Jaren zijn voorbijgegaan, vele jaren zelfs, maar zij zijn omgevlogen,
omdat zij slechts goede en gelukkige dagen hebben opgeleverd.
Thans woon ik in Engeland, in Milligan-Park, het kasteel van mijne
voorouders.
Het kind zonder ouders, zonder steun, te vondeling gelegd en verlaten,
ten prooi aan de wisselvalligheden van het lot, zonder baak om hem
den weg te wijzen op die onafzienbare zee, waarop hij rondzwalkte,
zonder haven waarheen hij zich kon richten, heeft niet slechts eene
moeder en een broeder, die hij liefheeft en die hem liefhebben, maar
ook voorouders, die hem een naam hebben nagelaten, door het gansche
land geëerd, en een aanzienlijk vermogen.
De kleine ongelukkige knaap, die als kind zoo menigen nacht in schuren
en stallen heeft doorgebracht of in een uithoek van het bosch onder
den blooten hemel, is thans de erfgenaam van een voornaam geslacht,
in het bezit van een kasteel in de geschiedenis vermaard, dat door de
nieuwsgierigen wordt bezocht en in alle reisboeken vermeld en geroemd.
Op een twintig mijlen ten westen van de plek waar ik scheep ging,
vervolgd door de politie, ligt dat kasteel op een helling, omringd
door een lommerrijk bosch, ondanks de nabijheid van de zee. Het
is gebouwd op een terras door de natuur zelve gevormd; het heeft
de gedaante van een kubus en op elken hoek staat een zware ronde
toren. De twee gevels naar het zuiden en westen gekeerd, zijn bedekt
met slingerplanten en klimmende rozen; die van het noorden en oosten
met klimop, met stammen zoo dik als een mensch, die getuigen van zijn
hoogen ouderdom, en al de zorgen van de tuinlieden zijn noodig om te
verhoede dat zijn weelderige groei onder donker loof de arabesken
en andere ornamenten bedekt, die zoo kunstig gehouwen zijn in de
witte steen, welke de vensters en deuren omlijst. Het is door een
uitgestrekt park omringd. Daarin groeien oude boomen, die nog nooit
gesnoeid of geveld zijn en levende beken stroomen erdoorheen, welke
groeikracht schenken aan de altijd groene grasperken. In een bosch
van hoog opgaand hout nestelen oude kraaien, die elken nacht door
haar gekras het begin en het einde van den dag verkondigen.
Op dit oude kasteel van Milligan-Park woon ik nu met mijne familie:
mijne moeder, mijn broer en mijne vrouw.
Wij zijn daar sedert zes maanden gevestigd. Vele uren heb ik
reeds doorgebracht in de bibliotheek, waarin de oude archieven, de
eigendomstitels, de familiepapieren bewaard worden. Ik zit daar aan
eene groote eikenhouten tafel, zwart van ouderdom, en schrijf. Maar
het zijn niet die archieven of familiepapieren welke ik zoo nauwkeurig
naga, maar het boek mijner eigen geschiedenis, dat ik doorblader en
in orde breng.
Wij zullen ons eerste kind laten doopen, onzen kleinen Mattia, en bij
gelegenheid van dien doop, die op het kasteel mijner vaderen allen
vereenigen zal, die mijne vrienden waren in dagen van tegenspoed,
wil ik het verhaal geven van mijne lotgevallen, waarin zij eene rol
hebben gespeeld, als een bewijs mijner dankbaarheid voor de hulp,
die zij mij hebben verleend of voor de liefde, die zij voor het arme
verloren kind hebben aan den dag gelegd. Als ik een hoofdstuk afhad,
zond ik het naar Dorchester, naar den lithograaf en denzelfden dag
ontvang ik de gesteendrukte kopieën van mijn handschrift, om aan
ieder der gasten er een te geven.
