DE REDDING.

Wij konden het bijna op die nauwe trap niet langer uithouden; wij

besloten dus om de treden te verbreeden en ieder toog aan het werk. Met

onze messen begonnen wij den muur uit te houwen en de steenkolen,

op die wijs verkregen, weg te ruimen.

Daar wij nu een vast steunpunt hadden bekomen, werd onze arbeid

ook veel gemakkelijker, en eindelijk gelukte het ons diep genoeg

in de aarde door te dringen om onze gevangenis een aanzienlijk stuk

te verwijden.

Het gaf een gevoel van rust, toen wij ons in onze volle lengte konden

uitstrekken en niet langer met schommelende beenen behoefden te zitten.

Hoewel wij een zeer klein gedeelte van Carrory's brood hadden gekregen,

was het toch reeds op. Het laatste stuk had men ons juist bijtijds

gegeven om weder tot ons zelf te komen. Want toen de meester het ons

gaf, was het licht te begrijpen--te oordeelen naar den blik, dien

de houwers er op wierpen--dat zij een tweede verdeeling niet dulden

zouden, zonder er ook om te vragen, en zoo men het hun niet gaf,

zelf hun deel te nemen.

Het was zelfs zoover tusschen ons gekomen, dat wij niets meer tegen

elkander zeiden, en zoo spraakzaam als wij in het begin van onze

gevangenschap geweest waren, zoo stil waren wij, toen deze voortduurde.

Ons gesprek kwam altijd op dezelfde onderwerpen terug en wij

behandelden steeds dezelfde vraag: welke middelen men zou aanwenden

om tot ons door te dringen en hoelang wij opgesloten zouden blijven.

Maar deze gesprekken werden niet met dezelfde belangstelling gevoerd

als in het begin; als een van ons iets zeide, dan werd daarop dikwijls

geen acht geslagen, of zoo dit al gebeurde, dan was het slechts met

een enkel woord; de dag kon in nacht verkeeren, wit in zwart, zonder

dat dit een oogenblik onze belangstelling kon opwekken of ons tot

eenige gedachtewisseling aanleiding gaf.

--Het is goed; wij zullen zien, was het eenige antwoord.

Waren we twee of zes dagen levend begraven? Men zou zich hiervan

eerst kunnen overtuigen, wanneer wij weder bevrijd waren. Maar zou

dat oogenblik aanbreken?

Ik voor mij begon hieraan hard te twijfelen.

Ik was niet de eenige en dikwijls lieten ook mijn makkers zich eene

opmerking ontvallen, die voldoende bewees, dat zij niet vrij van

twijfel waren.

--Eén troost is het, zeide Bergounhoux, dat, als ik hier mocht blijven,

de maatschappij aan mijn vrouw en kinderen een jaarlijksch inkomen

zal geven; zij zullen tenminste niet aan het armbestuur vervallen.

Ongetwijfeld had de meester, toen hij zijn waardigheid van bevelhebber

op zich nam, bij zichzelf besloten, ons niet alleen te beschermen

voor de onheilen, welke deze ramp ten gevolge kon hebben, maar ons

ook tegen ons zelven te verdedigen, en wanneer een van ons zijn

zelfvertrouwen verloor, hem moed in te spreken.

--Gij zult hier evenmin blijven als wij; de tonnen werken, het

water daalt.

--Waar daalt het?

--In de putten.

--En in de gang?

--Dat zal wel gebeuren; geduld slechts.

--Zeg, Bergounhoux, viel Carrory hem in de rede, met de

tegenwoordigheid van geest en de gevatheid, die alles kenmerkte wat hij

deed, als de maatschappij failliet gaat, zooals die van den meester,

dan heeft uw vrouw niets.

--Wilt ge wel eens zwijgen, domkop, de maatschappij is rijk.

--Zij was rijk, zoolang ze de mijn bezat; maar nu de mijn onder water

staat, niet meer. In elk geval zou ik, als ik boven was, inplaats

van hier, wel zoo in mijn schik zijn.

--Omdat....?

