—Ik stond reeds bijna anderhalf uur schuin tegenover het huis waar

Robert Spencer zijn kamer heeft, zonder iets te hebben gezien. Maar

toen reed er een huurauto voor, waaruit Lucy Spencer stapte, de auto

bleef wachten en zij schelde aan. Ik kwam langzaam naderbij, maar ik

kon natuurlijk niet hooren wat er gesproken werd. Zij praatte met het

dienstmeisje, dat de voordeur geopend had en eensklaps zag ik dat zij

zeer bleek werd en de hand op het hart drukte, terwijl zij zich met de

andere aan den deurpost moest vasthouden. Het volgende oogenblik had

zij zich omgewend en vloog naar de auto. En nu was ik dicht genoeg

genaderd om te kunnen hooren hoe zij tot den chauffeur riep: „Naar

Scotland Yard! Rijd zoo vlug als je kunt.” Het volgende oogenblik was

de auto verdwenen!

Raffles had met de grootste aandacht geluisterd en bromde nu voor zich

heen: Wat moet dat beteekenen; wat kan er gebeurd zijn?

—Dat vraag ik me ook af, Edward!

Eenige uren later zouden de beide vrienden zekerheid hebben......

Zij zaten in de prachtig gedecoreerde eetzaal van de Windsor Club en

hadden hun diner bijna geëindigd, toen de bankier Wynn met bleek gelaat

kwam binnenstormen, even rondkeek en toen op het tafeltje afging,

waaraan Raffles en Charly gezeten waren.

Reeds op eenigen afstand riep hij:

—Hebt gij het al gehoord, Mylord?

—Wat is er, waarde Wynn, vroeg Raffles, ofschoon een voorgevoel hem

zeide wat het antwoord zou zijn.

—Robert Spencer is vroeg in den middag gearresteerd, verdacht van den

moord op Stephen Ross!

Charly liet een schreeuw van ongeloof en verbazing hooren, maar Raffles

keek strak voor zich uit en schudde slechts eenige malen het hoofd.

—Hoe weet gij het? vroeg hij toen, zich tot den bankier wendend.

—Het staat in de zoo juist verschenen avondbladen.

—Zoudt gij niet zoo goed willen zijn een der bedienden uit de leeszaal

met een blad naar mij toe te zenden; ik stel bijzonder veel belang in

den jongen Spencer, dat weet gij!

—Dadelijk, Mylord! antwoordde Wynn, en hij snelde weder heen.

De beide vrienden bleven zwijgend tegenover elkander zitten, totdat een

der zaalbedienden met een avondblad kwam aandragen, hetwelk hij met een

buiging aan Raffles overhandigde.

Deze schoof het blad aan Charly toe en zeide op zachten toon:

—Lees het mij eens voor, dan kan ik er mij beter een oordeel over

vormen!

Charly ontvouwde de courant, zocht eenigen tijd en begon toen:

„Het drama in de Bishop Street heeft, spoediger dan men had durven

hopen, zijn voltooiing gevonden in de arrestatie van den dader.

Naar wij onzen lezers reeds hebben medegedeeld, vond de politie

reeds aanstonds een spoor, nadat zij het vertrek grondig had

onderzocht, waar zich het misdrijf heeft afgespeeld, het kantoor

van den ongelukkigen effectenhandelaar Stephen Ross.

Wij kunnen nu wel mededeelen, dat men een brief had gevonden met

bloed bevlekt, die van denzelfden dag gedateerd was en gericht aan

Robert Spencer, die hem daar moet hebben verloren.

Wij kunnen niet nader op den inhoud van dit schrijven ingaan, maar

het is zeker dat de jonge Spencer zich naar Ross heeft begeven, in

den laten avond van denzelfden dag, waarop hij den brief van den

effectenhandelaar ontving, ten einde dezen opheldering

dienaangaande te vragen.

Dit is bevestigd door den ouden bediende van den heer Ross, Henry

Jefferson, zoowel als door de huishoudster, Miss Wilcox.

Zij verklaren beiden, dat Robert Spencer omstreeks elf uur in den

avond aanschelde en zonder zelfs iets aan den bediende te vragen,

de trap opliep en zich naar het kantoor van Stephen Ross begaf, die

zich daar nog bevond om te werken.

