EEN GEVAARLIJKE TOESTAND.

„Hier ben ik tenminste gevrijwaard voor verrassingen als verleden

Zondag”, dacht Lord Rochester, toen het mooie dienstmeisje van Miss

Arabella Norfolk hem de deur opende.

Toen hij binnentrad, zag hij, dat het meisje zeer verlegen was.

„Zoo kleintje, ben je verbaasd, omdat ik onlangs zei, dat ik deze week

op reis was, hè?” vroeg hij, terwijl hij het mooie kind in de wang

kneep. „Nu, het is anders uitgekomen. Waar is Miss Norfolk?”

„Miss Norfolk is in het Theater, Mylord.”

De Lord keek haar met groote oogen aan.

„Wat zeg je? Maar kindje, ik zag immers, dat alle ramen verlicht zijn.

Maar wat is dat?”

Zijn oog was gevallen op een heerenpels, die met een cylinder aan den

kapstok hing.

Het dienstmeisje werd nog verlegener.

Maar zij behoefde geen antwoord te geven, want een deur ging open.

„Wie is daar, Lisette? Met wien sta je te praten? Is het de

banketbakker met het dessert? Waarom komt hij niet langs de achterdeur?

Ach...!”

Zij, die deze woorden uitriep, was een mooie blondine, wier prachtige

gestalte in de opening der deur was verschenen. Langs haar heen keek

men in een rozig verlichte kamer, waarin een rijk gedekte tafel. Als

eenige gast zat daar een elegant gekleede, forsch gebouwde heer.

Men kon dit alles slechts een oogenblik zien. Want Miss Arabella, die

er in de zacht-geparfumeerde losse huisjapon verleidelijk uitzag, was

dadelijk uit de deuropening te voorschijn getreden en had de deur

achter zich gesloten!

„Geen scènes hier!” sprak zij op halfluiden, bevelenden toon tot den

Lord, die haar woedend een scheldwoord naar het hoofd had geslingerd.

„Ik kon niet weten, dat je juist nu zoudt komen. Trouw ben ik je niet

verschuldigd, want ik ben je vrouw niet! Ga nu heen en blameer je niet!

Luitenant Oliver, dien je wel kent, is een hoofd grooter dan jij en een

uitstekend bokser!”

Zonder hem verder met een blik te verwaardigen, keerde zij hem den rug

toe en ging terug in de kamer.

Lord Rochester wist nauwelijks hoe hij buiten was gekomen. Het mooie

dienstmeisje, dat hem uitliet, sprak op spottenden toon:

„Goeden nacht, Mylord! Tot weerziens!”

„Gespuis!” riep hij woedend, toen hij weer op straat stond. „Het zal

lang duren, eer wij elkaar weerzien!”

Een poosje liep hij besluiteloos heen en weer.

Toen hij eindelijk kalmer was geworden, besloot hij naar de club te

gaan, want hij wilde in dezen opgewonden toestand nog niet naar huis.

In de club dronk hij haastig eenige glazen whiskey, speelde, verloor,

en praatte met een paar kennissen. Ongeveer een uur na middernacht

begaf hij zich huiswaarts.

Hij was nu kalmer geworden en toen hij zijn huis naderde, kreeg hij

neiging om een achtenswaardig mensch te worden.

„Hoe heb ik mij ook met zulk een vrouwmensch kunnen inlaten!” mompelde

hij. „Dat is zeker, een fatsoenlijke vrouw doet zoo niet! Lea zou door

haar trots weerhouden worden, haar oogen op te slaan tot een anderen

man. Ook is zij daarvoor te godsdienstig!”

Hij was geroerd over zijn eigen gedachten en nam zich voor, niet om

zijn vrouw voortaan trouw te blijven, maar om het verraad, dat hij aan

haar beging, weer goed te maken door kleine attenties en mooie cadeaux.

Met dergelijke edele voornemens bezield, kwam hij thuis.

Toen hij boven was en op het punt stond, de deur van zijn slaapkamer te

openen, viel het hem op, dat er licht brandde.