Die bijeenkomst is eene verrassing, die ik hun heb bereid, ook voor
mijne vrouw, die dan haar vader zal weerzien en hare zuster, en haar
broers en hare tante, welke zij niet verwacht; alleen mijne moeder
en mijn broer zijn in het geheim. Als er niets tusschen beiden komt,
zullen allen dezen avond onder mijn dak doorbrengen en ik zal het
genot smaken hen allen aan mijne tafel te zien.
Een enkele zal aan dat feest ontbreken, want hoeveel men ook met
geld kan doen, het kan 't leven niet teruggeven aan hen, die niet
meer zijn. Arme, dierbare oude meester! wat zou ik gelukkig geweest
zijn, als ik u een rustigen ouden dag had kunnen bezorgen! Gij zoudt
u kunnen ontdaan hebben van uwe _piva_, uw schapevacht en uw fluweelen
buis; gij zoudt niet meer het "vooruit kinderen!" geroepen hebben. Een
ouderdom door allen geëerbiedigd, zou u zijn geschonken, gij zoudt uw
indrukwekkend grijs hoofd met fierheid kunnen opheffen en uw vroegeren
naam weder kunnen aannemen. Vitalis, de oude zwerveling, zou weder
Carlo Balzani, de beroemde zanger zijn. Maar wat de onverbiddelijke
dood u niet vergund heeft, heb ik althans voor uwe nagedachtenis
gedaan: te Parijs op het kerkhof Montmartre is de naam gebeiteld
op het gedenkteeken, dat mijne moeder op mijn verzoek voor u heeft
opgericht; en uw borstbeeld in brons naar de portretten uit den tijd
van uw roem herinnert uwen naam aan hen, die u hebben toegejuicht;
een afbeeldsel van uw borstbeeld is voor mij gegoten; het staat
daar voor mij, en terwijl ik het verhaal schrijf van mijne eerste
jaren van beproeving, toen de loop der gebeurtenissen zich begon te
ontwikkelen, hebben mijne oogen vaak de uwe gezocht. Ik heb u niet
vergeten; ik zal u nooit vergeten, wees daar zeker van; indien ik
in dat gevaarlijk tijdperk van een aan zich zelf overgelaten kind,
nooit gestruikeld heb en nooit ben gevallen, dan ben ik het aan u
verschuldigd, aan uwe lessen, aan uw voorbeeld, mijn dierbare oude
meester! En op elk feest zal uwe plaats in eere worden gehouden;
ziet gij mij niet, ik zal u zien.
Maar daar komt mijne moeder door de zaal der familieportretten; de
jaren hebben hare schoonheid niet doen verwelken, en zij is in mijn
oog nog dezelfde als toen ik haar voor de eerste maal aanschouwde,
onder de veranda van _De Zwaan_, met haar edel gelaat, zoo zacht
en schoon; maar dat waas van zwaarmoedigheid dat het toen overtoog,
is geheel verdwenen.
Zij leunt op den arm van Arthur, want thans is het de moeder niet
meer, die haar zwakken, wankelenden zoon ondersteund, maar de zoon,
die een schoon en krachtig jongeling is geworden, bedreven in alle
lichaamsoefeningen, bevallig ruiter, flink roeier, onverschrokken
jager, die met innige teederheid zijn arm biedt aan zijne moeder; want
in strijd met de voorstelling van mijn oom, James Milligan, is het
wonder gebeurd: Arthur is in leven gebleven en hij zal blijven leven.
Op eenigen afstand achter hen, zie ik eene oude vrouw komen, gekleed
in de dracht der Fransche boerinnen. Zij heeft een kindje op den arm
met een wit cachemieren mantel om: de oude boerin is vrouw Barberin
en dat kind is het mijne: het is mijn zoon, de kleine Mattia.
Nadat ik mijne moeder teruggevonden had, wilde ik, dat vrouw Barberin
bij ons zou blijven, maar zij nam dit niet aan.