--Waarom waren die directeuren en ingenieurs zoo trotsch? Dit zal

hun tot een les zijn. Als de ingenieur eens naar beneden gegaan was

... dat zou dwaas zijn, niet waar, zulk een heer!

--Als de ingenieur naar beneden gegaan was, dan zoudt gij hier blijven

en wij ook.

--O gij, gij weet, dat gij u om niets behoeft te bekommeren, maar ik

heb wel iets anders te doen; mijn kastanjes, wie zal ze drogen? Ik

verzoek dus den ingenieur om weer naar boven te gaan; het is om te

lachen. Goedendag, mijnheer de ingenieur!

Behalve de meester, die zijn gevoel wist te verbergen en Carrory,

die niet veel gevoel had, spraken wij niet meer over onze bevrijding,

maar slechts de woorden dood en honger kwamen over onze lippen.

--Gij hebt mooi praten, meester, de tonnen kunnen nooit genoeg water

ophalen.

--Ik heb het u al wel twintigmaal voorgerekend; een weinig geduld nog.

--Dat rekenen zal er ons niet uitredden.

Deze opmerking werd door Pagès geuit.

--Wie dan?

--De goede God. Deze heeft gedoogd, dat wij hier onze toevlucht

zochten. Hij zal ook redding geven.

--Zoo God ons hier gebracht heeft, dan is het zeker geschied omdat

er onder ons zijn, die Hij straffen wilde.

Deze opmerking ging gepaard met een zijdelingschen blik op Bergounhoux.

Inplaats van heftig daartegen op te komen, bevestigde deze de woorden

van zijn aanklager.

--Ik ben overtuigd, begon hij, dat God mij straffen wil, omdat ik

in den laatsten tijd geen goed christen ben geweest; en ik smeek Hem

thans uit het diepst mijner ziel vergiffenis.

Hij viel op zijn knieën en sloeg zich verscheidene malen op de borst.

--Ik voor mij durf ook niet beweren, dat ik geheel zonder zonde ben en

ik wil ook gaarne de mijne belijden; maar onze lieve Heer weet, dat

ik ze niet uit moedwil bedreven heb; ik heb nooit iemand opzettelijk

iets misdaan, sprak Pagès.

--Ik weet niet of die donkere gevangenis eenigen invloed op mij

uitoefende, of dat het de vrees voor den dood was, of wel dat wij

door den honger verzwakt waren en het geheimzinnige schijnsel van de

lamp, die nauwlijks eenig licht over ons wierp; maar ook ik gevoelde

mij diep ontroerd, terwijl ik naar de belijdenis der zonden van de

anderen luisterde en ook ik stond op het punt om, evenals Pagès en

Bergounhoux, mij op de knieën te werpen en mijne feilen te biechten.

Plotseling hoorde ik achter mij luid snikken en toen ik mij omwendde,

zag ik den grooten Compayrou op den grond liggen.

--De schuldige, riep hij, is noch Pagès noch Bergounhoux, ik ben

het. De goede God straft mij, maar ik heb berouw, oprecht berouw. Ik

zal u de zuivere waarheid vertellen, als wij gered worden, dan

zweer ik, dat ik mijn misdaad zal herstellen. Een jaar geleden werd

Rouquette tot vijf jaren tuchthuisstraf veroordeeld, omdat hij een

horloge bij vrouw Vidal gestolen had. Hij is onschuldig. Ik heb die

misdaad gepleegd. Het horloge ligt onder mijn bed, en als men de

derde plank links opbeurt, zal men het vinden.

--Gooi hem in het water! Gooi hem in het water! riepen Pagès en

Bergounhoux als uit één mond.

Ongetwijfeld zouden zij den misdadiger in den afgrond geworpen hebben,

maar vóór dat zij hiertoe nog konden overgaan was de meester reeds

tusschenbeiden getreden.

--Wilt gij dan dat hij voor God verschijnen zal met die misdaad op

zijn geweten? riep hij; laat hem eerst tot zich zelf inkeeren.

--Ik heb berouw, oprecht berouw, herhaalde Compayrou op zulk een

zwakken toon, alsof hij een kind was, inplaats van een forschen kerel.