Hij bleef verbaasd staan. Hoe? Was zijn vrouw nu nog op? Zou zij

misschien onder het lezen van een roman zijn ingeslapen?

Hij naderde de deur en luisterde.

Geen geluid werd vernomen.

Hij klopte.

Daar binnen bleef alles stil.

Hij opende de deur en ging de kamer binnen.

Vreemd, het vertrek was leeg.

Maar wat beteekende dat? Het koude zweet brak hem uit. Zijn blik viel

op het gebruikte bed, op het ingedrukte raam, op een zwarte jas en

heerenhoed, die op een stoelleuning hingen en op een kleine

dievenlantaarn op tafel.

Mijn God! Zou Lea vermoord zijn en haar lijk weggesleept? Hij beminde

haar nu juist niet al te teeder, maar bij deze gedachte rilde hij toch.

Juist wilde hij om hulp roepen, toen hij stemmen hoorde. De deur der

aangrenzende kamer werd geopend en, zeer onvoldoende gekleed, kwam de

doodgewaande, gevolgd door een chic gekleed heer, de kamer binnen.

Ondanks het ontbrekende baardje herkende hij in den heer Lord Percy

Meneval.

De Lord, zijn vrouw, het gebroken venster, de dievenlantaarn op tafel,

hoe moest hij dit alles begrijpen? Met wijdgeopenden mond staarde hij

naar het tweetal.

Toen vloog een gedachte vol wantrouwen door zijn hoofd. Wachtte hem

hier dezelfde scène als zooeven bij Arabella?

„Mijnheer— —!”

Maar reeds vloog Lea naar hem toe.

„Goddank, dat je eindelijk weer hier bent, Edward! Bescherm mij! Die

ellendeling is Raffles!”

Lord Rochester keek den bezoeker met uitpuilende oogen aan.

„Raff—Raffles?”

Deze maakte een beleefde buiging.

„Om u te dienen, Lord Rochester. Misschien kent gij mij beter onder den

naam Mary Green. Het spijt mij, dat gij zoo vroeg zijt teruggekomen, ik

had u nog niet verwacht!”

De naam Mary Green herinnerde den Lord aan zijn onaangenaam avontuur.

Hij werd beurtelings rood en bleek.

Raffles echter vervolgde met een beleefden glimlach:

„Het doet mij leed, Mylord, u onaangenaam te moeten zijn. Ik vond de

huisdeur gesloten en moest dus dezen ongewonen weg nemen”—hij wees naar

de gebroken vensterruit—„om een onbeduidend zaakje met de Lady op te

knappen!”

„Hij heeft mij bestolen, Edward!” riep de Lady. „Tienduizend pond, die

ik heimelijk in de brandkast bewaarde, heeft hij geroofd!”

Lord Rochester spitste de ooren. Zijn oogen fonkelden van hebzucht en

met buitengewoon veel moed riep hij uit:

„Maar dat is ongehoord! Noemt gij dat een „onbeduidend zaakje”? En

maakt gij bij het afhandelen van dergelijke onbeduidende zaakjes altijd

gebruik van zoo’n wapen?”

Hij wees op de revolver, welke Raffles nog steeds in de hand hield.

Raffles lachte.

„Neen, Mylord, tenminste niet tegenover dames. Wees onbevreesd.

Overtuig er u zelf van: de revolver is niet eens geladen!”

Dit was dom van hem. In het volgende oogenblik schitterde in de hand

van Lord Rochester een revolver, die hij uit zijn zak te voorschijn had

gehaald.

De angst, dat Raffles hem in het schieten voor zou zijn, had hem

weerhouden, het wapen eerder te gebruiken.

Maar bliksemsnel liet hij het wapen met een kreet van pijn weer vallen,

want een geweldige slag trof zijn arm, zoodat de revolver in een

grooten kring op zij vloog. (Zie titelblad.)

