Wanneer wij de geschiedrollen van ons vaderland nagaan, en bepaaldelijk
het oog vestigen op de oorkonden die daarin op Texel betrekking hebben,
ontdekken wij, met genoegzame zekerheid, dat de eerste bewoners de
Sturiërs [11] waren. Deze althans, bewoonden die streken van het
noordelijke gedeelte van onzen geboortegrond, waar thans het eiland
Texel ligt, dat toen nog aan de vaste kust verbonden, en te dien tijde
veel grooter, en van eene gansch andere, en woeste gesteldheid was.
Derwaarts toch strekte zich het groote Kreilerwoud uit, dat eenen
aanvang nam tusschen Medemblik en Enkhuizen, zuidwaarts in verband
stond met het Schrakenbosch, dat zich langs de westkust van ons
vaderland verlengde, en waarvan misschien het Haagsche Bosch nog een
overblijfsel is [12].
Algemeen bekend is het, dat onze visschers zich op zekere hoogte,
benoorden Texel, zorgvuldig wachten moeten, om met hunne netten en
kuilen of kulen, niet in boomstammen of ander houtgewas verward
te geraken, en dat achter het dorpje de Koog, waar het strand en
de duinstreek voormaals eene veel grootere uitgestrektheid bezaten,
een geplaveide weg of straat gevonden wordt, die zij duidelijk kunnen
waarnemen en waarvan zij meermalen steenen in hunne netten ophalen.--
Aan voormelde bosschen grensden toenmaals groote streken kleigrond,
welke uitmuntten door vruchtbaarheid, en zich in den geheelen omtrek
uitstrekten om de zandgronden heen, welke laatsten als van hoogeren
ouderdom zijn aan te merken; aangezien alle klei allengskens aangevoerd
en aangeslibt is, òf door den afloop der rivieren, òf door het afkomend
zeewater.--De Zuiderzee was toen nog niet in aanwezen. Ten oosten en
zuiden der plaats waar thans Enkhuizen ligt, was alles land, tot aan
het eiland Urk, en ten noorden van die plaats insgelijks.
Alleen het Flumeer of meer Flevo, dat toen door den Noorder-Rijnmond
met de Noordzee in verbinding stond, was aanwezig, terwijl de
tegenwoordige eilanden Texel, Vlieland, Terschelling, Wieringen en
Marken, nog tot het vaste land behoorden. Wanneer Texel een eiland
geworden zij, is niet met zekerheid bekend.
Sommigen meenen, dat zulks omstreeks 1164 of 1170 heeft plaats
gegrepen, toen de eerste belangrijke verwoestingen van land, aan
de kusten van Noord-Holland en Friesland, door den St. Juliaans-
en den Allerheiligenvloed, teweeggebragt werden; waarbij, behalve
eene geheele overstrooming dier provincien, ook een gat scheurde
tusschen Vlieland en Texel; terwijl anderen, zelfs van eene geheele
afscheuring van Texel en den vasten wal gewag maken. Volgens Emmius
en Schotanus, hing Texel (en ook [13] Wieringen) nog in het laatste
gedeelte der 12e eeuw, bij ebbe, met de vaste kust te zamen, of waren
daarvan slechts door naauwe slenken gescheiden, zoodat beide al dan
niet Eilanden genoemd konden worden.--In eene lijst der goederen van
de St. Martens Kerk van Utrecht, omstreeks 900 opgemaakt, wordt van
Texel gewag gemaakt als van een Eiland; terwijl het, in den giftbrief
van Keizer Otto III, gedagteekend den 25sten September 985, waarbij
aan Graaf Dirk of Diederik II, in eigendom gegeven worden, al de
landen die hij voorheen ter leen bezeten had, weder geen Eiland,
maar Landstreek en Graafschap, wordt genoemd.
In de Friesche Cronijk, lezen wij, betrekkelijk de veranderingen
van het land bezuiden en beoosten Texel het volgende: "Anno 1222
was het noch Vant Vlie tot aen die Suijder-zee geheel Landt; dan,
vermits die groote vaerten die daerinne ghegraven worden, heeft
die Noort-zee sijn ganck ende inbrock daer inghenomen en ghecregen,
ende heeft veel Landts hier ende daer afghenomen, twelck alles in
die Middelzee weder aengheslaghen is."