--Gooi hem in het water, herhaalde men.

--Neen, riep de meester.

Hij begon hen toen op kalmen toon toe te spreken, en bracht hun onder

het oog, dat wij rechtvaardig en verstandig handelen moesten. Maar

zij wilden niets daarvan hooren en dreigden hem in de diepte te

zullen werpen.

--Geef mij uw hand, zeide de meester, terwijl hij Compayrou naderde.

--Verdedig hem niet, meester.

--Ik zal hem verdedigen, en als gij hem in het water wilt werpen,

dan moet gij mij er ook inwerpen.

--Welnu, neen dan! zeiden zij eindelijk; wij zullen hem niet in het

water gooien; maar op één voorwaarde; gij moet hem in gindschen hoek

laten liggen en niemand mag een woord tot hem spreken; niemand moet

zich met hem bemoeien.

--Dat is billijk, hernam de meester, dat is zijn verdiende loon.

Toen de meester dit gezegd had, hetgeen voor Compayrou als een vonnis

gold, schoven oom Gaspard, de meester en ik dichter naar elkander

toe en lieten wij den ongelukkige op den grond aan zijn lot over.

Verscheidene uren achtereen bleef hij daar overstelpt van droefheid

liggen, zonder zich te verroeren, en van tijd tot tijd herhalende:

--Ik heb berouw.

Bergounhoux of Pagès riepen hem dan toe:

--Het is te laat, gij hebt berouw, omdat gij bang zijt, lafaard. Al

een halfjaar, al een jaar lang, hadt gij berouw kunnen gevoelen.

Hij haalde met moeite adem en zonder hun bepaald te antwoorden,

kermde hij:

--Ik heb berouw, oprecht berouw.

Hij had de koorts gekregen, want hij sidderde over zijn geheele

lichaam, terwijl hij klappertandde.

--Ik heb dorst, zeide hij, geef mij den schoen.

Er was geen water meer in den schoen; ik stond op om dit voor hem te

halen; maar Pagès, die het bemerkte, riep mij toe, dat ik dit niet

doen mocht en ook oom Gaspard hield mij ervan terug.

--Men heeft gezworen hem aan zijn lot over te laten.

Eenige oogenblikken lang riep hij nog om water, maar toen hij zag,

dat wij hem dit niet wilden geven, richtte hij zich op om het zelf

te halen.

--Hij sleept de steenkolendam mede! riep Pagès.

--Laat hem tenminste zijn vrijheid behouden, antwoordde de meester.

Hij had gezien, dat ik mij langs den rug naar beneden had laten glijden

en wilde dit ook beproeven; maar ik was licht en hij zeer zwaar; ik

vlug en behendig, en hij een log wezen. Nauwlijks lag hij dan ook

op zijn rug, of de steenkolen gleden onder hem weg en zonder zich

een oogenblik tegen te kunnen houden, verdween hij in den donkeren

afgrond. Het water plaste ons in het gelaat, maar kabbelde een minuut

later weer rustig voort.

Ik boog mij voorover, maar oom Gaspard en de meester hielden mij elk

bij een arm terug.

--Wij zijn gered! riepen Bergounhoux en Pagès; wij zullen hieruit

komen.

Bevende van schrik, wierp ik mij achterover; ik was ijskoud, bijna

halfdood van angst.

--Hij was geen braaf man, zeide oom Gaspard.

De meester sprak niet, maar mompelde een oogenblik later:

--In elk geval verminderde hij de hoeveelheid zuurstof, die wij hadden.

Dit woord, dat ik voor het eerst hoorde, trof mij en nadat ik een

poos had nagedacht, vroeg ik den meester, wat hij zeide.

--Iets onbillijks en egoïstisch, jongenlief, en ik heb er berouw over.

--Wat bedoelt gij?

--Wij leven van brood en lucht. Brood hadden wij niet, ook van lucht

waren wij niet ruim voorzien, want de lucht, die wij inademden, kunnen

wij niet voor de tweede maal gebruiken; toen ik hem zag verdwijnen,

zeide ik, dat hij nu niet meer zijn deel aan de lucht zou eischen,

en over die woorden zal ik mijn leven lang berouw hebben.