„Het is beter, dat ik het ding onder mijn hoede neem, voordat gij

domheden begaat”, sprak hij doodelijk kalm.

Op hetzelfde oogenblik weerklonk een langgerekte, bel door het geheele

huis. Raffles had niet kunnen verhinderen, dat de Lord, terwijl Raffles

zich had gebukt, op het knopje van de electrische schel had gedrukt!

„Sir”, sprak Raffles, zonder ook nu zijn kalmte te verliezen. „Dat is

het domste, wat gij hadt kunnen doen! Maar er is nog niets verloren!

Laat mij den weg vrij!”

„Neen!” hoonde de Lord, die zoodanig voor het venster ging staan, dat

Raffles niet zonder een vrij langdurigen strijd langs dezen weg kon

ontkomen. „Eerst geeft gij het gestolene terug!”

Raffles legde op den Lord aan.

„Ik raad u, laat mij den weg vrij!”

De Lady gilde van angst en de Lord aarzelde een oogenblik.

Daar weerklonken de voetstappen van de bedienden, die kwamen toesnellen

en de Lord kreeg opnieuw moed.

„Schiet, als gij durft! Maar bedenk, dat gij niet meer kunt ontsnappen

en dat de galg u wacht!”

Raffles liet den arm zinken en wierp zich lachend in een stoel. Het was

hem geen oogenblik ernst geweest om te schieten.

„Gij hebt gelijk, Lord Rochester”, sprak hij op spottenden toon. „Het

zou zonde zijn, de wereld te bevrijden van zulk een prachtmensch als

gij zijt! Ik beklaag uw onbezonnenheid alleen in uw eigen belang. Want

nu zult gij uw hoofd moeten breken om mij zoo ongemerkt mogelijk van de

baan te krijgen!”

Hij stak, nadat hij met een ironische buiging vergunning van de Lady

had gevraagd, een sigarette aan, om den verderen loop der dingen af te

wachten.

De deur werd geopend en de verschrikte gezichten van een heele bende

halfgekleede bedienden verschenen in de opening.

De Lord nam een heldhaftige houding aan.

„Gelukkig ben ik vroeger thuis gekomen dan eerst mijn plan was”, sprak

hij. „Zoodoende had ik nog tijd om een vreeselijke misdaad te

voorkomen. Jullie kunt allen een extra belooning verdienen. Want die

man, die door het venster in de slaapkamer van de Lady is

binnengedrongen, is Raffles!”

Deze naam werkte als een tooverwoord op de bedienden. Bijna eerbiedig

staarden zij naar den beroemden man.

„Nu?” vroeg de Lord ongeduldig. Hij had niet anders verwacht, dan dat

de bedienden zich op den man hadden geworpen.

Maar de onverstoorbare kalmte van dien zeldzamen man, die ongestoord en

zonder op hen te letten, zijn sigarette verder rookte, misschien ook

wel de revolver in zijn hand, waarmee hij schijnbaar onoplettend

speelde, hielden hen in bedwang. Het scheen hun meer geraden, om op een

afstand te blijven. Zij kenden immers de ongelooflijke verhalen, die

werden verteld over den zeldzamen moed, de behendigheid en

lichaamskracht van den Grooten Onbekende.

„Sir”, sprak eindelijk een der ondergeschikten op verlegen toon, „mij

dunkt, dat het een zaak is, die de politie aangaat, om Mr. Raffles

gevangen te nemen.”

„Vervloekt!” sprak de Lord, knarsetandend van woede. „Roept dan de

politie! Jij, Jonny”, sprak hij tot den oudsten bediende, die

aarzelend dichterbij was gekomen, „telephoneer dadelijk naar Scotland

Yard! Vraag kapitein Baxter om dadelijk met voldoende hulp hier te

komen om Raffles gevangen te nemen!”

„En vergeet niet, er een hartelijken groet van Raffles aan kapitein

Baxter bij te voegen. Zeg hem, dat hij zich moet haasten!” sprak

Raffles met een spottend lachje.

