Na den dood van Guij van Blois, verviel dit leen aan Hertog Albrecht
van Beijeren, omstreeks 1398, in welk jaar den Ouden Hoorn, op Texel,
door de Friezen verbrand werd.--In een zeer oud handschrift, vind ik,
dat op dit eiland, de volgende ordonnantie, werd bepaald: "De Baljuw,
Schout noch Regter mogen tappen; noch aan eenig ingezetene drank
verkoopen; geen wijn, van uitheemschen gekocht, binnen Texel te tappen,
geen heuschbeden of geld meer te betalen aan nieuwe Ambtslieden;
provisoren niemand verder te dragen dan tot hunne Zeenten.--Koorn
mag vrij van Texel vervoerd worden."
Hertog Albrecht, schijnt het leen Texel aan zijne tweede gemalin,
Margaretha van Cleve, geschonken te hebben, aangezien men een handvest
van haar vindt, van den 9 Junij 1401, dat door meergemelden Albrecht,
in datzelfde jaar bekrachtigd werd. Ook bezat zij het na Albrecht's
dood, blijkens een brief, gegeven in Texel, den 1sten September
1405.--Hertog Willem VI, Graaf van Holland, vaardigde den 26sten
Maart 1414, naar stijl van den Hove (alzoo in 1415) een besluit uit,
waarbij de Texelaars, het poortregt en gelijke vrijdommen als die van
Alkmaar bezaten, in welke regten zij dan ook door Schout, Schepenen
en Raden der stede Alkmaar, in het jaar 1434 zijn erkend.--Onder
anderen, werd bij die verordening bepaald, dat er, "binnen de stede
van Texel 13 Schepenen zouden zijn, als: in de Kerszoekingen Den
Westen 3 Schepenen; Burgt 4, Waal 3, en Oostereind 3, door den Schout
te kiezen Ter Burgt, in de kerke up ten Goeden Vrijdag: goedstijds,
voormiddags, bij zijnen eede, van de rijkste, vroedste en redelijkste
knapen."--Voorts dagteekent het bepaald bezit der Mielanden benevens
de Wind-Koorn- en Lammertienden, op Texel, mede van 1415, welke regten
die van Texel eertijds, onder een erfpacht van 50 nobelen 's jaars,
bezeten hadden.--
Na den dood van Willem IV, heeft zijn weduwe deze regten, welke
eenigzins in verval schijnen te zijn geraakt, hersteld. Margaretha
van Bourgondië, moeder van Vrouwe Jacoba, heeft de heerlijkheid
van Texel in lijftogt bezeten, hetwelk blijkt uit een octrooi,
door haar in 1436 gegeven, om den polder van Wal- of Waal-en-Burg,
benevens eenige andere nabijgelegen polders te bedijken. De eerste
bedijking van Waal-en-Burg dagteekent van den jare 1436. Deze polder
brak daarna weder in, en werd andermaal bedijkt in 1612, toen zijnen
vlakkeninhoud 700 morgen lands bedroeg.--
Krachtens de bezittingen, welke Vrouwe Margaretha van Bourgondië
gehad heeft, vindt men waarschijnlijk onder de privilegiën van Texel,
het handvest van Hertog Filips van Bourgondië, wegens den eed, door
haar afgelegd aan al de ingezetenen der landen, die hem, na den dood
van Vrouwe Margaretha, weder waren aanbestorven.
Genoemde Hertog beloofde, in 1442, voor hem en zijne nakomelingen,
de heerlijkheid en het land van Texel in hooge of in lage geregten
nooit te zullen verkoopen of vervreemden. De Texelaars verloren echter
onder het bestuur van dezen vorst, alle hunne regten en handvesten,
naardien zij zich, omstreeks 1426, met de Kennemers [19] oproerig en
wederspannig jegens hunnen landheer betoond hadden, en zelfs gepoogd
hem de stad Haarlem te ontweldigen.
Dit vonnis werd hun echter 30 jaren later, gelijk met het opbrengen
van zekere ongewone belasting op de haardsteden, kwijt gescholden en
zij weder in hunne vorige regten hersteld.
