waarover de regeering zich niet weinig bezorgd maakt. Vijftig
kilogram koffie brengen den planter 66 francs op, als ze geleverd
worden op de markten van Europa. Opdat de koffiecultuur dus nog
loonend zij, mogen de prijzen niet dalen onder de 66 francs voor
de vijftig kilo's. De afschaffing der slavernij was een eerste
slag aan de planters toegebracht, die dadelijk de kosten van hun
ondernemingen zagen stijgen. Des ondanks haalde de koffie gedurende
tien jaren den prijs van 97 francs en zelfs dien van 130 francs per
vijftig kilo's. Dientengevolge ging men aan het aanleggen van meer
plantages, ontblootte heele uitgestrektheden gronds van wouden,
om er koffie te planten. De overproductie, die volgde, vergroot
door zeer overvloedige oogsten, veroorzaakte spoedig een daling van
den prijs, die tot 40 francs en zelfs daarbeneden daalde. Men kwam
ertoe, op slechte oogsten te hopen; maar de natuur bleef hardnekkig
de grootste mildheid toonen. De voorraden koffie namen toe, en de
prijzen werden nog lager. Het was voor velen de ondergang, voor allen
groote geldelijke schade. In een land, waar koffie de voornaamste
rijkdom is, werkte de crisis terug op den economischen toestand;
en hadden talrijke faillissementen plaats, er sprongen banken, en de
immigratie stond stil.
Hier doet zich een vraag voor. Is het toelaatbaar, dat de planter zich
ruïneert door het verbouwen van een product, dat de heele wereld op
hoogen prijs stelt, dat ze verbruikt en waarvoor ze hooge prijzen wil
betalen? Is de overproductie een voldoende verklaring voor de daling
van den prijs der koffie? Ik denk van niet. De waarheid is, dat de
overdreven verbouw de markt heeft overstroomd met minderwaardige
producten, waarvan de minder goede qualiteit alle braziliaansche
koffie in discrediet heeft gebracht. Toch heeft Brazilië koffie van
den eersten rang, de gelijke, misschien de meerdere van de koffie van
Mokka en Java. Maar de verschijning der middelmatige producten heeft
aan de speculeerders voordeelige kansen geboden tot nadeel van den
planter en zonder voordeel voor den verbruiker. De goede koffie uit
Brazilië wordt in Europa verkocht als koffie van Java of uit Arabië,
en alle mindere koffiesoorten, onverschillig waar ze vandaan komen,
worden gebracht onder het hoofd "braziliaansche koffie". Daar Brazilië
drie vierden opbrengt van de wereldproductie kan men nagaan, hoeveel
sommige tusschenhandelaars winnen op de koffie, waarvan ze stelselmatig
den prijs hebben gedrukt.
Onder deze omstandigheden, die voor de toekomst zeer dreigend zijn,
hebben de staten van Brazilië, die koffie voortbrengen, dat zijn de
staten Sao Paulo, Rio de Janeiro, Minas Geraes, krachtige maatregelen
genomen, om het kwaad te keeren. De eerste was, dat het voor een
periode van verscheiden jaren verboden werd, nieuwe koffietuinen
aan te leggen. Het is zelfs verboden, doode koffieboonen door
nieuwe te vervangen in reeds bestaande koffietuinen. Toen eenmaal de
productie begrensd was, beproefde men, de prijzen omhoog te drijven
door een leening van 375 millioen francs. Met behulp van die som
hoopte men de aanbiedingen te kunnen regelen, door de koffie van de
voortbrengers te koopen en den voorraaad zoo lang te bewaren, tot
de verhooging der prijzen zich weer zou voordoen. Noch de beperking
van de productie, noch de vorming van reservevoorraden heeft tot nu
toe merkbare resultaten opgeleverd; het zijn maatregelen, die pas op
den langen duur werken, en waar de toekomst alleen de waarde van kan
bepalen. Intusschen duurt de malaise voort, de zaken zijn slap, de
financiëele rampen vermeerderen. Nog onlangs heeft de Handelsbank, een
der oudste van Rio, haar betalingen moeten staken, en een belangrijk
huis te Sao Paulo, bestuurd door den eigen schoonbroeder van den
staats-president, is failliet gegaan, met een deficit van meer dan
twee millioen francs.