De Lord nam geen notitie van deze woorden.

„Jij, Bob, haal uit mijn rookkamer de beide revolvers, die boven het

wapenrek hangen en de Winchesterbuks uit de geweerkast! Breng mij de

eene revolver, wapen jezelf en Baptiste met de andere en de buks en

blijft met jullie beiden in de voorkamer, om op den eersten roep bij de

hand te zijn!

„Willem en James, snelt naar het park! Wekt den tuinman, en houdt met

hem de wacht onder het balcon, opdat de misdadiger ons niet kan

ontsnappen langs denzelfden weg, dien hij gekomen is!

„En jij, Pierre, blijf bij de huisdeur staan en breng de politie

binnen, zoodra deze komt!”

De bedienden verwijderden zich en toen Bob met de revolver was

teruggekeerd, en zich weer had verwijderd, was het drietal weer alleen.

„Zoo”, sprak Raffles, terwijl hij opstond en de rest van zijn cigarette

in een zilveren aschbakje gooide, „nu kunnen wij eindelijk eens ernstig

met elkaar praten!

„Weet gij, Lord Rochester, dat gij bezig zijt, een moreelen en

maatschappelijken zelfmoord te plegen?”

De Lord lachte zenuwachtig.

„Wat beteekent dat? Denkt gij door drogredenen indruk op mij te maken!

Ik doe een weldaad, doordat ik den voorgewenden Lord Meneval ontmasker

en een zeer gevaarlijk misdadiger onschadelijk maak!”

„Zeker”, knikte Raffles. „Maar hebt gij er nog niet aan gedacht, dat ik

mij zou kunnen wreken en mij ook bezighouden met het „ontmaskeren” van

personen?

„Het zal een rechtzaak worden, Lord Rochester en dan zal ik het

genoegen hebben, eenige pikante bijzonderheden omtrent Lord en Lady

Rochester aan den dag te brengen.”

Hij wierp een zijdelingschen blik op de Lady.

Deze was doodsbleek geworden.

De Lord daarentegen haalde vol minachting zijn schouders op.

„De justitie zal wel weten wat zij moet gelooven van de verdachtmaking

van een gewetenloozen misdadiger! Wat mijn echtgenoote betreft, ik

begrijp niet, wat gij met uw insinuaties wilt zeggen.”

Raffles stak een sigarette aan.

„Nu, ik zou bijvoorbeeld kunnen vertellen, dat Lady Lea de tienduizend

pond, die zij mij heden gaf, den armen ontstolen heeft.

„Bedenk verder, dat ik binnengedrongen ben in de slaapkamer der Lady.

Misschien zou ik kunnen vertellen, dat ik bij een poging om Mylady nog

meer te ontrooven dan geld en geldswaardige zaken, geen tegenstand van

haar zijde heb ondervonden, maar, integendeel gevolg heb gegeven aan

haar wenschen.”

De Lord werd geel van nijd.

„Dat is een brutaliteit, die niemand zal gelooven!” siste hij. „Lady

Rochester en een dief! Dat is zoo dwaas, dat het niet eens een

beleediging is!”

„Den dief Raffles zou Mylady misschien geen rendez-vous hebben

toegestaan,—maar misschien aan Lord Meneval!” antwoordde Raffles op

koelen toon. „Lord Rochester, ik geef u nogmaals den raad, roep uw

bedienden terug en zorg ervoor, dat ik zonder opzien te baren dit

bekoorlijke verblijf kan verlaten! Drijf mij niet tot het uiterste!

„Dwing mij niet om voor het gerecht met het bewijs te komen dat Lady

Lea Rochester niet alleen is een dievegge, maar ook een gewetenlooze

echtbreekster, die de tijdelijke afwezigheid van haar man gebruikt om

galante avonturen na te jagen!”

Een heesch geluid ontsnapte aan de lippen, van den Lord. Hij balde

beide vuisten, alsof hij zich op zijn tegenstander wilde werpen.

Maar diens ijskoude blik, scherp als staal, hield hem tegen.