De bediende liep hem na en hoorde hem op opgewonden toon tot Ross

spreken.

Hij bleef tien minuten wachten, maar daar hij niets bijzonders meer

hoorde, verwijderde hij zich weder.

Jefferson wist, dat zijn meester in zakenrelaties stond met den

jongen Spencer, en het is naderhand gebleken, dat die relaties voor

den jongen man verre van aangenaam waren. Ross moet niet veel beter

dan een woekeraar van de ergste soort zijn geweest, en het

verwonderde den ouden bediende niet al te zeer, dat een zijner

klanten kwam „opspelen”, zooals hij zich uitdrukte.

Ongeveer een kwartier nadat hij zich verwijderd had, hoorde

Jefferson de straatdeur dichtslaan.

Hij meende niet anders of de bezoeker was heengegaan en had de deur

woedend achter zich dichtgeslagen.

Daar hij zich altijd op een vasten tijd ter ruste begeeft en zijn

meester vaak tot nog laat in den nacht blijft werken, zoo begaf hij

zich naar zijn zolderkamertje, zonder verder over de zaak na te

denken.

Het is nu echter wel zeker, dat Spencer niet is heengegaan, maar

met opzet de deur zoo hard heeft dichtgeslagen, tot alles veilig

was en hij de inbraak kon plegen.

De politie is van oordeel, dat hij aanvankelijk voornemens was,

zich alleen meester te maken van de wissels, welke Ross van hem in

zijn bezit had, maar dat het zien van het goud in de kast zijn

hebzucht heeft opgewekt en dat hij, toen hij zich ontdekt zag, den

man, die hem in het ongeluk had gestort, heeft neergeslagen met een

ploertendooder, of misschien met een ander zwaar voorwerp.

Wij vernemen nog nader, dat ook de zuster van Robert Spencer in den

loop van den dag een bezoek heeft gebracht aan Ross, men weet

echter nog niet met welke doeleinden. Ongetwijfeld zal het jonge

meisje door de politie dienaangaande ondervraagd worden.

Scotland Yard meent verband te moeten zien tusschen dit bezoek en

dat van Robert Spencer, hetgeen men afleidt uit den inhoud van het

schrijven aan den verdachte, dat hij zeker uit zijn zak heeft laten

vallen, na het aan Ross te hebben getoond.

Zoodra de politie dit veroorlooft, zullen wij den inhoud van dit

compromitteerende schrijven bekend maken.

De zaak staat op het oogenblik voor den verdachte zeer slecht.

Het staat vast, dat hij zijn huis gisteravond om ongeveer tien uur

heeft verlaten en pas hedenmorgen om zes uur terugkeerde.

Dit is gezien door een broodbakkersknecht, die hem van aanzien zeer

goed kent, en door eenige bedienden van een nachtcafé aan de

overzijde, dat den geheelen nacht openblijft.

En Robert Spencer weigert te zeggen, waar hij den tijd tusschen

tien uur ’s avonds en zes uur ’s morgens heeft doorgebracht!”

HOOFDSTUK V.

COMBINATIES EN VERMOEDENS.

Raffles bleef nog geruimen tijd voor zich uit zitten kijken, nadat

Charly het blad reeds weder had opgevouwen.

Hij tikte zachtjes met het zilveren lepeltje uit zijn koffiekop tegen

den tafelrand en zijn groote grijze oogen hadden een eigenaardigen

glans.

Na eenigen tijd zeide Charly hoofdschuddend:

—Dat het daartoe moest komen! Het is alles de schuld van het vervloekte

geld! Wij zijn met onze waarschuwingen aan die twee jonge lieden dus

toch nog veel te laat gekomen, Edward!

Raffles scheen in het geheel geen acht te slaan op hetgeen Charly

gezegd had.

Hij staarde in gedachte voor zich uit en de jonge man moest den zin nog

eens herhalen.

Maar ook toen scheen Raffles er de beteekenis niet van te begrijpen.

—Ik zou gaarne willen weten, wat dat briefje behelsde, hetwelk de

politie op den vloer van het kantoor heeft gevonden en dat Spencer moet

hebben verloren, daar het aan hem geadresseerd was en van dienzelfden

dag dateerde. De schurk moet het natuurlijk aanstonds na het vertrek

van Lucy hebben geschreven, anders had het niet met de laatste post

bezorgd kunnen zijn—en Robert moet dadelijk na de ontvangst van dat

briefje het huis hebben verlaten, anders kon hij onmogelijk om elf uur

in de Bishop Street zijn geweest! Wat wil dat zeggen?