Maar dat zal alles slechts tijdelijk wezen, want wat Brazilië eens zal
zijn, als het geëxploiteerd is, dat kan men gemakkelijk voorspellen,
als men let op de rijkdommen van allerlei aard, die het land levert. De
caoutchouc is daarvan een der voornaamste. Men treft de gomleverende
boomen in vele staten der braziliaansche Unie aan, maar het meest
in het gebied van den Amazonenstroom. In weinige jaren is, dank zij
der ontwikkeling der automobielindustrie, de uitvoer van caoutchouc
aanmerkelijk toegenomen. Ook het suikerriet wordt verbouwd in de staten
Pernambuco, Alagoas, Bahia en Rio de Janeiro. Trots de mededinging van
den beetwortel bloeien de suikerplantages en leveren groote voordeelen.
De veeteelt in het Zuiden, het goud en de diamanten, die men in
Brazilië vindt, het zijn alle zooveel hulpbronnen voor het land, maar
de hoofdrijkdom, die het misschien al spoedig een eerste plaats zal
doen veroveren, is de groote uitgestrektheid, met wouden bedekt, waar
kostbare houtsoorten groeien. Men telt er duizenden edele soorten. Maar
al die schatten blijven onontgonnen bij gebrek aan wegen en spoorwegen,
en er worden dan ook alleen die bosschen geëxploiteerd, die dichtbij
de steden liggen.
Het gebruiken van al die rijkdommen is maar een vraag van tijd
en ondernemingsgeest, en wat de Braziliaan niet zelf zal wagen,
dat zal de emigrant uit den vreemde doen, om het rijke land aan een
schitterende toekomst te helpen.
WAT ZUID-AMERIKA OVER VIJFTIG JAAR KAN ZIJN.
Bij gelegenheid van het eerste panamerikaansch Congres, dat in
Washington plaats had in 1890, verklaarde een der aanzienlijkste
afgevaardigden van het latijnsche Amerika, dat de twintigste eeuw
de eeuw zou zijn van Zuid-Amerika in het bijzonder, zooals de 19de
speciaal die van Noord-Amerika was geweest. Het derde congres, dat
in Rio Janeiro werd gehouden, heeft een echo gegeven op die profetie.
Het is waar, dat Canada met reuzenschreden op den weg der ontwikkeling
vooruitgaat; dat Sir Wilfrid Laurier, de eerste minister, verzekert,
dat de twintigste eeuw de eeuw van Canada zal zijn; dat velen in de
Vereenigde Staten bij het zien van die uitgestrektheden gronds, die
vruchtbaar zijn of boschrijk of in hun mijnen hun rijkdom bezitten,
hem gelijk geven en dat het gebied tusschen de Sint-Laurens, de
Poolstreken en den Stillen Oceaan zeer rijk is aan beloften. Men mag
dus voorspellingen wagen en de werkelijkheid is, dat beide Amerika's
een schitterende toekomst vóór zich hebben.
Wat Zuid-Amerika betreft, er bestaat een zekere neiging, dat land
door een donkeren bril te bekijken, vanwege de vele aardbevingen,
die materiëel den bodem doen trillen en om de talrijke revoluties,
die het land op andere wijze van de wijs brengen. Men oordeelt dan
naar het verleden over de toekomst; maar de feiten schijnen die sombere
voorspellingen te willen logenstraffen en de woelige republieken komen
langzamerhand, al is het met moeite, op uit haar verwilderden toestand.