Zij moesten van elke haardstede 4 grooten's jaars betalen; benevens
andere straffen, breeder vermeld in de sententie tegen hen, gegeven in
1426; terwijl wij ten opzigte van de tienden, welke aan de tiendenaren
moesten verstrekt worden, het navolgende lezen:
"Zij zullen ons tienden geven, den elfden schoef: de eigenaar is
verpligt als het koorn rijp is, den tiendenaar driewerf te roepen,
telkens zoo luid dat men het hooren mag over 7 akkeren: en komt de
tiendenaar dan niet, dan mag de eigenaar het koorn uitzetten bij
twee van zijne geburen, en den tiende een etmaal houden: na dien
tijd er schade aan geschiedende, is de eigenaar niet gehouden tot
vergoeding:--Voorts zullen die van Texel ons geven eens vronen schuld,
(vroon is vrijdom van alle lasten, schattingen, loon, enz.) ten ware
wij hen daarvan verdragen wilden." [20]--
De Graven van Holland hadden omstreeks 1415, ter inning hunner renten,
aldaar, op Texel eenen bijzonderen Rentmeester.
In 1489, was Claas Korf, Rentmeester, van wien aangeteekent staat, "dat
hij onheuslijk zijn voordeel gezocht had, uit eene aanstaande reductie
der munt, waarover later, in 1506, zijne erven zijn aangesproken."--
Ten jare 1442 komt Texel voor, onder de benaming van het gemeene land
van Texel, doorgaans het land van Texel geheeten.--Omstreeks dezen
tijd werd Keizer Maximiliaan Opperschout [21] van Texel, en werd er
om de 14 dagen Poortregt, d. i. Regtdag gehouden. Deze verandering
is echter spoedig daarna vervangen door eene andere, waarbij bepaald
werd, dat er drie maal per week poortregt zoude gehouden worden.--
Jan van Naaldwijk, kennis verkregen hebbende, van de onlusten en
opschuddingen, welke omstreeks den jare 1491 in het noordelijke
gedeelte van Holland plaats hadden, vond het geraden, zich derwaarts
te begeven, ten einde er, zoo het mogelijk ware, eenig voordeel,
tot ondersteuning en bemoediging zijner toen verzwakte partij, uit
te trekken.--Hij vertrok dan ook werkelijk in Julij van dat jaar,
met zijne vloot uit Sluis, landde naar eenen voorspoedigen togt op
Texel, hetwelk hij, benevens het eiland Wieringen, bemagtigde.--Hij
trachtte al aanstonds deze eilanders te doen begrijpen, dat, in stede
van herwaarts te zijn gekomen, om hen leed of schade te berokkenen,
hij hier kwam, om hen voordeel en rust te bezorgen, om hen van de zware
schattingen te bevrijden, waaronder zij gebukt gingen, en eindelijk,
om de rust in het land te herstellen en te verzekeren.--
Hierdoor verkreeg hij dan ook weldra eenen grooten aanhang. Hij hield
zich, gedurende het grootste gedeelte van den zomer, op en in de
nabijheid dezer eilanden op, en maakte met zijne vloot de Zuiderzee en
noordelijke zeegaten, onveilig.--Terwijl eenige zijner partijgangers
zich, doch te vergeefs, van de stad Hoorn poogden meester te maken,
vond Jan van Naaldwijk gelegenheid, om de hoofden van het zoogenaamden
Kaas- en Brood-spel, de behulpzame hand te bieden.--
De bewoners van Texel mengden zich toen ter tijd, nevens die van
Kennemerland, in de onlusten, die door het Kaas en Broodvolk gesticht
werden, waarover zij naderhand door den Hertog van Saxen zeer gevoelig
gestraft werden.--
25 Personen van Texel moesten in het zwart, ongegord, blootshoofds
en barrevoets, knielende om vergiffenis voor hunne rebellie te
komen smeeken. Al de handvesten des eilands moesten gesteld worden
in handen van den Hertog, terwijl deze de straffen aan zich hield,
waarmede de tot den vijand overgeloopen eilanders moesten gekastijd
worden. Zij moesten zijn huis of kasteel sterk maken (in weerbaren
toestand brengen) naar inhoud der brieven, hun door den Raad van
Holland toegezonden, terwijl zij daarenboven nog 1000 Andriesguldens,
