De Burg of Burgt, de voornaamste plaats op het Eiland Texel,
was, blijkens privilegie van 26 Maart 1414, reeds voor eeuwen, de
hoofdplaats van het eiland.--
De stichter van dezen Burg was, zoo men wil, de Romeinsche Veldheer
Drusus, waarvan het bewijs nog aanwezig is, zoo in den naam der
plaats zelven, als in de grafheuvels en andere oudheden, welken,
in deze streken gevonden, van het verblijf der Romeinen in dezen
omtrek getuigen.
In vroegeren tijd, schijnt de Burg omgeven te zijn geweest met wallen,
schansen en poorten, een en ander ingesloten door eene breede gracht,
van welke thans nog eene ondiepe, den Binnenburg gedeeltelijk
omringende sloot, is overgebleven. [26]
De kom van het tegenwoordige dorp De Burg, waarbij men twee korenmolens
en eene pelmolen, en waarin men twee grutterijen heeft, telt thans
272 huizen, bewoond door 1359 zielen, terwijl daarenboven nog ruim 50
boerenplaatsen met ongeveer 260 bewoners, tot zijn gebied behooren.--
De ligging van dit dorp, ten Noorden op 4, ten Westen op 2 uren,
en ten Oosten en Zuiden op 1 uur afstand van de zee verwijderd,
is aan alle zijden regt bevallig te noemen, en inzonderheid is het
voorkomen van Den Burg, aan den kant van het Schild-pad, allezins
fraai, aangezien de smaakvolle woningen bevallig onder het lommer
van hoogopgaand geboomte verscholen liggen. Het dorp is regelmatig
aangelegd, bijna in den vorm van eenen cirkel, waarvan de kerk der
Hervormden het middelpunt uitmaakt. Dit gebouw, op het hoogste gedeelte
van Den Burg gelegen, is, ofschoon reeds zeer oud, echter nog zeer
hecht en van zwaar metselwerk voorzien. Het heeft een koor waarvan,
volgens eene aanteekening, in 1470 de eerste grondslagen gelegd werden,
en dat omstreeks 1481 volbouwd werd. In 1539 viel de spits van den
toren in, die eerst in 1604 van steen weder werd opgetrokken. Het
geheele gebouw is, binnenwerks, lang 34.25 Ned. ellen, en heeft
bij eene breedte van 18, eene hoogte van 21 ellen.--Haar inwendig
gedeelte prijkt met eenen fraai bewerkten predikstoel en een schoon,
welluidend orgel.--Vroeger hingen er vele wapenborden in van het oude
geslacht der Neijenburgen, terwijl de daaraangebragte versierselen
betrekking hadden op zeeofficieren, die in de zeeslagen van 1666,
en daaraanvolgende jaren, gesneuveld, en hier begraven zijn.--Naast
den predikstoel hangt een bord, waarop het volgende geschreven staat:
Dit Bort
is aan deese kerk verëerd tot een gedagtenis aan
Lijsbet de Bruijn, vroedvrouw, overleden alhier MIC[C]CCI.
Hier rust zij die 27 jaar
Haar dienst nam trouwelijk hier waar
En drie jaar buiten, tot God Haar door de dood.
Tot droefheid van mans en vrouwen, weer 't huis ontboot.
Lijsbeth Jans heeft gehaald 1765 kinderen.
terwijl op eene zerk dit zonderlinge grafschrift staat uitgehouwen:
Wie dat A. H. D. dit graf beschouwt, en denkt op de uitverkooren,
wat dat dit voorbeeld is, dat niemand kan ontgaan, de geessel
van Gods roe deed ons van D' dood ontslaan, doen Christus voor
ons leed door Dirk van Hagendoorn.