--Kom, kom, zeide oom Gaspard, hij heeft wat hem toekomt.

--Nu zal alles goedgaan, zeide Pagès, terwijl hij met beide voeten

tegen den wand schopte.

Als alles nu niet spoedig goedging, zooals Pagès het hoopte, dan was

het niet de schuld van de ingenieurs en de werklieden, die voor onze

redding werkten.

Aan den put, dien men begonnen was te graven, werd zonder ophouden

gearbeid. Maar het was een moeilijk werk.

De steenkolen, waardoorheen men een gang moest maken, waren zeer

hard en daar maar één houwer in die nauwe gang kon werken, was men

genoodzaakt hem telkens te vervangen, vooral daar allen om strijd

aan de redding wilden arbeiden.

Bovendien was de luchtverversching in deze gang zeer slecht; men

had van afstand tot afstand blikken pijpen aangebracht, die met klei

aan elkander waren gevoegd; maar ofschoon een krachtige ventilator

de lucht door die pijpen joeg, brandden de lampen niet dan in de

onmiddellijke nabijheid van de opening.

Dit alles was een belemmering bij het boren en den zevenden dag, nadat

wij waren bedolven, was men nog slechts twintig meter gevorderd. Onder

gewone omstandigheden zou men meer dan een maand noodig gehad hebben

om tot die diepte te komen, maar in verhouding tot de middelen,

welke men ter beschikking had en den ijver, waarmede men arbeidde,

was dit zeer weinig.

Bovendien moest men de edele volharding bezitten van den ingenieur,

om dezen arbeid voort te zetten, want volgens het eenparig gevoelen

van de mijnwerkers was hij geheel nutteloos. Allen die in de mijnen

waren, moesten omgekomen zijn; men had niets anders meer te doen,

dan het water uithoozen door middel van de tonnen en men zou dan

later wel de lijken vinden. Welk nut stak er dus in, dat men eenige

uren vroeger of later dezen ontdekte?

Dat was de meening, zoowel van de mijnwerkers als van het publiek;

de bloedverwanten, de vrouwen, ja zelfs de moeders hadden den rouw

reeds aangenomen. Niemand zou meer levend uit de Truyère komen.

Zonder de uithoozing te doen staken, welke onverpoosd voortgezet werd

en waarmede men alleen ophield, wanneer aan de toestellen eenige averij

was gekomen, werd op last van den ingenieur, trots alle opmerkingen

van het publiek, van zijn ambtgenooten en van zijn vrienden, met de

boring voortgegaan.

De hardnekkigheid, die aan Columbus eenmaal een nieuwe wereld ontdekken

deed, was ook zijn karaktertrek.

--Één dag nog maar, vrienden, zeide hij tot de werklieden, en als wij

morgen niets ontdekt hebben, dan zullen wij ervan afzien; ik vraag

voor uwe kameraden wat ik vragen zou voor u, indien gij in hunne

plaats waart.

Zijn vast geloof deelde zich ook mede aan de harten der mijnwerkers,

die uit de stad komende, den twijfel van allen deelden, maar door

hem weder tot een andere overtuiging waren gebracht.

En eendrachtig, met elkander wedijverend in vlijt, bleven zij

voortwerken.

Van den anderen kant moest de gaanderij, waar de lampen bewaard werden,

die op verschillende punten was ineengestort, uitgehoosd worden, en

door alle mogelijke middelen trachtte hij aan de mijn hare slachtoffers

te ontrukken zoo dezen nog in leven mochten zijn.

Den zevenden dag meende de opperman, die bij een afwisseling van

posten de steenkolen moest weghalen, een geluid te hooren, dat veel

op een zacht kloppen geleek; inplaats van met zijn houweel te hakken,

hield hij dit in de hoogte en luisterde aandachtig of hij het geraas

ook kon onderscheiden. Hij meende wel dat hij zich vergiste maar riep

toch een van zijn makkers om met hem te luisteren. Beiden bukten zich

met ingehouden adem voorover, en een poos later herhaalde zich zeer

regelmatig dat kloppen en tikken.