gelijkstaande met f 5000, boete betalen en gedurende twee maanden,
aan 25 door hen uit te rusten manschappen, soldij en leeftogt moesten
verstrekken, welke manschappen onder bevel van den Schout dienen
moesten, om de rust op het eiland te bewaren.--
Naar alle waarschijnlijkheid zullen hun de toen verlorene regten en
privilegiën òf te gelijk met de andere Kennemers en Kennemervolgers,
òf in Maart 1494, zijn teruggegeven. Althans het regt van wind-, molen-
en lammertienden [22], dat zij tegen eene uitkeering van 40 Nobelen,
van 8 schellingen groete, Vlaamsche munt, 's jaars in erfpacht bezaten,
en welke aan Jan van Borrij, Baljuw of Casteleijn van het slot te
Medemblik, waren overgegeven, werden hun in laatstgenoemd jaar weder
opgedragen. [23]
Omstreeks het begin der 16e eeuw, schijnen de zeeweringen op Texel
zich in geenen gunstigen toestand bevonden te hebben, althans
vinden wij, dat die van Texel, in 1509, aan hunnen landsheer een
beklag inbragten, "over de groote gevaren der zee, waartegen eertijds
voorzien was geweest door Vrouwe Maria van Bourgondië, die ook hunne
oude privilegiën bevestigd had, bij een nieuw privilegie gegeven te
Loven, den 28sten Mei 1477; behelzende onder meer de vier Raadsmannen
des maandags te kiezen na Palmzondag: 26 mannen ieder rijk 100 nobelen
ofte meer: hieruit kiest de Graaf, of de Schout in 's Graven naam,
noemt en beëedigt op Goeden Vrijdag 13 schepenen. De Raadsmannen
beëedigd zijnde, kiezen vijf Heemraden, door den Schout te beëedigen:
deze stellen keuren op de dijken, sluizen, wateringen en wegen."--
Zeer rampspoedig was voor het eiland Texel het jaar 1522, toen het door
de Geldersche Friezen tweemalen zeer zwaar gebrandschat werd. Deze
woeste, op roof en buit verhitte, benden, landden hier in den zomer
van bovengenoemd jaar, met eene vloot van 20 sterk bemande schepen,
tweemaal aan. De eerste reis vorderden zij eene brandschatting van
8000 Filipsguldens (ongeveer f 40,000, van onze munt.)
Hiermede echter nog niet voldaan, eischten zij spoedig daarop eene
tweede brandschatting van 10,000 Filipsguldens (bijna f 50,000.)
Doch niet alleen, dat die van Texel van vreemden overlast te lijden
hadden, ook hunne eigene overheid trachtte hen, in 1525, met zwaardere
lasten te drukken:
Immers lezen wij in eene oude oorkonde, Anno 1525, het volgende:
"In dit jaar wilde men die van Texel, de nobelen voor molen-, wind-
en lammertienden, die zij à 50 Stuivers gewoon waren te betalen,
tegen 85 St. berekenen, en dan nog wel met den achterstand van
vroegere jaren."--
Deze verhooging van belasting is echter niet in werking gebragt,
aangezien wij lezen:
"doch hun dat kwijtgescholden, en het regt verleend om ten eeuwigen
dage te kunnen betalen, de nobel tegen 50 st.;--
"de wind-, molen- en lammertienden bedroeg des f 250 's jaars,
op Meidag te betalen, zijnde de Meijlanden (waarschijnlijk
de Miendlanden) voor lang daar af, en aan de Grafelijkheid
getrokken;"--Iets lager staat: "dat die van Texel worden
gegund, geoctroijeerd en geaccordeerd, in eeuwigen erfpacht, die
windmolens, metten winde, alzoo die ter tijd stonden binnen die
voorschreven stede van Texel,--die jaarlixe lammertienden aldaar,
en die Meijlanden binnen derzelver stede gelegen: uitgenomen den
Waal,--den Holleweg--die Lijmculen--Langewaal en dat Hooiland,
gelegen aan de Oostzijde van dat hoppe, langs an Zegendijk,
die den Rentmeester van 's Graven wege doet verpachten." [24]
In Maart 1571 deden de Watergeuzen eene landing op Texel, en bedreven
er veel moedwil en schade. Zoo verbrandden zij er het huis van den
Schout en eene kerk, waarschijnlijk de kerk van het dorp den Westen,
en namen bovendien nog eene vloot van meer dan 30 schepen weg.
