelde dat het nu tijd was om heen te gaan. Hij trachtte beleefd
afscheid te nemen.
Het bleeke jongemensch, dat een aankomend schilder bleek te zijn, wilde
hem tegenhouden.
„Blijf nu toch, kerel,... straks... hik... gaan we naar de meiden...”
stotterde hij.
Maar Paulus wist te ontkomen, en probeerde alleen nog even Lavelane de
hand te drukken. Maar de dichter was al te veel onder den indruk van de
absinth.
„Wie... ben... jij?...” vroeg hij, hard.
De tranen welden in Paulus op. Maar toen hij in de klare, lichtblauwe
oogen van Lavelane zag, voelde hij zich weer gerust. Het was hem, of
díe hem nog wel kenden. Veilig en ongerept zag hij er de reine, groote
ziel in weerspiegeld, die met dat klagelijke lichaam moest leven...
En rustig, zonder bezorgdheid, liep hij het armzalige cafétje uit.