—Dat het briefje iets van zeer bijzonderen aard bevatte!

—Juist! Een verzoek om hem eens te komen bezoeken, zal Ross zeer

waarschijnlijk niet tot Robert Spencer hebben gericht! Het moet iets

anders geweest zijn—maar wat?

—Morgen zullen de bladen, het wel mededeelen, meende Charly.

—Ja, de bladen hebben zich weder bij uitstek discreet gedragen! zeide

Raffles op verachtelijken toon. Hot deert dien lieden blijkbaar niet,

de reputatie van een rein, onschuldig meisje door het slijk te halen

met hun half doorzichtige insinuaties, hun lasterlijke opmerkingen! Ik

hoop, dat de heeren verslaggevers ditmaal een weinig meer hun tong

weten in te binden, want ik heb een voorgevoel, dat dit briefje

betrekking heeft op Lucy Spencer!

—Hoe zoo?

—Ik kan geen andere reden zien, waarom de jonge man, haar broeder, die

haar innig liefheeft, in zulk een staat van opwinding naar het huis van

Ross vloog, om dezen even te gaan zeggen hoe hij over hem dacht!

—Hij heeft dat wel wat ver doorgedreven! zeide Charly op zachten toon.

—Wat meen je? vroeg Raffles verbaasd, terwijl hij Charly strak aankeek.

—Wat ik meen? herhaalde Charly, half van zijn stoel opstaande. Wel,

natuurlijk, dat de jonge man in woedenden drift en uit vrees voor

ontdekking, Ross heeft neergeslagen!

Raffles haalde nauwelijks merkbaar de schouders op en zeide toen:

—Dat acht ik volkomen buitengesloten!

—Wat! En wat brengt je er toe, dit te denken?

—Alles, mijn waarde! Alles! De brandkast is opengesmolten, zeggen de

bladen, en wij hebben geen redenen daaraan te twijfelen. Welnu, is het

aannemelijk, dat Robert Spencer in dat huis is gekomen, beladen met

alles wat er al zoo noodig is, om den stalen wand of de deur van een

brandkast door te smelten?

—Ik moet zeggen.... stamelde Charly. Het klinkt wat zonderling, maar

geheel onmogelijk is het toch niet, als wij aannemen, dat Robert daar

gekomen is met het voornemen, zich meester te maken van de wissels,

welke hij in die kast wist.

—Kom, kom—het is totaal onmogelijk! Weliswaar studeert Robert voor

ingenieur maar niemand zal mij kunnen wijsmaken, dat die studie hem

vertrouwd heeft gemaakt met de behandeling van het smeltapparaat,

zooals de inbrekers dat gebruiken—wij zelven onder anderen, liet hij er

op zachten toon op volgen.

—Dus je denkt, dat de politie op een dwaalspoor is, of liever, dat zij

een onschuldige heeft opgesloten?

—Daarop zou ik honderd tegen een durven houden! antwoordde Raffles op

vasten toon.

—Maar wil je mij dan eens antwoord geven op de vraag, waarom Robert

Spencer geen antwoord heeft willen geven op de vraag, waar hij een

groot gedeelte van den nacht heeft doorgebracht?

Raffles antwoordde niet dadelijk, maar bleef in gepeins verzonken

zitten.

Toen zeide hij langzaam, op gedempten toon:

—Als hij niet wil zeggen, waar hij geweest is gedurende den nacht van

den moord, dan zal hij daar wel ernstige redenen voor hebben.

—Zoo ernstig, dat zij hem beletten, zich zelf vrij te pleiten van een

zoo vreeselijke misdaad?

—Zeker! Ik kan mij zulke redenen zeer goed denken.

—Maar het kan hem aan de galg helpen! riep Charly uit.

—Als er zich tenminste intusschen geen dingen voordoen, die zijn

onschuld onomstootelijk vaststellen... dan zeker.

Charly wilde weder een opmerking maken, toen er een jonge man het

vertrek binnentrad, even rondzag, en toen snel naar het tafeltje

toekwam, waaraan Raffles en Charly gezeten waren.

