Dat was de dèrde die van toegeven sprak, de derde die 'r 't beetje
moed wou uit trappen. Norsch en verkleumd luisterden de stakers. 'n
Uur lang hadden ze in de bevroren modder op Dekker, die niet komen
kon, gewacht. 't Liep mis. Wéer 'n Sjabbes in harde ellende, wéer
'n week zonder vooruitzicht.
Nu dicht saamgedrongen om de tent, de voeten doorweekt, de ruggen
gebogen, de koppen in botte luistring, schenen zij eene benauwende
wanhoop te ondergaan.
Eleazar, bij Juda, Hes en Klaroen, balde heftig de vuisten. Wat
zij voelden, leed-ie mee, dieper misschien. Hoe dikwijls had-ie de
sentimenten van een massa, den haat van een massa, den wrok van
een massa, de liefde van een massa, de hartstocht van een massa
doorleefd. Hoe dikwijls had-ie getracht 't juichen, grommen, razen,
handelen van 'n massa te benaderen, zich moe-gedacht over haar
kracht en geweld, haar slaafschheid, angsten en weiflingen. Toch
telkens wanneer je zoo stond, schouder aan schouder, lichaam naast
lichaam, eigen gedachten-bewegen naast dat van 'n ander, hoofden
ontelbaar rondom, dee je niks meer afzonderlijk. Gelijk de adem uit
die koppen in de vaal-grauwe winterlucht zoog, de harten klopten,
de oogen staarden, de longen wiegden--werd je driftig met de andren,
vroolijk met de andren, neerslagtig met de andren. 'n Massa kon
moorden, verwoesten, aanbidden, vervloeken, martlen, vervolgen en je
gaf jezelf over even volkomen als vroegere individuen 't in vroegere
massa's hadden gedaan. Je gilde gezamenlijk als 'n kind te water lag,
je krijschte als 't dreigde te zinken--je schreeuwde mekaar toe als
't gered werd.--Zoo ging 't in alles. De massa fantaseerde 'n god,
de massa leek onsterfelijk. De massa's groepeerden zich, botsten,
tyraniseerden, lieten zich knechten. De massa had 'n vreemde,
groote, kinderlijke, eerlijke ziel en 'n kleine, hardvochtige. Ze was
'n onbereikbaar reuzenlichaam, dat eeuwenlang met 'n verschrompeld
verstand tegen zichzelf had gebeukt, lomp als 'n jonge hond, nu wakker
scheen te geraken--schéén--'t duurde zoo sarrend, grùwelijk lang. In
'n massa voelde je je stem grover, je lichaam zwaarder, je spieren
sterker, je wil veerkrachtiger, je hoofd ruimer. Maar ook kon 'n
massa je laf maken, krankzinnig-bevreesd, melankoliek of wanhopig.
Vandaag wàren ze desperaat. De egaalzwart-kille sneeuwlucht lei zwaar
op de daken, zonder eenige bulting, zonder diepte van licht. Nergens
zag je 'n wolkje--overal vlakte een roerloos vuil, dat naar de
huizen-over-de-gracht tot klittend goor-bruin ver-dikte, alsof daar
'n keel stond te gurglen en 'n strottenhoofd angstwalmen hijgde. De
gracht, met de vele modder-riolen, glaasde in strak-harden stilstand,
staalgrauw weerkaatsend den hemel tusschen 'r steil-groeiende
wanden--strekten de boomen hun zwarte, knuistige takken--werd je
haast bang dat de grijze lawine zou storten en allereerst breken
't dor-oude hout, de stug-brooze takken. Doch niet alleen dit drukte
de massa. Gehokt om de tent, de plompe schoenen op de knobbels van
