--Ik zet een kruis, sprak Pagès.
--Nu, zeide Bergounhoux, toen wij allen onzen naam gezet hadden,
vraag ik niets meer, dan dat men mij rustig sterven laat, zonder iets
meer tegen mij te zeggen. Vaartwel, makkers.
Hij verliet daarop zijn trede en begaf zich naar de onze, om van ons
drieën afscheid te nemen. Daarop klom hij weder naar de zijne, omhelsde
Pagès en Carrory, en maakte toen van zand en vermolmd hout een hoogte,
waarop hij met zijn hoofd kon rusten en strekte zich vervolgens in
zijn geheele lengte uit, zonder zich verder meer te verroeren.
De aandoeningen, welke deze brief bij ons teweeggebracht had, en de
gelatenheid van Bergounhoux maakten ons niet moediger.
Intusschen was het kloppen veel duidelijker geworden en ongetwijfeld
was men ons reeds zoover genaderd, dat men ons spoedig zou kunnen
bereiken.
Hiermede troostte ons de meester, teneinde zoodoende een weinig kracht
te geven.
--Als men zoo dicht bij ons is, als gij meent, dan zouden wij hen
kunnen hooren schreeuwen en wij hooren hen niet, evenmin als men
ons hoort.
--Al waren zij slechts weinige meters van ons verwijderd dan zouden
wij hen nog niet kunnen hooren; dit hangt geheel af van het gehalte
der aardkorst, die zij doorboren moeten.
--Of van den afstand.
Het water daalde echter voortdurend en weldra kregen wij het bewijs,
dat het de daken der gangen niet meer bereikte.
Wij hoorden tegen den wand van de zijgang eenig gedruisch en het
water klotste alsof er stukjes steenkool invielen.
Men stak een lamp aan en wij zagen verscheidene ratten beneden in
de zijgang loopen. Zij hadden, evenals wij, een schuilplaats in een
duikerklok gevonden en toen het water gedaald was, hadden zij haar
toevluchtsoord verlaten om eenig voedsel te zoeken. Als zij ons
hadden kunnen bereiken, dan was dit omdat het water de gangen niet
meer geheel vulde.
Deze ratten waren voor onze gevangenis, wat de duif voor de ark van
Noach was: het einde van den zondvloed.
--Bergounhoux, sprak de meester, terwijl hij zich tot aan de bovenste
trede oprichtte, vat maar weer moed. En hij bracht hem toen aan het
verstand, dat de ratten onze naderende bevrijding aankondigden.
Maar Bergounhoux liet zich niet overtuigen.
--Als de hoop weder voor wanhoop moet plaats maken, dan wil ik liever
in het geheel geen hoop meer koesteren; ik wacht den dood; als er
redding komt, dan zij God geloofd.
Ik wilde onze trede verlaten, om zelf me te overtuigen of het water
inderdaad daalde. Het zakte aanmerkelijk en er was een groote ruimte
gekomen tusschen het water en het bovenste gedeelte van de gaanderij.
--Vang eenige ratten, dan kunnen wij ze opeten, riep Carrory.
Maar om de ratten te vangen, moest men vlugger zijn dan ik thans was.
De hoop op redding evenwel had mij weder kracht gegeven en het zien
van de ruimte deed mij besluiten een denkbeeld ten uitvoer te brengen,
dat mij reeds lang gekweld had. Ik klom weder naar onze trede.
--Meester, ik weet iets; daar de ratten in de gang loopen, bewijst
dit, dat men erdoor kan gaan; ik zal zwemmende de ladders bereiken en
daar om hulp roepen; men zal ons komen zoeken, dat zal eerder kunnen
gebeuren dan door de schacht.
--Ik verbied u dat!
--Maar, meester, ik zwem even goed als gij loopt en als een paling
schiet ik door het water.
--En de slechte lucht.
--Als de ratten erdoor komen, dan is de lucht niet slechter voor mij
dan voor haar.
--Ga, Rémi! riep Pagès, ik zal u mijn horloge geven.
--Wat zegt gij ervan, Gaspard? vroeg de meester.
--Niets; als hij denkt, dat hij de ladders bereiken kan, laat hij
dan gaan, ik heb het recht niet hem dit te beletten.