De kerk vroeger zonder zoldering of verwulf, werd in 1851 van een
houten plafond voorzien. De toren heeft, met de spits, eene hoogte van
ruim 37 ellen. Van den omgang heeft men een zeer schoon gezigt over
het geheele eiland.--Volgens een oud handschrift, was de kerk vóór
de Hervorming gewijd aan den H. Johannes den Dooper, doch volgens
eene andere oorkonde, welke meer met de waarheid schijnt overeen te
komen, en afkomstig is van den 60e Bisschop van Utrecht, Georgius
van Egmond, wordt gezegd, dat zij op den naam van Paus Sixtus is
ingewijd. In later tijd, en bepaaldelijk ten tijde van Filips den
Goede, Hertog van Bourgondië, is zij met Onze Lieve Vrouwe Kapittel
te 's Gravenhage vereenigd. Er was een altaar in van St. Anna, en
een St. Anna's Gilde, alsmede een altaar van St. Jacobus, waaraan
eene vikarij was verbonden, welke door de Graven van Holland begeven
werd.--Gemelde vikarij was belast met twee missen per week, en bragt
jaarlijks 16 rijnguldens op.--Deze kerk daarna, ter oorzake van
bloedstorting, onder het interdict vervallen zijnde, werd daarvan,
door de reeds genoemden Georgius van Egmond, bij eenen openen brief
ontheven. In dezen brief gaf hij aan de hoofdlieden van St. Anna's
Gilde en van de kerk aan den Burg, verlof, om in die kerk de misse
op eenen gewijden draagsteen te doen lezen.--
De Roomsch-gezinden, welke hier ruim 460 in getal zijn, maken, met die
van de Koog en de Waal, eene gemeente uit. Zij bezitten hier eene zeer
nette kerk, welke aan den H. Johannes den Dooper is toegewijd; staande
aan de westzijde van het dorp. Het orgel is in 1840 vernieuwd.--
Vroeger stond op eenigen afstand van het dorp, op de eigenlijke hoogte
van den zoogenoemden Hoogen berg, eene kapel, welke, naar men wil,
tot het Klooster der Tempelieren behoord heeft.--Dit gevoelen wordt
echter wederlegd door anderen, die de plaats van dat Klooster elders
aanwijzen, namelijk in den polder Gerritsland. Deze kapel is later
tot een woonhuis of herberg ingerigt, en diende tot een baken in de
Zuiderzee. De tand des tijds heeft echter ook op dit gebouw zijnen
vernielenden invloed zoo zeer uitgeoefend, dat daarvan in 1800 zelfs
geen spoor meer overig was.
De Doopsgezinde gemeente, welke op Texel 450 leden telt, is vereenigd
met die van Waal en Oostereind. Zij heeft hier eene ruime kerk;
doch zonder orgel of toren.--
Het vroegere Raadhuis aan Den Burg, een ouderwetsch en zeer bekrompen
gebouw, welks stichting van het jaar 1611 dagteekent, is in 1841 door
een ander gebouw vervangen, dat als Raadhuis allezins doelmatig kan
genoemd worden. Inzonderheid trekt de zoogenaamde Raadzaal de aandacht,
zoowel door hare ruimte, als door hare smaakvolle versiering.--Men
vindt in een der vertrekken twee levensgroote portretten van de
Nederlandsche vlootvoogden De Ruiter en Tromp. In de nabijheid van
het Raadhuis staat eene, sedert 1836 herbouwde, overdekte vischmarkt.--
In de nabijheid der Hervormde Kerk, in het Zuidoostelijk deel van het
dorp, stond vroeger een Nonnenklooster, waarbij een kerkje, toegewijd
aan de H. Agnes. Dit klooster, in 1572 door de bewoneressen verlaten
zijnde, werd door Prins Willem I aan het eiland Texel afgestaan, om het
tot een Algemeen Weeshuis in te rigten; waartoe het nog dient.--In de
archieven van dat gesticht bevindt zich nog een geschrift, waarbij
de overgifte van meergemeld gebouw beschreven staat, en tevens
een naïf verhaal bevat van de rampspoedige reis der twee Texelsche
burgemeesteren, in 1573 naar Delft, aan den Prins gecommitteerd, om
het St. Agnieten Klooster, gelegen binnen Den Burg, tot een Weeshuis
te verzoeken.