Men moet Zuid-Amerika als een geheel beschouwen, wat om zijn
geografisch karakter zeer goed gaat. In de zestiende eeuw zag
men er slechts een goudland in, welks onuitputtelijke minerale
rijkdommen aan Spanje roem en macht verleenden. Daar is men van
teruggekomen. Zeker, de mijnen van allerlei aard beteekenen nog
altijd veel en nemen een groote plaats in onder de hulpmiddelen der
zuid-amerikaansche republieken; maar ze doen al sinds lang onder voor
andere schatten, die door den landbouw, de veeteelt en de industrie
geleverd worden. Katoen, koffie, graansoorten, hout, cacao en veel
boschproducten worden als kostbaarder beschouwd dan het goud van Peru
en de diamanten van Brazilië.
Er zijn zeer belangrijke economische omstandigheden, die in den
laatsten tijd erop schijnen te wijzen, dat voor Zuid-Amerika in de
eerstkomende halve eeuw zich een groote toekomst opent. Vooreerst
zijn daar de kapitalen der Vereenigde Staten, die, tot hiertoe
veelal in nationale ondernemingen gestoken, zich daaruit beginnen
terug te trekken en over de grenzen voordeelige plaatsing beginnen
te zoeken. Zuid-Amerika trekt ze reeds tot zich met zijn onmetelijk
grondgebied, dat vruchtbaar is, besproeid wordt door bevaarbare
rivieren en een grenzenloos veld voor grootsche plannen opent, als
er de hand zal zijn geslagen aan den aanleg van spoorwegen, kanalen
en moderne plantages.
Het Panamakanaal zal een zeer verlevendigenden invloed uitoefenen op
de westkust van het groote land. Tot nu toe heeft alleen de weinig
bevolkte, maar meer bekende kust van den Atlantischen Oceaan voordeel
gehad van de betrekkelijke nabijheid van Europa en van de uitstralende
activiteit der groote noord-amerikaansche centra, New York, Chicago
e. d. De havens van Chili en Peru zullen, als maar eenmaal de landengte
van Panama een haven en geen slagboom is geworden, in weinige jaren
hun handelsbeweging zien verdubbelen en verdrievoudigen.
Om met den aanleg van spoorwegen te beginnen. Het is juist een
halve eeuw geleden, dat de verschillende staten van Zuid-Amerika zijn
begonnen zich met spoorwegbouw in te laten. De Argentijnsche Republiek
zal dit jaar een speciale tentoonstelling openen ter herdenking van
haar eersten spoorweg, een onbeduidend lijntje. Een paar jaar later
begon ook Brazilië eenige kilometers spoorweg aan te leggen.
Er waren grootsche plannen; reeds in 1860 waren ingenieurs bezig,
de Andesketen te doorboren, wel te verstaan, op het geduldige
papier. Peru zou Arica met Tacna verbinden door een dubbele stalen
lijn, en optimisten riepen reeds, dat zij het lokaas zou worden voor
een spoorweg, die de vulkanische kustbergen doorborend, weldra de
groote centrale vlakte van Bolivia zou bereiken. Een andere lijn,
van Valparaiso en Santiago uitgaande, opende nog reusachtiger
perspectieven, want een tunnel onder de Andesketen door zou die
steden met de pampa's van Argentinië in verbinding stellen. Helaas,
van dat alles is nog slechts het begin verwezenlijkt, en de barrière
van het gebergte houdt nog den spoorweg tegen, al is men tot den voet
ervan genaderd.
Maar in het gebied van den Atlantischen Oceaan hebben Brazilië
en de Argentijnsche Republiek, die niet tusschen de bergen en
de zee saamgedrongen zijn, reeds een flink spoorwegnet kunnen
ontwikkelen. Toch voldoet het nog in geenen deele aan de behoeften
en het beantwoordt evenmin aan de rijke natuurlijke hulpbronnen van
die landen, noch aan de vruchtbaarheid van hun bodem.