--En als hij verdrinkt?
--En als hij zich redt, inplaats van hier wachtende om te komen?
Een oogenblik peinsde de meester hierover na; daarop vatte hij mij
bij de hand.
--Gij zijt een brave knaap, mijn jongen, doe zooals gij wilt; ik
geloof, dat gij het onmogelijke wilt beproeven, maar het zou niet
voor de eerste maal zijn, dat gij in het onmogelijke slaagdet. Neem
van ons allen afscheid.
Ik zeide allen vaarwel en nadat ik mijn kleederen had uitgetrokken,
liet ik mij in het water glijden.
--Gij moet aanhoudend luid spreken, zeide ik, voordat ik begon te
zwemmen: uw stem zal mij leiden.
Welke ruimte was er tusschen het dak en de gang? Was ze groot genoeg
om mij vrij daarin te kunnen bewegen? Dat was de vraag.
Nadat ik eenige slagen gedaan had, bemerkte ik, dat ik zeer langzaam
zwemmen moest, daar ik anders misschien mijn hoofd zou stooten; het
waagstuk, dat ik wilde ondernemen, was alzoo mogelijk. Zou het einde
de bevrijding of de dood zijn?
Ik wendde mij om en zag het schijnsel van de lampen in den donkeren
afgrond weerkaatsen: dit was mijn vuurtoren.
--Gaat het goed? riep de meester.
--Ja.
En met behoedzaamheid ging ik voorwaarts.
De grootste moeilijkheid om van de zijgang naar de ladders te komen,
bestond hoofdzakelijk hierin om de goede richting te houden, want ik
wist dat op een bepaald punt, waarvan ik niet ver verwijderd was,
de gangen in elkander liepen. Ik moest dus niet door de duisternis
mij laten misleiden, want dan zou mijn tocht tevergeefs zijn.
Het dak en de wanden van de gaanderij waren dus geen voldoende
gidsen voor mij, maar op den grond had ik een veel beter leidsman
in de rails. Als ik die volgde, dan was ik zeker, dat ik de trappen
bereiken zou.
Van tijd tot tijd raakte ik even met mijn voeten op den grond en als
ik dan een rail voelde, liet ik mij weder langzaam bovenkomen. De
rails onder mij, de stemmen van mijn makkers achter mij, ik kon dus
onmogelijk verdwalen.
Het voortdurend afnemen van het geluid der stemmen en het steeds
toenemend geraas, dat het uithoozen van het water veroorzaakte,
gaven mij de overtuiging, dat ik vorderde. Eindelijk zou ik dus
weder het daglicht aanschouwen en door mij zouden mijn kameraden
gered worden. Dat schonk mij kracht.
Ik hield altijd het midden van de gang en behoefde slechts even te
duiken om een rail aan te raken, wat ik meestal met de punt van mijn
voet deed. Toen ik dit weder beproefde en haar niet met mijn voet
vinden kon, dook ik geheel onder om er met mijn hand naar te zoeken,
maar dit was tevergeefs; ik zwom van de eene zijde naar de andere,
maar vond niets.
Had ik mij bedrogen?
Ik bleef een oogenblik onbeweeglijk liggen om over mijn toestand na
te denken; de stemmen van mijn makkers drongen slechts zeer flauw,
als een zacht, bijna onhoorbaar gemompel tot mij door. Toen ik weder
ademgehaald en een goede hoeveelheid lucht in mij opgenomen had, dook
ik geheel onder, maar zonder een gelukkiger uitslag dan de eerste
maal. Geen rails.
Ik was de verkeerde gang ingeslagen, zonder het te bemerken, en moest
dus weder omkeeren.
Maar hoe? mijn makkers riepen niet langer, of wat hetzelfde is,
ik kon ze niet meer hooren.
Een oogenblik gevoelde ik mij als verlamd, en een diepe smart
overweldigde mij, toen ik niet wist in welke richting ik zwemmen
zou. Ik was dus verdwaald in dien duisteren afgrond; onder dien zwaren
steenklomp en in dat ijskoude water.
Maar eensklaps drong weder het geluid van stemmen tot mij door en ik
wist daardoor in welke richting ik mij bewegen moest.