Het was Martin Clyde, een der leden van de Windsor Club, nog niet lang

geleden aangenomen.

De jonge man was bleek, en blijkbaar aan de grootste opwinding ten

prooi.

Hij liet zich op een stoel vallen, en greep de hand van Raffles.

Een oogenblik scheen hij vruchteloos naar zijn woorden te zoeken, maar

toen barstte hij uit:

—Ik vraag u verschooning, Mylord, dat ik u hier ongevraagd kom storen,

maar het betreft een voor mij zeer belangrijke zaak.

—Deel mij mede, wat gij op het hart hebt, mijn waarde Clyde, zeide

Raffles. Ik zal er oprecht verheugd om zijn, als ik in staat ben, u met

het een of ander van dienst te kunnen zijn.

—Ik ben zeker, dat gij dat kunt, Mylord! hernam de jonge man. Reeds

meermalen hebt gij blijk gegeven van een wonderbaarlijke bekwaamheid in

het opsporen van de daders van een misdrijf, en dat zelfs, nadat de

politie haar onmacht had moeten erkennen. Niet zonder reden is de

hoofdinspecteur, Baxter, zoo op uwe medewerking gesteld.

Er verscheen een zonderling glimlachje om de dunne, krachtig geteekende

lippen van den Gentleman-Inbreker, toen hij zeide:

—Wat kan er ook stimuleerender zijn, dan de politie bij te staan in

haar pogingen om het kwaad te straffen? Maar ik kan mij niet goed

voorstellen, mijn waarde Clyde, in welk opzicht ik u thans van dienst

kan zijn?

—Ik zal het u met een paar woorden zeggen, Mylord! hernam Martin Clyde.

Gij moet reeds in de avondbladen hebben gelezen, dat men Robert Spencer

gearresteerd heeft op verdenking, den woekeraar Ross te hebben

vermoord.

Raffles knikte bevestigend.

—Ik heb het gelezen—en ik geloof, dat de politie een ezelachtigheid

heeft begaan! zeide hij kalm.

Clyde schoof zijn stoel met een ruk achteruit, en riep met schitterende

oogen:

—Dus—gij denkt ook, dat hij dit onmogelijk kan hebben gedaan, Mylord.

O, hoe dank ik u daarvoor. Het is immers onmogelijk, ondenkbaar. Bob

was driftig en raakte spoedig opgewonden, maar nooit, nooit zou hij tot

zooiets in staat zijn. Het is louter krankzinnigheid, om zoo iets ook

maar een seconde te kunnen veronderstellen.

—Het eert u, dat gij er zoo over denkt, mijn waarde Clyde, hernam

Raffles op ernstigen toon. Gij grondvest echter uw oordeel, dat Robert

onmogelijk schuldig kan staan aan dezen moord alleen en uitsluitend op

zijn karakterhoedanigheden, en daarmede houdt de politie zich

gemeenlijk niet op, die velt haar oordeel slechts naar bevinding van

het feitenmateriaal. Ik zeg niet, dat het aldus goed is, maar het is

zoo. Ik echter ben vast overtuigd, dat ook de feiten indruischen tegen

de meening, dat Robert Spencer schuldig moet zijn. Hij ontkent

volstrekt niet, dat hij bij Ross geweest is, dien avond—hetgeen

trouwens onmogelijk zou zijn, daar hij door minstens twee getuigen

gezien is—maar toen de bediende de buitendeur in het slot hoorde

werpen—toen is Robert ook inderdaad voorgoed heengegaan. Ik zeide zoo

even reeds tot mijnheer Brand, dat ik het uitgesloten acht, dat Robert

Spencer het huis van den woekeraar zou hebben betreden met een complete

inbrekersuitrusting. Dat zou de bediende, als hij ten minste niet

stekeblind is, toch hebben moeten zien.

—Iets dergelijks is mij ook door het hoofd gegaan, Mylord! riep Clyde

opgewonden uit. Ik kon er alleen maar geen uitdrukking aan geven.

—En de reden van uw komst? vroeg Raffles glimlachend.