Dan niet slechts had Texel in den loop der tijden door toedoen
van menschen veel schade te lijden, ook het water, dien algemeenen
en met reden, zoo algemeen gevreesden vijand van Hollands kusten,
benadeelde menigmalen dit belangrijke eiland. Vooral waren het de
hooge en geduchte watervloeden van de jaren 1625, 1628 en 1629,
die ook hier veel schade veroorzaakten. Den 3den November van het
jaar 1638 strandden er op de kusten van dit eiland 85 zeeschepen,
met eenen zuidwestelijken storm.--Den 18den December 1660 bleven er
van de 155 schepen, 38 voor anker liggen, de overigen strandden of
kapten bij tijds hunne kabels. Op het einde van 1683 kwamen eenige
oorlogschepen uit Zweden hier voor gaats, en werden door eenen zwaren
storm overvallen; daarbij strandden: de Hollandia, van 84 stukken en
450 koppen, het volk gered; de Woerden, van 72 stukken en 350 koppen,
waarvan 58 gered, de Tijdverdrijf, van 54 stukken en 230 koppen,
waarvan 15 gered, de Prins te paard, van 54 stukken en 230 koppen,
allen verdronken; de Leeuwin, van 54 stukken en 230 koppen, allen
gered; de Gouda, van 42 stukken en 175 koppen, grootendeels gered,
alsmede nog twee oorlogschepen van Enkhuizen en Hoorn en verscheidene
koopvaarders.--
Omstreeks eene eeuw later, stelden de Engelschen vele, doch gelukkig
vruchtelooze pogingen in het werk, om eene landing op dit Eiland te
beproeven. In Julij 1672 namelijk, vertoonde zich eene Engelsche vloot,
van 60 zeilen, voor den Helder, met het plan om in Noord-Holland
eene landing te doen, en alzoo Amsterdam van de Noordzijde te
bedreigen. Zeker was zoodanige onderneming op dien oogenblik ligter
ten uitvoer te brengen, dan een paar maanden vroeger, want onze vloot
was door gedwongen afdanking zoo schaars van volk en krijgsvoorraad
voorzien, dat zij, naar het oordeel van De Ruiter zelven, niet meer
tegen den vijand bestand was. Doch, was onze vloot buiten staat om te
strijden, ditmaal namen de elementen voor ons den strijd op. Op den
dag, welken tot de voorgenomen landing op Texel bestemd was, verhief
zich een hevige storm uit het zuidwesten, (anderen zeggen noordwesten)
die gedurende drie weken bleef woeden, twee vijandelijke schepen deed
stranden, vele andere zwaar beschadigde, en de geheele vloot van de
kust deed afdrijven.
Volgens eene latere, vrij algemeen verspreide, en bijna algemeen
geloofde volksoverlevering, zoude de mislukking der voorgenomene
landing veroorzaakt zijn geworden door eene dubbele ebbe (een niet
geheel ongewoon verschijnsel op onze kusten) gevolgd door eenen
noordwesten storm.--
In 1756 had in de nabijheid van Texel een voorval plaats, dat zeer
veel opziens baarde.
Een Duinkerksche kaper, die zich tot uitoefening van zijne kwade
praktijk van een Zeeuwsche poon of Goereesche vischschuit bediende,
hield op eenen Engelschen koopvaarder aan, die van New-York naar
Amsterdam gedestineerd was, en digt bij het Nieuwe Diep ten anker
lag; en dewijl men volstrekt geen vermoeden had op kaperij in eene
onzijdige haven, en vooral niet van de zijde eener Zeeuwsche poon of
vischschuit, viel den kaper de bemagtiging zeer ligt. De kaper zeilde
daarop met het prijsgemaakte schip naar zee, en riep den zoogenoemden
praaischipper in het voorbijzeilen toe: "Ik weet wel, dat Frankrijk
en Holland het eens zijn." [25]
Weldra echter leverde de Engelsche gezant over dit feit zijne klagten
bij de Algemeene Staten in, waarbij de prijs in denzelfden toestand,
als waarin hij genomen was, werd terug geëischt. De Staten gaven
aanstonds aan dien eisch gehoor, en gelasteden hunnen afgezant aan
het Fransche hof, Lestevenon van Berkenrode, daaromtrent bij de
Fransche regering te onderhandelen, hetwelk, echter niet zonder veel
moeite, ten gevolge had, dat het prijsgemaakte schip met zijne lading