Toen ik eenige slagen achterwaarts gedaan had, dook ik opnieuw en
reikte met mijn voet een rail. Op dit punt liepen de gangen dus te
zamen. Ik zocht naar de metalen plaat op den muur; ik vond die niet;
ik zocht naar de openingen en vond ze evenmin; rechts en links tastte
ik altijd tegen den muur. Waar lag de rail?
Ik volgde ze tot aan het einde, maar plotseling hield zij op.
Ik begreep toen, dat de spoorbaan weggespoeld was door den stortvloed
van water en dat ik mijn gids verloren had.
Door deze omstandigheid werd het mij onmogelijk gemaakt om mijn plan
ten uitvoer te brengen en schoot mij niets anders over dan terug
te keeren.
Ik had dien weg reeds eenmaal afgelegd en wist, dat ik hier buiten
gevaar verkeerde; ik zwom dus met groote snelheid voort om de zijgang
te bereiken; de stemmen leidden mij.
Naarmate ik onze schuilplaats naderde, scheen het mij toe, dat
de stemmen duidelijker werden, alsof mijn makkers nieuwe krachten
verzameld hadden.
Spoedig bevond ik mij aan het begin van de gang en riep ook.
--Kom, kom spoedig, riep de meester.
--Ik heb de schacht niet gevonden.
--Dat doet er niet toe; de opening vordert; zij hooren ons roepen en
wij hen; weldra zullen wij met elkander kunnen spreken.
Snel beklom ik de trede en luisterde met ingehouden adem. De slagen
waren werkelijk veel harder; en de stemmen van hen, die tot onze
bevrijding werkten, waren nog wel zwak, maar toch vrij duidelijk.
Toen de eerste opwelling van vreugde voorbij was, voelde ik dat ik
half bevroren was, en daar er geen warme kleederen waren om mij af
te drogen, begroef men mij tot aan het hoofd onder de steenkolen,
die altijd een zekere warmte behouden en oom Gaspard met den
meester drukten zich tegen mij aan. Ik vertelde hun toen mijn
onderzoekingstocht en hoe ik een oogenblik verdwaald was geraakt.
--Hebt gij durven duiken?
--Waarom niet? Ongelukkig heb ik niets kunnen vinden.
Maar, zooals de meester ook gezegd had, dat deed er nu weinig toe;
want, al waren wij niet door de gang gered, het zou door een schacht
gebeuren.
Het geroep werd duidelijker en duidelijker, zoodat wij alle hoop
hadden spoedig de stemmen te kunnen onderscheiden.
Eenige minuten later hoorden wij deze woorden langzaam uitspreken:
--Met hoeveel zijt gij?
Oom Gaspard had de sterkste stem van ons allen. Hij zou dus antwoorden.
--Zes!
Er heerschte een poos een diepe stilte. Waarschijnlijk hadden zij
boven op een grooter aantal gerekend.
--Haast u, riep oom Gaspard, wij kunnen het hier niet langer uithouden.
--Uw namen.
Hij noemde onze namen:
--Bergounhoux, Pagès, de schoolmeester, Carrory, Rémi en Gaspard.
Gedurende onze redding was dit het vreeselijkste ongeluk voor hen,
die boven waren. Toen men vernam, dat men weldra eenige woorden met
ons zou kunnen wisselen, waren alle mijnwerkers, alle bloedverwanten
en vrienden komen toesnellen en de soldaten hadden groote moeite om
hun te beletten de gang binnen te dringen.
Toen de ingenieur mededeelde, dat wij slechts met ons zessen waren,
heerschte er algemeene teleurstelling, maar toch bleef een ieder voor
zichzelf nog eenige hoop koesteren, daaronder die zes zich juist de
persoon bevinden kon, dien men wachtte.
Hij herhaalde onze namen.
Helaas! op honderd en twintig moeders of vrouwen, waren er slechts
vier, wier hoop verwezenlijkt zou worden. Welk een groote smart was
dat voor de anderen en hoeveel tranen werden er niet gestort!
Ook wij van onzen kant dachten aan hen, die gered hadden kunnen worden.
--Hoeveel zijn er gered? vroeg oom Gaspard.
Men antwoordde niet.
--Vraag waar Marius is, zeide Pagès.