—Hebt gij die niet reeds geraden, Mylord? hernam Clyde. Ik kom u

smeeken, mijn vriend te willen helpen. Het zal u wel bekend zijn, dat

ik verloofd ben met zijn zuster—en mijn bloed kookt, als ik bedenk, wat

de bladen hebben durven schrijven over haar bezoek aan Ross, dat haar

door de edelste beweegredenen was ingegeven. Lucy is wanhopig, en bij

haar eerste bezoek aan Bob heeft zij hem bezworen, toch te zeggen, waar

hij dien nacht geweest is, maar hij weigert hardnekkig. Hij verklaarde,

dat er geen politieautoriteit zoo onnoozel kan zijn, om langer dan een

paar dagen aan zijn schuld te gelooven.

—Daarin kon hij zich wel eens vergissen, zeide Raffles hoofdschuddend.

Als die heeren eenmaal een vast denkbeeld in het hoofd hebben, dan is

het vaak zeer moeilijk, er dat weder uit te krijgen. Zij zijn van

meening, dat alle bewijzen tegen den verdachte spreken, en daarbij

zullen zij blijven, tot er iets geschiedt, waardoor twijfel niet meer

mogelijk is.

—En daarom juist kwam ik bij u, Mylord! hernam Clyde haastig. Ik weet,

dat gij vriendschap voor Bob koestert. Ook het lijden van zijn zuster

kan u niet onverschillig laten. Als gij u met deze zaak bemoeit, dan

ben ik zeker, dat het niet lang zal duren, of de waarheid komt aan het

licht, ook zonder dat Bob ons zegt, wat hij dien noodlottigen nacht

heeft gedaan. Het spreekt van zelf, dat ik dadelijk voor een goeden

advocaat gezorgd heb, maar deze zeide mij, dat hij moeilijk iets kan

doen, voor de zaak behandeld wordt, en zoo lang wil ik niet wachten.

—Dat komt mij volkomen begrijpelijk voor, hernam Raffles, want als men

alles op zijn beloop laat, dan kan het nog wel maanden duren, voor het

proces behandeld wordt, want de rechters zijn als het ware overstelpt

met werk.

Raffles was opgestaan en stak Martin Clyde de hand toe.

—Ik beloof u, dat ik zal doen wat ik kan, zeide hij. Maar daarbij zal

ook uw medewerking mij van nut kunnen zijn. Hebt gij zelf in het geheel

geen vermoeden, waar Robert den nacht kan hebben doorgebracht?

Clyde keek geruimen tijd strak voor zich uit, en er verschenen rimpels

in zijn voorhoofd, blijkbaar dacht hij met inspanning van alle krachten

ergens over na.

Toen haalde hij met een gebaar van wanhoop de schouders op, en

antwoordde:

—Ik kan het mij niet voorstellen, Mylord, hij is geen drinker, geen

speler.

Raffles trad dicht op Clyde toe, nam hem bij den arm en fluisterde

bijna onhoorbaar:

—Maar misschien heeft hij wel lief? Komaan, mijn waarde Clyde, gij hebt

met mannen van eer te doen. Als gij maar het minste vermoeden hebt,

deel het mij dan mede.

Clyde wreef zich een paar malen met de hand over het voorhoofd en zeide

toen langzaam:

—Laat eens zien, mijn God, zou dat mogelijk zijn? Ik weet dat hij in

den laatsten tijd veel komt ten huize van Lady Drake, ik heb hen ook

wel eens samen zien paardrijden—maar wat ik u bidden mag, Mylord, leidt

hieruit volstrekt niet af, dat ik eenig vermoeden koester, Lady Drake

is gehuwd, en.........

—En dat zou veel verklaren, mijn waarde! vulde Raffles kalm zijn zin

aan, terwijl hij den ander met zijn groote, grijze oogen recht in het

gezicht keek.

—Dus, gij denkt dat Bob gisternacht bij haar...... bij Irma Drake

geweest is?

—Ik denk voorloopig nog niets, maar het zou mij toch heel wat waard

zijn, als wij dienaangaande zekerheid hadden.

—Dan moeten wij ons die zekerheid zien te verschaffen! riep Charly uit.

—Maar wij moeten het zoo discreet mogelijk doen, ging Raffles voort.