Aangaande de ontwikkeling van Brazilië staat het te bezien, of de
tropische streken van het Amazonengebied over vijftig jaren wel sterk
zullen zijn toegenomen in bevolking of in ontwikkeling van den handel,
daar het klimaat zoo weinig geschikt is voor kolonisten van het blanke
ras. Daarbij bestaat er kans, dat de ontwouding van de streken, die
kostbare houtsoorten leveren, waarbij men ver van oordeelkundig te
werk gaat, zal leiden tot de uitputting van een deel dier vruchtbare
gronden. De braziliaansche regeering heeft echter maatregelen genomen,
om tot nieuwe bebossching te geraken en uitroeiing der bosschen
tegen te gaan. Zij moedigt bovendien nieuwe cultures aan; maar de
heilzame gevolgen van haar wetten en voorschriften zal eerst later
merkbaar worden.
De deelen van Brazilië, waar men van een voortgaande ontwikkeling
verzekerd kan zijn, zijn de subtropische en de gematigde gebieden
van het onmetelijk grondgebied. Het is niet te vermoeden, dat eenig
ander land aan Brazilië den roem zal betwisten en het voordeel, de
voornaamste producent van koffie te zijn; of dat de katoenaanplantingen
niet al hun beloften zullen houden.
Nu kan men, afgezien van een smalle kuststrook, zeggen, dat het geheele
binnenland van de reuzenrepubliek nog ongeëxploiteerd is. Het zou niet
veel inspanning kosten, zulk een prachtig terrein ongekend in waarde
te doen rijzen en de economische kracht van het land te verdubbelen
of te verdrievoudigen.
Zeker is het, dat de eerstvolgende halve eeuw althans het eerste deel
zal verwezenlijken van een grootsch plan, dat Pernambuco door een
rechtstreeksche spoorweglijn met Valparaiso wil verbinden. Tusschen
Pernambuco en Uruguay zou die aanleg niet op ernstige moeilijkheden
stuiten; indien de lijn het dal van de San Francisco volgt, waardoor
tevens de staten Bahia, Minas Geraes, Sao Paolo, Parana en Rio Grande
do Sul door korte zijlijnen met de hoofdlijn zouden kunnen verbonden
worden.
Van Pernambuco naar Uruguay door het dal der San Francisco zou de
lijn een lengte van 4500 kilometer hebben. De regeering heeft nu
reeds vijftien jaren geleden het plan goedgekeurd, dat nog sluimert
op het papier en daar mogelijk nog wel eenige jaren zal blijven. Doch
het ligt in den aard der dingen, dat er geen tien jaar meer zullen
verloopen, zonder dat men ernstig de hand zal hebben geslagen aan de
voorbereidende werkzaamheden voor het groote plan. En niets zal beter
in staat wezen, de waarde der natuurlijke rijkdommen van Brazilië
te doen uitkomen of zal een sterker stuwkracht zijn voor het land op
den weg zijner ontwikkeling.
De republiek Argentinië is de korenschuur van Zuid-Amerika. Van alle
latijnsche staten in het werelddeel is zij het meest bekend om haar
enorme productie van graansoorten, waarbij de rijkdom komt aan runderen
en schapen en de groote uitvoer van wol. In al die voortbrengselen
wedijvert het land met de Vereenigde Staten, Canada en Europa. Maar
de kolossale vooruitgang van den landbouw in Argentinië is een feit,
dat nog niet genoeg de aandacht van de wereld heeft getrokken, doordat
de republiek zoo ver verwijderd ligt, zoo uitgestrekt is en omdat de
verscheidenheid der producten zoo groot is.
Terwijl de districten van het Noorden suiker, koffie en andere
tropische voortbrengselen verbouwen, kan men het bekken van de Parana
beschouwen als een tweede Mississippivlakte. Het ministerie van
landbouw te Buenos Aires schat het totaal der opbrengst aan koren
in 1905 over een bebouwde oppervlakte van zes millioen hectaren op
3 882 000 tonnen.