--Neen, zeide zij, mijn beste Rémi, mijn plaats is thans niet bij uwe
moeder. Gij moet thans werken om knap te worden en door uwe kennis
een heer te worden, zooals gij door uwe geboorte reeds zijt. Wat
zou ik bij u doen? Mijne plaats is niet in het huis uwer wezenlijke
moeder. Laat mij naar Chavanon terugkeeren. Maar onze scheiding zal
niet voor altijd wezen. Gij wordt grooter; gij zult trouwen en kinderen
krijgen. Dan eerst, als gij wilt en ik nog in leven ben, zal ik bij
u komen om uwe kinderen te verzorgen; ik kan hunne min niet zijn,
zooals ik uw min geweest ben, maar mijn leeftijd zal mij niet beletten
dat ik goed op uwe kinderen pas; ik ben een vrouw van ervaring, en
oude menschen hebben niet veel behoefte aan slaap. Bovendien ik zal
uw kinderen liefhebben en ge kunt er zeker van zijn, dat ik mij de
kleinen niet zal laten ontstelen, zooals men u gestolen heeft.
Wat vrouw Barberin verlangde is gebeurd; korten tijd vóór de geboorte
van ons kind, is men haar te Chavanon gaan halen en zij heeft alles
verlaten, haar dorp, hare gewoonten, hare vrienden, de koe, die uit
onze koe was geboren, om in Engeland bij ons te komen; onze kleine
Mattia wordt gezoogd door zijne moeder, maar hij wordt verzorgd,
gedragen, beziggehouden en geliefkoosd door "moeder" Barberin, die
verzekert, dat dit het mooiste kind is, dat zij ooit heeft gezien.
Arthur heeft een nommer van de _Times_ in de hand; hij legt dit
op mijne schrijftafel en vraagt me of ik het gelezen heb. Op mijn
ontkennend antwoord, wijst hij me op een brief uit Weenen, dien ik
hier laat volgen.
"Weldra zult gij te Londen het bezoek krijgen van Mattia; ondanks den
ongelooflijken bijval, die zijne reeks concerten alhier verwierven,
verlaat hij ons, daar hij naar Engeland moet vertrekken wegens
eene verbintenis, die hij niet verbreken kan. Ik heb u reeds van
die concerten gesproken; zij hebben den grootsten opgang gemaakt,
zoowel door de mate als door de oorspronkelijkheid van zijn talent,
en door zijne gave als componist. In één woord, Mattia is een Chopin
op de viool."
Ik heb dat artikel niet noodig om te weten, dat de kleine
straatmuzikant, mijn makker en leerling, een groot kunstenaar is
geworden. Ik heb Mattia zich zien ontwikkelen en opgroeien; en zoo
het al wezen mocht, dat in den tijd, waarin hij onder leiding van
denzelfden onderwijzer als Arthur en ik, geen groote vorderingen maakte
in het latijn en grieksch, des te meer vorderde hij in de muziek bij
de onderwijzers die mijne moeder hem gaf, en het was gemakkelijk te
voorzien, dat de voorzegging van Espinassous, den kapper-musicus van
Mende, eenmaal bewaarheid zou worden.
Toch vervulde mij die brief uit Weenen met trots en vreugd; het was of
ik zelf deelde in de toejuichingen, waarvan hij de weerklank was. Maar
was dit ook niet zoo? Was Mattia niet mijn tweede ik, mijn makker,
mijn vriend, mijn broeder? zijn roem was de mijne, evenals zijn geluk
het mijne was.
Op dat oogenblik bracht de bediende een telegram, dat juist was
aangekomen.
"Het is misschien de kortste weg, maar zeker niet de
aangenaamste; maar is er wel één aangename? Hoe dit zij, ik ben
zoo zeeziek geweest, dat ik eerst te Red-Hill de kracht had
om u bericht te zenden. Te Parijs heb ik Christina gehaald;
wij zullen te Chegford te vier uren tien minuten zijn; zend
ons daar een rijtuig.
"Mattia."
Toen ik den naam van Christina las, had ik Arthur aangezien, maar hij
had den blik afgewend; eerst bij het slot van het telegram sloeg hij
de oogen weder op.