Deze tijding ging spoedig van mond tot mond en zonder dat het door

iemand geloofd werd, kwam het den ingenieur ter ooren, die onmiddellijk

naar de gang snelde.

Hij had dus eindelijk gelijk! Er bevonden zich in de mijn nog levende

wezens, die gered konden worden.

Velen hadden hem gevolgd; hij baande zich een weg door de mijnwerkers

en luisterde aandachtig, maar hij was zoo zenuwachtig en beefde zoozeer

over zijn gansche lichaam, dat hij niet instaat was te luisteren.

--Ik hoor niets, zeide hij wanhopend.

--Het is de mijngeest, antwoordde een werkman; hij wil ons een trek

spelen en hij klopt om ons te misleiden.

Maar de beide houwers, die het eerst het geluid gehoord hadden,

hielden vol dat zij zich niet hadden vergist en dat hun kloppen

beantwoord was geworden. Het waren mannen van ondervinding, die in

de mijnen oud waren geworden, en wier woorden gezag hadden.

De ingenieur verwijderde allen, die hem gevolgd waren, uit de gang,

en van de werklieden, die een keten hadden gemaakt om de steenkolen

weg te dragen, behield hij er slechts twee.

Daarop liet hij door een herhaaldelijk geregeld kloppen de gevangenen

waarschuwen, waarop hij telkens weder met ingehouden adem luisterde,

of zij ook eenig sein terugzonden.

Na een oogenblik wachtens hoorden zij zeer in de diepte eenig geluid;

een zacht kloppen, waarvan de slagen elkander snel opvolgden en hun

tot antwoord dienden.

--Klop nogmaals en met groote tusschenpoozen, om ons te overtuigen,

dat het niet de echo van ons kloppen is.

De houwers klopten, en oogenblikkelijk hoorden zij denzelfden klop,

die als antwoord der mijnwerkers gelden moest.

Alle twijfel was thans opgeheven: zij leefden nog en men kon hen

redden.

Het nieuws verspreidde zich met bliksemsnelheid door de stad en

een nog talrijker en nog ontroerder menigte dan den dag van het

ongeval, snelde naar de Truyère. Vrouwen, kinderen en moeders, alle

bloedverwanten der slachtoffers, kwamen bevende van angst of vol hoop,

in diepen rouw gedompeld, naar de plaats des onheils.

Hoeveel leefden nog? Velen misschien. De uwe ongetwijfeld, maar de

mijne misschien....

Men had den ingenieur wel om den hals willen vallen.

Maar hij behield onder die uitgelaten vreugde evenzeer zijne

bedaardheid als hij kalm gebleven was onder den spot en twijfel; hij

dacht slechts aan de redding en, om zoowel de belangstellenden als de

bloedverwanten te verwijderen, beval hij den soldaten om de gang af te

zetten en te zorgen, dat de arbeiders een voldoende ruimte behielden.

Het kloppen was zoo zwak, dat men onmogelijk de juiste plaats bepalen

kon, vanwaar het kwam. Toch was de aanwijzing duidelijk genoeg om zich

te overtuigen, dat de arbeiders, die aan de overstrooming ontsnapt

waren, zich in een van de drie zijgangen der oude werken bevonden.

Niet één put, maar drie zou men moeten graven, om de gevangenen te

kunnen bereiken. Als men meer gevorderd was en men daardoor beter

zou kunnen hooren, kon men altijd een der schachten, die niet meer

noodig waren, prijsgeven, om alle krachten aan de goede aan te wenden.

Het werk werd met meer ijver nog dan te voren hervat, en de

maatschappijen uit den omtrek zonden om strijd hun beste werklieden

naar de Truyère.

De hoop, die weder bij een ieder onder het graven levendig was

geworden, nam toe, naarmate men de gang naderde en het water in de

putten daalde.

Toen wij in onze zijgang het kloppen van den ingenieur hoorden,

maakte zich dezelfde gewaarwording van ons meester als toen wij het

water hoorden uitpompen.

--Gered!