teruggegeven, en daarmede aan den eisch van het Engelsche Gouvernement
voldaan werd.--
In December 1789 hadden er op Texel vele woelingen plaats, ter oorzake
eener aanstelling van de Gecommitteerde Raden van het Noorderkwartier,
waarbij Mr. Gerrit Buijskens, tot Schout en Dijkgraaf van Texel en
Baljuw van Eijerland benoemd was. Genoemde Buijskens, in September 1786
door de Gecommitteerde Raden van het Noorderkwartier tot voormelde
waardigheden aangesteld, had zich in deze betrekking met allen lof
van zijnen pligt gekweten, en was, ofschoon der patriotische zijde
toegedaan, in dezelve gebleven, en op het einde van Wintermaand
1787 weder derwaarts gereisd. De heffe des volks uit de gemeente
Oostereind,--waarschijnlijk aangemoedigd door de Burgemeesters van
de Waal en Oostereind, welke hem als zoodanig weigerden te erkennen,
aangezet door zekeren Lammert Dijke, kwam, vereenigd met die van het
Oude Schild, en aangevoerd door den schipper van 's Lands schuit met
eenige roeijers op den Burg, van welke plaats Buijskens de Regenten
op het Raadhuis deed vergaderen, ten einde naar tijdsomstandigheden
een besluit te nemen. Dan, zoodra had echter de zaamgevloeide en niets
dan oproer en geweld in den zin hebbende volkshoop dit niet vernomen,
of men bezettede den Burg, benevens het huis van den Schout, en sloot
alle toegangen zoodanig af, dat men er niet dan met het grootste
gevaar uit konde komen. De zaak verkreeg nu een ernstiger aanzien;
was het tot hiertoe bij razen, vloeken, schelden en dreigen gebleven,
thans kwam het tot dadelijkheden.--Men hieuw met den sabel, men perste
geld af, en besloot eindelijk met het openloopen van de huisdeur,
waardoor Buijskens eindelijk genoodzaakt werd te besluiten tot de
afzegging van de voorgenome vergadering der Regenten.--
Dit geweldig rumoer hield aan tot des avonds zes uren, toen vier
personen, welke zich Afgevaardigden of Gecommitteerden van de
oproerige volksmenigte noemden, ten huize van Buijskens kwamen, en
hem uitnoodigden, zich met hen naar hunne principalen te begeven,
verklarende, dat zij, in geval hij zulks mogt weigeren, niet voor
het behoud van zijn leven en van dat zijner echtgenoot en woning,
te kunnen instaan. Buijskens, door den nood gedwongen, gaf gehoor
aan hunne uitnoodiging, en volgde deze zoogenaamde Gecommitteerden
naar de herberg De Vergulde Kikkert, alwaar hij voor eene vergadering
van 25 man werd gebragt, waarin de reeds genoemde Lammert Dijke het
woord voerde. Deze vroeg hem, op wiens bevel en waartoe hij thans
op Texel was gekomen.--Het antwoord van Buijskens, dat hij begreep
desaangaande aan niemand verantwoording verschuldigd te zijn, dan
aan Hun. Edel Mog., deed, zoo als trouwens te verwachten was, niets
af. Evenmin het vertoonen van het besluit der Gecommitteerde Raden,
waarbij hij in zijne waardigheid was aangesteld. Het opgeruide volk
kwam niet tot bedaren, noch verstond reden, vóór dat hij beloofd had,
binnen den tijd van drie etmalen Texel te verlaten, en zijn ontslag
te verzoeken.--Buijskens begaf zich dien ten gevolge naar Amsterdam,
van waar hij aan Gecommitteerden Raden van het Noorderkwartier,
een breedvoerig verslag van het voorgevallene toezond.--Dit had ten
gevolge, dat deze eene bezending naar Texel afvaardigden, die het
gehouden gedrag der Texelaars ten zeerste afkeurde, doch het geraden
vond, om, "uit overweging van de volstrekte onmogelijkheid, om hem,
Buijskens, in zijnen post te doen voortgaan, zonder het eiland,
zoowel als zijn persoon, aan verregaande gevolgen bloot te stellen,
en omdat hij uit overtuiging daarvan zijn ambt geresigneerd had,"
Buijskens van zijn ambt ontsloeg, waarmede de bewegingen ophielden.--
Ook gedurende de komst en overheersching der Franschen hier te lande,
was Texel meermalen getuige van vrij levendige bewegingen.