De bevolking bedraagt niet meer dan vijf en een kwart millioen zielen,
en er zouden wel vijftig millioen plaats kunnen vinden, als men de
hulpmiddelen van het land in aanmerking neemt. Onnoodig te zeggen,
dat wij niet vermoeden, dat de republiek het in een halve eeuw tot dat
cijfer zal brengen; maar uitgebreide gebieden, die vroeger verlaten
waren, nemen snel in bevolking toe en tot in Patagonië ontstaan
landbouwkolonies.
De hoofdstad, die een halve eeuw geleden 100 000 inwoners telde, heeft
nu een millioen. Binnen vijftig jaar zal zij er evenveel hebben als
Parijs thans, en zij zal waarschijnlijk dan in inwonertal de derde
stad van Amerika wezen.
De streken van de westkust gaan ook een goede toekomst tegemoet, want
ondanks alle teleurstellingen van de ingenieurs, die de Andesketen
hebben willen doorboren, kan men hen niet goedschiks als dwazen
en utopisten beschouwen, nu men op het punt staat, den tunnel van
Uspallata aan te leggen, die in hoogstens drie jaren Chili met
Argentinië in verbinding zal stellen, of wel Valparaiso met Mendoza.
De aanleg van den spoorweg Arica-Tacna-La Paz tusschen Chili en
Bolivia legt op vier jaren beslag, maar alle voorbereidende studiën
zijn gedaan en de contracten zijn geteekend.
De groote panamerikaansche spoorweg tusschen Noord- en Zuid-Amerika
zal zonder twijfel nog heel wat hinderpalen moeten overwinnen en
menig bezwaar moeten omtrekken, uit den weg ruimen, doorboren of
overschrijden; het eind tusschen Quito in Ecuador en Cuzco in Peru
zal in het bijzonder uiterst moeilijk zijn; maar hebben niet reeds
de oude Inca's in die streken van hooge gebergten prachtige wegen
weten aan te leggen? Waar de Indianen hebben gezegevierd, zullen de
blanken niet wijken.
Bolivia, dat als het hart van Zuid-Amerika is, zou al sedert dertig
jaar doorsneden hebben kunnen zijn door spoorwegen, indien het geluk
beter een kundig ingenieur, Georges E. Church, had willen dienen. Zijn
zeer stoutmoedig plan, om samenwerking tot stand te brengen tusschen
de bevaarbare rivieren en een net van spoorwegen, opdat de republiek
geopend zou worden voor het algemeen verkeer langs de beide hellingen
van de Andesketen en langs de beide oceanen, heeft schipbreuk geleden;
het strandde op de klip van gemis aan voldoende kapitaal.
Maar een gedeelte van zijn plannen is heden ten dage weer
opgevat. Arica, Mollendo en misschien Callao aan de kust van den
Stillen Oceaan zullen ongetwijfeld binnen tien jaren in rechtstreeksche
gemeenschap staan met Buenos Aires door middel van Andestunnels en
door de Paraguay.
Het Amazonengebied aan den anderen kant en het bekken van
het Titicacameer zullen gemakkelijk bij dit net kunnen worden
aangesloten. Wanneer maar eenmaal de Andesketen is doorboord, zal
men kunnen zeggen, dat de rest van het continent voor de ingenieurs
is veroverd.
Er is echter naast het spoorwegnet nog een belangrijk net van
natuurlijke wegen. Geen enkele streek ter wereld is meer dan
Zuid-Amerika begunstigd uit het oogpunt van bevaarbare rivieren. Reeds
heeft generaal Rafael Reyes, president van Columbia, de mogelijkheid
aangetoond, om alle deelen van Zuid-Amerika met elkander in verbinding
te stellen door gebruik te maken van hun stroomend water. De Yankees
van hun kant laten zich de mogelijkheid voorspiegelen, om te water van
New-York of van Nieuw-Orleans naar het hart van Zuid-Amerika te gaan,
door de Orinoco of den Amazonenstroom op te varen met geschikte booten
en dan van daar naar Buenos Aires te varen, zonder den voet op vasten
bodem te zetten.