Van welke vaarten men voorts, op 1234, het volgende leest:
"Daer ginck van dit Stedeken (Harlingen) eenen schoonen diepen
Vaert tot aan Vlielant, recht voor Dicxhorne door, ende van daer
voort aen het Texsel, twelck die Luijnkercksche Conversen met hulp
van d' inwoonders van Dicxhorne ghemaeckt hadden, opdat se des te
gerieffelicker tot malcanderen conden comen, ende hier van hiet noch
een diepte omtrent Vlielant Moncke-Sloot. Want die van Luijnkerck
dese tijt een cleijn Cloosterken ofte wthof op Vlielant hadden staen,
daeromme dese Vaert principalick gemaect worde, hoe wel nochtans
het Gerbrando de Abt van Luijnkerck zeer mishaechde, vermits sij so
na bij de Noortzee gelegen was, want dese Gerbrandus doen ter tijd
al vreesde, dat naemaels naeghecomen is. . . . . . . . . . . (1395
of 1396) Oorsaecke van dezen zijn geweest die van Enckelhuijsen,
Medenblick, en de principalijck die Sint Olofsche en Luijnkercsche
Conversen, die op Wieringen ende Tessel ende op 't Landt tusschen
beijden woonden, want die veel Slooten en diepe Vaerten omtrent die
Eijlanden ghemaeckt hadden, terwijlen zij die Landen in haer macht en
ghewelt pleghen te hebben, waer door die Noortzee zijn inganck ende
cracht heeft ghecreghen, zo dat Westvrieslandt (dat nu Noort-Hollant
hiet) niet alleenich van den Hollantschen Graven; maar oock door die
Noortzee van 't andere Vrieslandt ghesepareert ende afgescheijden is."
Naar sommiger gevoelen, bestond er, tot aan het begin der 13e eeuw,
tusschen Enkhuizen en Stavoren, nog zoo veel lands, dat men, met
behulp van een deel of plank, droogvoets derwaarts konde gaan.--Wij
deelen echter, met vele anderen, niet in dat gevoelen, aangezien
het gedeelte van Friesland, waarin Stavoren ligt, reeds vroeger,
in tegenstelling van het latere West-Friesland, Oost-Friesland werd
genoemd. Er bestond dus eene scheiding, en Stavoren had toen twee
havens, Zure- en Noore-mude (Zuider- en Noorder-mond) hetwelk bewijst,
dat men aan breeder water dan aan een Sloot te denken hebbe.
In de Friesche Cronijk vinden wij hieromtrent geschreven:
"Ao. 1255. Deze tijdt mocht men noch met een Rafter of Dalge van
Stavoren naar Enckelhuijsen gaen, ende was een goet vast Lant." Ook de
Schoorlder Kronijk, spreekt in dezen zin: "Omtrent 1250 ging men nog
van Medemblik of Enkhuizen tot Stavoren in Vrieslandt over het land de
Kreijl. Doch de gaten van 't Vlie en Texel wijder wordende, is in 't
jaar 1400 een vrije vaart nabij Stavoren en Enkhuizen in de Zuiderzee
gekomen, dat maer een sloot plag te wezen;"--terwijl wij daarentegen
elders vinden opgeteekend: "In 't jaer ons Heeren 1250 heeft de zee
grote scade gedaen an ende om Frieslandt, ende de grote meren binnen
't landt, als die zee bij Stavoren, en dat voert bij Harlingen, ende
van Stavoren toe Enkhusen ende toe Campen; want dat plach heel land
toe wesen al totte Flie."--Ook vinden wij in de Friesche Cronijk op
1395 of 1396, vermeld: "Dese tijd hadde die Noortzee de gaten van
het Vlie en Tessel veel wijder ghemaeckt, als zij te vooren pleghen
te wesen, so datter nu een vrijen vaart van die Noortzee voor bij
Medemblick ende Enckelhuijsen al tot in de Suijderzee liep, daer te
vooren eenen cleijnen sloot alleenich plach tusschen te wesen."
Zoo bestond er weleer ook verschil van gevoelen of Texel Wieringen,
Huisduinen en Kalandsoog in vroegeren tijd vereenigd, of wel van
elkander gescheiden waren.
De berigten en oorkonden dienaangaande, gaven gereede aanleiding om
zoowel het eene als het andere te vooronderstellen. Dit verschil van
gevoelen is echter door den geleerden Oudheid- en Geschiedkundige
Rutgerus Paludanus, Burgemeester van Alkmaar, tot eenheid gebragt en
volledig bewezen, dat vóór de groote watervloeden, welke omstreeks den
aanvang en het midden der 13e eeuw, ook onze noordelijke en westelijke
kusten teisterden, deze plaatsen, nog aan één gehecht waren, en eene
veel grootere uitgestrektheid bezaten.
Behalve de oude kaarten van Beeldsnijder (1574) en van Aelbert Haage
(1613), en anderen, waaruit de groote veranderingen in het meest
noordelijke deel van Holland en de eilanden zijn op te maken, zijn
er nog vele stukken voorhanden, aangaande den voormaligen toestand
van deze stranden en gronden.