Het was een vreugdekreet, die ons aller borst ontsnapte en zonder

verder na te denken, meenden wij, dat men ons weldra de hand zou

reiken.

Daarop maakte weder, evenals na het uithoozen van het water, deze

blijdschap voor diepe wanhoop plaats.

Uit het houwen en graven maakten wij spoedig op, dat de arbeiders

nog ver verwijderd waren. Misschien nog tien, mogelijk wel

twintig meter. Hoeveel tijd was er noodig om die dikke steenlaag

te doorboren? Onze berekeningen waren zeer verschillend: een maand,

een week, minstens zes dagen. Hoe zouden wij het nog een maand, een

week, zes dagen kunnen uithouden? Wie van ons zou er nog zes dagen

leven? Hoelang waren wij reeds zonder eten geweest?

De meester was de eenige, die nog eenige blijken van moed gaf, maar

op den langen duur begon ook hij in onze neerslachtigheid te deelen

en verminderde langzamerhand zijn vertrouwen.

Zooveel wij wilden konden wij drinken, maar eten niet, en de honger

kwelde ons zoo vreeselijk, dat we eindelijk besloten waren om vermolmd,

in water geweekt hout, te eten.

Carrory, die het meest uitgehongerd van ons allen was, had zijn laars

in stukken gesneden en kauwde voortdurend op een stuk leder.

Toen ik zag waartoe mijn makkers, door den honger gedreven, instaat

waren, moet ik bekennen, dat zich een gevoel van angst van mij meester

maakte, en dit, gevoegd bij de vrees die ik reeds koesterde, mij

weinig gerust stelde. Ik had Vitalis dikwijls van een schipbreuk hooren

vertellen, want hij had menige zeereis gemaakt, en onder die verhalen

was er een, dat, sedert de honger mij pijnigde, mij onophoudelijk

voor den geest kwam. Het was de geschiedenis van matrozen, die op een

zandbank waren geworpen, waar geen voedsel voor hen te vinden was,

en toen den kajuitsjongen gedood hadden om hun honger te stillen. Ik

vroeg mezelf af, terwijl ik mijn makkers van honger hoorde kermen,

of mij niet een zelfde lot beschoren was en of ik op onze kolenbank

niet gedood en opgegeten zou worden. Ik was zeker dat de meester en

oom Gaspard mij tot het laatst toe zouden verdedigen; maar Pagès,

Bergounhoux en Carrory! Carrory vooral, met zijn groote witte tanden,

die aanhoudend op een stuk leder knabbelde, boezemden mij volstrekt

geen vertrouwen in.

Ongetwijfeld was mijn vrees zeer dwaas; maar in den toestand, waarin

wij verkeerden, werd onze geest noch onze verbeelding door het koele,

gezonde verstand geleid.

Onze angst werd vooral vermeerderd, omdat wij geen licht hadden. De

lampen waren achtereenvolgens uitgebrand bij gebrek aan olie. En

toen wij er niet meer dan twee overhadden, had de meester besloten,

dat zij niet eer aangestoken zouden worden, voordat zij noodzakelijk

zouden zijn. Wij bleven dus voortdurend in de duisternis gedompeld.

Dit was niet slechts onverdraaglijk, maar bovendien gevaarlijk, want,

als wij ons maar even onbedachtzaam bewogen, hadden wij kans in het

water te storten.

Sedert den dood van Compayrou, lagen op elke trede drie werklieden,

waardoor wij dan ook een weinig meerplaats kregen; oom Gaspard rustte

in een hoek, de meester in een anderen en ik lag in het midden.

Op een gegeven oogenblik, terwijl ik half was ingedommeld, hoorde

ik tot mijn verbazing den meester op zachten toon, alsof hij hardop

droomde, eenige woorden stamelen.

Ik ontwaakte en luisterde.

--Daar zijn wolken, zeide hij, hoe mooi zijn die wolken toch. Er

zijn menschen die er niet van houden; ik vind ze wel schoon. O,

wij krijgen wind, des te beter, ik houd ook van wind.