Nu mengde zich voor het eerst de Lady in Het gesprek.

„De beleedigingen van iemand als gij laten ons koud”, sprak zij. „Maar

het is beneden onze waardigheid om zich in het openbaar door een

inbreker te laten beleedigen. De wereld is zoo slecht en gelooft maar

al te gaarne het gelaster. Ik geef je daarom den raad, lieve Edward,

dien man te laten gaan en daardoor een eind te maken aan deze

vervelende zaak!”

Lord Rochester haalde met moeite adem.

„En de tienduizend pond? Ik denk er niet aan. Ik zou wel eens willen

zien, wie wel geloof zou hechten aan de lasterpraatjes van zoo’n

kerel!”

„En als die „kerel” nu zijn „lasterpraatjes” kan bewijzen? Gij moest

den raad van uw vrouw liever opvolgen, Lord Rochester!

„Ik ben in het bezit van een teeder briefje, gericht aan Lord Percy

Meneval, waarin Lady Lea Rochester hem overlaadt met liefkoozende

woordjes en hem smeekt om tastbare bewijzen van zijn wederliefde.

„Dezen keer kwam ik ongevraagd hier,—morgen zou Mylady mij haar

slaapvertrek zelf hebben geopend.

„Gij hebt het alleen aan mij te danken, Mylord, dat uw gemalin u trouw

is gebleven.”

De Lord staarde zijn vrouw aan.

„Lea,—is—dat—waar?”

Zij behoefde niet te antwoorden. Een blik op de Lady, die met een

luiden kreet was neergevallen op een stoel en het niet waagde, om op te

kijken, vertelde hem de waarheid.

„Schaamtelooze echtbreekster! Ellendige eerlooze vrouw!” schreeuwde de

Lord. „Nog dezen nacht jaag ik je het huis uit en morgen vraag ik

echtscheiding aan!”

Hij deed alsof hij haar wilde slaan.

Maar Raffles trad hem in den weg.

„Gij zult niets doen, Mylord! Het is mijn bedoeling niet, om een

huwelijk, dat gebaseerd is op zoo groote wederzijdsche harmonie der

karakters, te vernietigen en twee menschen, die zoo goed bij elkaar

passen, te scheiden.

„Vergeet toch niet, dat gij pas uit de door u betaalde woning van de

mooie Arabella Norfolk komt. Ik zou misschien in staat zijn, de Lady

nog meer gegevens voor een echtscheiding te verstrekken tegen u, ouden

huichelaar en vrouwenverleider!”

Nauwelijks had hij deze woorden gesproken of de Lady keek op.

Woedend keken haar groenachtige oogen den misdadiger aan.

„Maar dat is — — O, jij schurk, jij — —!”

Raffles trad kalmeerend tusschen de beide echtgenooten en sprak:

„Doet mij een genoegen, „deze zaak morgen verder uit te vechten! Gij

zijt elkaar volkomen waardig. En het is nu de hoogste tijd, Lord

Rochester, om de uitgezette wachten terug te roepen, opdat onnoodig

schandaal en onnoodige onkosten voor u vermeden worden.”

„En de brief?” vroeg de Lord. „Geef mij eerst den brief!”

Raffles schudde het hoofd.,

„Ik denk er niet aan. Ten eerste heb ik dien niet bij mij en

daarenboven heb ik hem nog noodig, ingeval Mylady zich eens niet mocht

storen aan mijn eisch, om haar functies in de vereenigingen van

liefdadigheid neer te leggen. Eindelijk nog wil ik hem bewaren, om te

voorkomen dat gij op onbescheiden wijze tegen mij optreedt.

„Ik ben namelijk niet van plan, het veld te ruimen, maar wensch de rol

van Percy Meneval nog eenigen tijd te spelen.

„Mocht gij mij dit willen beletten, dan zoudt gij uw eigen glazen

inslaan.

„Daarentegen zult gij, zoolang gij u kalm houdt, van mij niets te

vreezen hebben!