In een halve eeuw zal men naar alle waarschijnlijkheid het probleem
hebben opgelost, om het door de Portugeezen gedroomde kanaal
te verwezenlijken tusschen de Guapore, den grootsten zijtak van
de Madeira, en de Jauru, een zijrivier van de Paraguay. Maar die
riviervaart zou het nooit brengen tot groote en duurzame resultaten
zonder de medewerking van een voldoend spoorwegnet.
Alle pogingen, om de rivieren te gebruiken voor de kolonisatie van
het groote binnenland, hebben tot nu toe schipbreuk geleden. Alleen
de spoorwegen zullen in staat blijken, kapitalen en kolonisten aan
te lokken.
En kolonisten zijn er broodnoodig. Men moet de resultaten der
immigratie, zooals zij tot hiertoe heeft gewerkt, niet als maatstaf
nemen voor wat de kolonisatie in de eerstvolgende vijftig jaar zal
kunnen worden en tot stand brengen. Tot nu toe is de beweging maar
langzaam vooruitgegaan, als met aarzelende schreden, behalve in
de republiek Argentinië, waar het iets sneller ging. Maar Uruguay,
Zuid-Brazilië, later ook de gebieden in de Andes zullen in den loop
der jaren al talrijker de kolonisten zien toestroomen.
Men kan dat gerust voorspellen, want de opening van het kanaal van
Panama zal, als noodzakelijk gevolg, duizenden naar de Pacifische
kust lokken. Wat de rijke vlakten van Brazilië en Argentinië betreft,
ze beginnen nu nog pas hun bekorenden invloed op enkele europeesche
volken uit te oefenen, vooral op de Italianen, die ertoe mee zullen
werken, dat in de eerstvolgende eeuw Zuid-Amerika een bevolking zal
krijgen van blanken, die niet uitsluitend uit spaansche en portugeesche
elementen bestaat.
Intusschen heeft ook het volk der Scandinaviërs, dat der Duitschers
en der Engelschen, vooral in Zuid-Brazilië hier en daar verspreid,
bloeiende koloniën gevestigd en deze nemen in aantal toe. Schotsche
herders met hun kudden kunnen het in Patagonië best vinden, en ook
koloniën uit Wales en andere uit Rusland tieren er goed. De Vereenigde
Staten van hun kant moeten ook een deel van hun bevolking afstaan
aan Zuid-Amerika; het zijn meest kooplieden, industriëelen en planters.
Het is dus niet voorbarig te besluiten, dat Zuid-Amerika met zijn
onmetelijke, onuitputtelijke natuurlijke hulpbronnen, zijn vruchtbaren
bodem en het prachtige net van bevaarbare rivieren een schoone toekomst
te gemoet gaat in economischen zin. Doch die toekomst kan niet worden
verwezenlijkt dan met hulp van kundige ingenieurs; maar op verscheiden
punten van het groote continent zijn die dan ook reeds aan het werk
en leggen spoorwegen aan, graven kanalen, slaan bruggen en boren
tunnels. Wanneer eenmaal de twee of drie groote transcontinentale
lijnen voltooid zullen zijn, waarvan zij en hun lastgevers droomen,
zal de dag van Latijnsch Amerika gekomen zijn.
Met de komst van dien dag zal het misschien wel iets minder vlug gaan,
dan de ongenoemde schrijver in _A Travers le Monde_, het bijblad van
de _Tour du Monde_, zich voorstelt; maar dat er in economisch opzicht
nog alles van Zuid-Amerika te maken is, moet erkend, want inderdaad
liggen er voor landbouw en veeteelt en boschexploitatie onmetelijke
terreinen op de hand van den mensch te wachten. Als die hand er
maar gemakkelijker kon doordringen, als dus de verkeersmiddelen
maar overvloediger waren, behoefde de schoone toekomst geen droom
te blijven.
AANTEEKENING
[1] Zooals thans in Nederland. _Vert_.
End of Project Gutenberg's Twee groote steden in Brazilië, by François Crastre