Droomde hij? Ik trok hem bij den arm, maar hij vervolgde:

--Wilt ge mij een eierstruif geven van zes en niet van acht eieren;

snijd hem maar in twaalven; dan zal ik hem opeten, als ik thuis kom.

--Hoort gij hem, oom Gaspard?

--Ja, hij droomt.

--Welneen, hij is wakker.

--Hij praat onzin.

--Ik verzeker u, dat hij wakker is.

--Heila, meester!

--Wilt gij medeeten, Gaspard? Kom dan, maar ik zeg u, dat wij wind

krijgen.

--Hij weet niet wat hij zegt, hernam oom Gaspard; het is de honger

en de koorts.

--Neen, hij is dood, zeide Bergounhoux, zijn ziel spreekt; gij

ziet wel, dat hij elders vertoeft. Waar is de wind, meester, is

hij noordwest?

--Er is geen noordwestenwind in de hel, riep Pagès, en de meester

is in de hel; gij wildet mij niet gelooven, toen ik zeide, dat wij

daarheen gaan.

Wat bezielde hen? hadden zij allen hun verstand verloren? werden zij

krankzinnig? Maar dan zouden zij twist krijgen en gaan vechten en

elkaar misschien doodslaan.

Wat zou ik doen?

--Wilt gij drinken, meester?

--Neen dank u, ik zal wel drinken als ik mijn eierstruif eet.

Geruimen tijd spraken zij met hun drieën, zonder elkander te

antwoorden, en te midden van hun onsamenhangende woorden, hoorden

wij altijd "eten, uitgaan, hemel, wind."

Op eens kwam ik op de gedachte om een lamp aan te steken. Zij stond

naast den meester met de lucifers erbij, en ik stak ze aan.

Zoodra er licht was, zwegen allen.

Na een oogenblik stilte vroegen zij elkaar af wat er eigenlijk

gebeurde, alsof zij uit een droom ontwaakten.

--Gij hebt geijld, antwoordde oom Gaspard.

--Wie?

--Gij zelf meester, en ook Pagès en Bergounhoux; gij zeidet dat gij

buiten waart en dat het waaide.

Van tijd tot tijd klopten wij tegen den muur, om onzen redders te

laten weten, dat wij nog leefden, en wij hoorden dan hun houweelen

zonder ophouden op de steenen vallen. Maar de slagen werden niet

veel harder, wat ons duidelijk te kennen gaf, dat zij nog ver van

ons verwijderd waren.

Toen de lamp aangestoken was, liet ik mij afglijden, om water te halen

in de schoen, en het scheen mij toe dat het water eenige centimeters

gezakt was.

--Het water daalt.

--Groote God!

En een oogenblik keerde in aller harten de hoop terug.

Men wilde de lamp aangestoken laten om te zien, hoever het water

gezakt was, maar de meester verzette zich hiertegen.

Ik dacht dat er toen een opstand zou losbreken. Maar de meester had

altijd een goede reden voor hetgeen hij verzocht.

--Wij zullen later de lampen veel meer noodig hebben; als wij ze

nu voor niets gebruiken, wat zullen we dan later doen als we ze

noodig hebben? En denkt gij niet, dat ge van ongeduld zoudt sterven

wanneer gij het water bijna onmerkbaar zaagt dalen? Want gij moet

niet verwachten, dat het plotseling zakt. Wij zullen gered worden,

houdt dus goeden moed. Wij bezitten nog dertien lucifers. Wij zullen

die, telkens als gij het verlangt, aansteken.

De lamp werd uitgedoofd. Wij hadden allen naar hartelust gedronken;

geen van ons begon nu meer te ijlen. En vele uren, misschien

verscheidene dagen lang, bleven wij roerloos liggen, zonder door

iets anders aan het leven herinnerd te worden, dan door het tikken

der houweelen, die een put groeven en het uithoozen der tonnen.