De reeds genoemde Paludanus, verzamelde de daarop betrekking hebbende
stukken, en ontleende daarvan eenige, uit de beroemde bibliotheek
van Balthazar Huijdecoper, weleer Baljuw van Texel.
En hoeveel gronds ons vaderland, in het algemeen, langs de geheele
west- en noordkust aan den Oceaan heeft moeten prijs geven, blijkt
genoegzaam hieruit, dat het tegenwoordige dorp 's Gravenzande voor het
midden der 13e eeuw, en vóór de stichting van het Grafelijke Slot te
's Hage, niet slechts eene hofstad, maar ook eene belangrijke koopstad
was, wier handel zich vooral op Engeland bepaalde, en in het bezit
was van eene vermaarde, ruime en veilige haven.
Het dorpje ter Heyde had in de helft der 15e eeuw, bij den leeftijd
van éénen mensch, 1600 schreden strands verloren, terwijl de eerste
kerk te Scheveningen omstreeks denzelfden tijd door de zee verzwolgen
werd. De nieuwe kerk, in die plaats, werd geheel oostwaarts van het
dorp gebouwd; bijna 3 eeuwen geleden stond zij nog in het midden van
het dorp, terwijl zij nu aan het strand staat. Doch, bovenal heeft
men een afdoend bewijs, voor de vroegere bebouwing van de nu reeds
sedert lang, door de zee verzwolgen gronden van Hollands westkust,
bij Katwijk, namelijk in de overblijfselen van Kallostoren, en die van
het Huis te Britten, welke laatsten van tijd tot tijd zijn opgenomen
en beschreven.--In 1520 zijn de overblijfselen voor het eerst, van
onder de duinen, te voorschijn gekomen; toen vertoonde zich nog het
muurwerk ter hoogte van acht voeten. De paalhoofden der grondslagen
zijn in 1572, bij eenen aflandigen wind, voor het laatst gezien,
en thans liggen die overblijfselen reeds verre in zee. [14]--
Sommigen willen dat Texel omstreeks 1170 eene uitgestrekte landstreek
bevatte, welke in drie Graafschappen verdeeld was, waarvan er eene
Texel of Texele heette.
Ten opzigte van Texel vinden wij bij Halma, (Toon. der Ned.) het
volgende opgeteekend:
Texla, Texel, Tessel, is volgens een Giftbrief van Keizer Otto
den III, van het jaar 985, geweest een zeer groote Landtstreek,
in haaren omtrek bevattende al het landt, dat er is over Kinheim
(Kinnemum) en het Y, tusschen de Noordtzee, het overgroote Meer,
dat is, de Zuiderzee, en de Sala of Ysselstroom. Dese Landtstreek
wierd gedeelt in drie Graefschappen, namelijk Wasalant (aldus meenen
wij wordt dit woord recht geschreven) Kinhem en Texla, in een nauwere
betekenis; die de Keizer, nauwelijks een aankomende jongeling geworden,
meest op aanstaan en raadt van zijne Moeder de Keizerinne, en den
Aartsbisschop van Trier, door eene gifte alle te gelijk wechgeschonken
heeft aan Graaf Diderik den II, zijnde de Keizerinne Zuster van de
Schoondochter van Diderik, aan wier kinderen dit alles zou versterven;
en de Aartsbisschop Zoon van den Begiftiger. Te onderzoeken hoe verre
dit Graafschap zich uitgestrekt heeft, zou onnut en overtollig zijn,
dewijl ik meene, dat er hedendaags misschien nauwelijks iets meer
van overig is, behalven de Eilanden Texel en Wieringen. Dat er ook
een Kasteel is geweest van den zelfden naam, zijnde de Hooftplaats
van de Landtstreek (Pagi) en 't Graafschap, is daar genoeg uit af te
neemen, dat Graaf Willem de I, Ada, zijne overleden broeders dochter
in het jaar 1211, derwaarts gezonden heeft om daar bewaart te worden;
volgens hetgeen in het Perkamentboek van Utrecht verhaalt word van den
Schrijver, die in dien zelfden tijdt geleeft heeft. Deze landstreek
ziet men met den naam van Texla Pagus getekent tusschen de rivier [15]
Kinnem en de Hista Seu Isala inferior, dat is den beneden Yssel, in
de kaarten van den Heere Alting (Tab. II. Pars. II.) De drie mindere
Graafschappen, waar in deze landtstreek verdeelt wierd, ziet men Tab
VII. als Kinhem Comitatus over de Rivier Kinnem, langs de Noordtzee,
daar nu Texela, nu al een Eilandt zijnde, en daarop Texla Arx, dat
is, het Kasteel, zuidwaarts van Wierinx-lande, en noch meer naar
het zuiden toe Ulasalanda Comitatus, dat is, Graafschap Waaslandt,
zich uitstrekkende bijna tot aan Hoorn. Insgelijks Tab. VIII, daar
Wierink-Landt nu al naar een gedeelte als een Eilandt vertoont word,
van het vaste landt afgescheiden; naderhandt West-Frieslandt; alle
besloten tusschen de rivieren de Kinnem en de Isala of Isla. Wat
de benaming belangt, de Heer Alting oordeelt niet onwaarschijnlijk,
dat Texel of Tessel, zoo veel wil zeggen als 't Yssel, of Het Yssel,
en dat dit Eilandt van de rivier Sala, daar naarbij of doorloopende,
den naam gekregen heeft: want dat Tesselstroom, en Tesselgat, niet
anders kan betekenen als de Stroom en het Gat van den Yssel, of Ysaal,
dat is, van het Y Salica, of Saliorum.