Dit eiland, dat bij den aanvang van het jaar 1795, door het
menigvuldige ijs, op de reede, gedurende eenen geruimen tijd, alle
regtstreeksche gemeenschap met den vasten wal moest derven, verkreeg
eerst op het einde van Januarij des volgenden jaars, 1796, kennis van
de komst der Franschen aan den Helder;--en, alhoewel de Texelaars
voor verreweg het meerendeel, bekend stonden, als sterk verknocht
aan het doorluchtig Vorsten Huis van Oranje-Nassau, ontbrak het
hier, evenmin als elders, aan andersgezinden of patriotten. Groote
en luidruchtige vreugde heerschte er bij deze laatsten, toen zij
vernamen, "de Franschen zijn tot ons overgekomen", nu zal het zijn:
Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap, en even als op andere plaatsen,
werden ook hier, op alle dorpen van het eiland, vrijheidsboomen
geplant. De onderscheidene gemeenten kwamen te zamen, en verkozen
hunne eigene volksvertegenwoordigers en regeringsleden. De Schout,
Cornelis Theodorus Elout, een man, die in de algemeene achting
der eilanders deelde, werd door de burgerij uitgenoodigd om aan
het bestuur te blijven, terwijl de Secretaris, Cornelis Maronier,
zijnen sedert 1787 verlaten post weder aanvaardde.--Eenige Fransche
krijgsgevangenen, die zich sedert November op dit eiland bevonden,
herkregen door dezen zamenloop van omstandigheden hunne vrijheid, en
deelden met hun gansche hart in de vreugde der Patriotsche burgers van
Texel. Deze nu vrijgelaten Fransche krijgslieden werkten zeer mede tot
het behoud der goede orde, rust en eensgezindheid der burgerij, terwijl
de Chef de Brigade Cantagnelle, inzonderheid door zijne welwillende
raadgevingen, de nieuw verkozene volksvertegenwoordigers bijstand bood.
Toen daarop in 1799, tijdens de landing van de Engelschen en Russen in
Noord-Holland, de geringe magt, welke zich te dien tijde hier bevond,
en die uit omstreeks een 60 tal manschappen bestond, in het laatst van
Augustus Texel verlaten had, werd het den 29sten dier maand door de
Engelschen, namens den Koning van Engeland en den Prins van Oranje,
in bezit genomen. Alle openbare gebouwen werden in beslag genomen
en ingerigt tot kazernering van een korps, dat zamengesteld werd uit
overloopers en vrijwillige zeelieden, terwijl tevens de burgerij met
de inkwartiering van nog andere troepen belast werd.
Door dezen zamenloop van omstandigheden werd de toestand van Texel's
inwoners steeds hagchelijker, aangezien in de behoeften, welke thans
grooter dan gewoonlijk waren, bij gebrek van toevoer, niet kon worden
voorzien; hier kwam nog bij, dat de Engelschen alles opkochten en naar
hunne vloot verzonden. Hierdoor ontstond welhaast zulk eene schaarschte
van levensmiddelen, dat er den 15den September geene erwten, rogge noch
boter, en slechts voor zes dagen gort aanwezig was. En, ofschoon men
op de klagten daarover wel eenige maatregelen tot wering van gevreesd
gebrek nam, zoo werden de Texelaars niettemin in de volgende maand
genoodzaakt, den Engelschen 840,000 ponden kaas te leveren. Dan,
weldra waren de Texelaars van dezen overlast bevrijd, daar de vijand
reeds in November ons vaderland, en dus ook Texel, ontruimde.
Ook onder het Fransche bestuur had Texel, boven vele andere plaatsen,
zwaar te lijden. De handel, die milde bron van welvaart, ook voor dit
eiland, was ten eenemale gestremd, terwijl het, boven de willekeurige
opschrijving voor de krijgsdienst, nog genoodzaakt werd tot levering
van 120 kustbewaarders, onder Fransche bevelhebbers, wier ongehoorden
dwang vele huisgezinnen tot den bedelstaf bragt.