doortrapte en weer bevroren modder, de voeten koud en in nat gezogen,
de lichamen sluiprig-bekropen door de klam-weëe kilheid der lucht,
die de huid onder de kleeren als met natte handen betastte, de
naakte ruggen langs huiverde, de borsten met rillingen overgleed,
de onderste nekhaartjes dee steken, zachtjens kwellend alsof ze
haakten aan den plots hard-aanwrijvenden rand van het hemd--zoo
ongeveer voelde Eleazar, kort en scherp, de lichamelijke sensatie
der menigte--zoo móést 't wel zijn. O, op een zomerschen dag,
bij hel-fleurend groen en wolkjes met zilverkartlingen, op een
lentedag-van-enkel-jeugd-siddering, zouen ze niet zwak en ontzenuwd
hebben gestaan, zouen ze niet dulden 't lange gepraat van een paar
angstigen, misnoegden, moedeloozen. Sentimentaliteit weekte in 'm
op. De pupillen van z'n oogen spanden in zenuw-opwinding. En voor 't
eerst van zijn leven, zonder nadenken, bizar gedreven door eene macht,
een geweld, eene ontroering die z'n gelaat verbleekten, z'n stem schel
deden klinken, vroeg hij het woord, terwijl 't applaus nog na-rommelde,
schoof door de wijkende stakers, beklom duizlig en lichtschuw de
treedjes naar de tent. Zoo nerveus was zijn bewegen dat-ie even
struikelde, de knie pijnlijk stiet--klemden z'n handen ijskoud,
gevoelloos, vreemdelijk-wringend om de opperste lat der balustrade,
keek-ie doodsbleek, de oogen vaal-blauw omwald naar de geweldige,
plotsling dierlijk-beangstigende koppenmenigte. Ben oogenblik meende
hij te zullen stikken, hijgde hij bevend, persten z'n nagels in 't
hout. De hoeden, de gele koppen, de grijze takken, het hekwerk, de
keien schimden door z'n bloedleeg hoofd. Schor-droog ademend zei hij:
"Kameraden"..., stokte, pogend te slikken. Er ging een angstkramp
in z'n hersenen, het zweet bebeet spichtig z'n slapen. Starend,
zonder geheugen, de versteende handen om de balustrade, de versteende
voeten in de wijder-lijkende schoenen, doorgierde hem de razende,
rauw-krijschende angst dat-ie gèk werd. De tram ree door de bocht,
nevelde dwazig voorbij. Hij hoorde de bel, de bel van geel-koper,
de peervormige gèle bel met het zwabberend leer. Tegen een boom,
den poot hoog-getrokken, pieste een groote roodharige hond. Dien
zag-ie--hij zàg 't ruige lijf, den gewipten poot, den staart, de witte
ademhijgingen... Hij zàg de pies in de modder-aarde spetteren. Hij
zàg--en een opgutsende, knarsend-gillende wanhoop bonsde in zijn
leege hersenkas--dat-ie gèk werd--dat z'm gek zouen zièn worden--dat
ze àllemaal wezenloos mee zouen kijken naar den piesenden hond, die
zoo oneindig redeloos-lang pieste... Maar de stakers die 'm wit en
onbeweeglijk-zwijgend zagen staan, meenden dat-ie wachtte op stilte. Er
was een napratend gemompel en voeten beknarsten de bevroren modder.
Juda, ongeduldig, ook met 'n wrok om 't laffe geweifel nou Dekker
'r niet was, schreeuwde kwaadaardig, stem die domp knoerste: "Smoel
houen!--Hou dan je bekken!"... en een magere, beenige jood àchter de
tent, meenend dat Eleazar al sprak, riep nijdig: "Hààààrder!"...