Dat het Graafschap Kinhem, dat hier Kinnemun genoemt wordt, niet
is Kennemerlandt, toont onze schrijver op het woordt Kinhem, en
Kinnemaria, alwaar van de gifte des Keizers Otto den III aan Diderik
den II gesproken wordt; als ook op het woord Hollandia, daar de Heer
Alting zegt, dat "de zuster van de Keizerinne Theophania getrouwt is
geweest aan Arnulphus, den zoon van Grave Diderik II."
Bij denzelfden schrijver vinden wij omtrent Kinhem en Wasaland,
het volgende opgeteekend:
"Kinhem wordt in den Giftbrief van Keizer Otto den III van het jaar
985 genoemt een Graafschap (Gerechtsbank) van 't landt van Texel (Pagi
Texellensis:) waarbij dese Keizer behalve andere plaatzen die aan dezen
kant des Rhijns lagen, onder de gehoorzaamheit van Grave Diederik den
II noch gevoegt heeft het geheele strandt tusschen Kinhem en het Vlie:
hoewel met gansch geen recht, en tegen het vast en gestadig gebruik
van de Keizeren uit het Huis van Karel den Grooten. Het Graafschap
Kenhem verscheelt derhalve van Kennemerlandt (Kinnemaria) dewijl
dit legt naar het westen van de rivier Kinnem, en aleer te vooren
door Gifte van Karel den Eenvoudigen onder Hollandt gebragt is: doch
dit Graafschap is noch ten tijde der Noormannen met dienzelven naam
bekent geweest, en van den schrijver Regino, Chinheijm genoemt; zoo
hij maar Kennemerlandt niet mede onder deze benaminge begreepen heeft,
omdat hier van daan eerst bequaame gelegentheit was om den Rhijn op
te vaaren, en voort te trekken naar Sunnemaria of Dennemarca; hetwelk
hij daar zegt dat geschiedt is. Welke de grenzen zijn geweest van het
verder gelegen Kinhem, naar het westen en noorden, is baarblijkelijk,
namelijk de stroom Kinnem en de Noordtzee. Doch hoeverre 't zich naar
het zuiden en oosten uitgestrekt heeft, is zoo net niet te bepaalen,
dan van den zuidtkant, daartegens aangestooten heeft het Graafschap
(Gerechtsban) van Maaslandt (immers zoo als er gedrukt staat) en
van den oostkant, die van Texel. In de kaarten van den Heere Alting
ziet men dit Graafschap Kinhem bepaalt tusschen de rivier Kinnem,
die bij Petten in de Noordtzee loopt, en tusschen het eilandt Texel
of de Helder, (P. II Tab. VII en VIII.)
Doch in deeze laatste ziet men Kinnemaria, zich uitstrekkende langs
de Noordtzee van de rivier Kinnen af tot voorbij Haarlem: maar nergens
tot aan de Maas of den Maaskant."
"Wasalant, onder de drie Graafschappen van het Landtschap Texel
(Texelensis pagi) wordt mede getelt Masalant. Immers zoo staat in den
gedrukten Giftbrief of Handtvest van Keizer Otto den III, in het jaar
985, zonder twijfel door eene schandelijke verbasteringe. Want wie
zou doch kunnen gelooven dat Maselandt, of Maaslandt, aan Texel grenst?