--Ik heb wel zin om zelf naar Chegford te gaan, zeide hij; ik zal
den landauer laten inspannen.
--Dat is een goed idée; in het terugrijden zult gij over Christina
zitten.
Hij gaf geen antwoord, maar verliet terstond de kamer; toen wendde
ik mij tot mijne moeder.
--U ziet dat Arthur het niet verbergt, dat hij naar haar verlangt;
dat beteekent iets.
--Dat beteekent zeer veel.
Het kwam mij voor, dat in den toon van die woorden een zweem van
ontevredenheid doorstraalde. Ik stond op en zette mij naast mijne
moeder, en terwijl ik hare beide handen greep, die ik kuste, zeide
ik in het Fransch, de taal waarvan ik mij altijd bediende als ik met
innigheid, als haar kind, tot haar spreken wilde:
--Lieve moeder, het moet u geen zorg geven, dat Arthur Christina
bemint. 't Is waar, dat zal hem beletten een goed huwelijk te sluiten,
en een goed huwelijk is in het oog der menschen een huwelijk, dat
geboorte en rijkdom vereenigt. Maar bewijst mijn voorbeeld niet genoeg,
dat men gelukkig, zeer gelukkig kan zijn, zoo gelukkig mogelijk,
zonder dat de vrouw met wie men trouwt van aanzienlijke afkomst
en rijk is? Zoudt gij Arthur niet gaarne even gelukkig willen zien
als mij? De zwakheid, die gij gehad hebt voor mij, omdat gij niets
weigeren woudt aan het kind, dat gij dertien jaar lang hadt betreurd,
zoudt gij die ook niet voor uw anderen zoon willen hebben? Zoudt gij
toegeeflijker zijn voor den een dan voor den ander?
Zij streek de hand over het voorhoofd en omhelsde mij.
--Ge zijt een goed kind en een liefhebbende broeder. Welk een schat
van liefde bewaart gij in uw hart!
--Omdat ik dien vroeger heb opgespaard; maar 't is niet over mij, dat
wij nu spreken, maar over Arthur. Zeg mij eens, of gij een bekoorlijker
vrouwtje zoudt kunnen vinden dan Christina. Is dat niet de mooiste
italiaansche vrouw, die gij kent? En de opvoeding, die zij genoten
heeft sedert wij haar te Lucca zijn gaan halen, stelt die haar niet in
staat waardig eene plaats te bekleeden in de meest eischende kringen?
--Gij ziet in Christina de zuster van uw vriend Mattia.
--Dat is zoo, en ik beken rondweg, dat ik van ganscher harte een
huwelijk verlang, waardoor Mattia in onze familie zou komen.
--Heeft Arthur u gesproken van zijne genegenheid en van zijne wenschen?
--Ja, beste moeder, zeide ik glimlachend, en hij heeft zich tot mij
gewend als hoofd van de familie.
--En het hoofd van de familie?
--Heeft hem zijn steun beloofd.
Mijne moeder viel mij hier in de rede.
--Daar is uwe vrouw, zeide zij; over Arthur zullen wij later spreken.
Mijne vrouw--gij hebt het reeds geraden en ik behoef het u niet
te zeggen, nietwaar?--mijne vrouw is het meisje met die groote
verwonderde oogen en het sprekend gelaat, dat gij reeds kent. Lize,
de kleine, tengere, fijngevormde Lize. Zij is niet stom meer, maar
zij heeft gelukkig die slankheid en tengerheid behouden, die aan hare
schoonheid iets hemelsch geven. Lize heeft mijne moeder niet verlaten,
die haar onder hare leiding heeft doen opvoeden en onderwijzen,
en zij is eene schoone jonge maagd geworden, voor mij begaafd met
de volmaaktste eigenschappen en de grootste deugden... want ik heb
haar lief. Ik heb aan mijne moeder gevraagd mij haar tot vrouw te
geven, en na eene levendige tegenkanting, die vooral gegrond was
op het verschil in maatschappelijken stand, kon mijne moeder toch
niet blijven weigeren. Eenigen onzer bloedverwanten waren er zeer
boos en geërgerd over; maar van de vier, die het afkeurden, zijn
er drie reeds terruggekomen op hun oordeel: zij bezweken voor de
lieftalligheid van Lize, en de vierde wacht ook slechts om zich te
bekeeren, tot wij hem een bezoek zullen gebracht hebben, waarin wij
hem onze verontschuldiging maken, dat wij nog gelukkig zijn. En dat
bezoek is op morgen bepaald.