Het zwiepte 'm wakker. "Kameraden," zei hij nog eens. De woorden
stamelden z'n mond uit, kurkachtig-droog, z'n lippen trilden, z'n tong
bewoog moeilijk, kromp stug naar de keel. Nou wist-ie dat-ie sprak,
maar de zin was 'm vreemd. Alles knapte door z'n hersenen--toch praatte
hij, verward, snel, onsamenhangend--dingen brauwend die hij niet had
willen zeggen, phrases beginnend die hij niet te eindigen wist--zoekend
naar 'n slot dat verglipte, kreeglig-verwriemeld in den veeldradigen
angst dat-ie zou blijven steken. Zelf hoorde hij klànken--vage klanken,
klanken die ratelden, knepperden, klanken die driftig wirwarden om
zijn hoofd in 'n benauwenden nevel. Even zweeg-ie. Ze hadden bravo
geroepen en geklapt. Klaroen zag-ie knikken en een langbaardige
jood, kop als Poddy, schreeuwde: "Gelijk heit-ie".... Wàt had-ie
beweerd? Hij had 't niet kùnnen herhalen. Maar nou ze bravo-riepen,
verhelderde zonderling-vinnig z'n hoofd, zakte de afschuwelijke
angst, week de bleuheid van stillen, peinzenden jongen, die nog
nooit zoo voor duizenden had gestaan. Bijna werd hij luciede. Z'n
stem verscherpte, z'n grijze oogen glansden, z'n dunne bleeke lippen
bewogen bits en met nadruk, z'n lichaam leek grooter. De menigte droeg
'm, had 'm te pakken, hitste 'm aan met honderden starende oogen,
leefde mee met oneindige melkwitte ademen wier onstuimige damping in
de winterlucht vloeide. Ouwe koppen en koppen met baarden, koppen
gegroefd, en geelbleeke, ruwe koppen met grijzende snorren, koppen
hard en verzieklijkt, waren in luistring, bogen, weken, zwartkantten,
schemerden. Een sterke, massale, zware aandacht golfde op hem toe,
omwikkelde hem, scheurde de woorden van hartstocht uit zijn keel, wond
met machtigen drang de aandoening los, die hij niet meer te zoeken
had noch te onderdrukken. En zoo innig was soms de wisselwerking
tusschen hem en de massa, de massa van onbekende makkers, dat het
hem sprekende toescheen of hij onmeetbaar-lang had gestaan, zij elk
woord reeds vóordachten, voorvoelden--hij simpel uitte wat in hen
allen gezamenlijk, zonder ééne afwijking of aarzeling omging. Bevende,
kleine sneeuwvlokjes dwarrelden neer, stuivend als verschrikte pluisjes
in vroeg-zomeravond. Op den rand van een hoed, op een schouder, op
een gebogen rug donsden ze zacht, verlegen wittend en smeltend. Het
was een teer, onhinderlijk gespeel, een schichtig dolen en wentlen,
een timiede gedwaal tusschen de takken, over de hoofden, over het
water. Een enkle grooter vlok, sneller en witter van val dreef langs
de tent, zuigend op Eleazar's gebarende hand.
...."Toegeven doen we niet, morgen niet--toegeven doen we nòoit! Wat
we vandaag willen, willen we morgen. Kameraden--we zijn pas an
't begin--an 'n begin, an 'n léélijk begin. Kijk om je heen, over
de hekken, van 't Park, kijk over de gracht. We wonen as beesten,
we hebben vreugden as beesten, we worden gebruikt as beesten en as
beesten vermoord as we ons verzetten"...
Voor de tweede maal hield hij op. Driftig gejuich barstte los. Maar
bijna daadlijk, de handen als klauwen om de balustrade gewrongen, het
lichaam heftig vooruit, de oogen vlammend van woede, onherkenbaar voor
wie 'm daaglijks waarnamen als zwijgenden, denkend-gesloten jongen,
sprak-ie in één roes voort: "...As beesten!--Néé, we géven niet
toe!--Markus zeit dat ze bij 'm thuis hongerlijjen--dat wèten we,
Markus--dat begrijpen we, Markus--we huilen 'r om, Markus--we zouen
je willen helpen, Markus--: hebben _wij_ 't anders?--Krijgen we 't
bèter, as we uiteengaan, as we voortslaven op 't ouwe loon, op de
ouwe voorwaarden, bedrogen, bestolen op de ouwe manier, zonder één
kans om 't in de eerste jàren op te halen?--Kameraden, luister niet
naar Markus, Levi en Beem! Wààrom zouen we moedeloos zijn, zoolang
we màcht hebben. Wìj hebben de macht, hier, overal, wij arbeiders,
wij alleen! Wij hebben de macht, as we staan schouder naast schouder,
hoofd naast hoofd, hart naast hart! Wij, wij alleen, as we eensgezind
zijn, eensgezind tot in den dood, den strijd prediken zonder genade,
oog voor oog, tand om tand, omdat 'r voor òns geen genade is--geen
genade, geen rècht!--Eeuwenlang zijn we 'n kudde geweest, 'n getrapte,
mishandelde, weerlooze kudde--laten we 't nou schreeuwen tot mekaar,
schrééuwen, op elk uur van den dag, dat wìj de macht hebben, wij
hongerlijjers--as we wìllen".