"Ik gisse derhalven, dat in de oorspronkelijke Handtvest gestaan
heeft Wasalant, dat is Westland, en dat 'er het woordt Fries niet
tusschen gestelt is geweest, dewijl het zonder dat kenbaar genoeg
was; naardien daar gesproken wordt van Frieslandt gelegen aan den
anderen kant van de rivier Kinnem. Eveneens als Menco van Werum,
op het jaar 1256, met diezelfde spreekwijze de Friezen aan dezen
kant van het Vlie, alleenlijk Westlinge genaamt heeft. Invoegen
Graaf Diderik de II, door deze Gifte ook recht heeft gekreegen
op West-Fries-Landt, hetwelk is tusschen 't overgroote Meer (de
Zuiderzee) en de kleinere Meeren: dat is van het Y af tot aan den
Yssel. Want men vindt geene andere Gifte, uit kragt van welke de
Hollandtsche Graven zich dat recht hebben aangematigt." (Tot dus verre
de Heer Alting.) (Alting, Nat. Germ. Infer. Pars II, fol. 198.) Dat
Maaslandt in de voornoemde Handtvest van Keizer Otto den III, gestelt
wordt tot een zuidergrens van het Graafschap Kinhem, schrijft de
Heer Alting hierboven (zie Kinnem;) hoewel in den Giftbrief zelf
deze drie Graafschappen alleenlijk neffens malkander gestelt worden,
Masalandt, Kinhem en Texla; zonder eenige bepalinge van de gelegentheit
of grensscheidinge. Doch het is te verwonderen, dat noch de Hoog
Edele Heer Douza van Noordtwijk, noch Petrus Scriverius in zijne
Aanteekeningen over de Hollandtsche Kronijk, noch ook Mattheus Vossius,
noch de Heer Professor Ant. Mattheus, dit woordt niet gewraakt, en de
wanschiklijkheit daarvan aangetoont en verbetert hebben. Want het is
zonneklaar dat Maaslandt, Masalanda, in geenerlei maniere zich tot aan
Kinhem of Texel heeft uitgestrekt. Maar misschien is deze benaminge,
hoe ongerijmt ook, zoodanig gesterkt en gestaaft door de achtbaarheit
van Melis Stoke, dat niemandt daar aan heeft durven tornen. Want deze
zingt aldus in zijne Rijm-Kronijk:
"In die Graafschap, die men dus noemt,
Kinhem, Texela, ende Maeslant"
Welk woordt, indien het hier een gevoegelijke plaats kan hebben, zonder
van verbastering verdacht te zijn, moest men ten minste aanwijzen,
wat landtstreek dus genoemd is, en van waar men dien naam gekregen
heeft; waaromtrent de Uitgever van dien Rijmer ons geen bericht of
opening doet. Nu was het wel niet meer omslags te zeggen, dat dit
woordt door de Afschrijvers alzoo wel bij Melis Stoke is verbastert,
als in den Giftbrief zelf. Maar het komt mij niet onwaarschijnlijk
voor, dat deze schrijver waarlijk zoo geschreven heeft, en dat het
Afschrift bij hem gezien, zijnde ruim drie eeuwen nadat de Handtvest
gegeven was, toen al door onkunde en door vooroordeel van dezulken,
die liever eene kenbare benaming van Maaslandt, als eene ongewone
en onkenbare van Waaslandt, wilden aannemen en schrijven, bedorven
is geweest.
Zoo dat bij geen mensch van opmerkinge en oordeel, meene ik, eenig
twijfel zal kunnen overblijven, of de ware naam is Wasalanda,
Wasalandt; gelijk de Heer Alting deze verbeteringe heeft opgegeven.
Dit Graafschap Wasalandt (Wasalanda Comitatus) ziet men geteekent
in de kaarten van den Heere Alting, Tab. VII Pars II, tusschen de
Waterlandtsche meeren, dat is, de Schermer (Sciremere) de Beemster
(Bamastra) en de Purmer van den eenen kant; en tusschen den Yssel,
zoo als die uit de Zuiderzee, daar het meer Medemelacha heen stroomt,
van den anderen kant. Maar aangaande den oorsprong van deeze benaminge,
ben ik het met den Heer Alting gansch niet eens: En zoo ik diens
doorgeleerden schrijvers waarheitslievende bescheidenheid kenne,
zou hij, meene ik, zoo eene vergezochte en ongegronde verklaringe
niet opgevat hebben, indien hij met dit woordt een bequaamer uitweg
hadde gezien. Want wat gelijkvormigheit of overeenkomste heeft doch
Wasalanda met Westlandt? Onder zoo veele benamingen van dien tijdt,
die van dit West zijn 't zamengestelt, wordt het zelve meest altijdt
behouden, somtijts een weinig verandert, als in Wistrachia, maar
nooit in Wasa of Wase. En is het niet ongerijmt, en strijdig tegen het
geen de Heer Alting zelf, en anderen, van de Friezen, zoo Oostelijke,
als Westelijke, geschreven hebben, te zeggen dat West-Fries-Landt in
dien tijdt, ook daarna, een Graafschap of Landtstreek op zich zelven
is geweest, afgescheiden van de Graafschappen Kinhem en Texla?