Ook hier pleegden de douanen schandelijke afpersingen en kwellingen,
terwijl de meesten der, van tijd tot tijd elkander aflossende,
plaatskommandanten, maires, enz., zich door mishandeling,
onregtvaardigheid, ja door allerhande verdrukking, als geessels
der menschheid deden kennen. Geen wonder voorzeker, dat de brave en
vaderlandslievende Texelaars, welke ook hier sedert lang met ongeduld
den slavenketen dier ondragelijke overheersching torschten, op het
eerste gerucht van der Franschen aftogt uit Amsterdam, en de aldaar
en elders ontstane bewegingen, zich ook hier gelden deden. Op den
18den October wapperde dan ook Hollands driekleur van den kerktoren
te Oostereind. De Fransche adelaars werden van de huizen der beambten
weggenomen; algemeen heerschte vrolijkheid en leven, zonder dat eenige
baldadigheid hunne hartelijke en uitbundige vreugde onteerde. Dan,
weldra werd Texel's burgerij, door de strenge maatregelen van den aan
den Helder bevelvoerenden Admiraal Verhuell tegen deze vreugdefeiten
genomen, genoodzaakt, om Hollands vlag weder te strijken, en de
herstelling der weggenomen Fransche standaards toe te laten, waarop
eene gedwongene rust ontstond, die tot den 4den December voortduurde,
toen het door den evengenoemden Admiraal bevolen vertrek van eenige
gewapende schepen, welke tegenover het Oude- en Nieuwe Schild
gestationneerd waren, andermaal de gelegenheid openstelde, om tot de
hervatting van het bevrijdingswerk over te gaan. Spoedig had zich dan
ook te Oostereind en te Nieuwe Schild, een korps van tachtig schutters
gevormd, welke zich op de best mogelijke wijze van wapenen voorzien
had. Deze vaderlandslievende menigte, heesch andermaal, op beide
voormelde plaatsen, de Hollandsche vlag, en trok vervolgens naar het
Oude Schild, alwaar men bij hunnen komst mede de vlag van den kerktoren
deed wapperen. Na hier eenige versterking te hebben bekomen, trokken
zij naar de Schans en hadden den moed, om deze sterkte, welke door
eene talrijke bezetting, onder het bevel van een Fransch officier,
verdedigd werd, en bezet was met het noodige geschut, ter overgave
te eischen.--Hierop kwam de sergeant, Willem Lourens, aan het hoofd
van 27 man aan den buitenpost, welke door het afschieten der geweren
in de lucht en het geroep van "Oranje boven!" het teeken des vredes
en der verbroedering gaven.
Men ondernam echter thans geen verderen aanval op de Schans, maar
trok naar den Burg, om ook dáár de vlag der onafhankelijkheid van den
kerktoren te doen wapperen.--De zaak erlangde echter den volgenden dag
een gewigtiger aanzien. Op den Hoogen berg kwam namelijk een korps van
ongeveer acht honderd man bijeen, voorzien van allerhande wapentuig,
en gezind, om op dezen dag de bevrijding van Texel te voltooijen. Dit
vorderde echter de inneming eener sterkte die, zoo door bezetting als
geschut en proviand, zeer wel ter verdediging was toegerust. Men had
echter besloten, ook tot dit uiterste te komen, doch overlegde tevens
daarbij, dat het raadzaam ware, de plaatselijke regering hiervan
vooraf kennis te geven. Deze werkte dit voornemen zeer in de hand,
en had zich bereids bezig gehouden met het beramen van maatregelen,
ter ondersteuning van dit heldhaftig voornemen. Zij deed het voorstel,
om eerst den weg van onderhandeling te beproeven, hetwelk algemeen
werd goedgekeurd.
Nu begaven zich eenige gemagtigden naar het fort, welke daar
binnengelaten werden en met den Franschen kommandant in onderhandeling
traden, hetgeen ten gevolge had, dat des namiddags ten 5 ure een
verdrag getroffen werd, waarbij men bepaalde, dat een detachement
schutters de kleine poort inhouden, en de bezetting den volgenden
morgen met krijgseer zoude uittrekken, om terstond op daartoe
geschikte vaartuigen vervoerd te worden. Dit verdrag werd algemeen
en met vreugdegejuich goedgekeurd, waarop elk in vrede en rust
huiswaarts keerde.