Het applaus en geroep overdreunden z'n driftige woorden. Dichter drong
de menigte op, wonderlijk-teer bespet door het stuiven der eerste
sneeuwvlokken, die uit den grauw-dreigenden hemel bleek-bevend vielen.
Van het grimmig luchtpantser naar de zwarte, stevige, harige
koppen, plooiden, bewogen, spiraalden, verschoten-weer zacht-witte
lijntjes van sneeuw. Het was geen wild dwarrlen noch jagen van
vlokken--kinderangstig, spelend, soms schijnbaar stijgend-terug,
waaitrilden de stuifjes en pluisjes, even-glanzend in een
bruinen volbaard, luw-prikkend stervend op de warmte van 'n huid,
droomrig-meetrillend op het knippend beweeg van een wimper. Eleazar
wachtte ontroerd tot ze zwegen, hernam toen met kalmer gebaar,
straf-kijkend in het warren der zwarte takken:.... "We zullen lééren
te willen, kameraden, leeren te volharden, leeren éénsgezind te
blijven. Waarom wonen onze ouders, broers, zusters in krotten waar geen
zon schijnt, waar geen plant kan leven? Waarom sterven we zonder licht,
lucht, vreugde? Waarom zien onze kinderen 'r ziekelijk uit, worden ze
geboren misvormd en mismaakt? Waarom groeien we van onze jeugd tot in
't graf--in ellenden, ontbering, wanhoop, leed? Waarom staan we hier
in de sneeuw te bédelen met schuwe gezichten en benepen harten om
'n verhooging van lóón? Waarom blijven we vervolgden, verschopten,
gevloekten, wij die àlles voortbrengen, bewerken?--Kameraden, we zijn
gedoemd zoolang we verdeeld zijn, zóodra we verdeeld raken!--We geven
nièt toe--Verliezen we 'n éérste staking, dan beginnen we in jaren
geen tweede--we móéten! We moeten vooruit, vooruit, vooruit! We willen
òns deel van den strijd, dien onze makkers over de hééle wereld met
vreugde en opgewektheid strijden--we moeten òns deel van die taak
begrijpen, 'r voor vechten, 'r voor aanhouden al striemt 't bloed
van ons lichaam. Wat we vandaag vragen, èischen--is waarachtig geen
vraag-van-beteekenis, geen eisch die 'n eind maakt aan den jammer,
't onrecht, de verdrukking. Dat weten en voelen we. Maar èlke stap is
er een, elk voorposten-gevecht telt mee, elke kleine overwinning leert
voor de toekomst. Kameraden--denk een voor een an je eigen thuis--an
't thuis, 't verdriet, de armoe, 't ongeluk van je buurman--denk
an je eigen wéerloosheid--denk an de mácht van ons allen-tezamen,
an de màcht die overwint"...
Brusk zweeg hij, stapte houdingloos achteruit, terwijl goedkeurend
gegrom en geklap op 'm toe-dreunde. De traptreedjes af-schuchterend,
met armen die plots lomp-willoos slingerden, 'n lichaam ganschelijk
onbeholpen van verlegen dronkenschap, 'n gelaat dat zenuwtrok, niet
tegen den dagschijn in scheen te durven, zocht hij met beverige
wils-verdwaasdheid 'n plekje om ònopgemerkt te schuilen. Het was
of de koortsige bewustheid 'm sullig uit de hersens droop, of-ie
gruwelijk-ingespannen 'n boek had zitten lezen, zonder overgang
in schril morgenlicht keek. De achterhoofd-hoeken tintelden
pijnlijk--klopte een kramp-strooming van z'n nek over de steile
nekhaartjes--zoog z'n denken moeïg weg, met opschichtende verwijtjes
dat-ie slècht had gesproken, niemendal gezegd, dat-ie an 't doorslaan
was geweest--dat-ie geen woord meer wist--geen wóord.--'n Ander sprak,
de sneeuw waasde sterker, grooter van vlok, natter van smak. Z'n hoofd
stond te luistren, bleek en oud, z'n hoofd dat als 'n gedrongen ding,
zonder afmeting, zonder ronding, zonder steun voelde--zag-ie alleen
de haren van z'n snor die barstig onder den witten neus wipten.