Immers heeft die Heer het heel anders begreepen, als hij Westfresia
bepaalt tusschen de rivier Kinhem en den Vliestroom, en het zelve
verdeelt in deze vier Graafschappen, een van Stavero, een van Texla,
een van Kinhem en het vierde Graafschap daar getekent Wasalanda
Comitatus. Ook kan men niet zeggen dat Wasalandt daar eigentlijk
voor een vierde gedeelte, en in deze Handtvest voor het geheele
Westfrieslandt genomen wordt; dewijl Texla en Kinhem daar neffens
hetzelve gestelt worden; dat echter maar gedeeltens van West-Frieslandt
zijn. Ook loopt dit rechtdraats aan tegens hetgeen op een ander plaats
gestelt word, namentlijk; "Dat Texla (Texel) volgens deeze Handtvest
van Keizer Otto den III, een zeer groot Landtschap is geweest, verdeelt
zijnde in drie Graafschappen, Wasalandt, Kinhem en Texla, in een nauwer
betekenis genomen." Maar in den Giftbrief, of Handtvest, wordt niet
gezegt dat Wasalandt een gedeelte is van Texla, alleenlijk worden deze
drie Landen of Graafschappen, in een rang en order, als aan den anderen
paalende, neffens malkander gestelt, als gelegen tusschen den Ystroom,
en den Yssel, zoo als die boven Texel in de Noordtzee gelopen heeft,
en deeze Westelijke Friezen heeft afgescheiden van hen die Oostelijker
woonden, en tot het Graafschap van Staveren (Comitatus Stavero)
behoorden. Wat meer is, de Heer Alting verdeelt geheel Frieslandt,
toen deeze benaming zich het allerverst uitgestrekt heeft, aldus: dat
het Westelijke genoemt is al het geen aan deezen kant van het Vlie was,
en daarom in de oude Friesche wetten Cisfli genoemt wordt. En daar hij
de zeven Friesche Zee-landen optelt, besluit hij het eerste tusschen
de rivier Kinnem, of het zeegat bij Petten, en het gat van 't Vlie,
"welk Zeelandt naar zijne gelegentheit," zegt hij, "en omdat het een
gedeelte van het oude West-Frieslandt is, hedendaags den naam van 't
geheel behoudt." Voorts zegt hij, "dat de naam Frisia Occidentalis,
dat is, West-Frieslandt, die zich weleer uitstrekte van het Vlie tot
aan de Schelde, naderhandt eigen is geworden aan dat gedeelte, het
welk besloten legt tusschen de rivieren Kinnem, den Vliestroom, het
Vliemeer, en de Noordtzee, en dat het dien naam behouden heeft, zelfs
nadat het door Grave Jan den I aan Hollandt gehecht, en naderhandt door
de groote watervloedt van het Graafschap Stavero, en een gedeelte van
Texel is afgescheurt."--Wel is waar, dat het geen in deezen Giftbrief
van Keizer Otto aan Grave Diderik geschonken wordt, al het Landtschap
Sunnemere, en wat er leit tusschen de Rivieren, dat is, Meeren,
Medemelacha en Chimelafara, behoort tot het westelijke Frieslandt;
echter volgt daar geenszins uit, dat Wasalandt zoo veel zou zeggen, als
West-Fries-Landt; te meer, dewijl in de geheele Handtvest de naam van
Friezen, of Frieslandt, niet eens vermeld wordt. De Heer Alting toont
wel aan dat Waterlandt (Waterlandia) in latere tijden onderscheiden
is geworden van West-Frisia, maar dat bewijs geldt niet ten opzigte
van den tijdt wanneer het Handtvest gegeven is: en noch minder volgt
daaruit, dat dit eigentlijk gezegde West-Frieslandt, door dit Wasalanda
zou verstaan worden.--Om echter de benaminge van Wasalandt stant te
doen houden, en te doen gelden boven het wanschikkelijke Masalandt,
zegge ik, dat dit woordt zoo veel als Waterlandt, en dat wasa, waze,
waes, beteekent water, slijk, modder.