--Wel, zeide Lize, toen zij binnenkwam, wat is er toch gaande? Men
verbergt zich voor mij; men spreekt in het geheim; Arthur is naar het
station van Chegford gereden; de break is naar Ferry gezonden. Wat
is er toch voor een geheim? Vertel mij dat eens.
Wij glimlachten, maar gaven haar geen antwoord.
Toen sloeg zij haar arm om den hals mijner moeder en terwijl zij ze
teeder omhelsde, sprak zij:
--Nu u in 't geheim is, moederlief, ben ik niet ongerust meer; ik ben
van te voren zeker, als altijd, dat gij voor ons geluk werkzaam zijt
geweest. Maar dat maakt mij niet minder nieuwsgierig.
De tijd ging voort en de break, die ik naar Ferry had gezonden om
de familie van Lize te halen, kon elk oogenblik aankomen; om hare
nieuwsgierigheid niet te lang op de proef te stellen, nam ik mijn
verrekijker, die wij gebruikten om de schepen, welke voorbijvoeren,
te zien; maar inplaats van hem naar de zee te richten, wendde ik hem
naar den weg, vanwaar de break moest komen.
--Zie eens door dien kijker, zeide ik, en uw nieuwsgierigheid zal
bevredigd zijn.
Zij keek, maar zag niets anders dan den witten weg, want er was nog
geen rijtuig te zien.
Toen bracht ik op mijne beurt mijn oog voor het glas.
--Hoe is 't, hebt gij niets door dien kijker gezien? vroeg ik op den
toon van Vitalis, als hij zich tot het geëerde publiek wendde. Het
is toch een wonderkijker: met deze glazen ziet men tot over de zee;
zelfs in Frankrijk; ik zie er een aardig huisje door, te Sceaux;
ik zie daar een man met grijze haren, die de hand drukt aan twee
vrouwen, welke naast hem zijn gezeten. "Haast-je toch," zegt hij,
"anders missen wij den trein en ik zal niet bijtijds in Engeland zijn
voor den doop van mijn kleinzoon. Katherina, haast u wat, als ik u
verzoeken mag; sedert tien jaar dat wij samen wonen, zijt ge altijd
te laat geweest. Wat is er? Wat wilt ge, Martha? Speelt ge weer voor
gendarme? Wat ik aan Katherina zeg, is in vrede en vriendschap. Ik
weet zeer goed, dat Katherina de beste zuster is, zooals gij, Martha,
de beste dochter zijt. Waar vindt men een meisje, zoo lief als gij,
die niet trouwt, alleen om haar ouden vader op te passen en die de taak
van beschermengel blijft vervullen, gelijk zij die eenmaal vervulde
voor hare broers en haar zusje? Nu geeft hij, vóór hij heengaat,
nog eenige bevelen, vooral om te doen zorgen voor zijne bloemen,
zoolang hij afwezig is. Vergeet vooral niet, dat ik tuinman geweest
ben--zegt hij tot zijn knecht--en dat ik verstand heb van dat werk."
Ik veranderde de richting van den kijker, alsof ik naar een anderen
kant wilde uitzien.