Als wij een oogenblik veronderstellen dat wij de waarheid bij de haren

gevat hebben, dan kon Robert Spencer het ons wel eens zeer kwalijk

nemen als wij het uitbrachten wat hij zoo zorgvuldig verzwegen wil

houden, dat hij den nacht in gezelschap van een getrouwde vrouw heeft

doorgebracht—misschien wel in haar huis.

—Als ik hem goed ken, Mylord, dan zou hij zich liever laten

veroordeelen, dan den naam eener vrouw in opspraak te brengen, die hem

heeft vertrouwd.

—Maar veronderstel dat zij zelf sprak, dat zij het leven van haar

minnaar stelde boven haar eigen eer? ging Raffles voort.

—Dat zou natuurlijk de zaak veel veranderen, Mylord, maar ik kan u

daaromtrent niets zeggen, want daarvoor ken ik Lady Drake te weinig.

Gelooft gij niet, dat er veel vrouwen zijn, die een zwaren strijd met

zichzelf zouden moeten voeren, alvorens zoo te handelen?

—Zeer veel, mijn waarde, zeer veel, antwoordde Raffles droogjes; in

ieder geval moeten wij dit spoor volgen, als de dame in kwestie,

natuurlijk voorop gesteld dat wij het bij het rechte eind hadden

slechts wilde spreken, dan is Robert reeds morgen op vrije voeten

gesteld.

—Misschien heeft zij het al wel gedaan! riep Clyde opgewonden uit, op

het oogenblik dat wij hier met elkander spreken.

—Ik benijd uw optimisme ten aanzien van het zwakke geslacht, mijn goede

Clyde, dat is alles wat ik zeggen kan, liet de harde stem van Raffles

zich hooren. Woont de dame, waarover wij spreken, in Londen?

—Ja, in Hampstead.

Raffles bleef een oogenblik in gedachten staan en hernam toen:

—Ik herhaal, dat ik u en Robert Spencer met mijn zwakke krachten gaarne

ter zijde wil staan, maar wij kunnen niets doen als Spencer zelf

hardnekkig blijft en de vrouw om wier wille hij zwijgt, niet spreken

wil, wie het dan ook zijn moge.

Clyde greep de hand van Raffles en drukte haar met kracht.

—Ik dank u, Mylord, ik gevoel mij nu heel wat geruster. Ik zal het

goede nieuws dadelijk aan Lucy gaan overbrengen.

—Waar bevindt uw aanstaande zich op het oogenblik?

—Bij haar moeder, Mylord.

—Gij gaat haar nu aanstonds opzoeken?

—Dadelijk.

—Gij kunt u zeker volstrekt geen denkbeeld maken van den inhoud van het

briefje hetwelk Ross aan Robert geschreven heeft, en dat uw vriend in

het kantoor van den woekeraar verloren heeft?

—Toch wel, Mylord. Lucy heeft mij natuurlijk op de hoogte gesteld van

wat haar wedervaren is ten huize van den schurk, en wij vermoeden dat

hij zich heeft willen wreken door Robert te schrijven, dat de wissels

aanstonds betaald moesten worden en dat hij in dat briefje uit

wraakzucht omdat Lucy slechts met verachting op zijn schandelijke

voorstellen heeft geantwoord, wie weet welke afschuwelijke dingen hij

van haar heeft gezegd.

—Dat zou de opgewonden haast verklaren, waarmede Robert aanstonds na

het ontvangen van dien brief naar Ross is gesneld, om hem rekenschap te

vragen en hem even te gaan zeggen wat hij van hem dacht, hernam Raffles

nadenkend. De rechter zal natuurlijk van dat briefje gebruik maken om

den verdachte te belasteren. Nu, wij zullen dadelijk aan het werk gaan,

dat beloof ik u.

—Dan neem ik nu afscheid van u, Mylord, in de hoop, zeer spoedig iets

van u te mogen vernemen, zeide Martin Clyde, en hij drukte Raffles

nogmaals de hand, knikte Charly Brand toe, en verliet haastig de

restauratiezaal.

Raffles keek hem een oogenblik na, en wendde zich toen tot Charly met

de woorden:

—De zaak kan morgen tot een goed einde zijn gebracht, als slechts die

vrouw wil spreken.

—Jij spreekt maar steeds van die vrouw, maar ben je er dan zoo zeker

van, dat er een in het spel is? vroeg Charly.