De vraag werd gedaan; maar bleef evenals de eerste, onbeantwoord.
--Zij hebben het niet gehoord.
--Zeg liever, dat zij niet willen antwoorden.
Ik brandde van verlangen, om een vraag te doen.
--Vraag eens hoelang wij hier reeds zijn opgesloten.
--Sedert veertien dagen.
Veertien dagen! Bij onze hoogste berekening waren wij op vijf of zes
dagen gekomen.
--Gij behoeft er nu niet langer meer in te blijven. Houdt goeden
moed. Laten wij nu zwijgen, anders kunnen wij niet voortwerken. Nog
slechts weinige uren.
Deze duurden, geloof ik, het langst van onze geheele gevangenschap, in
elk geval, behoorden zij onder de smartelijkste. Bij iederen hamerslag
die er viel, dachten wij dat het de laatste was; maar altijd werd
hij door een anderen en weder een anderen gevolgd.
Van tijd tot tijd werd er een vraag gedaan.
--Hebt gij honger?
--Ja, zeer veel.
--Kunt gij wachten? als gij te zwak zijt, dan zal men een gat boren
en daarin bouillon gieten, maar dat zal uwe bevrijding vertragen;
als gij nog wachten kunt, dan zult gij eerder uw vrijheid terugkrijgen.
--Wij zullen wachten, haast u dan ook.
De tonnen waren voortdurend in werking gebleven en het water zakte
aanhoudend en geregeld.
--Zeg dat het water zakt, zeide de meester.
--Wij weten het; zoowel door de schacht als door de gang; men zal u
spoedig bereiken.... zeer spoedig.
De slagen klonken minder krachtig.
Blijkbaar stond men op het punt om een opening te boren, en daar wij
medegedeeld hadden, in welken toestand wij verkeerden, vreesde men
een instorting teweeg te brengen, die op ons hoofd zou neerkomen en
ons kwetsen of wellicht dooden zou of in het water doen storten.
De meester legde ons toen ook uit, dat het zeer wel mogelijk kon zijn,
dat men bevreesd was voor de luchtdrukking, waardoor zoodra er een
gat geboord was, de lucht ontsnappen zou als de kogel uit een kanon
en alles in puin doen storten.--Wij moeten dus op onze hoede zijn en
evenals de opzichters over ons zelf waken.
De schokken aan den bodem toegebracht door de houweelen, waren oorzaak
geweest, dat de steenkool in de zijgang had losgelaten en tal van
brokstukken in het water vielen.
Zonderling, hoe meer het oogenblik van onze bevrijding naderde,
hoe zwakker wij werden; mijn krachten waren uitgeput en onder de
steenkolen begraven, was ik zelfs niet instaat mijn arm op te tillen;
ik beefde over mijn gansche lichaam, zonder het koud te hebben.
Eindelijk rolden grootere stukken tusschen ons; de opening was boven
in de zijgang aangebracht; wij waren als verblind door het licht
der lampen.
Maar onmiddellijk was alles om ons weder in het duister gehuld;
de tocht, een vreeselijke tocht, een windvlaag, die verscheidene
stukken steenkool met zich voerde, vloog ons in het gelaat.
--Dat komt van de tocht, stel u gerust, men zal de lampen spoedig
weder aansteken. Hebt slechts even geduld.
Wachten! Alweder wachten!
Maar op hetzelfde oogenblik hoorden wij in de gang een vreeselijk
geraas, en toen ik mij omkeerde zag ik dat een helder licht zich over
het water verspreidde.
--Moed! Moed! riep men ons toe.
En terwijl men door de opening aan de mannen, die zich op de bovenste
trede bevonden, de hand reikte, naderde men ons door de gaanderij.
De ingenieur had zich aan het hoofd gesteld; hij was de eerste die
op de trede stapte en ik lag in zijn armen, vóór ik nog een woord
had kunnen uiten.
Het was hoog tijd, want mijn hart klopte bijna niet meer.
Toch besefte ik dat men mij wegdroeg, en dat, toen wij buiten de gang
waren, men mij in dekens wikkelde.
Ik opende de oogen, maar een oogenblik daarop werd ik als verblind,
zoodat ik genoodzaakt was ze weder te sluiten.