„En haast u nu, Lord! Zorg er voor, dat ik mij kan verwijderen!”

De Lord beefde van woede, maar hij zag in, dat hij, indien Raffles

gevangen werd genomen, zijn eer en aanzien had verloren en zijn positie

in de maatschappij zou verliezen. Hij verwenschte nu zelf zijn grooten

ijver en had geen vuriger wensch dan Raffles zoo snel mogelijk te zien

heengaan.

Een vloek mompelend snelde hij naar de deur om de bedienden onder het

een of andere voorwendsel terug te roepen.

Maar het was reeds te laat.

Daar de slaapkamer der Lady aan het park grensde, had men het geluid

van een automobiel niet gehoord, die eenige minuten geleden voor het

huis was blijven staan.

Op hetzelfde oogenblik, toen de Lord de deur wilde openen, werd

geklopt.

„Mylord,” riep de stem van Pierre, „Kapitein Baxter is met de politie

aangekomen!”— — —

En zoo was het inderdaad.

Baxter was met een klein leger van politieagenten gekomen en had,

zooals Lord Rochester met een blik uit het raam opmerkte, het geheele

huis laten omsingelen.

Met een hulpeloozen blik keek de Lord Raffles aan.

De Lady wrong wanhopig de handen.

Raffles haalde onverschillig zijn schouders op.

„Dat is het gevolg van uw koppigheid,” fluisterde hij. „Gij verdiendet

eigenlijk, dat ik mij liet gevangen nemen. En ik zou het doen als ik

niet nog een beetje medelijden met u had. Zeg tegen den bediende, dat

gij dadelijk zelf zult komen!”

Terwijl Raffles deze woorden sprak, veranderde reeds zijn uiterlijk.

Uit den borstzak van zijn jas haalde hij een dichte pruik te

voorschijn. Een baard volgde. Toen hij dit alles bliksemsnel had

bevestigd en met behulp van schmink en verf, die op de toilettafel der

Lady aanwezig waren, zijn oogen met dikke schaduwen had omrand, toen

hij rimpels op zijn gelaat had getooverd, herkende Lord Rochester bijna

den ouden man in hem, die de winkeljuffrouw tegen zijn brutaliteit had

beschermd.

Alleen was de oude heer nu elegant en chic gekleed.

Deze geheele metamorfose, waarnaar de Lord en Lady vol verbazing hadden

gekeken, had nauwelijks twee minuten in beslag genomen.

„Laat mij het woord en zeg op alles wat ik beweer slechts ja en amen!”

fluisterde Raffles den Lord toe, voordat hij met dezen de kamer

uitging.

Toen Raffles met den Lord de voorkamer binnentrad, waarin kapitein

Baxter met zijn detectives vol ongeduld wachtte, greep er weer een

verandering met hem plaats.

Zijn gestalte boog zich, zijn mondhoeken zakten slap naar beneden,

kortom, hij zag er uit als een aristocratisch heer van minstens 70 of

75 jaar.

Het eerste oogenblik was Kapitein Baxter een weinig verbaasd, den Lord

niet alleen, maar in gezelschap van een hem geheel onbekenden ouden

heer te zien. Zijn verwondering werd nog grooter, toen deze oude, zeer

voorname heer het woord voerde voor den Lord, die er zeer opgewonden en

zenuwachtig uitzag.

„O, o, kapitein, wat een pech!” sprak hij met de stem van een

grijsaard. „Gij komt met uw hulp vijf minuten te laat. Zoolang is het

mijn geachten vriend gelukt, den booswicht vast te houden.

„Gij ziet het, hij is uitgeput van vermoeienis. De kerel scheurde zich

los en was met een sprong uit het raam! ik zou mijn vriend natuurlijk

graag hebben geholpen, maar ik ben een oud man. Ja, als ik maar twintig

jaar jonger was geweest—!”

Kapitein Baxter keek den ouden heer wezenloos aan.

Hoe? Was Raffles hem weer ontsnapt? Ondenkbaar!