--En nu zie ik eene stoomboot, eene groote stoomboot, die terugkeert
van de Antilles en Hâvre nadert. Aan boord is een jongmensch, die
een botanischen onderzoekingstocht heeft gedaan langs de oevers van
de Amazone. Men zegt, dat hij planten en bloemen medebrengt, die
in Europa nog onbekend zijn en het eerste gedeelte van zijne reis,
dat in de dagbladen werd opgenomen, is zeer belangwekkend: de naam
van Benjamin Acquin is reeds beroemd; slechts één ding maakt hem
bezorgd, dat hij niet tijdig genoeg te Hâvre zal komen om de boot te
halen naar Southampton, die hem bij zijne familie op Milligan-Park
zal brengen. Mijn kijker is zoo uitstekend, dat ik hem volgen kan;
hij heeft de boot van Southampton gehaald; weldra zal hij hier zijn.
Wederom richt ik mijn kijker naar een andere zijde, en ga voort:
--Niet alleen kan ik nu zien, maar zelfs hooren: twee mannen zitten
in den trein, een oude en een jonge. "Wat zal dit eene belangrijke
reis voor ons zijn," zegt de oude.--Heel belangrijk, meester.--"Niet
alleen, beste Alexis, zult gij uwe familie weerzien en kunt gij de
hand drukken van uw vriend Rémi, die ons niet vergeten heeft, maar wij
zullen ook een bezoek kunnen brengen aan de mijnen van Wales; daar zult
gij merkwaardige dingen zien, en als gij teruggekeerd zijt, zult gij te
Truyères verbeteringen kunnen invoeren, wat meer gezag zal bijzetten
aan de betrekking, die gij door uw arbeid wist te verwerven. Ik voor
mij zal eenige stukken steenkool vandaar kunnen meebrengen en die
bij mijne verzameling voegen, die de stad Varses wel heeft willen
aannemen. Hoe ongelukkig dat je oom Gaspard niet mee kon gaan!"
Ik wilde voortgaan, maar Lize was bij me gekomen; zij nam mijn hoofd
tusschen hare beide handen en door deze liefkoozing belette zij me
te spreken.
--O, wat een verrassing! zeide zij, met een stem, die trilde van
ontroering.
--Daar moet gij mij niet voor bedanken, maar mijne moeder, die
allen om zich wilde vereenigen, welke goed geweest waren voor haar
verlaten kind; als gij mij den mond niet gesloten hadt, zoudt gij
gehoord hebben, dat wij ook dien braven Bob hier wachten, die nu een
der voornaamste ondernemers van publieke vermakelijkheden van gansch
Engeland is geworden, alsmede zijn broer, die nog altijd het bevel
voert over de _Eclipse_.
Op dat oogenblik drong het geratel van een rijtuig tot ons door, en
bijna terstond daarop dat van een tweede. Wij snellen naar het venster
en zien de break, waarin Lize haar vader herkent, met hare tante
Katherina, hare zuster Martha en hare broeders Alexis en Benjamin;
naast Alexis zit een grijsaard met witte haren en gebogen gestalte:
het is de meester.
Van den anderen kant komt tegelijk de open landauer, waarin Mattia en
Christina zijn gezeten, die ons toewuiven met de hand. En achter den
landauer volgt eene cabriolet, waarvan Bob zelf het paard ment. Bob
ziet er uit als een voornaam heer en zijn broer is nog altijd de ruwe
zeeman, die ons naar Isigny bracht.
Wij snellen ijlings de trap af, om onze gasten beneden aan het bordes
te ontvangen.
Het diné vereenigde ons allen aan dezelfde tafel en natuurlijk spraken
wij over het verleden.
--Onlangs, zeide Mattia, heb ik in de speelzaal te Baden een Engelsch
heer ontmoet met witte puntige tanden, die bijna altijd glimlachte,
ondanks zijn tegenspoed in het spel; hij heeft mij niet herkend, en mij
de eer bewezen een gulden van mij te leenen om dien zóó op te zetten,
dat hij zeker winnen moest; het was eene zeer vernuftige berekening,
maar dien avond gelukte zij niet: de heer James Milligan verloor.
--Waarom vertelt gij dat, nu Rémi er bij is, mijn beste Mattia? vroeg
mijne moeder; hij is in staat om zijn oom onderstand te zenden.
--Zeker, mama.
--Waarin zou dan zijne boete bestaan? vroeg mijne moeder.