Toen-ie wat kalmer werd, toch met een nalooming van drukkende
afgematheid, zocht hij Juda en Hes, vond ze niet. En opnieuw schrijnde
'n heet-klamme ontevredenheid in 'm op, begonnen z'n handen kleverig
te branden, prikkelde 't vreemd-dor in z'n tong bij 't denken aan 't
éérst moment van z'n spreken--de hersenleegheid--de volslagen wilde
afwezigheid--de visie van den ruigen, piesenden hond. Zanikerig,
drenzend, zonder aandacht naar de tent starend, trachtte hij z'n
woorden-van-straks te hervinden, te herhalen. Als-ie alles zoo
innig voelde, zoo hartstochtelijk in zichzelf wist te zeggen, waarom
stikte-die dan in gebrabbel en gehakkel--waarom kon-ie dan nou niet
den eenvoudigen zin van z'n stortvloed formuleeren? Waarom trilde
je na? Waarom sprak je tot Juda of Hes of Klaroen géwóon, bedacht,
rustig, en kwam 'r als je tot 'n màssa lang-geweten dingen wou zeggen,
'n duivel achter je staan, die je hitste, sarde, kwelde, tot je denken
an flarden hing en je begon te ijlen, te ijlen in 'n róés... Waarom was
je 't praten tot 'n menigte verleerd, 't simpel gevoelig praten over
absolute waarheden, die je niet meer zoo simpel, zoo gevoelig waar
kón maken als je stond door allen bekeken? Waarom zei je dan grove,
onrustige, plotsling-opwellende dingen, werd je gezwollen, hol, duf,
romanphrase-achtig? Toch móést hij er door, voor nu en voor later,
als-ie 'n róéping had, als-ie de lijn van den tijd volgde, de tijd
die een sterke, bewuste, overal hel-klinkende stem had... Opgeruimder
schudde hij de sneeuwvlokjes van z'n jas. 't Dee 'r niet toe hóé-die 't
gedaan had. Ongeveer was 't bereikt. Ja, 't was 'n verluchting dat-ie
't dùrfde, dat-ie de dompe, vervalende sfeer van 't krot waarin-ie
leefde, ineens, zonder aarzling had afgeschud en in 't volle licht
had gestaan om z'n kameraden te bemoedigen, op te wekken. O, o,
díé schuimende heerlijkheid had-ie bedreven--ze hadden gejuicht--ze
hadden begrepen--ze hadden in de handen geklapt om één van d'r
ellende-genooten, om één die plóts voor ze was komen te staan. O, o,
't geluk dat je nou overal, òveral, uit àlle menigten, schuwe mannen
zag rijzen, die éérst hijgden en mumden, dan vanzelf 't pad vonden
om met zekere gebaren de veilige richting aan te duiden.... De oude
peinzer was in 'm wakker geworden en een zachte blijheid, 'n lieve
warmte van hoop en berusting groeiden, nu de overspanning verdween.