Geleidelijk werden nu de slagen luider en luider; het water daalde en

men naderde ons. Maar zou men ons bijtijds bereiken? vorderden onze

redders in hun werk met reuzenschreden? zouden onze krachten, die

voortdurend afnamen, dan nog toereikend wezen? Wij waren zwak naar

lichaam en geest. Sedert den dag van de overstrooming, hadden mijn

makkers geen voedsel gebruikt. Maar wat nog erger was, wij hadden van

dat oogenblik af geen versche lucht ingeademd en deze was hoe langer

hoe vunziger geworden. Gelukkig was de luchtdrukking verminderd,

naarmate het water daalde, want ware de waterstand gebleven, zooals

hij in het eerst was, dan zouden wij ongetwijfeld gestikt zijn. Op

welke wijze wij ook gered werden, wij hadden dit te danken aan den

ijver en de juistheid waarmede de ingenieur den arbeid leidde.

Het geluid der tonnen en der houweelen ging met de grootste

gelijkmatigheid, alsof het de slinger van een klok was en bij iedere

postafwisseling gevoelden wij een koortsachtige aandoening. Zag men van

de redding af, of ondervond men onoverkomelijke bezwaren? Gedurende

het uitpompen van het water hoorden wij eensklaps een oorverdoovend

geraas, een schel gefluit.

--Het water valt in de mijn, riep Carrory.

--Het is niet het water, hernam de meester.

--Wat is het dan?

--Ik weet het niet; maar het is niet het water.

Hoewel de meester ons verscheidene malen bewijzen gegeven had van zijn

doorzicht en gezond verstand, hechtte men geen geloof aan hetgeen

hij zeide, dan wanneer hij dit door bewijzen staafde. Hij erkende,

dat hij niet wist, waaraan dit geluid was toe te schrijven--later

vernamen wij, dat het ontstond door de kettingen van een ventilator,

dien men opheesch om versche lucht aan de werklieden te verschaffen--en

nu maakte zich een dolle vrees van ons meester, bij de gedachte aan

een overstrooming.

--Steek de lamp aan.

--Dat is niet noodig.

--Steek aan, steek aan!

Hij moest wel gehoorzamen, want allen waren het hierover eens. Bij het

schijnsel van de lamp konden wij zien dat het water niet gerezen was,

maar dat het eer daalde.

--Gij ziet dat ik gelijk heb, sprak de meester.

--Het stijgt en thans zullen wij verdrinken.

--Welnu, hoe eer hoe beter dan maar, want ik kan het niet langer

uithouden.

--Geef de lamp, meester, ik wil op een stukje papier aan mijn vrouw

en kinderen schrijven.

--Schrijf voor mij ook.

--Voor mij ook.

Bergounhoux had gevraagd om de lamp aan te steken, teneinde, voordat

hij stierf, nog aan zijn vrouw en kinderen te schrijven; hij had

in zijn zak een stukje papier en een potlood en maakte zich tot

schrijven gereed.

--Luister, dit zal ik schrijven:

"Gaspard, Pagès; de schoolmeester, Carrory en Rémi zijn in de zijgang

opgesloten en zullen daarin omkomen."

"Ik Bergounhoux, smeek God, om een man voor de weduwe en een vader

voor de weezen te zijn; ik geef hun mijn zegen."

--Gij, Gaspard?

"Gaspard geeft wat hij bezit aan zijn neef Alexis."

"Pagès draagt zijn vrouw en kinderen aan God, de Heilige Maagd en de

maatschappij op."

--Gij meester.

--Ik heb niemand, antwoordde de meester op droevigen toon, niemand

zal mij betreuren.

--Gij Carrory.

--Ik, riep Carrory, ik verlang, dat mijn kastanjes verkocht zullen

worden, voordat zij gedroogd zijn.

--Op ons papier schrijven we niet zulken onzin.

--Het is geen onzin.

--Wilt gij niemand vaarwelzeggen. Uw moeder?

--Mijn moeder zal van mij erven.

--En gij Rémi?

"Rémi geeft aan Mattia Capi en zijn harp; hij groet Alexis en

verzoekt hem om naar Lize te gaan, en wanneer hij haar zijn groeten

overbrengt, haar tevens een gedroogde roos te geven; die hij in zijn

jaszak bewaart.

Alleen op de Wereld · 第 58 / 95 题