--Hierin, dat mijn oom, die alles heeft opgeofferd om fortuin te
krijgen, zijn onderstand zal verschuldigd zijn aan hem, dien hij
vervolgd heeft en getracht heeft te doen omkomen.
--Ik heb nog 't een en ander vernomen omtrent zijne medeplichtigen,
zeide Bob.
--Omtrent dien afschuwelijken Driscoll? vroeg Mattia.
--Niet van Driscoll zelf, die nog altijd aan de overzijde van den
Oceaan is, maar van de familie Driscoll. Vrouw Driscoll is verbrand,
eens dat zij op den haard was gaan liggen, inplaats van op tafel, en
Allen en Ned zijn veroordeeld om hun gansche leven in eene strafkolonie
door te brengen; zij vinden daar hun vader.
--En Kate?
--De kleine Kate past haar grootvader op, die nog altijd leeft; zij
wonen in De Roode Leeuw; de oude heeft geld; zij zijn niet ongelukkig.
--Als ze kouwelijk is, zeide Mattia lachend, dan beklaag ik haar,
want de oude heeft niet graag, dat men te dicht bij den haard komt.
Bij die herinneringen aan het verleden had ieder wat te vertellen;
hadden wij niet allen gebeurtenissen te herdenken, waarbij ieder
onzer van meer of minder nabij betrokken was en waarover wij allen
gaarne spraken, want zij vormden den band, die ons samen verbond.
Toen het diné afgeloopen was, trok Mattia mij terzijde bij een
der ramen.
--Ik heb een idée, zeide hij; wij hebben zoo dikwijls muziek gemaakt
voor onverschilligen; thans mochten wij wel wat muziek maken voor hen,
die ons dierbaar zijn.
--Is er dan voor u geen genot zonder muziek? Altijd, overal en in alle
omstandigheden muziek; denk eens aan de koe, die er zoo bang voor was.
--Wilt gij het Napolitaansche lied eens spelen?
--Met genoegen; want dat heeft ook Lize hare spraak teruggegeven.
Wij namen onze instrumenten. In eene fraaie, met fluweel bekleede
kist had Mattia eene oude viool, die misschien wel een gulden zou
opbrengen als wij haar verkochten, en ik haalde de oude harp, waarvan
het hout onder de tallooze regenbuien zijne oorspronkelijke kleur
had teruggekregen.
Men vormde een kring om ons, maar op dat oogenblik kwam er een
hond, een poedel, binnen. Hij is erg oud geworden, de goede Capi;
hij is doof, maar zijn gezicht is nog goed. Op het kussen liggende,
waarop hij zijne dagen doorbrengt, heeft hij de harp herkend en hij
komt hinkend naderbij, om de "voorstelling". Hij heeft een bakje in
zijn bek; hij wil de ronde doen bij het "geëerd publiek", op zijn
achterpooten loopende; maar de krachten ontbreken hem; hij zet zich
neder en groet het gezelschap deftig met een poot op zijn hart.
Toen ons lied uit was stond Capi op, zoo goed en zoo kwaad als het
ging. Ieder legde zijne gift in het bakje en Capi, getroffen door de
milde giften, bracht het bij mij. Het was de mooiste inzameling, die
hij ooit gedaan had; er lag slechts zilver en goud op: tachtig gulden.
Ik kuste hem op zijn snuit, zooals voorheen, toen hij mij troostte
en die herinnering aan de armoede mijner kindsheid deed een denkbeeld
bij mij oprijzen, dat ik terstond uitte:
--Die som zal de eerste bijdrage zijn voor een verplegings- en
toevluchtsoord voor kleine straatmuzikanten; mijne moeder en ik zullen
het overige geven.
--Lieve mama, zeide Mattia, terwijl hij de hand kuste mijner moeder,
mag ik een klein aandeel in dat goede werk dragen? Als gij het
toestemt zal de opbrengst van mijn eerste concert te Londen gevoegd
worden bij hetgeen Capi ontvangen heeft.