Prettig-wild stoof de sneeuw toen-ie met Juda tusschen de menigte
liep. Den grauwen hemel zag je niet door 't wijde gestraal, 't
druk-sproeiend wriemlen der vlokken. Voor hen gingen mannen met
sneeuwplakken op de hoedbollen, sneeuwstrooisels op de schouders,
sneeuw op de ruggen, sneeuw in de haren, sneeuw op de schoenen,
sneeuw om de hoofden. Over de kozijnen, over de goten, over de daken
waaide het witte gestuif, klittend tot wallen en rondingen. De huizen
schenen te molmen, weg te deinzen zonder omtrek, zonder harde muren,
zonder gevels en pijpen. Door de zwarte, mat-starrende ruiten sneden
witte sponnen, zacht-soepel wit dat vloeide in 't geel der kozijnen en
spinten. Een enkel spion stak verschrikt 'n veldje van sneeuw in het
schuine, gestadig gewirrel en op den hoek van de straat kroop een wigje
met spichtige punt langs een raambouw omhoog. Vol leien de tramrails
en roosters, week overboog de weg, felwit en breed naar de brug met 'r
witzware leuning. Het was een duwend dringen van sneeuw, een vallen,
warrlen, bewegen dat de lucht verschemerde, doorduizelde. In het
stilwit plantsoen, waar de boomen scherp rezen, diepzwart van stam,
de takken omhoog veerden als stalactieten in kalklicht, stoeiden
luidschreeuwende kindren. Sneeuwballen ploften en braken, tolden met
schimmigen zwaai, patsten dan week in berstende stuiving. Angstig
holde een meid, de handen stijf langs 'r hoofd--suisden de ballen haar
na, smakkend op 't roodbruine doekje, deukend in 't rokkengeraas,
bepoedrend den wrong van 't haar. Greep haar een stevige sjouwer om
't lijf, smeerde z'n sneeuwprop tot diep in 'r nek, bukte opnieuw
en wrong in den gillenden mond 'n klodder die huilend en spuwend ze
spoog. Daalde dikker de sneeuw, haastig en smijdig. Onder de voeten
nakraakte ze dof, schurend met wrang-zachte wrijving. De koffen in
de gracht werden strakwit van dek en tuigage--'t spiegelbeeld klom
uit het water in bleekig vlokkengedraaf.
Juda, den kraag om de ooren, stapte zwijgend en norsch. Eleazar liep
vlug en veerkrachtig. Het stugge geschuier der sneeuw gaf 'm lust om
te spreken. De synagoge ging aan. Op de stoep, onder één parapluie
stonden Davy en Berlijn van Laboen.
"Kijk", zei Eleazar, minachtend.
Berlijn had 'm herkend, trok Davy snel mee. De deur flapte open,
doorliet den schijn van veel lichten--de deur flapte dicht.
"Was dat nie Davy?"--, vroeg dof-grommend Juda.
"Ja", sprak Eleazar driftig, denkend aan den middag toen de juwelier in
'n wal van agenten van _Golconda_ naar _Adamas_ was geleid.
De sneeuw bejoeg met striemende stralen de ruiten der kerk,
overheuvelde schuin de kozijnen. Geluwe lampwasem lichtte in
't groenketsend glas, bleef in stroeve, vervreemde stollingen
hangen, bijna teruggeslagen door 't bleeke, grijs-grauwe druilen
van den heengaanden dag. Meerdere joden kwamen ter kerk. Telkens
piepte de deur, gaapte de kerkruimte open--geel-wreede lichten
en banken-gepuil--knoerste de deur in morrig gesteun van 'r
veeren. Herkende Eleazar, Druif, den onderrabijn, dien-ie had
zien sjaggeren, broeiend-begeerig, in het _Casino_, sjaggeren
in blauw-flonkrende diamanten, sjaggeren met dorre grijpvingers,
sjàggeren, 't week-zinlijk gelaat met den ringbaard en den krachtloozen
neus achter de vensters.
"Druif!", zei tegelijk Juda en grimmig den jood nakijkend, die in
het deurgat verdween, snauwde hij: "die bìdde as wij verrekke--die
dùrve bidde!--Dat 'r de bliksem in sloeg!--Wij haast geen vrète door
de staking--zij in 'n warreme Schoel--bah! bah!"...
"Waarom zoue ze vandaag minder bidde as anders", antwoordde Eleazar,
voortstappend in de sneeuw naar de jodenwijk: "waarom zoue ze jùist
vandaag méér geweten toone? Geen stàking, wel 'n staking--wie in onze
tijd in 'n kerk bidt, bidden kan, slaapt of huichelt. En omdat je d'r
goeie trouw wil geloove--ze liege niet allemaal--mot je ze met geduld
probeere wàkker te porre. Strakkies, toen 'k in de tent stond en voor
't éérst van me leven spràk, heb 'k hardop gebeden. 'n Ander gebed ken
'k niemeer"...