"Nu laat ik het aan eens ieders oordeel en bevattinge, te bepaalen,
waar dit Wasalandt moet worden gestelt, vereenigt zijnde en grenzende
aan Kinhem en Texla. Wat mij belangt, dewijl ik gisse dat Sunnemere,
zoo als de Heer Alting het beschrijft, zich uitstrekte van den
Rhijn tot aan den Ystroom; zou ik denken, dat door dit Wasalandt
verstaan moet worden het geheele hedendaagsche Waterlandt, en wat
er meer is, zoo verre de Purmer, de Beemster en de Schermer zich
hebben uitgestrekt, en misschien tot aan de Rivier of liever het
Meer Medemelacha toe. Invoege dat deze drie Graafschappen, in den
Giftbrief vermeldt, te zaamen uitgemaakt hebben het grootste gedeelte
van het hedendaagsche West-Frieslandt, of al wat er besloten is
tusschen het Y, de Zaan, de Schermer en de rivier Kinnem van den
eenen kant, en den Yssel, boven Texel in de Noordtzee stortende, van
den anderen kant." Ook moet noch de oudtheit van de Handtvest, noch
de geloofwaardigheit van Melis Stoke, deeze verbeeteringe, waardoor
men Wasalandt voor Masalandt stelt, bij niemand verdacht of minder
aanneemelijk maaken; "--aangezien ook in vele andere oude Handtvesten
en Gedenkstukken, sommige namen verkeerdelijk zijn opgegeven iets,
dat alleen aan de onkunde der Afschrijvers moet geweten worden."--De
Heer Van der Does, heeft de ongerijmtheit van het woordt Masalandt
zelf al gemerkt schrijvende aldus: "In den voorgemelden Giftbrief van
Keizer Otto is alles klaar en duidelijk, uitgenomen eenige ouderwetsche
en versleete benamingen van plaatzen," enz.
Texel's oppervlakte, welke daarna meer en meer, door tal van
watervloeden, werd verkleind, bedroeg naauwelijks de helft van den
tegenwoordigen vlakken inhoud, en bestond behalve uit duinen, schorren,
poelen, kreken of slufters, en onbeduidende droogten: uit 28 te zamen
vereenigde polderlanden, waarin de Burg, de Hoorn, de Westen, de Koog,
het Oude Schild, de Waal en Oostereind gevonden werden.--
Dat het eiland Texel bij de Romeinen bekend geweest zij, is genoegzaam
buiten twijfel, ja, het is zelfs meer dan waarschijnlijk, dat dit volk,
hier een gewoon verblijf heeft gehouden. De naam en ligging van de
voornaamste plaats, den Burg, schijnt zulks duidelijk aan te toonen,
en men wil zelfs met zekerheid weten, dat de Romeinsche veldheer
Drusus, de stichter van den oorspronkelijken Burg, zoude geweest
zijn. De tegenwoordige Hervormde kerk aldaar, staat op een heuvel,
vroeger omringd door eene gracht of sloot, de Burggracht geheeten,
die vroeger veel breeder schijnt geweest te zijn, en welke heuvel,
dezelfde moet zijn, waarop Drusus zijne sterkte bouwde.
Ook zijn in het begin der vorige eeuw, aldaar eenige Romeinsche
penningen gevonden, waarvan ik de afbeelding heb gezien; terwijl eene
vroeger ontdekte tumulus of begraafplaats, mede als een overblijfsel
van de Romeinen beschouwd moet worden, aangezien de daarin gevondene
voorwerpen, de duidelijkste sporen, van Romeinsche herkomst met zich
voeren.--Ook heeft men voor eenigen tijd, in eenen voormaligen heuvel
op Texel, de Sommeltjesberg geheeten, doch die nu geslecht is, en op
kleinen afstand oostwaarts van de Waal lag, eenige Romeinsche oudheden
gevonden, bestaande in een aantal metalen huisgeraden, waarbij een
ketel, in welks binnenruimte een merk en, met kleine letters de naam
Mutufiof, als ook metalen, in elkander sluitende lepels, met den naam
Adrianus F.