De bekwame en ijverige Archivarius Dr. P. Scheltema, maakt ook
melding van dat stuk, in de Bijdragen voor Vaderl. Geschiedenis en
Oudheidkunde, deel IX, alwaar wij het volgende lezen:
"Het Huis op het Eiland Texel, hetwelk eertijds gebouwd was door de
Gravin van Holland, genaamd Vrouw Jacoba, plagt na haren dood bewoond
te worden door den Schout van Texel. In het jaar, toen men schreef
1571, is er een groot oproer gerezen in den lande van Holland,
te weten, tusschen de twee partijen die genoemd worden, de eene
partij, de Papisten, en de andere, de Geuzen. Dit was ter oorzake
van de religie.--De Geuzen hebben met vier en dertig oorlogschepen
alhier in het Marsdiep gelegen, en zijn met hunne magt aan land
gekomen. Zij hebben tegen die van den Burg gevochten, en de burgers
moesten de vlugt nemen. Toen werd het voorzegde huis verbrand. Na
dien tijd was er een officier, genaamd Jacob de Koning, van Haarlem,
die in den Haag, aan de kamer van de rekeningen in Holland verzocht,
om zijne woonplaats te mogen hebben, in het klooster aan den Burg,
hetgeen hem bij provisie vergund werd. Wanneer de burgemeesteren van
Texel dit vernamen, is daarop vergaderd het oude en nieuwe geregt,
in den jare toen men schreef 1573. Eendragtelijk is besloten en
geordonneerd, dat men de twee burgemeesteren zou committeren, om
te trekken naar den Prins van Oranje, als toen zijnde Stadhouder
van Holland, bij afwezigheid van den Graaf van Holland, Koning van
Spanje, genaamd Philippus, den zoon van den Keizer Carolus Quintus,
ten einde het voorzegde klooster te mogen verkrijgen tot een weeshuis,
zoo ook de renten daarvan. Derhalve zijn de twee onderschreven mannen
daartoe gecommitteerd.
Alstoen was er een groote oorlog in Holland, zoodat de eene stad
tegen andere opstond, en het eene dorp tegen het andere, alzoo was
in dien tijd de stad Haarlem vijandig tegen het eiland Texel.
De Haarlemmers hadden hunne vrijbuiters liggen bij Zandvoort, voor
het duin. Deze voeren met kagen en schuiten op zee, om de schepen te
nemen, die uit het Marsdiep naar de Maas voeren. Om deze vrijbuiters
te vermijden, zijn de voorschreven mannen met een galjoot zoo verre
van het strand afgevaren, dat wij slechts even de duinen boven het
water mogten zien toppen.
Wanneer wij omtrent Zandvoort waren, zoo is er een Schip uit zee
gekomen, naar ons toehoudende. Bij ons gekomen, bleek het een
vrijbuiter te zijn.
"Op het Schip stond de kapitein met een slagzwaard, het zwaaijende
met beide handen. Hij riep met luider stemme, dat wij onze zeilen
zouden strijken, en liet met bassen en roeren door de zeilen en de
schuit schieten, zoodat de laatste lek werd, en het water er door heen
liep. Toen dacht hij ons te overzeilen. Een man uit ons schip riep:
"Voor wien zullen wij strijken, voor den Prins van Oranje of voor
den Duc d'Alba?" De kapitein antwoordde: "Ik weet van Prins, noch van
Duc d'Alba, strijk!" In onze schuit was de vrouw des schrijvers van
den graaf van der Marck; deze riep uit: "Schipper, strijk, want ik
ben geschoten!" Ik, Hendrik Albertsz, zat ter zijde van die vrouw,
en het water liep van het schieten tusschen ons beiden door de schuit.