"Weet jij wàd-'n kerk is", viel Juda hem in de rede: "'n kerk dat
is--dat is 'n drie-dubbel vretende kanker--'n kanker met duizend
gezwellen!--Hoe kén 't bestaan dat onder één dak de dief zit te bidde
naast de man die-die daaglijks begapt en beschwindelt?--Hoe ken 'n
gód bestaan voor mijn én voor Davy én voor Berlijn én voor Druif?--As
Mozes vedaag diamantschlijper was, zoue ze 'm nèt zoo hard uitzuige,
kon die zich krom legge met 'n vrouw, 'n zieke dochter en twee kindere
as ik!--Nòg, 'n kerk da's om je d'r onder te hóúen--Waarom speelt
zoo'n frotte rebbe geen godverdomme tegen Davy en de andren? 'k Wou
dad-'k de poote van Simson had--dan trok 'k ze na de verdommenis"...
Hij had zich opgewonden, spuwde giftig in den sneeuwgrond.
"Gàmmer", zei Eleazar: "wìj, onder mekander zalle in 't gróót doen,
wat Simson dee. Wij zijne óok 'n reus met uitgeboorde oogen--en nog
niet genóég gesard. Let op: ònze tijd komt. De kerk is 'n onderdeel,
de staking 'n onderdeel. De hoofdzaak is--is"--geheimzinnig-kinderlijk
lachte hij: "dat de werachtige messias op is gestaan die ons zal
verlosse en na Jeruzalem voere"...
"Ja", zei Juda simpel, zonder eenige verklaring te vragen--volkomen
begrijpend wàt Eleazar bedoelde--: "hij is 'r--in àl de lande--in àl
de lande--'k ben blij dad-k 'r 'n pietsie van beleef"...
"Ik ook", zei Eleazar.
Zwijgend, beiden met een bijna weemoedige vreugde dat ze bij allen
tegenslag, in alle omstandigheden, verheugenis hervonden door de
kracht eener samenwerking, die eenvoudiger, verheffender dan eenige
godsdienst de wereld rondging, stapten zij in de sneeuw, de hoofden
gebogen tegen het jagend gedwarrel.
Als een eerwaardig gevaarte lag de jodenbuurt, indrukwekkend van
witte kronkel-alleeën. Ze was nu geheel anders en statig van
schoonheid. Straatjes, stegen, sloppen, daken vervloeiden tot
'n gedaantelooze sneeuwromp. Over de modderkeien effende zwaar de
sneeuw--sneeuw lei op de karren, op de buigende huifjes. Al 't gore,
vuile, verweerde, verbrokkelde, school achter het wit verkoelend
geraas. De ouwe poortjes en bogen stonden bleek en massiever,
de kelder-uitbouwen waren als banken in krijtrots gebijteld. Wit,
sponzig-wit, wijdden geulen en brokklende dijkjes. Je kon nauwlijks
de ruïnen, de stegen en krotten herkennen.
Op de binnenplaats speelden Saartje, Meijer-van-Suikerpeer en
Jan-van-den-schoenmaker. Ze hadden een grooten sneeuwbal gerold,
heen en weer, tot-ie 'n reus was geworden, vet en lomp met overal
zwarte kinderhandjes er in.
"Nou--wat 'n kànjer, sodemerakel!", schreeuwde 't manke jogje,
pijnlijk de vingers beblazend.
"Zou-die niet breke, oome?", vroeg Saartje, 't groezelgezichtje rood
van het werk.
"Ach, bè-je belazerd!", riep schoenmakers-Jan: "je ken d'r op
stáán!"...
Samen drongen ze den bal voort, de donkere poort door naar 't
straatje. Klonken hun stemmen frisch als de sneeuw, onder 't steenen
gewelf. Even stond Eleazar in luistring. Dan liep-ie binnen bij tante
Reggie, die in 'r stoel sliep, den mond hijgend open.