„Maar hoe is dat mogelijk?” riep hij jammerend uit. „Gij hadt immers

posten uitgezet, zooals de lakei mij vertelde en de beide bedienden,

die hier de wacht hielden, zijn eenige oogenblikken geleden eerst

heengegaan!”

De oude heer haalde de schouders op.

„Alles is zoo snel gegaan! De Lady lag in onmacht, ikzelf had mijn

kalmte verloren en de Lord kon niet om hulp roepen, want zijn

tegenstander hield zijn keel vast.”

„Maar de lui, die onder het balcon op wacht staan! Raffles moet in hun

handen zijn gevallen.”

„Ik vermoed, dat hij de vlucht over het dak heeft genomen.”

De oogen van den kapitein vonkelden weer vol hoop.

„O, dan kan hij ons niet ontsnappen. Deze villa staat volkomen

geïsoleerd. Naar alle waarschijnlijkheid heeft hij zich op het dak

verborgen. De villa is door mijn lieden omsingeld, dus moet hij ons in

handen vallen. De zal het geheele huis tot in alle schuilhoeken

dadelijk laten doorzoeken.”

Hij wenkte de detectives en gaf hun zijn bevelen.

Nadat zij zich hadden verwijderd om deze uit te voeren, wendde de

kapitein zich weer tot den ouden heer.

„Wil Mylord zoo vriendelijk zijn, mij nadere bijzonderheden mede te

deelen? Met wien heb ik de eer?”

„O, kent gij mij niet?” vroeg de oude heer blijkbaar verwonderd. „Lord

Beresford. Ik zat met mijn vriend, Lord Rochester, een spelletje te

doen in het salon—”

Kapitein Baxter, die den naam Beresford nooit had gehoord, schudde

verbaasd het hoofd.

„De bediende, die mij hier bracht, vertelde mij toch, dat zijn heer

voor den bepaalden tijd thuis was gekomen en bij die gelegenheid— —”

„De bediende is een ezel!” viel voor het eerst de Lord hem in de rede.

„De bedienden lagen reeds lang in bed.”

„Hoe verder, als ik verzoeken mag?”

„Dus wij speelden samen kaart. Ik zou juist geven, toen wij een

hulpkreet hoorden uit de slaapkamer der Lady. Wij snelden er heen en

zagen den misdadiger, die juist door het venster naar binnen was

gekomen en een geladen revolver op de borst der Lady gericht had.

„Ik zelf sloeg hem het wapen uit de hand. Lord Rochester maakte zich er

meester van en met behulp van deze revolver hielden wij den inbreker,

die ons smeekte om hem te laten gaan in bedwang totdat het vreeselijke

gebeurde.

„Terwijl die gemeene schurk schijnbaar argeloos met mijn vriend

praatte, stortte hij zich plotseling op den Lord en ontwrong hem het

wapen. Het verdere verloop van deze vreeselijke worsteling kent gij.

Wij mogen God danken, dat er geen bloed gevloeid is en wij er geen van

allen het leven bij hebben ingeschoten. Want die Raffles is een

gevaarlijk sujet!”

Intusschen waren de detectiven komen vertellen, dat men den vluchteling

nog steeds niet gevonden had.

„Wilt gij mij toestaan, de slaapkamer van Mylady in oogenschouw te

nemen?” vroeg de chef der detectiven aan den Lord.

„Sta mij eerst toe, heen te gaan,” sprak Lord Beresford. „Ik ben een

oud man en de schrik is mij in de leden gevaren Ik verlang naar rust.

Ik kan u bij het opsporen van den misdadiger toch niet van dienst

zijn.”

Kapitein Baxter verklaarde bereidwillig, dat niets zijn vertrek in den

weg stond.

„Neen? Daar ben ik blij om”, glimlachte de ander. „Alleen—hm, nu ja,—ik

ben een oud man en een beetje angstig. Als die man mij onderweg eens

aanviel? Hij heeft zijn revolver weer bij zich en ik ben ongewapend.”