Achter werd bij den man, die aan het roer stond, een stuk uit het
boord geschoten. Wanneer de vrijbuiter ons zoo na kwam, riepen wij
allen te gelijk: "Schipper, strijk!" en toen streek onze schipper
het zeil. Daarop leiden zij bij ons aan boord en overvielen ons met
rapieren in de hand en met rondassen voor de borst. Ons slaande, zeiden
zij: "Fluks over in ons schip!" Allen moesten wij te gelijk over,
niet wetende, in wiens handen wij waren. Ik Hendrik voorschreven,
kreeg een' slag met een rapier op mijn schouder, zoodat ik meende,
mijn' arm kwijt te wezen, doch tot mijn geluk had men mij met het
plat geslagen. Toen waren wij al te zamen gevangen. Wij waren vier
of vijfentwintig personen sterk, en moesten allen in het vooronder
van het oorlogschip. Bij het overklimmen viel er een man over boord,
het was een brievendrager van des Prinsen broeder, graaf Lodewijk,
die met brieven uit Duitschland van Nassau kwam. Als wij hen gebeden
hadden, dat zij hem bergen zouden, kregen zij hem vast aan een
touwtje, waarmede hij opgehaald werd, maar zijne brieven wierpen
zij in zee. "Daarover moet God zich erbarmen," zeide de bode, "daar
hangen landen en luiden aan!" De voorzegde schrijversvrouw gevraagd
zijnde, of zij gekwetst was, antwoordde: "Ik ben geschoten door mijne
kleederen, doch niet gekwetst." Terwijl wij nu als gevangen waren
in het donker van het schip, zoo kwam er door een luikje, hetwelk
zoo groot was, dat er juist eene hand door kon, eene stem, zeggende:
"Is er ook iemand van de gevangenen, die geld heeft, deze geve het
aan mij, want ik ben een gevangen man, even als gij zijt; gij zult
allen straks geplunderd worden. Ik ben een schipper uit Waterland,
zij zijn met mijn schip weggezeild; en als gij mede geplunderd
zijt, zal ik met ulieden aan land varen." Maar niemand van ons
gaf hem zijn geld, hem niet betrouwende, en denkende, dat hij een
vrijbuiter was. Toen deed hij het luikje weder toe, en ging van ons
weg. Kort daarop werd er een groot luik open gedaan, en men zeide
tot ons: "Laat een van de gevangenen voorkomen!" doch elk vreesde
om de eerste te zijn. Eindelijk ging er een van de voorsten, die
geplunderd en doorzocht werd. Daarna moest er weder een ander komen,
tot den laatsten toe. Niemand mogt iets behouden, dan de noodigste
kleederen. Al wat los was, namen zij ons af, tot mantels, hoeden en
linnen toe. Echter behielden wij tot ons geluk onze brieven, daar wij
blijde over waren, wegens de zaken beroerende het klooster, hetwelk
wij tot een weeshuis wilden verkrijgen, en nog meer andere brieven
van 's lands zaken. Toen wij geplunderd waren, moesten wij weder in
de lekke schuit. Wij stopten de lekken zoo goed mogelijk, en maakten
de schuit weder zeilreê. Zij lieten ons daarop drijven, zonder dat
wij iets behouden hadden. De zeeroover kwam vervolgens nog eens naar
ons toe zeilen. Wij hadden eenen man in onze schuit, die de kapitein
van het schip kende. Hij zeide, dat het een Engelsche zeeroover was,
kapitein Jonge Jan Grijsveld. Alzoo kwam dezelfde zeeroover met zijnen
voorsteven naar de zijde van onze schuit zeilen, zoodat wij niet anders
dachten, of hij zou ons overzeild hebben. Waarop wij overluid riepen;
"Heer! in uwe handen bevelen wij onzen geest." Toen met den steven
bij onze schuit komende, leide hij zijn roer over en schampte van de
schuit af, al stootende en rakende. De roovers zwaaiden met de hoeden,
tot schimp en spot over hunnen geroofden buit, en wij bedankten hen,
dat zij ons nog gegund hadden het leven te behouden. Daarna voeren
zij van ons af. Vervolgens kwam er eene krabbeschuit uit de Maas,
welke hij straks weder aan boord klampte, deze doende gelijk hij ons
gedaan had. Later voer hij uit ons gezigt.
Voortzeilende zagen wij weder een oorlogschip en daarbij komende
bevonden wij het een boeijer te zijn. Daarop stond weder een
kapitein met een slagzwaard te schermen. Wij voeren naar hem toe,
denkende, dat wij nu toch niet meer konden verliezen, dan alleen het
leven. Het schip liet een vaandel waaijen, zijnde een prinsenvlag;
het was dus van de vrienden. Het kwam uit de Maas. Wij vertelden aan
den kapitein ons avontuur en ongeluk, hem verder wijzende den koers,
dien de vrijbuiter genomen had.