—Dat kan niet anders, en ik had het veel eerder moeten bedenken,

antwoordde Raffles en er verscheen een verachtelijk glimlachje om zijn

lippen. Als een man in zulke omstandigheden zwijgt, waar het om leven

of dood gaat, kun je er wel een eed op doen, dat er een vrouw mee

gemoeid is.

—En als dat nu zoo is, wat ben je dan van plan te doen?

—Naar haar toe te gaan, en haar aan te manen te spreken.

—En als zij weigert?

—Haar echtgenoot op de hoogte brengen, antwoordde Raffles kalm, terwijl

hij een versche sigaret opstak.

Charly keek hem met groote oogen aan.

—Staat het je wel helder voor oogen wat je daar voor een schandaal

verwekt, dat je een getrouwde vrouw in opspraak brengt, en dat Robert

zelf je het wel eens zeer kwalijk kon nemen.

—Dat is alles van veel minder belang, ja het heeft volstrekt niets te

beteekenen, als het leven van een man op het spel staat, en niet alleen

het leven van Robert, maar ook het geluk van zijn zuster, en de

gemoedsrust van zijn brave oude moeder. Geloof je niet, dat die meer

waard zijn, dan het fatsoen van een getrouwde vrouw, die per slot van

rekening overspel heeft gepleegd? Maar in ieder geval kunnen wij nog

wachten tot morgen, misschien spreekt zij wel uit zichzelve.

Raffles bleek goed te hebben gezien.

Den volgenden morgen werd Robert Spencer op vrije voeten gesteld.

Ditmaal had de politie, waarschijnlijk omdat het de naam van een

hooggeplaatste dame betrof, bescheidenheid betracht, en aan de

verslaggevers medegedeeld, „dat er zich omstandigheden hadden

voorgedaan, waardoor het niet langer mogelijk was, de schuld van Robert

Spencer aan den moord op Stephen Ross staande te houden.”

Daarmede moesten de bladen zich vergenoegen, maar Raffles, Charly en

Martin Clyde wisten beter. Irma Drake had zich nog den vorigen avond

laat op Scotland Yard vervoegd, en daar de verklaring afgelegd,

doodsbleek maar met vaste stem, dat Robert Spencer dien nacht bij haar

was geweest......

Er was een zeer dramatisch tooneel op gevolgd, want men had den

verdachte met haar geconfronteerd, en de jonge man had aanvankelijk

krachtig ontkend, dat hij zijn minnares bezocht had, maar voor de

smeekbeden en de tranen van de schoone, jonge vrouw was hij ten slotte

bezweken, en Raffles wist dit alles zoo nauwkeurig, eenvoudig omdat hij

dienzelfden avond het huis van Lord Drake bespied had, zijn echtgenoote

had zien uitrijden, haar tersluiks gevolgd was, haar het sombere gebouw

van Scotland Yard had zien binnengaan, en haar dit gebouw eenige uren

later weder had zien verlaten in gezelschap van Robert Spencer. Raffles

had even geglimlacht, en was zijns weegs gegaan. Hij begreep zeer goed

wat er was voorgevallen.

HOOFDSTUK VI.

DE WISSELS.

Er was een dag voorbijgegaan sinds Robert weder in vrijheid was gesteld

en de politie wierp zich met vurigen ijver op een geheel nieuw spoor,

maar klaarblijkelijk zonder eenig resultaat.

Robert Spencer zat in zijn studeerkamer met het hoofd in de handen, en

de ellebogen op het blad van zijn schrijftafel. Hij had zooeven een

damesportret in een fraaie zilveren lijst uit een lade genomen, en het

voor zich gezet en naar dat portret staarde hij nu met een blik van

innige liefde in zijn bruine oogen.

—Dat zij dat voor mij gedaan heeft, dat zal ik nooit vergeten. Mijn

kleine heldin, spoedig zul je vrij zijn, en dan vertrekken wij van

hier, om een nieuw leven te beginnen.

Er werd op de deur geklopt en Robert greep haastig het portret, en

wierp het in de opengelaten lade.

Juist toen hij haar weder had dichtgeworpen, trad Martin Clyde het

vertrek binnen.

Hij zag er vroolijk en opgewekt uit, en drukte zijn vriend hartelijk de

hand.

Lord Lister No. 0312: In de klauwen van een woekeraar · 第 2 / 4 段