Ondanks het ernstige van den toestand moest Baxter om de vrees van den

ouden heer lachen.

„Ik zal u een politieagent meegeven, Mylord, die u naar een rijtuig zal

brengen.”

De oude heer glimlachte dankbaar.

„Ja? Dat is lief van u. Bijvoorbaat mijn dank, kapitein.”

Baxter riep dadelijk een politieagent. Toen de oude heer met dezen

detective de kamer verliet, keek Lord Rochester hem met verbeten woede

na.

Daar ging hij, om nooit terug te komen en met hem de tienduizend pond!

Kapitein Baxter zette zijn onderzoek met grooten, ijver voort. Hij

moest dezen keer Raffles, die het huis nog niet verlaten kon hebben, te

pakken krijgen.

Intusschen liep Lord Beresford aan de zijde van den politieagent.

„Langzaam, langzaam, jonge vriend!” herhaalde hij telkens. „Op mijn

leeftijd gaat het niet meer zoo vlug!”

Bij de eerste zijstraat nam hij een rijtuig.

„Wacht nog een oogenblik!” sprak hij tot den agent, terwijl hij dezen

een fooi gaf. „Ik moet u nog een paar regels voor kapitein Baxter

meegeven!”

Hij scheurde een blad uit zijn zakboekje, zocht zijn vulpen en schreef

een paar regels.

„Ziezoo, koetsier, ga er nu maar van door!” riep hij uit, terwijl hij

als doel van den rit het eerste het beste plein opgaf.— —

Kapitein Baxter, wien de zweetdroppels op het voorhoofd stonden, gaf

zijn lieden juist bevel de schoorsteenen te onderzoeken, toen de

geleider van den ouden Beresford binnentrad en hem het briefje

overhandigde.

Haastig scheurde kapitein Baxter het couvert open.

Wat zou de oude heer hem nog hebben mede te deelen?

Nauwelijks echter had de kapitein de weinige regels gelezen, of hij

werd zoo bleek als een doode.

Een vloek ontsnapte aan zijn lippen, want de korte inhoud van het

briefje luidde:

„John C. Raffles bedankt kapitein Baxter voor de vriendelijke

bescherming, die het hem mogelijk maakte, met de tienduizend pond,

die hij van Lady Rochester stal, ongehinderd te vertrekken en hij

verzoekt hem, den Lord en de Lady vriendelijk van hem te groeten.”

Over het geheele lichaam bevend, toonde Baxter den Lord het briefje.

Ook deze verbleekte, en hijgde naar adem.

Maar hij beheerschte zich dadelijk weer.

Met een gemaakt lachje gaf hij den kapitein het stuk papier terug.

„Een scherts van Lord Beresford. De oude heer is een grappenmaker, die

dikwijls dergelijke aardigheden uithaalt.”

„Zoo Mylord. En wat beteekent dat met die tienduizend pond, waarover

hij schrijft? Heeft men u niet bestolen? Kijk eens in uw brandkast!”

„Geen penny!” sprak de Lord met moeite. „In de brandkast bevond zich

geen geld. Zooals ik zeg—het is een flauwe grap!”

Kapitein Baxter dacht er het zijne van. Evenals nu de houding van den

Lord, was hem zooeven de houding der Lady opgevallen. De groote

onbekende was in haar slaapkamer binnengedrongen en—Raffles was een

mooie man!

Hm, hier was een geheim, waar hij, waar het zulke voorname,

invloedrijke personen gold, liever niet naar moest vorschen. Wat zou

het hem ook geven? Raffles was toch weer ontsnapt.

Hij deed nog een poosje, alsof hij het onderzoek voortzette. Daarna nam

hij met zijn agenten afscheid.

Zijn vermoeden werd zekerheid toen hij den volgenden dag trachtte, den

geheimzinnigen Lord Beresford op het spoor te komen.

Lord Lister No. 0017: De gestrafte Don Juan · 第 17 / 24 题