Het oorlogschip ging terstond derwaarts, doch kreeg hem niet. Wanneer
wij voortzeilden, zoo kwam er een zwaar onweder op van donder
en bliksem, regen en wind. Daar de duistere nacht op handen was,
moesten wij dus het naaste land of strand kiezen. Door en door nat
van den zwaren regen en het overslaande zeewater, landden wij op eene
onbekende plaats. Echter was er onder de manschappen een bode van
Jonkheer Sonoij, die aan de duinen bemerkte, dat men niet verre van
Ter Heide was, en zeide, dat aldaar eenige visschers-huisjes stonden,
waarin wij den nacht konden doorbrengen. Voortloopende ontmoetten wij
eenige visschers, verjaagd door de Spaansche soldaten. Zij waren ook
door hen van alles beroofd, en vermogten alzoo niet ons te helpen,
daar twee naakten elkander niet kunnen dekken. Wij zochten toen
wat helm en rijs, maakten vuur, om ons te droogen en wat te warmen,
tot het dag werd, en hielden wacht tegen de Spanjaarden.
's Morgens gingen wij langs het strand naar Scheveningen. Daar komende,
vonden wij er vele wachters, gesteld zijnde tegen de Spanjaarden. Bij
onze aankomst werd er over onze manschap alarm in het dorp geroepen,
doch wanneer wij naderbij gekomen waren, zonden die van Scheveningen
twee mannen naar ons, en wij desgelijks twee naar hen. Zij vernamen
toen, dat wij geene vijanden waren, maar vrienden. Wij vertelden hun
onze passagie, zoo als die door ons bevorens gemeld is, en gingen toen
verder naar den Haag, waar wij aan kennissen, welke wij aantroffen,
geld ter leen vroegen; doch het werd ons afgeslagen. Van daar gaande
naar Delft, vonden wij de Staten van Holland. Wij gingen bij den
Secretaris van deze, Koenraad de Regteren, en verhaalden hem het
voorgevallene. Hij heeft ons geleend twaalf guldens. Ook schreef hij
ons een request, dat wij overgaven aan den Prins van Oranje, rakende
het verzoek van het klooster, om het te hebben tot een weeshuis,
hetgeen ons is vergund, blijkens de apostille en het octrooi, daartoe
verkregen. Doch vermits de Prins te Dordrecht was, hebben wij hem
zoo verre moeten volgen, keerende van daar weder naar Delft terug,
tot het werk zijn volle beslag verkreeg. Ziende evenwel dat ons op
nieuw geld ontbrak, zijn wij overeengekomen, dat Kemp Albertsz. naar
huis zou gaan, om nog eenig geld te halen; terwijl ik nog twee of drie
dagen te Delft moest vertoeven, om nader bescheid te bekomen; hetwelk
klaar zijnde, zoude ik verder naar den Briel gaan. Later uit mijne
herberg op de markt komende, ontmoette ik weder Kemp Albertsz. Als
ik hem mijne verwondering daarover te kennen gaf, verklaarde hij mij,
niet te kunnen vertrekken, wegens het ongestadige weder. Toen gingen
wij te zamen naar den Briel. Als wij daar gekomen waren, was ons
geldje verteerd op éénen stuiver na.
Wij gingen daarop de stad in, om, was het mogelijk, nog eenig geld
te leenen, maar het werd ons weder geweigerd. Aldus ongetroost naar
het Hoofd wandelende door het gladde slijk, moest ik een smal houten
bruggetje over, waarvan ik door de gladdigheid afviel.
Naakt en koud, zonder geld of pand, waagde ik het evenwel in de herberg
te gaan. Terwijl ik mij daar zat te droogen, kwam er een schip van
Rotterdam aan, geladen met turf, waarvan de schipper een Texelaar
was, wonende te Oosterend, genaamd St. Anna. Zeer waren wij verblijd,
omdat hiermede voor ons ontzet kwam.