Ook is het zeer waarschijnlijk, dat de Romeinen zich op Texel van
levensmiddelen en verdere noodwendigheden voorzien zullen hebben; alzoo
het onbetwistbaar schijnt te zijn, dat Texel voormaals veel grooter
is geweest. Immers moeten de 40 geduchte watervloeden tusschen 860 en
1170, waarvan de schrijver van het oude Bataviesche Zeestrand, gewag
maakt, en die van de jaren 1395, 1400, enz. veel lands aan het eiland
ontroofd hebben, terwijl er betrekkelijk het bosch of woud, dat aan
de Noord zijde van Texel gestaan heeft, nog valt aan te merken, "dat
omtrent veertig jaren vóór dat Junius zijne Batavia schreef, Pieter
van Santen, schout van Texel, op het Raadhuis had doen aanteekenen,
het getuigenis van eenen Texelaar, die toen honderd en twintig jaren
oud was, maar noch wèl te pas en gaauw was, en die heilig, en in alle
opregtheid verklaart hadt, dat aldaar in zijnen tijd noch een bosch
had gestaan, waarvan, volgens het getuigenis van Junius, noch veele
stronken omtrent den jaare 1550, onbeweegelijk in den grond van de zee
zaten; waarom de schippers dien hoek vermijdeden; vermits zij, hunne
ankers aldaar werpende, dezelve zoo vast in die stronken raakten,
dat zij ze onmogelijk konden opwinden, en dus genoodzaakt waren,
hunne kabels te kappen [16]."--
Ook verhaalt men nog, dat er voor ruim derde halve eeuw, op de hoogte
van het dorp de Koog, zoo veel voorland en uiterwaard lag, dat een
boer niet meer dan drie vrachten daags met zijn hooiwagen kon halen.--
Van tijd tot tijd is Texel's oppervlakte echter zeer uitgebreid. De
onderscheidene bedijkingen, sedert 1488 tot op dezen tijd, hebben
haar zelfs meer dan verdubbeld, zoodat dit eiland, behalve de
reeds hierboven bedoelde 28 polderlanden, nog de volgende polders
bevat; t. w. Waal-en-Burg, het Grie, Burger-Nieuwland, de Kuil,
het Hoornder-Nieuwland, het Weezenspijk, het Eijerland, de Eendragt
en de Prins-Hendrik-Polder, terwijl men er vroeger nog den, in 1792
ingevloeiden polder Hoorn-en-Burg had.--
In de bovengemelde lijst van goederen behoorende aan de
St. Maartenskerk te Utrecht, blijkt, dat een derde gedeelte van Texel
(of zoo als het daar heet, Texle) of, ten minste een derde gedeelte,
van hetgeen in Texel tot de kerkelijke schatkist of inkomsten behoorde,
der Utrechtsche kerke toekwam, welke in dien tijd door zeker priester
Sijbrand, die twee broeders had, Lintraven en Ostraven, uit naam van
Utrechts 12n Bisschop, Otbalt of Odibald, bestuurd werd.
In het laatste gedeelte der 10e eeuw, en bepaaldelijk in het jaar
985, werd Dirk III, graaf van Holland, door keizer Otto III, met
den erfelijken eigendom van het landschap of graafschap van Texel
begiftigd, hetwelk deze graaf reeds vroeger in leen bezeten had;
en nu hadden de Texelaren hunne lotgevallen met de Kennemerlanders
gemeen. [17]
Meermalen deelde Texel in de droevige gevolgen van oorlogen en
verdeeldheden, en was het ook getuige van krijgstooneelen. Zoo
bedwong Graaf Floris in 1182 of 1183, de Friezen op Texel, en ook
op Wieringen, hen noodzakende, om hem, bij wijze van brandschatting,
4000 markzilvers, op te brengen. Ofschoon de waarde dezer som thans
moeijelijk te bepalen is, is het echter zeker, dat zij, voor dien
tijd, zeer aanzienlijk was.--Ten jare 1204, werd Gravin Ada, door
Graaf Willem I, in eenen kelder(?) aan den Burg op Texel in verzekerde
bewaring gesteld; waarop wij later, bij de plaatsbeschrijving van den
Burg zullen terugkomen. In 1288, hadden de bewoners van Texel zich,
in verbinding met de Drechter Friezen, tegen de ondernemingen van
Graaf Floris V tegen de West-Friezen, verzet, welke aankanting tot
in 1289 duurde, toen zij zich aan Floris onderwierpen.
Uit eene oude aanteekening, blijkt, dat Texel als een grafelijk
leen in bezit is geweest bij Jan van Henegouwen, Heer van Beaumont,
die den bewoners, bij handvest van 1317, alle regten toestond, welke
door zijnen broeder, Grave Willem III, bijgenaamd de Goede, aan die
van Drechterland en Hoogwouder-Ambacht, vergund waren. [18] Naderhand
hebben zijne opvolgers uit den huize van Chatillon, Graven van Blois,
mede verscheidene voorregten aan de bewoners van Texel gegeven.
In 1383 werd Texel eene vrije jaarmarkt toegestaan, welke gehouden
moest worden 3 dagen vóór, en 3 dagen na St. Jan. De plaats van deze
markt of kermis, begon aan de Nieuwe Brug en strekte zich van daar
uit tot aan Jan Schoemakers Huis.
Ook werd toen bepaald dat, indien iemand zich vergrepen had aan een
beest of vogel, niet meer waardig zijnde dan 42 schellingen, de boete
ook niet boven die som mogt gaan.
Men mogt toen op Texel vrij visschen en vogelen.