Het was dag, wij bevonden ons in de open lucht.
Op hetzelfde oogenblik wierp zich een wit lichaam op mij: het was
Capi, die met een sprong op den arm van den ingenieur zat en mijn
gelaat lekte. Ook voelde ik, dat men mijn rechterhand vatte en die
kuste--Rémi fluisterde een stem,--het was Mattia. Ik wierp een blik
om mij heen en ik ontdekte toen een talrijke menigte, die zich in twee
rijen geschaard had, zonder den doortocht te belemmeren. Er heerschte
een diepe stilte onder de menigte, want men had ieder gewaarschuwd
ons door tranen noch klachten nieuwe aandoeningen te bezorgen; maar
de houding en de blikken van allen spraken meer dan de stomme lippen.
In de eerste rij zag ik witte, met gouden versierselen bedekte gewaden,
die in de zon schitterden. Het was de geestelijkheid van Varses,
die zich naar den ingang van de mijn begeven had om daar voor onze
bevrijding te bidden.
Toen wij te voorschijn traden, knielden zij in het stof, want gedurende
veertien dagen was de bodem, die door stortregens door-en-door nat
was geworden, gedroogd.
Twintig armen strekten zich uit om mij aan te nemen, maar de ingenieur
wilde mij niet afstaan en, trotsch op zijn overwinning, gelukkig en
fier bracht hij mij naar het kantoor, waar men eenige bedden gespreid
had om ons daarop neer te leggen.
Twee dagen later wandelde ik door de straten van Varses, gevolgd
door Mattia, Alexis en Capi, en ieder, dien wij tegenkwamen, bleef
stilstaan om ons na te staren.
Sommigen zelfs kwamen naar mij toe en drukten mij de hand, met tranen
in de oogen.
Anderen weer wendden het hoofd van mij af. Deze waren in rouw gedompeld
en vroegen zich af, waarom dit kind, dat alleen op de wereld was, gered
was geworden, terwijl een huisvader of de zoon zich nog in de mijn
bevonden, en nu met verminkte lichamen door het water werden verteerd.
Maar onder hen, die mij staande hielden, waren er velen, die het mij
lastig maakten, daar zij volstrekt wilden, dat ik met hen zou eten
of naar een koffiehuis gaan.
--Gij moet alles eens aan ons vertellen, zeiden zij.
Ik bedankte altijd voor dergelijke uitnoodigingen, want ik gevoelde
in het minst geen lust mijn lotgevallen mede te deelen aan hen,
die mij met een middagmaal of een glas bier wilden betalen.
Ik luisterde bovendien ook liever dan dat ik zelf vertelde en ik
hoorde met genoegen naar Alexis en Mattia, die mij alles verhaalden
wat er gebeurd was, terwijl wij ons onder den grond bevonden.
--Als ik dacht, dat gij door mijn toedoen gestorven waart, zeide
Alexis, dan was het of mijn armen en beenen afvielen, want ik geloofde
dat gij dood waart.
--Ik heb het nooit gedacht, sprak Mattia; ik wist niet, dat gij
levend uit de mijn komen zoudt en of men wel bijtijds zou komen,
om u te redden; maar ik geloofde geen oogenblik, dat gij verdronken
zoudt zijn, zoodat, als het uithoozen maar snel genoeg gebeurde, men
u ergens vinden zou. En terwijl Alexis klaagde en weende, herhaalde
ik altijd bij mezelf: hij is nog niet dood, maar misschien zal hij
sterven. En een ieder vroeg ik naar zijn meening. Hoelang kan men
zonder eten leven? Wanneer zou het water uitgepompt zijn? Wanneer
zal met de gang hebben doorboord? Maar niemand gaf mij het gewenschte
antwoord. Toen men uw namen gevraagd had en de ingenieur na Carrory,
Rémi riep, ben ik weenend op den grond gevallen, en nadat men over
mij heengeloopen had, ben ik opgestaan, zonder iets daarvan te hebben
bemerkt, zoo gelukkig was ik.
Ik was er recht trotsch op, dat Mattia zooveel vertrouwen in mij
stelde, zoo zelfs dat hij niet had willen gelooven dat ik sterven zou.