Wij voeren toen met hem naar Texel, hebbende in alles onzen wensch
verkregen. Nooit zal God de zijnen verlaten, die naar het goede
trachten en op Hem vertrouwen.--Zoo is dan het weeshuis verkregen,
den 15 September in het jaar 1573, blijkende bij het request en de
apostille, gegeven ter ordonnantie van den Prins van Oranje en de
raden, neffens hem wezende. In kennisse der waarheid, zoo hebben wij
Kemp Albertsz. en Hendrik Albertsz. het stuk beiden onderteekend,
den 5 Januarij 1585, nieuwe stijl."
Het was onderteekend met het merk van Kemp Albertsz. en Hendrik
Albertsz, geboren aan Den Burg op Texel."
De in dat Weeshuis opgenomen kinderen, gingen hier, tot na de Revolutie
in 1795, half groen en half zwart gekleed, en van daar nog het oude
spreekwoord:
"Groen en zwart
Is Texel in het hart."
Naar men wil, zou dit gebouw omstreeks het jaar 1203, gedurende
eenigen tijd tot gevangenis hebben gestrekt aan de rampspoedige
Gravin Ada. [27] Nog heden vertoont men er haar portret in olieverw,
dat waarschijnlijk reeds vóór twee (?) eeuwen werd vervaardigd. In
eenen aan het Weeshuis ten Oosten belendende, en door Regenten van
dit gesticht in 1830 aan eenen partikulier verkochten schuur, geleid
men den vreemdeling in het Zuidelijke gedeelte daarvan, langs eene,
deels vervallen, steenen wenteltrap van zeven treden, door eene zware
eikendeur, in een onderaardsch gewelf, dat bij eene lengte van 4.86
ellen, eene hoogte van 2.15 ellen en eene breedte van 4.19 ellen
heeft. Dit ongevloerd en van roode moppen stevig gebouwde gewelf, zou
de eigenlijke gevangenis van Ada geweest zijn. Meer waarschijnlijk
echter is het, dat dit gewelf voormaals tot eene kloostergevangenis
heeft gestrekt; althans, eenige in den muur bevestigde, zware ijzeren
krammen, pleiten voor deze onderstelling.
Behalve het opgenoemde, heeft men aan Den Burg, achter het Raadhuis,
een smaakvol aangelegd plantsoen van jonge boomen, dat, als algemeene
wandelplaats, door de bewoners van Den Burg in den zomer veel wordt
bezocht. Aan de Westzijde van het dorp staat een ruim gebouw, met
het opschrift: Gesticht van Weldadigheid, dat bepaaldelijk ingerigt
is tot opneming en verzorging van kranken en behoeftigen, tot geene
kerkelijke armbedeeling van het eiland behoorende, of hun domicilie
van onderstand elders hebbende, in welk laatste opzigt vooral, deze
liefdadige inrigting meermalen van uitstekende dienst is geweest. Ook
plagt er een Gasthuis te zijn, waarin reizende landloopers drie
dagen verblijf konden houden. Dit is later tot een Oud Mannen- en
Vrouwenhuis voor Gereformeerde Ledematen ingerigt, en stond aan het
einde van de tegenwoordige Gasthuisstraat.--Nog bestaan hier vier
zoogenoemde Afdeelingen Armenkamers, zijnde liefdadige gestichten,
met het doel, om daarin een zeker aantal oude lieden van beiderlei
kunne, om niet huisvesting, brandstof en andere ondersteuning te
verschaffen; welke Armenkamers zeer waarschijnlijk overblijfsels zijn
van een vroeger hier bestaand hebbend Heilige Geesthuis. [28] Voorts
bestaat er eene Afdeeling van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen,
in 1822 opgerigt, en thans ongeveer 40 leden tellende,--eene Afdeeling
van het Zendeling-genootschap;--eene Subcommissie der Maatschappij
van Weldadigheid met 40 leden;--eene Afdeeling van het Nederlandsch
Bijbel- en Tractaatgenootschap; een Zanggezelschap; als ook eene Bank
van Leening.--
Ten behoeve van het openbaar onderwijs bestaat hier eene zeer goed
ingerigte lagere school, welke gemiddeld door 185 leerlingen wordt
bezocht, benevens een Fransche school, die thans ruim 30 leerlingen
telt.