Dan, niet lang duurde deze rust, naardien men ontdekt had,
dat de Plaatsmajoor toebereidselen maakte om het fort te laten
springen. Kapitein Van Breeningen nam daarop het moedig besluit, om
zich van dien trouwelooze te verzekeren, en bragt, zoodra het voornemen
van den Plaatsmajoor ruchtbaar werd, alles in den nacht op de been,
waarop, na eene nieuwe raadpleging van de overheid met de hoofden van
den opstand, geoordeeld werd, dat het verdrag geschonden was. Zij,
die de vorige bezending hadden uitgemaakt, werden nu andermaal naar
den Franschen bevelhebber afgevaardigd, en eischten nu de overgave der
sterkte, op genade of ongenade, daarbij voegende, dat weigering of
draling door eenen oogenblikkelijken storm zoude gevolgd worden. De
bevelhebber de wettigheid der vordering erkennende, waarbij hij
tevens zijn leedwezen te kennen gaf over hetgeen thans gebeurd was,
gaf zich daarop, onder betuiging dat hij zijn vertrouwen stelde op eene
edelmoedige behandeling, met de bezetting als krijsgevangenen over,
aan welk vertrouwen ook beantwoord werd, door hem, op zijn woord van
eer, te ontslaan.
De bezetting van het fort door de schutters, en de ontwapening en
inscheping van alle Fransche en andere vreemde krijgstroepen nam
dadelijk eenen aanvang, terwijl de Plaatsmajoor, die zich in zijne
dolzinnige woede steeds weêrbarstig aan alles en jegens allen betoonde,
geboeid aan boord werd gebragt. Deze krijgsgevangenen werden alsnu
terstond met vaartuigen, waarop eene gewapende wacht was geplaatst,
naar Amsterdam getransporteerd, alwaar zij aan den Admiraal Verdooren
werden overgeleverd.
Texel, nu geheel van vijandelijke magt bevrijd zijnde, nam Kapitein
Van Breeningen, op dringend verlangen der burgers, het opperbevel
op zich. De overgeblevene krijgslieden, aan wier keus, vertrek van
Texel, of trouw aan het vorstelijk huis van Oranje-Nassau, was gelaten,
schaarden zich volgaarne onder zijne bevelen. De onderscheidene punten
van defensie werden daarop van de noodige bezetting voorzien, terwijl
men elkander trouw zwoer tot in den dood, zoo men van de zijde van
den Helder weder met nieuwen dwang bedreigd mogt worden. Spoedig
daarop ontving men van Amsterdam de noodige wapenen en ammunitie,
waardoor men in staat werd gesteld, om, na verloop van eenige weinige
dagen, vijf kompagnieën, te zamen uitmakende een korps van ongeveer
achthonderd man, wel uitgerust en volledig gewapend, op te rigten. De
Heer Ahlé, die zich bij het geheele bevrijdingswerk door beleid en
moed, meer dan gunstig had onderscheiden, nam, als Luitenant-Kolonel,
het bevel op zich over dit battaljon, terwijl de gewapende burgermagt
gedurende 5 maanden met de meeste bereidvaardigheid het eiland bleef
bewaken, tegenover eenen magtigen vijand, die, eerst na verloop van
dien tijd zijne geduchte positie verliet. Spoedig daarna keerde de
oude orde van zaken terug en werd op Texel niet weder verstoord.
Een ander en nog magtiger vijand echter, verontrustte in 1825 dit
eiland, op eene andere wijze.
Neêrland's gevreesde nabuur, de Noordzee, sloeg bij den stormvloed van
Februarij onderscheidene gaten in den Zuiderdijk, zoodat de polder
het Grie overstroomde, waardoor ook de binnendijk bezweek en al het
land ondervloeide. Een groot geluk evenwel was het voor de eilanders,
dat de meesten hunner in de op heuvels gebouwde woningen konde blijven,
waardoor ook het meeste vee behouden bleef. Ook voer de reddingsboot,
ofschoon met groot gevaar verzeld, gedurig af en aan. Eens, in den
nacht, te digt aan de dijkbreuk gekomen zijnde, werd zij door den
stroom, veroorzaakt door de eb, bijna naar buiten medegesleept. Met
inspanning van vereenigde krachten redde men zich ter naauwernood
tegen den binnenkant van den dijk. Een andere keer werd zij door eene
onweêrsbui en hoos beloopen, die de boot het onderst boven wierp,
en vijf der manschappen overstelpte, zonder dat echter iemand hunner
het leven verloor.
Ook de andere zeedijk, digt bij het Oude Schild gelegen, dreigde te
zullen bezwijken, doch werd met veel krachtsinspanning bewaard.